Broeierig

‘Simone straalde echt iets broeierigs uit!’ zei de vrouw die voor mij liep nogal verstaanbaar tegen iemand in haar oortjes. Ze deed me om een of andere reden denken aan Jeanette op wie ik in de brugklas ooit heel erg maar onopgemerkt verliefd was. Ze bewoog driftig met haar armen. De vrouw voor me, bedoel ik.

Dat laatste begreep ik niet goed. Dat wil zeggen, ik kon die bewegingen niet rijmen met wat ze zei. Maar goed, welke armgebaar hoort er wel bij zo’n stelling?

Dit is een retorische vraag.

Ze ging verder: ‘Who the fuck zegt nou zoiets?’

Ah, verbazing! Leek mij. Laat ik het daar maar op houden. Of misschien was het verontwaardiging.

Was zíj misschien Simone? En had iemand dat over haar gezegd? Dat betwijfelde ik. Ze vertelde het verhaal alsof ze er getuige van was geweest. Alsof ze in een gezelschap had gezeten waarvan iemand dat opeens van Simone had gezegd.

Misschien was Simone een van de kandidaten bij een sollicitatie geweest? En zat de vrouw die voor mij liep in de commissie die de beste moest kiezen? Of, soortgelijke situatie, was de vrouw voor mij lid van een ballotagecommissie van een studentenhuis en was die Simone komen kennismaken?

Trouwens, wat is dat, iets broeierigs uitstralen? Wát was er te zien toen Simone dat deed? Ik wilde context, om het eens modern te zeggen.

Nieuwsgierigheid is een mooie eigenschap, maar nu brak het me toch op. Ik wilde heel graag aan de vrouw voor mij vragen wat er precies was gebeurd. Maar zoiets doe je niet natuurlijk. Ik in ieder geval niet. Zeker in dit geval niet. Ze was al verontwaardigd genoeg. En laten we eerlijk zijn, het ging niet om iets waar je het zomaar eens met een voorbijganger over gaat hebben.

Ze ging verder met haar verhaal en zei dat die bepaalde uitstraling er niet toe deed. Dat was privé. Een mens mag uitstralen wat hij/zij/hen wil.

Dat ben ik met haar eens. En niet om politiek correct te zijn. Ik vind het echt. Niet gehinderd door kennis van zaken, overigens. Ik weet namelijk nooit wat ik zelf uitstraal en ik begrijp zelden wat anderen uitstralen. Heel onhandig in het sociale verkeer, kan ik u vertellen.

Ik zette de pas erin om van de kwestie af te zijn. Ik kan behoorlijk aanpoten, al zeg ik het zelf, dus hoorde al snel niets meer van het telefoongesprek. Ik kreeg het wel warm. Toch maar weer iets langzamer lopen. Maar wat nou als ze me zou inhalen?

Eek!

Om niet helemaal gek te worden, stopte ik even om hele harde muziek uit te kiezen en mijn oortjes te zoeken. Maar ik kan nooit iets vinden in mijn tas en ben zodoende altijd bang dat ik van alles kwijt ben, zeker in dreigende situaties als deze, en raakte dus in paniek waardoor ik de vrouw vergat tot ik inderdaad weer door haar werd ingehaald. Net toen ik zwetend het doosje van mijn oortjes op de bodem van mijn tas voelde.

Te laat.

‘Ja, als ze nou een hele blote jurk had gedragen of zo…’ zei de vrouw (terwijl ik de oortjes in mijn hoofd probeerde te proppen).

Ja, wat dan, vroeg ik me af. Staat de uitstraling dan buiten kijf? Hmm… bij zulk uiterlijk vertoon gaat het niet meer om uitstralen maar eerder om uitróépen. Of uitschrééuwen.

Toch?

Er drongen zich meteen nog meer vragen aan mij op: wat is eigenlijk het verschil tussen uitroepen en uitschreeuwen? Uitroepen, dat doe je van vreugde, leek me, en uitschreeuwen doe je in wanhoop. Dat bracht me niet veel verder. Ik probeerde heel erg de verschillen niet voor me te zien. Dat hoefde ook eigenlijk niet, want Simone was zo helemaal niet, had de vrouw gezegd.

Gelukkig. Het was allemaal al ingewikkeld genoeg. Ik ook altijd met mijn gedenk.

Die verzuchting had ik als een waarschuwing moeten zien. Het is meestal namelijk een voorteken van een mentale toestand waarin ik stukje bij beetje minder en minder van de wereld om mij heen waarneem om vervolgens met een roerloze blik voor mij uit te staren. Terwijl ik denk.

Het kan geen kwaad, maar het is wel een beetje ongemakkelijk.

Eerst voor de omstanders, later ook voor mij, als tot me is doorgedrongen dat het weer eens zover was.

Meestal kom ik vanzelf weer bij zinnen, maar nu kwam het doordat ik schrok. Die vrouw stond opeens een paar meter verderop naar mij te kijken. Nog steeds in gesprek.

‘Wacht even, Jeanette, we doen het helemaal anders,’ zei ze. ‘We zetten alles in de eerste persoon, ja: ik-zinnen, en dan maken we van de hoofdpersoon een man. Heb je dat?’ Ze luisterde en knikte. ‘En dan begint het verhaal met dezelfde zin, maar dan gehoord door die man, die toevallig achter mij loopt…’

‘Hè? Ja, in het echt ook, maar nu niet meer.’ Ze liep weg terwijl ze verder praatte. ‘Hij stond te slaapwandelen of zo. Maar nou is hij weer wakker geloof ik. Echt raar…’

Nou moe, ben ik in het blog van een ander terecht gekomen.

p.s. de foto is van Wikimedia Commons

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.