
Je hoort het tegenwoordig niet zoveel meer, ik in ieder geval niet, dat mensen een gesprek waarin iemand om één of andere reden over de tong gaat, beëindigen met de conclusie dat die persoon wél een hoge gunfactor heeft. Vaak is het eigenlijk geen conclusie, maar een verklaring voor het feit dat hij/zij/hen in weerwil van allerlei miskleunen maar kan blijven knoeien alsof het niks is.
Zo’n persoon is bijvoorbeeld mijnheer Versteegh, tweede nestkastcommissaris van het rayon Zutphen-West, die nog geen specht van een boomklever kan onderscheiden, maar desondanks wel heel vrolijk en enthousiast is, plezierig in de omgang, en vogels in het algemeen een enorm warm hart toedraagt.
In de vergadering over zijn functioneren zegt dan tenslotte iemand zoiets als: ‘maar hij heeft natuurlijk wel een hoge gunfactor’.
Dus hij blijft, met als gevolg dat er verkeerde vogelhuisjes aan de verkeerde bomen komen te hangen en de boomklevers (letterlijk) voor een dichte deur staan, wat spechten om voor de handliggende redenen juist heel erg leuk vinden, ik bedoel: heel erg leuk hadden gevonden, want zij op hun beurt zitten te kijken met hele rare hokjes, met een ingang aan de zijkant, waar ze echt geen snars van begrijpen.
En dat dus dankzij de gunfactor van mijnheer Versteegh. Hóge gunfactor, om precies te zijn. Waaruit ik trouwens altijd heb opgemaakt dat eigenlijk iedereen een gunfactor heeft, maar dat alleen de mensen met een hoge gunfactor het vermelden waard zijn. Wat natuurlijk wel logisch is, want prutsers met een lage gunfactor vliegen er meteen uit (no pun intended) en daar hebben we het niet meer over. En succesvollen hebben geen gunfactor nodig, want die hebben alles al. Of nou ja, bijna alles.
Ik ontwijk hier de vraag die ik mezelf zou kunnen stellen: heb ik een gunfactor, en zo ja, is die hoog of laag? Ik ben nooit te beroerd om kritisch naar mezelf te kijken, maar er zijn grenzen aan wat ik op een zondagmiddag aankan. Dus als u het goed vindt, verdring ik de vraag nog even.
Wat me brengt bij een recenter fenomeen, dat ook over gunnen gaat (en over verdringen). Het ligt in het verlengde van de gunfactor. Het is een soort kleineren met een omweg, maar dan nadát iemand finaal door de mand gevallen is. Na zo’n afgang zeggen de omstanders: ‘je zou hem/haar/hen gunnen dat…’ waarna een eigenschap of omstandigheid volgt die de persoon niet heeft maar die wel zou hebben geholpen in diens loopbaan, of die zelfs zou hebben voorkomen dat het zo ontluisterend afliep.
Stel dat meneer Versteeg geen hoge gunfactor had en dus zijn loopbaan als nestkastcommissaris roemloos had moeten eindigen, dan zouden mensen zeggen: ‘je zou hem gunnen dat hij het zelf gezien had’, of: ‘je zou hem gunnen dat iemand hem dat eerder had gezegd’.
Nu ik het zo opschrijf, vind ik het nogal schijnheilig. Eigenlijk. En laf. Al die omstanders die opeens doen alsof ze geen oordeel hebben/hadden. Nee, niemand heeft de ongelukkige mijnheer Versteegh het laatste zetje gegeven, de hele ontmaskering was welbeschouwd een onvermijdelijke lotsbeschikking.
Eh… dit blog wordt steeds grimmiger, geloof ik. Leest u vooral door, ik ga proberen er een draai aan te geven.
Met een hele bijdetijdse en fijne variant van gunnen, die niemand niks aangaat, maar alleen onszelf. Hoe leuk is dat!?
Heel erg leuk, want het is dé manier om iets te doen wat je eigenlijk niet wilt doen (om welke reden dan ook).
Laat ik mezelf als voorbeeld nemen, zodat u niet denkt dat ik de hele tijd op anderen (inclusief u) zit te vitten.
Ik ben dol op brownies. Maar mijn betere ik vindt dat niet goed, want veel te veel suiker en vet en noem maar op. Dus als ik ze toch eet, sterker nog als ik ze eerst zelf maak en dan ook nog eens zelf opeet, zeg ik: ‘dat gun ik mijzelf gewoon’.
Tegen niemand in het bijzonder en vooral tegen mijzelf.
Het is volgens mij een klassiek geval van cognitieve dissonantie reductie.
Eh…
Wat ik doe (brownie eten) komt niet overeen met hoe ik over mijzelf denk (weldenkende man die om zijn gezondheid geeft) en dus probeer ik dat recht te breien, in dit geval door van de brownie een geschenk te maken dat ik mezelf geef. Niks geen ongezonde suikers en vetten maar een prachtig cadeau dat die aardige meneer Poort mij uit de goedheid van zijn hart welwillend toestopt!
Snik…
De hele truc om van dissonantie naar consonantie te komen (=rechtbreien), en tevens een fijne bijkomstigheid, is dat ik dus tegen mijzelf zeg dat ik het verdien. Mag ik ook eens genieten? Ja!
Vraag me niet waarom, want dat doe ik óók niet. Die brownie is een onvoorwaardelijke gunst.
Jezelf verwennen is het helemaal!
Hoera!
Doe het ook!
En geniet ervan!
(Pfoe… blog gered.)
p.s. De theorie over cognitieve dissonantie is zo ongeveer de enige nog overeind gebleven theorie die ik tijdens mijn studie psychologie leerde. Alle andere bleken nep. Als in: vervalst. Bij elkaar geknipte en geplakte en uit de duim gezogen data over gemanipuleerde dan wel verzonnen proefpersonen. Gelukkig heeft de wetenschap een hoge gunfactor (vind ik dan).
p.p.s. de foto is van Wikimedia Commons.