Hart/hoofd

Toen ik op een bankje ergens in de polders bij Tienhoven zat, kwam er een vrouw langs die zo overweldigend in your (my!) face gekleed was, namelijk in een geweldige combinatie van luidkeels groen (satijnen Mao-vestje) en nog luider schreeuwend geel (broek, wijde pijpen, geborduurde bloemen) dat ik haar zonder er verder over na te denken (waarom zou ik?) welgemeend complimenteerde met haar ensemble, een compliment dat zij al even welgemeend in ontvangst nam.

Tot zover niets aan de hand.

Maar toen was ik uitgerust en had ik mijn boterhammetjes op en ging ik weer verder en haalde ik de vrouw in. Want ze slenterde alsof het niets was. Ze was aan het telefoneren.

‘Nou, weet je wat ik doe als ik niet kan slapen? Dan doe ik alsof ik een heel klein mensje ben en loop ik ín mijn lichaam naar mijn hart. Daar ga ik dan tegenaan zitten,’ zei ze.

Dat zag ik voor me. Ze had haar armen om haar opgetrokken knieën geslagen en knikkebolde een beetje, terwijl ze met haar hoofd tegen de wand van haar hart zacht met het kloppen meedeinde…

Ho!

Ze had die prachtige maar heel erg lawaaierige combinatie nog steeds aan! Geen wonder dat ze niet in slaap kon komen. Had ze geen pastel blauwe pyjama of zo? Of iets in oud roze?

Dat leek me niet iets om nu aan haar te vragen. Ik ken mezelf. Hoewel het een volstrekt legitieme vraag was in míjn hoofd, zou zij het vast en zeker beschouwen als een hele slechte eerste zin van een stuntelige poging om een gesprek aan te knopen, of wat dan ook. En ze zou gelijk hebben! Maar ik wilde helemaal geen gesprek aanknopen, laat staan wat dan ook. Ik wilde gewoon wat meer context, zoals dat tegenwoordig heet. Want nu zat ik met die vrouw in mijn hoofd terwijl zij naast haar hart in haar eigen lichaam zat, in een kleurig setje dat prima was voor een fijne wandeling op een zonnige dag, maar echt funest voor je nachtrust.

Maar goed, ik ging haar dus niet om uitleg vragen. Laat staan dat ik haar zou vragen of ik eens een keertje even naast haar mocht komen zitten. Want dat leek me opeens wel gezellig.

Een nog slechtere eerste zin.

Ik vind het romantisch, zei Cavia, ‘en die vrouw misschien ook wel.’

‘De wildvreemde vrouw die ik zojuist heb afgeluisterd, bedoel je? Nee, zoals ik al vaker heb uitgelegd… in een Hollywoodse romcom pakt zoiets na een reeks ongemakkelijke misverstanden geweldig uit voor alle betrokkenen, die aan het einde van de film allemaal huilen van geluk, maar in mijn leven niet. In mijn leven blijft het bij ongemakkelijke misverstanden.

‘Dat zeg je altijd. Je zit daar maar in je hoofd te bedenken hoe alles zal uitpakken, maar heb je ooit gewoon iets geprobeerd?’

Dat was geen vraag.

‘Mag ik hier naast u zitten?’

Dat was wel een vraag. Een heel erg gefluisterde vraag. Twee uur later, ander bankje, op een heuveltje. Andere vrouw, een tegenovergestelde vrouw zou ik haast zeggen, want geheel in camouflagekleuren gekleed. Nadat ze was gaan zitten begon ze zich omstandig maar geruisloos te installeren om eens uitgebreid in de verte naar vogels te turen. Daarvoor had ze maar liefst twee verrekijkers, een kleintje aan een bandje om haar nek en een grote voor zich op poten, die ze allebei behoedzaam uit haar groene rugzak had gehaald. Haar rugzak die van boven tot onder uit ritsen en touwtjes bestond.

Zo’n soort rugzak heb ik ook, maar de vrouw kon er beter mee overweg dan ik, want ze wist door trefzekere en bewonderenswaardige organisatie precies achter welk ritsje welk benodigdheidje zat.

‘Zijn daar YouTube tutorials voor?’ hoorde ik mezelf vragen.

Ze antwoordde met haar wijsvinger ernstig voor haar lippen terwijl ze haar hoofd schudde en naar het landschap voor ons gebaarde.

Stilte!

Vogels!

De vrouw zette de kolossale telescoop voor haar rechteroog.

Ongemakkelijk misverstand; mijn vraag, die eigenlijk een grap was. Niet om te lachen, vond de vrouw. Dus in ieder geval ongemakkelijk. En om dat nog eens te onderstrepen, verloor ik mijn evenwicht toen ik opstond om te vluchten, rolde ik van het heuveltje en stootte ik mijn hoofd tegen een omgevallen boom. Waarom ruimen ze die dingen ook niet op als ze op de grond liggen?

Ik schreeuwde heel hard: ‘AU!’

Alle vogels in de hele polder vlogen verschrikt op om de rest van de dag niet meer terug te keren. De vrouw wenste mij naar de hel.

In plaats daarvan ging ik naar huis, precies het omgekeerde van de hel, want mijn eigen hemel. En daar ging ik weer in mijn hoofd zitten, mijn speciale plaats in mijn eigen hemel.

Naast Cavia.

‘Jij ook altijd met je goede raad,’ zei ik. Cavia zweeg. Na een poosje sloeg die een arm om mijn schouder.

p.s. De tekening is gemaakt door Patrick J. Lynch en te vinden op Wikimedia commons: hier. Ook de tekening van hersenen staat op Wikimedia commons, hier. Ik heb de tekeningen zelf over elkaar gefröbeld.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.