Fluitsignaal

De twee dames die hijgend tegenover mij op de bank ploften, konden hun geluk niet op, bleek toen ze weer een beetje op adem waren gekomen. Ze hadden namelijk nét de trein gehaald.

Om zeker te weten dat het echt goed was afgelopen, vertelden ze elkaar gedetailleerd wat ze allemaal hadden gedacht en vervolgens gedaan om tenslotte veilig en wel hier op deze bank in deze trein neer te zijgen.

Gewoon de eerste de beste bank! Dat laatste was kennelijk het verbazingwekkendste van alles, want dat herhaalden ze een paar keer. Ik wist niet waarom.

Eh…

Ze trokken hun jassen uit, doken in hun tassen om een thermoskan, bekers, een Tupperware bakje met koekjes, en roze servetjes tevoorschijn te halen, stalden alles uit op het plankje bij het raam, en wilden net hun koffie inschenken toen uit de intercom een strenge mannenstem kraakte.

De conducteur.

‘Dit is een bericht voor de twee dames in het blauw en paars die het zojuist nodig vonden om op het allerlaatste moment nog in de trein te springen.’

De dames stokten en keken elkaar aan.

‘Elise, dat zijn wij!’ fluisterde de een. Elise gebaarde dat ze niks moest zeggen. Ze zwegen en gluurden quasi terloops naar mij om te zien of ik het doorhad.

Ja, nogal wiedes, maar wat moest ik met die kennis? De twee erbij lappen? Heel hard roepen dat ze hier zaten? Nee, dat ging ik natuurlijk niet doen. Maar ik kon niet voorkomen dat mijn blik afdwaalde naar het haakje waaraan hun jassen hingen. Een blauwe en een paarse.

Ze bloosden.

De conducteur ging verder: ‘Wat u deed, is strafbaar! Ik had namelijk al gefloten!’

Soms is de timing van de Nederlandse spoorwegen gewoon griezelig, want terwijl de stem van de man nog nagalmde, verscheen op de schermpjes in de coupé de volgende tekst: “In verband met uw veiligheid is het verboden om in- en uit te stappen na het klinken van het fluitsignaal.”

Hm… een hele slechte tekst.

Terwijl ik mijn hoofd de zin probeerde te redigeren (zie ook mijn vorige blog, het is een ziekte), begon Elise aan een reconstructie van wat er precies was gebeurd.

‘Ja, ik zei nog: Chantal, laten we de volgende maar nemen.’

‘Oh, ging je daarom rennen?’ vroeg Chantal.

Intussen begreep ik dat ‘klinken van het fluitsignaal’ niet. Het stond er alsof het een natuurverschijnsel was dat buiten de NS om telkens uit de lucht kwam vallen. Of zoiets.

‘Nou ja zeg, ik mág niet eens rennen van de dokter. Vanwege m’n knie.’ Dat was Elise weer. Chantal schudde haar hoofd.

‘Ik kon je amper bijhouden!’

Dus ik besloot van dat klinkende fluitsignaal een actie te maken. Een actie van de conducteur. Dat leek me ook veel leuker.

‘Nou Chantal, dat is niet eerlijk van je, want je weet heus wel dat ik sinds die ene keer bij die bushalte nooit meer ren. Daar heb ik toen juist die knie van gekregen!’

Vervolgens besloot ik ‘in verband met uw veiligheid’ te schrappen. Want wat betekent dat? Ik zou het niet weten, het is veel te vaag. Omfloerst. Waarom zeggen ze niet gewoon dat het gevaarlijk is om in of uit een bijna vertrekkende trein te springen?

‘Welke bushalte?’

‘In Hoogeveen! Toen we naar Madeleine gingen!’

Daar wist Chantal niks meer van en dat hele verhaal van de dokter geloofde ze eigenlijk ook niet. Ze renden zo vaak…

‘Ja, omdat jij altijd net op het nippertje komt…’

Dat was de druppel. Chantal pakte haar thermoskan en stopte die weer terug in haar tas. Elise griste de koekjestrommel van het plankje. Toen ze alles weer hadden ingepakt bleven ze met hun tassen op schoot stil voor zich uit staren.

Inmiddels had ik een nieuwe tekst.

‘Als de conducteur gefloten heeft, mag u niet meer in- of uitstappen, want dat is gevaarlijk,’ prevelde ik.

Wat zei u?! vroeg Elise.

Eh…

Ze keek Chantal aan en ze grinnikten. Kwam ík even als geroepen, een gemeenschappelijke vijand!

‘Waar bemoeit u zich mee?’ vroeg Elise.

‘Ja,’ viel Chantal haar bij, ‘ bent u soms ook van de spoorwegen?’

Om één of andere reden had ik de tegenwoordigheid van geest om niet uit te gaan leggen dat ik een beleidsmedewerker met een beroepsdeformatie was, die bovendien nog eens in zichzelf praatte. Of mét zichzelf. Dat leek mij een slecht verhaal. De waarheid, maar toch een slecht verhaal.

Dus verzon ik een ander verhaal, dat waarschijnlijk even slecht was, want ze geloofden er geen snars van. Ze leunden dreigend naar voren en toen ze in de ijver om hun vriendschap weer te lijmen mij een duw gaven, nam ik de benen, maar al na een paar meter had Elise me ingehaald. Ze lachte.

‘Nou, dat verhaal over haar knieën en de dokter is echt wel gelogen!’ riep ik langs haar heen naar Chantal.

Dat had ik misschien niet moeten doen. Elise duwde me nog eens. En nog eens…

‘Meneer! Meneer!’ Dat was de conducteur, die me wekte en me vriendelijk vertelde dat we al een tijdje in Leeuwarden waren.

Ik stond op.

‘Vergeet uw koekje niet!’ Hij wees naar een roze servetje waarop een kletskop lag. ‘Lekker hoor, zelfgebakken.’

De foto heb ik gevonden op Wikimedia Commons, en wel hier.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.