Alle berichten door René Poort

Onbekend's avatar

Over René Poort

Ik ben een schrijver en schrijf over alles wat me voor de voeten komt. Vaak in een blog, soms in een roman, & op mijn werk in memo's, notities & plannen van aanpak. De rode draad is dat het leven een heel gedoe is. Ingewikkeld. Maar als ik daar niet over schrijf, word ik gek.

Hypothetisch

‘Ja, we geven elkaar dus al jaren een hypothetisch cadeau, maar dit jaar kan ik echt niks verzinnen,’ zei de vrouw op het ene paard tegen een andere vrouw op een ander paard.

‘Oh, waarom geef je niet gewoon…’ begon die andere vrouw, maar haar suggestie ging verloren in de wind. Waardoor ik zonder dat ik er erg in had en met behoorlijke tegenzin terugdacht aan de allereerste beatmis die ik meemaakte, ik weet niet meer waar en wanneer dat was, alleen dat ik het gênant vond, vanwege de rare would be hippies die met hun elektrische apparaten en instrumenten en veel te luide drumstel voor het altaar stonden en bij het minste of geringste in een lied uitbarstten, in alle gevallen een bloedeloze vertaling van echte jaren 60-klassiekers, die in het Nederlands opeens veel religieuzer betekenissen bleken te hebben dan ik er op mijn paars met oranje tienerkamer ooit achter had gezocht.

‘Het antwoord, mijn vriend, verwaait in de wind…’ zongen ze bijvoorbeeld. Zoetgevooisd. Wat het er niet beter op maakte, want daar is geen enkele tekst van Dylan uit die tijd tegen bestand.

Eh…

Waar was ik?

Oja, de suggestie van die mevrouw op dat paard. Ook mee met de wind.

Gelukkig. Want nou kon ik tenminste zelf iets bedenken. Dat wil zeggen… eerst moest ik weten wat een hypothetisch cadeau precies was. Niet iets wat ik zou willen hebben, dacht ik. Een cadeau dat op een veronderstelling berust, wat heb je daaraan?

Krijg je dat eigenlijk wel?

Is een hypothetisch cadeau ook voor een hypothetische verjaardag?

Hm…

Eigenlijk is iedere verjaardag natuurlijk hypothetisch. Je moet elk jaar maar weer afwachten of je het tot de volgende redt. Sorry, niet zo’n vrolijke gedachte, maar meer kan ik er niet van maken. Lees vooral door.

Nee, schrijf vooral door!

Dat laatste roep ik mijn hoofd tegen mijzelf (bij gebrek aan Cavia) want ik heb geen flauw idee van waar dit verhaal heengaat en tuur al een onrustbarend poosje naar mijn laptop, terwijl er ook nog eens twee intrigerende vrouwen aan het tafeltje naast mij zijn gaan zitten, intrigerend omdat ze misschien een tweeling zijn, maar dan op zo’n manier dat het telkens net is of ze geen echte tweeling zijn.

Ze lijken op elkaar maar niet als twee druppels water en ze zijn hetzelfde gekleed en toch ook weer niet. Ze dragen bijvoorbeeld wel allebei een crème kleurig jasje van een soort nepbont, maar het bont van de ene is min of meer langharig en dat van de andere heeft krullen. En beiden hebben een oud roze flare broek aan, maar de ene broek is van ribfluweel en de andere van gewoon fluweel. Tot slot: precies dezelfde kleur Nikes, maar de een air max classics en de andere air max 90’s.

Om gek van te worden!

Zoiets houdt me dan meer bezig dan dit verhaal, want ik wil natuurlijk weten hoe het zit, maar durf het niet gewoon te vragen aan die twee, want ze zijn zo in zichzelf gekeerd met elkaar bezig dat het erop lijkt dat de rest van de wereld voor hen niet bestaat en ik wil hen natuurlijk niet aan het schrikken maken door opeens wel te bestaan.

Als het ware.

En dan bedenk ik dat dit alles waarschijnlijk al meer dan genoeg bewijs is, dat ze als een soort twee-eenheid handelen, bedoel ik, alsof ze samen precies dezelfde dingen denken en samen één lichaam hebben, het is gewoon griezelig! Als die samen geen tweeling zijn, wat dan? Een folie a deux, maar dan op een goede manier? Kan dat?

Eh…

Als Cavia nog bij me was zou die me nu tot de orde roepen, zodat ik niet nog verder afdwaalde.

Dus dat doe ik zelf maar… terug naar dat hypothetische cadeau. Dat wil zeggen… ik heb best wel een levendige fantasie, al zeg ik het zelf, en dus leek het me een fluitje van een cent om even te verzinnen wat een hypothetisch cadeau is, inclusief een paar voorbeelden. Maar de makke met hypothetische dingen is dat je ze zo gek niet kan bedenken of ze kunnen bestaan. Dat is eigenlijk zo’n beetje wat ze zijn; dingen die kunnen bestaan. Dus een hypothetisch cadeau verzinnen, dat bleek moeilijker dan ik dacht, doodgewoon omdat ik uit de hele verzameling die spontaan in me opkwam er geen kon kiezen die het leukste was. Precies het probleem van die vrouw gokte ik.

Oh, hm… die mededeling over Cavia was te terloops… Ja, Cavia heeft me verlaten. Voor een andere schrijver nota bene. Een vrouw. Mensen hadden me er al voorzichtig op gewezen dat er een Cavia in haar verhalen figureerde, maar u weet hoe dat gaat, ik verdrong het. Tot ik haar opeens in een televisieshow in geuren en kleuren over haar nieuwe boek zag opscheppen en over Cavia hoorde praten alsof ze die al jaren kende!

Toen moest ik het wel geloven.

Dat heb ik weer, een alter ego dat me voor een ander verlaat… hoe sneu is dat?

Opeens stonden de twee vrouwen naast mijn tafeltje. ‘Hallo, wij zijn misschien een tweeling en wij houden ook helemaal niet van beatmissen!’ zeiden ze vrolijk. Unisono natuurlijk ‘En we houden al helemaal niet van antwoorden die wegwaaien! Vage shit!’

Ik knikte. Vond ik eigelijk ook. Ze glimlachten.

‘We hebben een hypothetisch cadeau voor u. Het zou kunnen bestaan, of niet. Wilt u het hebben?’

Ik wilde vragen wat het was, maar ik was bang dat ze me dan zouden uitlachen, dus ik knikte nog eens. Dat cadeau wilde ik wel.

‘Hoera!’ riepen ze. ‘Het is een nieuw alter ego! Een alter alter ego!’ Ze bliezen het in mijn ziel, stapten op hun paarden en galoppeerden naar de horizon.

En toen werd ik wakker.

(Wordt vervolgd.)

Met

Cavia legde de krant neer en zei: ‘nou, het Nederlandsche Genootschap voor Eufemismen heeft het woord ‘met’ op haar officiële woordenlijst gezet.’

‘Met?’ vroeg ik.

‘Ja, man! Met! Echt heel handig om niet te zeggen waar het op staat! Als je mensen wilt labelen maar ook weer niet.’

‘Oh? Ik dacht dat labelen politiek incorrect was…’

‘Dat bedoel ik juist! Het is labelen voor wie niet wil labelen.’ Ik keek Cavia glazig aan. Die zuchtte. ‘Okay, een paar voorbeelden: mensen… met een niet-westerse achtergrond; met overgewicht; met ervaringsdeskundigheid; met een (lichamelijke/psychische) beperking; met een hulpvraag; met een verhoogde (psychische) kwetsbaarheid; met een afstand tot de arbeidsmarkt, met een naderend levenseinde.’

‘Oh, ja, nou snap ik je! Dat ik dat niet eerder heb gezien! Wat heb je aan die termen?’ Cavia knikte.

‘Wat denk je van die laatste?’ zei die. ‘Iederéén is een mens met een naderend levenseinde! Jij ook!’

Tja, dat is zo. Maar eh… (ik richt me nu tot mijn lezers): U dus ook. Sorry. Dacht u leuk weer eens een blog van mij te lezen, kom ik met zoiets. Vergeet het. En lees vooral door.

Nog een eufemisme om gek van te worden: ‘mensen met een lastigere uitgangspositie’. Of een uitgangspositie lastig is, lijkt me afhankelijk van wat je wilt bereiken. Als het om de opleiding voor jongleurs gaat, dan heb ik een lastige uitgangspositie. Gaat het om lidmaatschap van de internationale coalitie voor zenuwlijders, dan maak ik een kans. Trouwens, het gaat om een lastigere uitgangspositie. Lastiger voor wie? Of lastiger dan wat? Kennelijk is er een een norm.

‘Oh, die is er altijd,’ zei Cavia, ‘check dat lijstje nog maar eens, in iedere term hebben ze een norm verstopt.’

Inderdaad.

Ik dacht aan verwarde personen. Die waren op een dag ineens ‘personen met verward gedrag’.

Dus personen zijn zelf niet verward, maar hun gedrag. De gedachte erachter is dat mensen meer zijn dan ‘hun’ ‘probleem’ – ja, beide woorden tussen aanhalingstekens, want ik vraag me af: gaat het wel om hún probleem en is het eigelijk wel een probleem? Hoe dan ook, de verwarring is kennelijk een eigenschap. Een label dus. Wat schieten we met dit verschil op? Ik in ieder geval niets. Dat leg ik uit. Met mijzelf als voorbeeld.

Ik gedraag me regelmatig verward (besef ik achteraf), en ben dan dus iemand met verward gedrag, maar soms bén ik dan ook verward. Andersom gedraag ik me wel eens verward, terwijl ik dat dan niet bén. En nóg eens andersom, ik heb in mijn leven heel erg goed geleerd om níét verward te doen terwijl ik (in mijn hoofd) wel degelijk verward ben. Camouflage heet dat. Zenuwslopende en bij nader inzien treurige strategie om me door het leven te slaan.

Oh, dat is een beetje somber. Vergeet het. Of nee, bedenk erbij dat het vaak ook hilarisch was/is. Of dat ik er in ieder geval hilarisch over kan vertellen. Zie al mijn andere blogs. Die zijn mijn redding. En waarschijnlijk onderdeel van de strategie, maar dat mag de pret niet drukken. Ik moet wat.

Het kan nog ingewikkelder. (Ik ben nu weer terug bij mijn vertoog over ‘met’.) Namelijk door de term te ontdoen van regelrechte betekenis. Een nieuw en beter eufemisme. Kennelijk was ‘met verward gedrag’ nog niet vaag genoeg. Dus werd de term: ‘met onbegrepen gedrag’.

Huh?

Wie begrijpt dan welk gedrag niet?

Als ik verward ben, dan is het vooral omdat ík het léven en de wéreld niet begrijp, inclusief alle mensen daarin. Dus ík zou dan zeggen: alle andere mensen zijn mensen met onbegrepen gedrag.

Maar dat dat is de bedoeling van die term niet. De persoon die verward is en/of doet, is altijd degene begrepen of niet begrepen wordt. Het doet er kennelijk niet toe of die zelf begrijpt of niet. Het zijn altijd de anderen die begrijpen, of niet.

Welke anderen? De mensen die de term hebben bedacht! Die bepalen dus de norm. Nogal uit de hoogte, toch? Trouwens, dát ze een naam geven is al uit de hoogte natuurlijk. Blijkbaar hebben ze de inbeelding dat ze zomaar namen aan anderen kunnen geven. Oké, ik geef toe dat het zonder namen voor alles wat er in de wereld is, allemaal wel erg ingewikkeld wordt. Maar waarom dan namen die precies níét doen waar ze voor bedoeld zijn, namelijk zeggen waar het om gaat?

Tja… in een eerdere versie van deze blog volgde op dit punt een hele bijdehante verhandeling waarmee ik verklaarde waarom mensen dat soort woorden gebruiken. Die heb ik dus geschrapt. De verhandeling, bedoel ik. Ik werd namelijk steeds bozer en bozer en dat is voor u ook niet gezellig om te lezen.

Waarom werd je dan boos, hoor ik u al vragen. Dat wilde Cavia ook wel eens weten.

‘So! Waar kwam dat opeens vandaan?’ vroeg die toen ik uitgeraasd was en het zweet van mijn voorhoofd wiste.

Ik wist het niet.

Ik moest wel opeens aan een van m’n laatste sessies in het revalidatiecentrum denken. Ik kreeg een nieuwe uitvinding aangemeten om mijn verlamde arm en hand in de goede stand te krijgen. Te dwingen, eigenlijk, want als je die zomaar een beetje laat hangen, krijg je een verdraaide arm met aan het einde een of andere reuzen vogelklauw.

Toen ik na een half uurtje sjorren opgetuigd voor de fysiotherapeute, ergotherapeute en de uitvinder zelf stond, glimlachten ze. Verbaasd, blij verrast, onder de indruk. ‘Dit is gewoon de normale natuurlijke houding!’ zeiden ze.

Ik staarde naar mezelf in de spiegel. Ook verbaasd. Over mijn weerzin.

‘Dit wilde je toch? vroeg Cavia.

Was dat zo? Ik wist het niet meer. Ja, ik had besloten dat ik alles zou proberen om te revalideren. Maar nu opeens vond ik het wel genoeg. Waarom had ik dat eigenlijk besloten? En wat voor een raar woord is revalideren eigenlijk? Ik zou natuurlijk nooit meer normaal worden, dus waarom al dit gedoe?

En eh… nu ik er nog eens over nadacht… ik wílde helemaal niet meer normaal zijn. Ik wilde gewoon abnormaal zijn.

Oh! Die twee woorden zette ik zonder na te denken achter elkaar: gewoon abnormaal. Dat zou mooi zijn!

Met verdraaide arm en aan het einde een of andere reuzen vogelklauw.

Laars

Hij zag de laars al staan toen hij de straat in reed. Voor de deur pakte hij meteen zijn mobieltje, nam een foto en begon te typen. Driftig, ieder woord en iedere zin stuurde hij meteen weg als zijn ergernis te groot werd om verder te denken.

‘Eh…’

‘Kijk eens wat hier staat.’

‘Heb jij de andere meegenomen?’

‘Als aandenken ofzo?’

‘Of is dit een of andere symboliek???’

‘Eén (1!) laars jatten?’

‘JA JATTEN!’

‘Hoezo dat?’

‘Serieus?’

Toen hij tien minuten later, uitgeraasd, in de huiskamer met een kop thee voor het raam naar de laars staarde, stond hij opeens weer in de Welkoop van Koudum. Zo ongeveer de laatste plek op de wereld waar hij iemand als haar had verwacht. Een 32 jarig hippie meisje als manager van de afdeling tuingereedschap en -machines? Nee. Van de afdeling bloemen en planten misschien. Toen Fenne hem aansprak, schaamde hij zich meteen voor zijn verbazing.

En Fenne had gedaan alsof ze er niets van had gemerkt. Dat was lief, vond hij. Hoe ze uiteindelijk van zijn nieuwe natuurvezel straatbezem en een bizar glimmende uitzet tuingereedschap bij de rubberen outdoorlaarzen waren beland wist hij niet meer.

Hij had een paar maten en modellen gepast en was uiteindelijk op die ene met het nutteloze riempje uitgekomen, in een 42, die prima zat. Toch had hij haar gevraagd of ze ook een 42,5 hadden of misschien wel een 43? (In de hoop dat die niet niet in voorraad waren, wat gelukkig zo was, zodat hij een week later terug moest komen, want dan zouden ze binnen zijn.)

Fenne had weer heel aandoenlijk gedaan alsof haar neus bloedde en de bestelling genoteerd. De vrijdag daarna had ze een bericht ingesproken om te zeggen dat de bestelling binnen was: ‘Goedemiddag meneer Borghesius, uw te grote en véél te grote laarzen zijn binnen. Schikt het u om ze een dezer dagen te komen passen?’

Dat was minder aandoenlijk, maar even leuk. Leuker zelfs. Hij hield wel van dat soort sarcasme, het was alsof ze elkaar al jaren kenden, alsof ‘mijnheer Borghesius’ haar koosnaam voor hem was. En oh… hij wilde nog veel meer van die berichtjes.

Die kreeg hij, de een nog grappiger en liever en poëtischer dan de andere. Voicemails, appjes, e-mails, lange papieren brieven. Die hij allemaal nog grappiger en liever en poëtischer beantwoordde. Het was alles bij elkaar wel een hele lange aanloop naar iets wat anderen tegen elkaar aangevlijd in elkaars oor zouden fluisteren, maar het was ook onvermijdelijk, beseften ze allebei. Ze moesten eerst hun harten uitstorten. Schoon schip maken.

Maar op een dag had Fenne hem een zelf gemaakte ansichtkaart gestuurd: ‘Sebastiaan, ik weet niets meer om te dichten. Ik wil in plaats van jouw dichter zijn, dichter bij jou zijn.’ Ze had het goed gezien, soms had hij een duwtje in de rug nodig. Hij had zijn tranen weggeveegd was op zijn motor gesprongen.

Daarna was het hek van de dam. Een maand later trok Fenne al bij hem in, in zijn huisje aan de rand van Warns en ze werden gelukkig. Domweg gelukkig aan de Skarlerdijk.

Met uitzicht op de polder.

Helemaal niets en toch prachtig. Dat was zijn liefdesverklaring aan het landschap, het landschap dat zonder dat ze het merkten steeds meer ging lijken op hun leven. Of eigenlijk andersom. Hun leven was steeds meer niets en steeds minder prachtig.

Hij was naar dat lege land gekomen om rust te vinden. Trager te leven. Minder gejaagd. Dat was gelukt. Zelfs met een onverwachte liefde. Maar het was veel te goed gelukt, besefte hij op een dag. Na twee jaar was hun ooit heerlijk trage leven tot stilstand gekomen. En ergens diep in zijn hart was hij bang dat een duwtje in de rug niet meer zou helpen.

Fenne had zich van de weeromstuit op de tuin gestort. (In zijn laarzen, wat hij ooit onweerstaanbaar aantrekkelijk had gevonden, maar nu opeens gewoon potsierlijk.)

‘Misschien moeten we alles gewoon laten verwilderen,’ had hij op een avond gezegd toen Fenne min of meer verbaasd verzuchtte dat niets meer wilde groeien. ‘Gewoon de natuur zijn gang laten gaan en dan kijken wat er gebeurt.’ Een metafoor die niet bij haar aankwam, omdat het hem niet lukte erbij te glimlachen.

Maar hij had haar toch aan het denken gezet, want een paar dagen later stelde zij opeens voor om te verhuizen.

Naar de stad. Zijn stad. Utrecht.

‘We kunnen dit huis een tijdje aanhouden en daar iets huren. En dan zien we wel…’ had Fenne gezegd. ‘Kunnen we ook mooi meteen de tuin laten verwilderen.’

Glimlach. Hij had teruggelachen. En gebloosd.

Toch nog een duwtje in de rug.

Ze verhuisden zo’n driekwart van de huisraad en hun kleding, zodat het huisje in Warns in noodgevallen toch een beetje bewoonbaar bleef. In de stad hadden ze geen tuin, een bestraat plaatsje was alles, dus had Fenne alleen de bezem ingepakt.

En dus kennelijk zíjn laarzen.

Op het scherm van zijn mobieltje verscheen melding. Fenne appte hem terug.

‘De andere staat in de kast onder de trap. Achterin.’

‘Ik wilde deze inderdaad jatten.’

‘JA! JATTEN!’

‘Als aandenken 🥲’

‘En toen ik kreeg spijt. Maar wilde niet meer terug naar binnen.’

Hij legde zijn mobieltje weg en staarde weer naar de laars… Hé, wat staat die man daar nou? Hij wachtte even om te zien wat de man van plan was… niets, hij stond daar maar.

Er tikte iemand op mijn schouder. Ik schrok en keek om. Een man.

’Gaat het goed met u meneer?’ vroeg hij.

Oh shit, ik was weer eens ergens op straat in gedachten verzonken blijven staan. Waarom kan ik niet lopend een verhaal verzinnen?

Ik knikte.

De man bleef naast me staan en samen keken we naar de laars. Ongemakkelijke stilte. Tot hij de laars van de grond pakte en die als een kind tegen zich aandrukte.

Opeens leken de rollen omgedraaid. ‘Gaat het wel goed met ú?’ vroeg ik. Hij schudde zijn hoofd. ‘Kan ik u ergens mee helpen?’ Hij haalde zijn schouders op. Fronste zijn wenkbrauwen. Dacht na.

‘Welke maat schoenen heeft u?’

Die vraag had ik niet verwacht.

‘Eh… 42’

‘Wacht even.’ Hij liep zijn huis weer in en kwam even later terug met een tweede laars. Hij gaf ze allebei aan mij en zei: ‘Ik hoef ze niet meer.’

‘…?’

‘Een lang verhaal… dat ik ook niet ga vertellen… maar u lijkt mij iemand die er zelf een ook wel een verhaal bij kan verzinnen.’

Het was al af.

Probleemwolf

Ik ga dit verhaal niet beginnen met te zeggen dat de wolf en in het het bijzonder de ‘probleemwolf’ de gemoederen goed bezig houdt, omdat ieder krantenartikel daar al mee begint. Lekker origineel.

Hoewel dat woord ‘gemoederen’ mij wel intrigeert. Het is gewoon het meervoud van gemoed maar het lijkt ook een beetje op een werkwoord.

‘We moeten alle drachtige ooien volgende week gemoederen voordat ze straks weer alle jonge berkjes plattrappen,’ zei de voorzitter van de Veluwse heidefederatie tegen de regievoerder van het herderscomité.

Zoiets.

Of: ‘Verboden te gemoederen’, op de rand van de houten roeiboten die je kunt huren bij Rederij Visscher aan de Krogerplas bij Dunxterloo (G).

Wat me meteen weer terug bij de wolf brengt, want in alle berichten over het exemplaar dat kennelijk rond het Treekermeer doolt, dook opeens een werkwoord op dat ik niet kende: zenderen.

(Trouwens, haast niemand doolt meer, volgens mij alleen wolven nog, alleen daarom al moeten we zuinig op ze zijn, eh… o, nou heb ik de teneur van mijn vertoog min of meer verklapt, nou ja, ik ga zoals gewoonlijk allerlei omzwervingen maken – zoals de wolf – dus lees vooral door.)

Waar was ik? Oja, zenderen. Een meneer van de zoogdierenvereniging die ook wolvenkenner en adviseur van de provincie is, kwam ermee op de proppen. We moeten de wolf niet doodschieten, maar zenderen, zei hij. Dat is een soort electronic monitoring voor dieren. (Sorry, beroepsdeformatie.) Met dit verschil dat boswachters niet even op hun knieën kunnen om een enkelbandje om te doen. Dat vindt zo’n wolf niet goed. Die blijft dus niet stilstaan. Sterker nog, de meeste wolven willen ook helemaal niet verdoofd worden. Dus stiekem een apparaatje ‘inbrengen’ (eek!) lukt ook niet. Ze lopen telkens heel treiterig verder weg dan 30 meter, zodat niemand ze kan raken met een verdovingsgeweer. Zeggen de wolvendeskundigen.

Geef ze eens ongelijk. De wolven bedoel ik.

En die wolf dreigen met het openbaar ministerie of de rechter heeft natuurlijk ook geen zin. Die willen daar hun vingers niet aan branden.

Funfact, er zijn tijden geweest dat dieren wel voor het gerecht werden gesleept. Lees dit maar eens. En doe het niet af als een bizarre gewoonte van achterlijke middeleeuwers. Het zijn mijn favoriete voorbeelden van serieus respect voor dieren.

Goed.

Geen wolven voor de rechter dus, maar ze hebben wel rechten. Min of meer, want ze weten zelf natuurlijk van niks. Hoe dan ook, er zijn ‘internationale afspraken voor soortenbescherming’.

Ja, echt!

Daarin staan regels voor zenderen.

Ja, echt!

Maar laat ik niet flauw doen, ik snap dat wel. Als iedereen maar een beetje naar eigen believen wolven gaat zenderen, raken we het overzicht kwijt. Want die wolven lopen de hele tijd kriskras door de natuur en door elkaar, waardoor de mensen op het coördinatiecentrum waarschijnlijk zelf helemaal de weg kwijtraken. En dan hebben die wolven vrij spel.

Net als vroeger. En da’s nou ook weer de bedoeling niet. Denk ik.

Bij al die wolvenverhalen heb ik trouwens vaker last van beroepsdeformatie, want toen ik ze las, kreeg ik stukje bij beetje het vermoeden dat een ‘probleemwolf’ niet zomaar een wolf was die voor gedoe zorgt. Nee, het zou me niet verbazen als er ergens een officiële definitie van ‘de probleemwolf’ was. Dacht ik.

En ja hoor, die is er. Het is nog mooier, op de website van de zoogdierenvereniging, staat een complete tabel om te bepalen of er bij een interactie sprake is van een probleemwolf of een probleemsituatie. (Subtiel gekozen eufemisme trouwens, interactie, dat van alles kan zijn, van een beetje nieuwsgierig naar elkaar staren tot een wolf die aan je zij hangt met je bovenarm tussen zijn kaken).

Wat het verschil tussen ‘probleemwolf’ en ‘probleemsituatie’ is, ga ik hier niet uitleggen. Maar laat ik zeggen dat die tabel een hartverwarmende poging is om het vraagstuk te ontrafelen, maar dat het me wel tegenviel dat de zoogdierenvereniging vooral het perspectief van de mens kiest. Ja, mensen zijn ook zoogdieren, weet ik, maar dat voelt toch een beetje als valsspelen als ze zichzelf voortrekken.

Zo is een wolf die ‘herhaaldelijk goed beschermd vee doodt en steeds manieren vindt om preventieve maatregelen te overwinnen’ een ‘probleemwolf’. Ik zou zeggen dat zo’n wolf een vindingrijke wolf is. En herhaaldelijk vee doden, dat doen mensen ook. Veel vaker zelfs. Om over de manieren die we hebben gevonden om dat te doen maar niet te spreken. Het is dat ik niet aanmatigend wil doen door over probleemmensen te spreken, maar het lijkt me toch zeker een probleemsituatie. Gezien de toestand van de planeet.

Goed, over dit soort dingen liep ik afgelopen zaterdag te mijmeren aan de rand van de Leersumsche plassen toen een jongen van een jaar of veertien me inhaalde op zijn fatbike.

Probleemfiets.

Hij hobbelde zonder op of om te kijken gemoedelijk verder, langs een meneer op een bankje en daarna langs een verboden toegang-bord waaronder op een ander bord stond uitgelegd dat er een kwetsbaar natuurgebied lag waar vogels aan het broeden waren en andere dieren lagen te rusten.

De jongen reed te hard om dat allemaal te lezen.

Probleemjongere.

De meneer riep hem nog na, maar dat hoorde hij niet.

Want koptelefoon.

‘Ik hoop dat hij zo in de armen van een BOA rijdt’, zei de man tegen mij, ‘of dat-ie tot zijn stuur in de modder zakt, of…’

Hm… ze zeggen van mij weleens dat ik veel fantasie heb, maar die meneer wist qua verbeeldingskracht ook van wanten. En van geen ophouden. Hij was ook iets wraakzuchtiger dan ik. Want het liep in alle verhalen die hij voor de jongen bedacht slecht met hem af. Met de jongen bedoel ik.

Op een gegeven moment wilde ik maar weer eens verder lopen, omdat ik eerlijk gezegd een beetje zenuwachtig van de meneer werd. Hij was heel erg boos en ik had daar niet zo heel veel aan toe te voegen. Hij had alles al gezegd. Meer dan me lief was.

‘Een wolf !’ riep de man toen ik hem gedag zei. Nóg een doemscenario voor de jongen. ‘En dan een echte probléémwolf. Dat beest mag hem best een beetje bijten ofzo.’ Hij keek me aan. ‘Oké, omverduwen mag ook. Doen ze ook wel eens. En dat die jongen dan een rotsmak tegen de grond maakt…’ ik keek weer niet enthousiast genoeg. ‘Of misschien dat die wolf gewoon achter de fatbike aanrent om te spelen? Krijgt die jongen vast en zeker ook de zenuwen van. Dat is ook een mooie revanche voor de natuur toch…?’ ik knikte en draaide me om want ik wilde nu toch echt doorlopen.

‘Meneer? Meneer?’ De man gaf me een paar zachte klapjes tegen mijn wangen. ‘Zag u ze niet, die andere fatbikes? U had opeens ook zo’n haast! Kom dan help ik u overeind.’

Even later zat ik naast hem op het bankje bij te komen. We raakten aan de praat en al snel bleek dat hij ook van beleid was. Andere organisatie, maar dat maakte niet uit, want binnen de kortst keren hadden we elkaar gevonden in een plan om ook een tabel te maken waarmee een inter-provinciale fatbikecommissie dan probleemjongeren, -fietsen en -situaties van elkaar kon onderscheiden om de juiste interventies te plegen.

In het addendum bij de tabel hebben we ook aanwijzingen opgenomen voor zenderen van de fatbikes (en/of de berijders) en, als ultimum remedium, regels voor gemoederen.

Voor je weet nooit.

p.s. De foto is van Wikimedia Commons. Zie hier.

Vakantie

Vakantie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik doe daar nooit aan mee, want dat is uit mijn comfortzone. Ik heb weliswaar ooit aan de psycholoog van het revalidatiecentrum in een montere vlaag van ‘het roer moet om’ beloofd dat ik niet alleen uit mijn hoofd zou komen, maar ook uit mijn comfortzone (in mijn geval vaak hetzelfde), bijvoorbeeld om mensen te ontmoeten, maar daar heb ik nooit echt werk van gemaakt. Behalve dan een paar jaar geleden, toen ik ben gaan wandelen in Zuid Limburg.

Veel natuur daar. Vrolijke bossen, lome akkers, heuvels die ze bergen noemen. En mensen. Dus veel te ontmoeten.

Dat begon al meteen bij het eerste ontbijt in de eetzaal van het hotel. Terwijl ik probeerde het gesteven servet uit te vouwen, zetten een jonge man en vrouw met glimmende trouwringen de buit die zij bij het buffet gescoord hadden voor zich op tafel en begon naast hen een mevrouw aan haar tafelgenoten nogal luid uitleg te geven van de pillen die zij bij het ontbijt moest slikken. Ze wees ze één voor één aan, vermeldde de namen en voor de zekerheid de kleur, en vertelde waarvoor of waartegen ze waren. Als ze er niet uitkwam, hielp haar man, en een enkele keer de vrouw tegenover haar, die kennelijk ook verstand van zaken had. Ik wist niet goed wat ik met al die informatie aan moest, zeker niet in combinatie met de jonge mensen die toen ze in hun croissants hapten lang niet zo gelukkig keken als ik verwachtte, waardoor ik me opeens afvroeg of ze inderdaad op huwelijksreis waren zoals ik vermoedde, én me afvroeg hoe gelukkig je dan precies moet kijken als je pas getrouwd bent, want daar is natuurlijk geen norm voor, maar vast wel een soort ondergrens en…

‘Wat weet jij daar nou allemaal van?’ vroeg Cavia. (Jammer genoeg was die erbij toen de psycholoog mijn hele ziel en zaligheid had blootgelegd.)

‘…’

‘Jíj zat daar helemaal in je dooie eentje op je muesli te knabbelen, zoals iedere morgen waar je ook bent! Dus het is nou niet zo dat je veel verstand van dit soort situaties hebt!’

Eh…

Wandelen!

Op mijn eerste tocht was het al meteen raak, want ik was amper het dorp uit of er naderde een tamelijk absurde optocht van twee paters die een rommelige groep jongeren aanvoerden. Allemaal gothics. Die jongeren bedoel ik. Het was alsof de geestelijken een bende duivelsdiscipelen gevangen genomen hadden. Dat was niet zo. Sterker nog, ze keken allemaal erg vrolijk. Wat ze gingen doen, was onduidelijk. Mijn gok was dat ze op weg waren om gedoopt te worden, daar is Limburg namelijk erg geschikt voor want het wemelt er van de beekjes, die allemaal kabbelen alsof het niks is. Dat laatste is niet per se nodig om iemand te dopen, maar het maakt de hele scène wel romantischer.

Goed, ik liep verder, een bos in. Dat is daar niet zo moeilijk. Ik kwam een uur lang helemaal niemand tegen en tot mijn eigen verbazing maakte ik me daar zorgen over. Zo kwam er niks van ontmoeten!

Gelukkig kwam ik al snel bij een huis waarvoor een meisje op een stoeltje zat, naast een kleedje vol zacht glanzende Pokemonkaarten, die me deden denken aan mijn kinderen en hun enorme verzameling kaarten die ik, Joost mag weten waarom, in gedachten probeerde te vinden in een huis waar ik al in geen eeuwen was geweest, in hun kamers, op de zolder en de vliering, in kasten en/of oude schoenendozen, kortom overal en nergens terwijl ik gaandeweg zwetend in paniek raakte. Had ik nou al een zonnesteek? Zou echt iets voor mij zijn.

Nee, het meisje vroeg mij of ik Pokémonkaartjes wilde kopen en dat verstond en begreep ik goed. Dus niks aan de hand. Maar ik hoefde geen Pokémonkaartjes, zelfs niet toen ze zei dat ze soms heel veel waard zijn, want zij had er eens eentje verkocht voor € 91! Dat wist ik, dat ze veel waard zijn, want ik was eens op Catawiki gaan zoeken naar een enorme en levensechte roze (!) Pikachu van kunststof omdat ik daar ooit op had geboden om ten slotte af te haken toen het bedrag niet meer in redelijke verhouding stond tot de blijdschap die het vrolijke monstertje me telkens gaf als ik hem bekeek. Ik vond een kleine honderd euro voor een glimlach bij het zien van een roze Pikachu te veel.

Later kreeg ik daar natuurlijk spijt van. Ik had ook uitgerekend dat als ik 83 zou worden en ik iedere dag één keer zou glimlachen om die roze Pikachu, één glimlach niet meer dan twee cent zou kosten (inclusief veilingkosten en verzending), wat dan weer een belachelijk schijntje was voor zeker tien seconden onvoorwaardelijke vreugde. Wat me er dus toe bracht om alsnog op die veilingsite te gaan zoeken, om alleen maar Pokémonkaarten te vinden en me te verbazen over de astronomische bedragen die mensen daarvoor wilden neerleggen.

Aan de stoffige rand van het bos voor het beduimelde huis flakkerde m’n verlangen naar die roze Pikachu weer een beetje op, terwijl ik nog maar eens mijn hoofd schudde. Het meisje knikte begripvol, alsof zij precies wist dat ik in de rest van mijn leven duizenden glimlachen van nog geen twee cent per stuk zou gaan mislopen.

Daar was ik nog diep over aan het nadenken toen ik langs een wei vol geiten liep. En dus géén schapen die net geschoren waren, ik zeg het maar even, want dat maakte een langsfietsende vader zijn zoontje in het stoeltje wijs, een misser die hij halsstarrig volhield toen ik in de lach schoot, ‘ja, die meneer moet lachen om de scháápjes, hij vind ze ook leuk,’ riep hij, waarna het jongentje prompt aan het huilen sloeg. Dat laatste was doodgewoon toeval, maar ik wil het hier toch even vermelden.

Een van deze geiten lag op haar zij naar adem te happen. Dat leek me niet goed. Maar wat moest ik doen? Flink doorstappen om de meneer die verderop in een tuintje aan het schoffelen was te waarschuwen. Hij zag me aankomen en antwoordde al nog vóór ik iets had gezegd: ‘Ja, net goed! Lekker laten liggen!’ zei hij.

‘Uh… Hè?!’

Het bleek dat die geiten regelmatig het hek om zijn tuin omverduwden om zich vervolgens vol te vreten met hij ook maar aan het verbouwen was.

‘Zelfs tomaten!’ zei hij meer verbaasd dan boos. Ik wist nog maar net te voorkomen dat ik hem vroeg waarom dat zo raar was, want hij leek me iemand van uitgebreide litanieën over alles wat hem tegenzat, waaronder dus die brutale geiten.

Maar goed, toen stonden we daar. De man vol wrok en ik in dubio, want wat moest er nu met die geit? Het was alsof dat beest mijn dilemma ergens uit de lucht oppikte, want toen ik omkeek, krabbelde zij weer op om meteen naar ons toe te drentelen en ons van een afstandje uit te lachen.

‘Gefopt!’, mekkerde zij.

Dacht ik.

Daar werd de tuinier echt boos om. Hij greep een riek en deed een stap naar voren. De geit bleef gewoon staan. Onverstoorbaar. Tot razernij van de man die na een korte aanloop de riek naar de geit wierp. Een nogal sneue actie, die onverwacht prachtig afliep, want de riek landde na een perfect boogje met de vier tanden tegelijk in het gras om daar heel even na te trillen. Daar had de man niet van terug.

Ik ook niet. Dat leek me een mooi teken om te vertrekken. Ik knikte naar de man en hervatte mijn wandeling.

Er volgde een gevarieerde reeks korte ontmoetingen, die ik eigenlijk niet in dit verhaal wilde opnemen omdat ik niet goed wist wat ik ermee aanmoest, maar die ik ook niet uit mijn hoofd kreeg, wat me van liever lede echt in de weg ging zitten, zodat ik ze ten slotte toch maar opschreef. Hieronder.

Twee vrouwen die achter elkaar fietsten terwijl ze een onverstaanbaar gesprek schreeuwden waaruit opeens de volgende min of meer verontwaardigde mededeling opvloog: ‘Nou ja, je moet niet vergeten dat hij motorcrosser is geweest!’ Nee, dank u, dat zal ik de rest van mijn leven niet meer vergeten…

Een klein peloton soldaten in volle bepakking dat op vrolijke fanfaremuziek uit een kolossale ghettoblaster erop los marcheerde alsof het niets was, terwijl iedere rij soldaten ook nog eens een lange boomstam (zo dik als een doelpaal) op de schouders droeg.

Een vrolijke familie die, zo vertelde een vrouw mij enthousiast, op weg was naar weer een andere familie om daar suikerfeest te vieren. Ze droeg een jongetje op haar schouders dat was uitgedost als een minikoning in een goud bestikte djellaba.

Eh… Ik verzin best veel in deze blogs, of liever gezegd, ik maak de werkelijkheid een beetje leuker, maar wat ik tot nu toe geschreven heb, is allemaal echt gebeurd. En het volgende ook, tot mijn eigen verbazing…

Een jongen kwam mij hand in hand met zijn moeder tegemoet terwijl hij, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, een dik boek aan een touwtje meetrok door het stuivende zand in de berm van de weg.

Zijn vastberadenheid was even onbegrijpelijk als troostrijk. Soms, als ik bij het opstaan helemaal geen zin heb in de dag, denk ik aan hem terug om mijzelf op te monteren. Wat hij kon, kan ik ook, denk ik dan. Gewoon doorgaan, hoe absurd het ook is, alles. En dan ben ik wéér blij dat ik niet achter de twee ben aangerend om te vragen waar dat boek over ging. Het moest een beetje mysterieus blijven. Om een of andere reden versterkte dat de hoop die ik uit de hele ontmoeting putte.

‘Smoesjes,’ zei Cavia, ‘je durfde het gewoon niet te vragen.’

‘Heus wel…’

‘Nee man, lees nog eens terug wat je hierboven allemaal hebt geschreven. Je hebt met niemand een woord gewisseld! Lekkere ontmoetingen! Dus maak mij nou niet wijs dat je heus wel een gesprek had aangeknoopt met die twee.’

‘…’

Ik verzin best veel in deze blogs, of liever gezegd, ik maak de werkelijkheid een beetje leuker, dus eh…

Een jongen kwam mij hand in hand met zijn moeder tegemoet terwijl hij, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, een dik boek aan een touwtje meetrok door het stuivende zand in de berm van de weg.

We waren elkaar al gepasseerd toen ik opeens besefte dat dit té absurd was om zomaar voorbij te laten gaan. Ik keerde om en rende achter ze aan. Nog voor ik iets gevraagd had, trok de jongen het boek naar zich toe tot het tussen ons in op de weg lag.

‘Kijk zelf maar,’ zei hij. Ik pakte het op en bladerde er doorheen. Allemaal lege bladzijden op de eerste twee na. Ik begon te lezen: “Vakantie daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik doe daar nooit aan mee, want dat is uit mijn comfortzone.”

Uh… Hè?

Ik sloeg snel de bladzijde om en las de laatste zin: “De jongen glimlachte. ‘Je mag het boek wel houden,’ zei hij.”

p.s. De foto is van wikimediacommons. Zie hier.

Tuttuloris Gigantis

In de bossen bij Lage Vuursche zat ik op een omgevallen boom aan de rand van een kruising koffie te drinken toen er iets verderop na wat gekraak, gekreun en gesteun een man en een vrouw zich tussen twee struiken door een weg naar de modderige straat baanden. Ze kwamen allebei met verwilderde blik en dito uiterlijk tevoorschijn.

‘Nou, als je nog eens wat weet,’ zei de vrouw, ‘dat was een pad van lik me vestje! Meer iets voor Indiana Jones’ Ze voelde voorzichtig hoe groot de schade aan haar kapsel was. De man sloeg een paar blaadjes van zijn broek.

Daarna liep hij naar het midden van de kruising om alle vier de wegen eens goed in zich op te nemen. De vrouw ging een paar meter verderop voor de paaltjes met gekleurde pijlen staan.

‘We kunnen nou geel nog doen,’ ze ze. Monter.

De man snoof. ‘Dan hadden we net zo goed meteen oranje kunnen doen… maar dat wou jij niet.’

‘Hoezo?’

‘Nou, we hebben net blauw gedaan en jij wil nu geel. Als je die twee met elkaar combineert heb je oranje.

‘Nee,’ zei de vrouw, ‘dan krijg je groen.’

‘Hè?’

‘Groen… Blauw plus geel is groen.’

Een grap.

De man keek haar verbijsterd aan, alsof zij hem voor de zoveelste keer volslagen uit het niets schaakmat had gezet.

Na een paar tellen stilte, trapte hij een dennenappel weg, liep erachteraan en trapte nog eens. De dennenappel stuiterde tegen een bergje soortgenoten aan.

Cavia werd wakker en ging rechtop zitten.

De man nam een aanloopje en schopte de hoop uit elkaar. De dennenappels vlogen alle kanten uit als een zwerm opgeschrikte spreeuwen. Hij zocht heel even naar de appel waar hij mee begonnen was, maar besloot toen om gewoon met de eerste de beste verder te gaan. Die gaf hij met buitenkant van zijn voet een fijne cruyffiaanse trap zodat de dennenappel tollend in de lucht met een boogje (en een sprookjesachtig klein geruis) van de weg af het bos indraaide.

De man er weer achteraan.

Cavia zuchtte. ‘Gaat er nog iets gebeuren?’

‘Weet ik niet,’ antwoordde ik. ‘Dat heb ik niet in de hand.’

‘Jij verzint dit toch?’

‘Nee, niet alles. En dan nog, dingen komen in gewoon in me op. Of niet.’

‘Poteto potato.’

‘Sst, er gebeurt iets!’

De vrouw was naar het midden van de kruising gelopen en tuurde in het rond. Eerst rustig en weldoordacht, daarna een beetje warrig. Op een gegeven moment wierp ze zelfs blikken omhoog naar de kruinen van de bomen.

‘Ga je haar niet helpen?’ vroeg Cavia.

Ik stond op. ‘Hij is daar het bos in,’ riep ik naar de vrouw, die me aankeek alsof ik uit het niets verschenen was.

‘Wie?’

‘De man met wie u aan het wandelen was.’

‘De man met wie ik aan het wandelen was?’

Cavia schoot in de lach. ‘Je hebt die hele man erbij verzonnen!’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Oh, toch geen man?’ Ze glimlachte geamuseerd. Cavia ging verzitten om eens goed gade te slaan hoe ik me hier uit zou redden. Maar nu hielp de vrouw míj. Ze gaf zelf antwoord: ‘Nee, geen man. Een vogel. Ik hoorde een vogel en die zocht ik.’ Ze stak haar vinger op. ‘Luister, daar is-ie weer!’

Een sprookjesachtig klein geruis… ik sloot mijn ogen om het beter te horen.

Toen ik weer opkeek zag ik de vrouw wegwandelen, hand in hand met de man. Al zijn zakken puilden uit met dennenappels.

‘We kunnen ze niet allemaal meenemen hoor,’ zei de vrouw, ‘Je mag de vijf mooiste uitkiezen. Is dat goed?’ De man knikte.

Ho, wacht! De man leek opeens wel een kleine jongen. Hij had stekeltjeshaar en een petje op. ‘En weet je wat ik net heb gehoord?’ ging de vrouw (zijn moeder?) verder, ‘een Reuzen Toeteloer, de tutteloris gigantis! Ze deed het geluid na. De jongen lachte.

‘Ik was Johan Cruyff,’ zei hij.

‘Ja, dat zag ik!’

‘Dat verzinnen van jou begint griezelige vormen aan te nemen,’ zei Cavia, ‘het lijkt meer op hallucineren.’

‘Ik geloof dat het een soort jeugdherinnering is geworden,’ zei ik.

‘Had jouw moeder dan verstand van vogels?’

‘Nee, die Reuzen Toeteloer bestaat helemaal niet!’

‘Oh?’

‘Tsss. Van wie denk je dat ik al die fantasie heb?’

*Reuzen Toeteloer (Tutteloris Gigantis)

Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, is de Reuzen Toeteloer niet erg groot. Hij dankt zijn naam aan zijn kleinere soortgenoot, de Kleine Toeteloer (Tuttuloris Minores). De Gigantis is ongeveer zo groot als een tennisbal. Ook in zijn voorkomen lijkt hij veel op een tennisbal, want het is een pluizige kogelronde vogel. Daardoor is het vaak moeilijk om kraag, rug, buik, vleugels en staart van elkaar te onderscheiden. Dat geldt zeker voor de onderstaartdekveren. Ga daar niet naar zoeken! Trouwens, de Reuzen Toeteloer is zelf ook slecht te vinden. Hij komt zelden buiten de deur.

De Reuzen Toeteloer broedt niet. De vrouwtjes noch mannetjes bouwen een nest en de eieren (tussen de 4 en 18) zijn er gewoon opeens. De jongen komen vaak al na vijf minuten spontaan uit, waarna ze meteen op pad gaan, meestal gewoon te voet, op zoek naar voedsel.

De Reuzen Toeteloer lust alles, maar eet slechts dennenappels. Het is namelijk een pragmatische vogel en dennenappels zijn altijd wel te vinden. De pitten laten ze links liggen, ze eten de schubben.

De Reuzen Toeteloer komt overal in Europa voor. Je kan het zo gek niet verzinnen of hij is er. Helaas dus altijd ergens verscholen. Je ziet hem pas als je het doorhebt.**

De roep van de reuzen toeteloer is vaag, maar wel hoorbaar, ze roepen in vlucht en in zit. De roep lijkt nog het meest op het geluid van een door de lucht tollende dennenappel die iemand met effect heeft weggeschopt: een sprookjesachtig klein geruis. Alleen daarom al loont het de moeite om de vogel toch te blijven zoeken, want iedereen die zijn roep hoort, voelt zich daarna nog heel lang blij en gelukkig.

** vrij naar Johan Cruyff.

P.S. de foto is van Wikimedia Commons. Zie hier.

Complot

Op het enorme scherm verscheen ruis. Twee vierkante meter half en half samenklonterende stippen en stipjes. Ik ben opgegroeid in een tijd dat het er gewoon bij hoorde als je tv keek, ruis, en de meest simpele remedie die mijn vader en moeder toepasten, was een klap met de vlakke hand op het toestel. Meestal eerst bovenop en daarna tegen de zijkant. (Voor de jonge lezers, een tv was toen nog een vierkante kast met een glazen scherm aan de voorkant.)

Ook als het niet hielp was dat fijn. Je deed tenminste iets. Gewoon maar zitten wachten tot het overging, dat lag (en ligt) niet in de aard van mijn vader en moeder. Het is erfelijk.

Dus dat was nu ook mijn eerste neiging, opstaan om ergens een klap op te geven. Maar dat hoefde niet, want deze ruis was juist de bedoeling. Het was namelijk een test. Wij, de deelnemers van de workshop, moesten noteren of we iets in die ruis zagen, een patroon of zo.

Ik zag een nijlpaard op een driewieler. Best grappig. Daarna kwamen er nog vier van die dia’s. Telkens andere ruis.

Ik zag achtereenvolgens: Een politieauto met brandend zwaailicht (en duidelijk hoorbare sirene!); mijn oma met een regenboogvlag op de voorplecht van een driemaster; twee hand in hand dansende beren met gebloemde rokjes aan en dito parapluutjes (die gewoon maar een beetje in hun buurt zweefden); en een ondersteboven hangende appelboom inclusief appels die dan weer niet hingen maar als het ware op hun steeltjes stonden.

Na de laatste dia vroeg de man onze hand op te steken als we bij drie of meer dia’s een patroon hadden gezien in de ruis.

Een patroon? Ik had complete schilderijen gezien! Vijf! Dat was niet best, want de test wees uit of iemand geneigd was complottheorieën te geloven en/of te ontwikkelen. En wie bij drie of meer van de dia’s dingen in de ruis zag die er niet waren, had aanleg.

Oh.

En ik maar denken dat ik een levendige fantasie had… Maar was ik in plaats daarvan dan zo iemand die denkt dat de regering uit verklede reptielen bestaat? Dat leek mij sterk (dat ik zo iemand ben, bedoel ik). Maar ik besefte meteen dat ik zelf natuurlijk niet de juiste persoon was om me daarvan vrij te pleiten. Aan de andere kant, als ik ooit zulke verzinsels voor waar had verkondigd, dan zouden familie, vrienden en collega’s toch wel iets gezegd hebben? Of zouden ze met elkaar hebben afgesproken mij in de waan te laten?

Eh…

Ik hield het er toch maar op dat ik gewoon een enorm uitgebreide en gedetailleerde verbeeldingskracht heb. Die ik bovendien, in tegenstelling tot complotdenkers, alleen maar gebruik om de realiteit leuker te maken. Ik verzin namelijk nooit iets dat somberder is dan de werkelijkheid. Zie hierboven.

De onuitgesproken verdenking die er nu op mij geladen was (de hele zaal had zich omgekeerd om naar mij te kijken), zat me toch niet lekker. In de trein besloot ik mijn zinnen te verzetten met lekkere harde muziek.

De meneer tegenover mij sloeg mijn handelingen gade alsof ik een geweer aan het laden was en schudde heftig zijn hoofd toen ik mijn oortjes in wilde doen.

‘Niet doen!’ fluisterde hij. ‘Zo zuigen ze al je gedachten uit je hoofd.’ Ik keek naar de oortjes in mijn hand.‘Echt! De zeven dragers van de schaduwmacht! Die zitten in dat ding!’ Mijn mobieltje.

(Toeval bestaat niet, hoor ik mensen wel eens zeggen, maar waarom is er dan een woord voor?)

Zijn vrouw, die naast hem zat, stond op en verdween naar een andere coupé. Dat had ik als het sein moeten zien om achter haar aan te hollen. Dat deed ik niet. Ik bleef vertwijfeld zitten en de man begon aan mij uit te leggen hoe volgens hem de wereld éígenlijk in elkaar stak, en welke geslepen rol de zogenaamde overheid op last van de zeven dragers daarin speelde. Dat had Edward Snowden hem persoonlijk uit de doeken gedaan in een brief van negentien kantjes.

Dat ik hier zijn hele vertoog woord voor woord zou kunnen navertellen, maakt mij misschien nog verdachter. Zeker als ik toegeef dat ik het een nogal meeslepend verhaal vond waar ik met plezier naar had geluisterd. De man was een bevlogen verteller en hij had werkelijk aan alles gedacht. Er was geen spel tussen te krijgen.

Toch kregen we ruzie. Omdat ik me opeens hardop afvroeg hoe die Snowden aan de man zijn adres was gekomen. Ja, een detail in het geheel der dingen, maar dat zat me opeens niet lekker.

Onze onenigheid liep zo hoog op dat ik in verwarde toestand een station te vroeg uitstapte. Op weg naar de deur kwam ik zijn vrouw tegen, die mij grinnikend nog een hele fijne dag wenste.

En tóén harde muziek. Op een bankje van het station in Hollandsche Rading. Haha! Het zou mij benieuwen hoe hoe de zeven dragers van de schaduwmacht tussen deze tomeloze herrie mijn gedachten konden vinden. En dat ze die zouden opzuigen… get real!

Ik was nog niet thuis of Cavia kwam me vragen waarom ik al die appels had besteld. Kílo’s stonden er op het lijstje van de AH.

Huh?

Ik ontkende iedere appel. Maar toen in de loop van de dag onze marktplaats-feed stukje bij beetje volliep met advertenties voor driewielers, regenboogvlaggen, gebloemde rokjes en dito parapluutjes, biechtte ik Cavia het verhaal van de man op.

‘Oh, maar wacht!’ zei die, ‘wíj hebben ook een brief van Edward Snowden gekregen. Ik vroeg me al af hoe hij aan ons adres was gekomen.’

EEK!

p.s. De afbeelding is van Wikimedia Commons:

The vigilante on horseback!

De vrouw die mij op haar paard tegemoetkwam, vroeg zonder verdere inleiding of ik met twee honden aan het wandelen was. En ze vroeg het niet bepaald omdat het haar interesseerde, nee, ze riep me ter verantwoording. Hautain.

Vond ik. Maar laat ik bekennen dat ik die dag licht geraakt was bij van alles, want ik had weinig geslapen en was toch gaan wandelen, en ook nog eens een heel eind, omdat ik dat nu eenmaal de vorige dag had bedacht en ik heel zenuwachtig word van mezelf iets voornemen en dat dan niet doen.

‘Nee, ik heb geen hond‘, antwoordde ik, ‘laat staan twee.’ Kennelijk las ze mijn blogs nooit.

Ze bekeek me van boven naar beneden. Op twee manieren zelfs, want zij zat dus op een paard (boven) en ik stond op de grond (beneden) terwijl ze ook nog eens haar blik van mijn hoed naar mijn schoenen liet gaan en weer terug, alsof ze probeerde te ontdekken of ik de waarheid sprak.

Voor mij was met mijn antwoord de kous af, maar de vrouw zag dat anders (letterlijk en figuurlijk dus, wat mij aan het twijfelen bracht over mijn outfit en houding, story of my life, want kennelijk zag ik er als een hondenbezitter uit?)

‘Een Husky en een Australian Shepherd,’ voegde ze eraan toe. Om mijn geheugen op te frissen. De vraag was nu niet meer óf ik honden bij me had, maar wélke van mijn (vele) honden ik bij me had. Het paard van de vrouw stond intussen lijdzaam te wachten met haar op zijn rug en ik zag hem denken: Daar gaan we weer, eerste graads verhoor van een nietsvermoedende wandelaar.

Ik kreeg opeens zin om het absurde verhaal mee te spelen en mezelf op het voorhoofd te slaan als iemand die zich opeens weer herinnert dat hij twee honden, namelijk de Husky en de Australian Shepherd, bij zich had. En dan ongemakkelijk lachen. Haha! Door de mand gevallen!

Zoiets. Gewoon voor de lol. Maar dat soort pranks pakken bij mij altijd verkeerd uit, dus ik schudde gewoon bedaard mijn hoofd. Ik had ook geen Husky en/of Australian Shepherd bij me.

Ik had ze wel gezien, of nou ja, ik had twee honden gezien en voor de zekerheid die Husky op de foto gezet omdat ik dacht dat het een wolf was. Ja, echt sneu, maar ik heb nu eenmaal helemaal geen verstand van dieren. Het enige dier dat ik een beetje ken is Cavia, maar ‘kennen’ is dan een groot woord, want die blijft me iedere dag weer verbazen met iets wat ik nooit achter die gezocht had.

Achteraf beschouwd was het natuurlijk helemaal een belachelijke gedachte, omdat als de Husky inderdaad een wolf was geweest, dat beest natuurlijk nooit met een hond aan het dollen zou gaan, laat staan een Australian Shepherd! Vanuit de wolf gezien zijn honden natuurlijk dégénérés (ja, op iedere ‘e’ een streepje, ik heb het opgezocht), aan lager wal geraakte wolven die 14.000 jaar geleden hun ware aard hebben verpatst voor kost en inwoning bij de mensen.

De vrouw kuchte. Ze verlangde nog steeds een antwoord. Eerst nee zeggen en later nog eens met mijn hoofd schudden was blijkbaar niet genoeg.

‘Ze zijn verderop in een kuil aan het graven,’ zei ze. De honden, bedoelde ze.

Ik werd steeds verdachter. Had ik daar op een van mijn vorige wandelingen misschien iets begraven? Eek! Ik kijk echt veel te veel politieseries.

Hoewel…

Opeens zag ik het helemaal voor me, mijn pitch voor een nieuwe serie: een vrouwelijke speurneus te paard, in een gewaxte jas, versleten paardrijbroek en Dubarry laarzen, als een soort remake van de inmiddels veel te oubollige serie McCloud (uit de jaren 70! dus voor de jeugdige lezers onder u, zie hier) die in Lunteren en omstreken, want daar speelde dit zich allemaal af, de ene na de andere misdaad opheldert, doodgewoon door vasthoudend en hardnekkig vragen te blijven stellen tot een verdenking wel waar móét zijn. The vigilante on horseback!

Eh…

In de verte, achter de vrouw op haar paard, kwamen de honden weer tevoorschijn. Ze waren nog steeds met elkaar aan het dollen. De Shepherd had iets in zijn bek wat de Husky probeerde af te pakken.

Een been!

Oh, ik bedoel: een bot!

Minder gruwelijk, maar even zo goed eh… verontrustend. Vond ik opeens.

De vrouw zag mijn schrik en keek achterom. Ze grinnikte. Triomfantelijk. Daarna wendde ze zich weer tot mij. Met de indringende blik van een vrouwelijke speurneus te paard, in een gewaxte jas, versleten paardrijbroek en Dubarry laarzen. Dat ik dit niet eerder had gezien, allemaal tekenen dat zij niet pluis was! Alleen Queen Elizabeth kleedde zich zo en kwam er mee weg!

Haar paard brieste en deed een stap naar voren. En ik een stap achteruit.

Misschien was daar een kuil. Of hele drassige bosgrond. Of een diepe plas. En misschien duwde het paard mij. Of sprongen de honden tegen mij op, blij mij weer te zien.

(‘Kijk, daar is die meneer die dacht dat jij een wolf was weer!’ riep de Shepherd naar de Husky. Hij liet het bot vallen en keek niet meer naar om.)

En ik? Tja, ik viel. Roemloos.

De vrouw schaterlachte. Satanisch, zoals dat heet. Het paard brieste nog maar eens en steigerde met veel gevoel voor drama.

‘Meneer, meneer!’ De vrouw duwde tegen mijn schouder. Ik lag op een bankje! ‘Gaat het wel goed met u?’ Ik ging rechtzitten en knikte. Ze wees naar mijn boterhammen. Oh ja, ik zou gaan lunchen. ‘Daar zou ik maar goed op letten want mijn honden zijn er dol op!’

Waarna ze mij groette, de honden riep en haar paard de sporen gaf om in galop de zonsondergang tegemoet te rijden.

Houdverbod

Vorige week zat ik op een bankje met dit uitzicht. Zie hierboven. Het was ook nog eens mooi weer, zie ook hierboven, dus wat wil een mens nog meer?

Rust.

Die werd natuurlijk verstoord, en wel door een man en een vrouw en een hond. De twee mensen liepen naar hun mobieltjes te turen terwijl de hond ongeordend naar van alles en nog wat rende.

Dat baarde in mijn hoofd al meteen hele erge onrust. Dat heen en weer rennen zonder plan, bedoel ik. Oké, ik snap dat je van een hond geen gestructureerd geheel van activiteiten kunt verwachten, die doet maar wat, maar dat maakte zijn gedrag voor mij niet minder zorgelijk. Onheilspellend zelfs. Verdacht.

Maar dat is nu, hier in dit blog, allemaal hineininterpretierung. Had ik toen beter naar Cavia geluisterd, die me telkens als de hond iets onverwachts deed, wat eigenlijk om de haverklap gebeurde, stilletjes waarschuwde, dan had ik meteen begrepen dat het beest niet te vertrouwen was.

Hij heette Bello. Short for Beëlzebub, denk ik.

Niet dat hij naar die naam luisterde. De vrouw of de man riepen hem regelmatig om iets te ge- of verbieden, maar daarmee veranderden ze niets aan zijn doen en laten. Hij ging gewoon door met zijn onbegrijpelijke en langzamerhand irritante bezigheden.

Ik staarde in de verte, wat aan de rand van een hei erg goed lukt, at mijn boterham met pindakaas, en negeerde de hond, wat minder goed lukte, maar toch beter dan ik had verwacht, want na een paar tellen was ik even helemaal alleen op de wereld met slechts het panorama, de zon, en mijn brood.

De hélft van mijn brood, om precies te zijn, want de hond had van mijn meditatieve momentje gebruik gemaakt om mijn andere boterham te stelen. Hij rende de hei op waar hij die zonder te kauwen naar binnen schrokte.

Dat heb ik weer.

Het hele voorval drong maar langzaam tot de man en de vrouw door. Ze hadden de hond wel teruggeroepen toen hij wegrende, maar dat had natuurlijk geen enkel effect. En daarna hadden ze even staan kijken naar wat hij in zijn bek had om vervolgens alleen maar verbaasd te zijn.

‘Hij eet dat brood van die man op,’ zei de vrouw. Matter-of-factly.

‘Niet!’ riep de man.

‘Ja echt!‘

‘Tss! En hij heeft net gegeten!’

Dat laatste was half en half ook tegen mij. Alsof ze hoopten dat ik hun verbazing zou delen. Of hun heimelijke vertedering. Ja, het was vertedering! Gossie die eetlust van Bello is gewoon… nou ja, de oren van je hoofd… dat had-ie al toen hij nog maar een pup van een paar weken was…

Dat soort vertedering.

Andere communicatie met mij hadden ze zo één, twee, drie niet paraat. Ze vonden het eerder hinderlijk dat ik er was, want dat maakte het hele voorval maar ongemakkelijk. Uiteindelijk zei de vrouw: ‘nou, in ieder geval onze excuses’.

Alsof ze me nog meer gingen aanbieden. Schadevergoeding of zo. Dus niet. Ze verdwenen even rommelig als ze verschenen waren. De hond darde van hot naar her alsof er niks gebeurd was en het stel dook weer in hun mobieltjes.

Ik bleef achter met mijn uitgestelde woede. En dito wraakzucht. Daar besloot ik tijdens de rest van mijn wandeling dan maar eens fijn van genieten.

Eerst hoopte ik dat Bello een glutenallergie had en dat-ie het hele huis van zijn baasjes onder zou poepen. Maar dat idee verdrong ik. Per slot van rekening deed die hond gewoon wat honden zoal doen, wat ergerlijk is, maar hem niet te verwijten. Om dezelfde reden viel een paintballgeweer af.

Daarna richtte ik mijn wrok op de baasjes. Dat ze de hond slecht hadden afgericht en dat manco ook nog eens versterkten met weifelachtig optreden bij zijn wangedrag was hen wel degelijk aan te wrijven. Vond ik.

Maar bij alles wat ik voor hen verzon stonden wetten in de weg en praktische bezwaren, tot Cavia opeens iets bedacht wat juist wel volgens de wet was. Het houdverbod! Bedoeld voor dierenbeulen, weten wij heus wel, maar waarom niet óók voor sneue baasjes als die twee van Bello?

Wij zagen dat wel zitten. Dus we hebben meteen een brief aan de formateur geschreven, mede in de hoop dat we zo de partijen uit elkaar kunnen spelen. Ja, waarschijnlijk kansloos, maar we grijpen tegenwoordig echt alles aan om die bizarre onderhandelingen stuk te laten lopen.

(Ja, absurd slot, maar ik kon gisterenavond opeens geen ander, vrolijker, einde meer verzinnen. Er is een grens aan de hoeveelheid verbijstering die ik in één blog kan omdenken dus dit typte ik dan maar onversneden op.)

p.s. Toen ik voor het eerst van dat houdverbod hoorde, begreep ik het verkeerd, want dat is veel leuker. Ik dacht dus dat het om een houtverbod ging en dat het dus verboden werd om planken te hebben en dat de Gamma dicht moest.

p.p.s. Toch nog een vrolijker slot.

Geen kerstverhaal

‘Tien?!’ riep het meisje achter de kassa uit.

De man keek in zijn mandje en telde de halve liters opnieuw. Zijn hoofd wiebelde met kleine knikjes van blikje naar blikje.

‘Ja, tien,’ zei hij.

Kerstavond, kort voor sluitingstijd in de buitenwijkse Jumbo van een een provinciestad. Her en der pubers in zwart-gele poloshirts die onverstoord hun vakken vulden, en wij, de man met zijn bier voor mij en ik met wat boodschappen die ik op het einde van de lopende band zette. En het kassameisje dus, dat monter op haar iets te hoge kruk zat.

‘Die extra zijn zeker omdat het kerstmis is?’ vroeg ze. Opgewekt.

Hij snoof. ‘Echt niet. Ik zal blij zijn als het voorbij is.’

‘Ja, ik eigenlijk ook,’ gaf het meisje toe. Ondanks haar zilver gelakte nagels en de glinsterende sterretjes op haar wangen.

Daarna bleef het stil. Ik checkte nog eens of mijn mandje echt leeg was. De twee staarden me aan. Waren ze aan het wachten om te horen wat ik van de feestdagen vind?

Dat ging ze eigenlijk niks aan, vond ik, maar het leek me de sfeer geen goed doen om daar iets over te zeggen en bovendien hadden ze me al aan het denken gezet, dus ik moest er iets mee, met hun nieuwsgierige blikken.

Tja. Ik ben geen liefhebber van feesten. Zet me in een ruimte met een onoverzichtelijke groep vrolijke en gelijkgestemde mensen en ik sta al gauw met twee linkerhanden en ingekeerde blik na te denken over mijn houding en-schuine-streep-of gezichtsuitdrukking tot ik me uiteindelijk nauwelijks meer durf te bewegen en zo stiekem mogelijk, zelfs zonder dat ik zelf merk, naar de rand van het gedruis beweeg, waar ik vervolgens zo helemaal niets ga staan uitstralen dat geen enkel mens nog een gesprek met me durft aan te knopen. In de ideale situatie heb ik dat niet door. Dus oneindige rust. Als mijn hele toestand onverhoopt toch tot me doordringt, ben ik nog verder van huis dan in het begin van het feest, want dan heb ik tot overmaat van ramp ook niks meer aan mijn twee linkerhanden en is aandoenlijk stuntelen ook geen optie meer.

‘Wou je dat allemaal aan die twee gaan vertellen?’ vroeg Cavia. ‘Dat verhoogt de feeststemming ook niet bepaald…’

‘Nee, natuurlijk ga ik dat niet vertellen. Dit denk ik alleen maar,’ antwoordde ik.

‘Eh.. oké, maar intussen laat je dus een hele rare stilte vallen, heb je dat door?’

O shit, ja, ik sta bij de kassa van de Jumbo! Ik keek op. Inderdaad, rare stilte. Het meisje keek me aan alsof ik alles wat ik had gedacht wél had verteld. De man veegde zijn haar naar achteren.

‘Zijn jullie morgen eigenlijk open?’ vroeg hij. Het meisje schudde haar hoofd.

‘Sorry. Dinsdag pas. Maar dan wel meteen om acht uur!’

De man dacht na. Ik zag hem rekenen. Hij liep zonder iets te zeggen terug de winkel in. Het meisje sloeg haar ogen neer alsof hij haar vader was. We wachtten.

‘Vijftien,’ zei hij toen hij één van de blikjes voor mijn spullen op de band zette.

Het meisje hield de barcode voor de scanner. De man betaalde, vouwde zijn gele shopper open en boog voorover om de blikjes over te laden. Hij kwam hijgend weer overeind.

‘Tot dinsdag dan,’ zei hij.

‘Houdoe!’ groette het meisje. Toen de man uit het zicht was, zuchtte ze. ‘En wat vind ú van kerstmis?’ vroeg ze.

‘Ga nou niet dat hele verhaal alsnog vertellen,’ waarschuwde Cavia. Ik schudde mijn hoofd.

‘Dat dacht ik al,’ zei het meisje.