Alle berichten door René Poort

Onbekend's avatar

Over René Poort

Ik ben een schrijver en schrijf over alles wat me voor de voeten komt. Vaak in een blog, soms in een roman, & op mijn werk in memo's, notities & plannen van aanpak. De rode draad is dat het leven een heel gedoe is. Ingewikkeld. Maar als ik daar niet over schrijf, word ik gek.

Flesje

De vrouw keek naar het flesje naast haar op het bankje en stond op. Ze deed een paar stappen en begon te ijsberen. De man wendde zich af en pakte zijn mobieltje. De vrouw bleef staan en wachtte tot de man opkeek. Toen hij dat deed en haar blik zag, legde hij het mobieltje weer terug, met het scherm naar beneden.

‘Maar dan moet jij gaan zitten,’ zei hij. ‘Als je de hele tijd zo heen en weer loopt, ga ik niet met je praten.’

‘Hoezo niet?’

‘Dat weet je heus wel. Ik word zenuwachtig van dat gedrentel. Het lijkt op…’

De vrouw glimlachte. ‘Hunkering,’ vulde ze aan. De man reageerde niet. Ze haalde haar schouders op en ging zitten. Ze keek weer naar het flesje.

‘Nou, praat dan!’ zei ze. ‘Waar wou je het over hebben?’

‘Over ons, natuurlijk. Het gaat zo niet langer, Kat. We maken elkaar kapot. Ik moet eerst aan mezelf werken. Misschien wel in therapie of zo. Het is toch niet normaal dat ik bij alles zo kwaad word en…’ Hij staarde naar zijn vuist en hief hem op. ‘Kijk, dat gebeurt gewoon, zonder dat ik het merk. Dat is toch niet normaal? Dat wil ik niet meer, ik wil rust. Maar die vind ik nooit als we elkaar blijven zien. Zeker niet als jij…’

De vrouw, Kat (kort voor Katja) snoof, en pakte het flesje. Ze wilde gaan staan, maar bevroor halverwege en zakte weer terug. Na een poosje zwijgen draaide ze dop van het flesje en nam ze een paar slokken. Ze sloot haar ogen en haalde een paar keer diep adem. De man observeerde haar, sloeg zijn ogen neer toen ze de hare weer opende.

‘Maak je zin eens af. Als ik…? Ik ben toch al gestopt? Kijk, Spa blauw! Water! Ik drink g.v.d. de hele dag water…’ Ze zuchtte. ‘Wil je me alsjeblieft aankijken Erik?’ Dat deed hij. ‘Geloof je me niet?’ hij haalde zijn schouders op. De vraag alleen al, dacht hij.

‘Het zou helemaal niet nodig hoeven te zijn om dat te vragen. Toch? Kat, we zouden elkaar blind moeten kunnen vertrouwen. Maar ik vertrouw mezelf niet eens.’

‘Dus míj ook niet?’ vroeg Kat. Ze zette het flesje aan haar lippen en liet de rest in haar mond kolken. Eriks ogen gingen van haar mond langs haar kin naar haar hals. Hij volgde het water en dacht: het is geen water.

Kat ving de laatste druppels op met haar tong. Toen ze Erik weer aankeek, grinnikte ze. ‘Je gelooft me nog steeds niet, hè? Hier! Pak dan aan! Kun je zelf checken.’

Hij nam het flesje aan maar deed er niets mee. Rook niet aan de dop, probeerde niet het allerlaatste beetje eruit te likken.

Bloem

Mijnheer Versteegh stond aan de rand van de speelplaats te wachten, naast drie vrouwen die terwijl ze met elkaar stonden te praten zo nu en dan op hun mobieltje keken en er dan kieskeurig op tikten, alsof ze taartjes uitkozen bij de bakker. Intussen hielden ze, net als hij, de schooldeur in de gaten.

Het was verreweg het mooiste moment van zijn week, vond mijnheer Versteegh, het moment dat die deur openbarstte en de kinderen naar buiten stuiterden, een rommelige mini-menigte die langzaam uitwaaierde naar vaders en moeders en oppassen en ‘BSE-bodes’ of wie ook maar klaar stond om ze op te halen.

‘Opa!’ riep Myrthe.

‘Hé liefje!’ riep terug. ‘Wat heb je op je hoofd?’

‘Een hoed! zie jij dat niet?’

Ja, dat zag hij wel. en het leek het hem meteen geweldig om de hoed ook eens op te zetten. Hij wist niet waarom. Hoefde hij ook niet te weten, vond hij. Maar hij durfde nog niet te vragen of het mocht.

‘Het is een heksenhoed,’ zei Mirthe. ‘Maar wel van een lieve heks.’ ze keek hem even aan om te zien of hij dat begreep. ‘Er zijn namelijk boze heksen en lieve heksen. Dat is nogal wiedes.’

Mijn heer Versteegh knikte. En Myrthe legde uit hoe het zat. Juffrouw Merel had verteld dat er vroeger, heel vroeger (maar misschien nu nog wel), twee feeën waren, een Fee van fout en een Fee van goed, die, om om de twee feeën uit elkaar te kunnen houden, de Géé van goed heette. Met een ‘guh’.

En dat was grappig vond Myrthe, want het klopte precies! De Gee van goed, dat was ook goed gespéld en de fee van fout dat was ook écht fout.

Dat was waar. Hoewel de fee van fout eigenlijk alleen fout klónk. Maar dat zei meneer Versteegh niet. In plaats daarvan vroeg hij naar de heksen.

‘Eerst nog de feeën, ik heb nog niet alles verteld, opá!’

De Fee van fout herstelde foutjes en de Gee van goed zorgde ervoor dat wat goed was goed bleef. Dat was best moeilijk.

‘Want weet je hoeveel kinderen op een dag over de hele wereld hun bekertje melk hadden kunnen omstoten?’ Myrthe wachtte het antwoord niet af: ‘13576!’ De Gee van Goed moest dus proberen om dat te voorkomen, bijvoorbeeld door al die bekertjes een stukje opzij te schuiven, maar als dat niet lukte, dan moest de Fee van Fout als de wiedeweerga de melk opdweilen en het bekertje recht zetten om er vliegensvlug nieuwe melk in te schenken, en dat dus allemaal voordat iemand het gemerkt had. Dat deden ze natuurlijk niet zelf, daar hadden ze elfjes voor. Heel veel elfjes!

Meneer Versteegh knikte. Logisch verhaal. ‘En de heksen probeerden natuurlijk op een of andere manier om al die bekertjes om te stoten?’ vroeg hij.

Dat lag er maar aan hoe je het bekeek. Er waren vroeger ook twee heksen. De heks van Hellup en de heks van Hekel. Die laatste vond niks leuk. Zelfs leuke dingen niet. Vandaar haar naam: ze had een hekel aan alles. En omdat het haar dus allemaal niks kon schelen, liet ze lekker alles in het honderd lopen. En dat deed ze zomaar, gewoon omdat ze het kon. De heks van Hellup, die probeerde haar te helpen, maar dat deed ze altijd van de regen in de drup, omdat ze heel erg stuntelig was, zodat alles mislukte. Dat was dan eigenlijk dus goed, want daardoor pakten de plannetjes van de heks van Hekel veel minder erg uit dan haar bedoeling was. Eigenlijk was de heks van Hellup dus een goeie heks.

Myrthe nam voorzichtig haar hoed af en zei plechtig: ‘Dit is dus de hoed van de heks van Hellup. Vind je hem mooi?’

‘Ja, heel erg.’

‘Wil je hem eens op?’

Mijnheer Versteegh dacht dat ze het nooit zou vragen! Even later paradeerde hij met de paarse hoed op over het speelplein. Hij had bekijks, maar dat vond hij niet erg, en Myrthe ook niet. Ze gaf hem een hand en ze liepen samen naar huis terwijl Myrthe telkens keek of het nog wel goed ging met de hoed, want de lijm was nog niet overal droog.

‘Je moet vooral op de roze bloemetjes letten, opa!’

Dat beloofde hij te doen. Maar toen ze thuis kwamen, had hij er toch een verloren. Dat was natuurlijk werk van de heks van Hekel. Die vond roze bloemetjes maar niks, wedden? Dat vonden ze allebei wel een beetje griezelig, zo had je nooit gehoord van die heks en zo bemoeide ze zich heel geniepig met je leven, alleen maar om te pesten!

‘Kom, zei mijnheer Versteegh, ‘we lopen gewoon terug en dan kijken we goed naar de straat en de stoep, en dan vinden we dat bloemetje heus wel weer. Vergeet niet dat de heks van Hellup er ook nog is! Om maar niet te spreken van die twee feeën.’

Myrthe knikte verheugd, want daar had ze nog niet aan gedacht. Ook stom, ze had het verhaal zelf aan opa verteld. Nou ja, maakte niet uit, ze was er blij om en het zou goedkomen, dat was het belangrijkste.

Ze gingen op pad en slopen als regelrechte speurneuzen over de trottoirs en de straten op zoek naar het roze bloemetje. Ze zochten en zochten en zochten…

‘Opa kijk daar! riep Myrthe toen opeens. ‘Die meneer zoekt ook iets!’ Ze wees vooruit en inderdaad, daar stond een man voorover gebogen, midden op straat, naar de grond te turen.

‘Hij maakt een foto van iets wat op straat ligt,’ zei mijnheer Versteegh. ‘misschien wel van het bloemetje!’ Myrthe begon te rennen en hij rende achter haar aan.

En ja hoor, de man hield zijn mobieltje een halve meter boven het bloemetje van Myrthes heksenhoed, dat daar helemaal alleen op straat lag te glinsteren alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

‘Wat doet u? vroeg Myrthe aan de man. ‘Dat is mijn bloemetje. Het is van mijn heksenhoed!’

Ik ging recht staan. ‘Ik maak er een foto van.’

‘Waarom?’

‘Dat vind ik leuk. Ik maak foto’s van dingen die op straat liggen. Dingen die mensen zijn vergeten, of die ze zijn verloren. En dan verzin ik daar een verhaal bij.’

Myrthe knikte, want dat vond ze best een goed idee. ‘En weet u al een verhaal voor bij mijn bloemetje?’

‘Hm, meestal moet ik daar eerst even over denken, maar nu weet ik al iets, wil je het horen?’

Myrthe knikte (opa ook).

[Da capo.]

Kleren

Het revalidatiecentrum waar ik mijn eigen nieuwe normaal vond/zoek, ligt naast een soort plas, de Ridderschapsvaart (het is dus geen plas, maar een kniesoor die daar op let), een idyllisch water dat gemaakt lijkt om rust te vinden. Aan de oever ervan staat een bankje en dat bankje is mijn lievelingsbankje.

Zoiets is gevaarlijk, een lievelingsbankje. Bijna alles met ‘lievelings’ ervoor is gevaarlijk. Vind ik. Want neem nu dat bankje. In plaats van mij er op te verheugen dat ik later op kan zitten, ben ik bang dat het dan bezet is. En zo gaat dat met alle lievelingsdingen, ik ben altijd bang dat ik ze misloop.

Ja, dom. Ik probeer dat af te leren. De basis regel: soms zit het mee soms zit het tegen. Geen grote wijsheid, maar ze werkt wel. Als je er in gelooft.

Een andere methode: kill your darlings. Ik weet dat er iets anders mee bedoeld wordt, maar mijn lezing is dat als je geen lievelingsdingen hebt, je ook nooit teleurgesteld wordt.

Ho, denk nu niet: wat een zwartgallige man die meneer Poort. Want de vrolijke keerzijde van deze stelling is dat ik voortdurend verrast word door van alles en nog wat. Daarvoor heb ik eerst van verrassingen leren houden. Ja, ik maak het mezelf nodeloos ingewikkeld. Maar ik ga stug door, in ieder geval met dit verhaal.

Daarvoor is belangrijk dat dus niet al mijn lievelingen dood zijn.

Hm… in het Engels klinkt dat vriendelijker. Schrap de vorige alinea. Ik bedoel te zeggen dat ik nog steeds lievelingsdingen heb, waaronder dat bankje.

Het zal u waarschijnlijk niet verbazen dat er bij mijn lievelingsdingen rituelen horen. Ik ben niet voor niets een zenuwlijder. Bij dat bankje horen dus een dubbele espresso en een brownie. (De oplettende lezer zal zeggen dat het dus meer een lievelingsgebeurtenis is, namelijk espresso drinken en een brownie eten en er een eind op losmijmeren op mijn favoriete bankje, helemaal waar, maar dat vind ik te ingewikkeld voor dit verhaal.)

Die espresso en brownie haal ik een eindje verder op. Dat klinkt simpeler dan het is, want op weg naar de koffie moet ik langs het bankje en als het vrij is loop ik dus met de zenuwen in mijn lijf heen en weer omdat ik als de dood ben dat intussen iemand anders op dat bankje is gaan zitten.

Tot zover deze nogal lange inleiding. Die was nodig om u een soort indruk te geven van wat ik meemaakte toen ik vorige week opgelucht ademhaalde terwijl ik met alles wat ik nodig had op het bankje ging zitten om haast meteen te ontdekken dat er voor het bankje twee hoopjes kleren lagen.

Dat had ik weer. Nu zou er dus helemaal niets van voor mij uit staren en dagdromen terechtkomen. Nee, nu moest ik gaan nadenken over die kleren.

Wat deden die daar? Of een betere vraag: van wie waren ze? Van twee vrouwen, dacht ik, want de kleren hadden iets vrouwelijks. Vraag me niet waarom. Of toch wel, want toen ik nog eens goed keek naar de slippers, leken de blauwe me toch meer kinderslippers. Zo kwam ik op een vrouw en een kind.

Waar waren ze? In het water zou logisch zijn, maar ik zag ze nergens. En het water is een recht-toe-recht-aan-plas waar een mens zich moeilijk kan verstoppen. Bovendien verwachtte ik vrolijk gekwetter en gespetter, en het enige dat ik hoorde was het zachte geruis van het verkeer op de Waterlinieweg. Dat klonk akeliger dan ooit, dreigend zelfs.

Ik haalde er op mijn mobieltje een landkaart bij. Zouden die twee de Minstroom op zijn gezwommen? Om dan via de halve stad en aangrenzende polderland hier weer terug te keren? Dat leek me meer iets voor Maarten van der Weijden. Ik rilde bij de gedachte dat ze ergens bij Den Bilt door kramp geplaagd tevergeefs om hulp aan het roepen waren.

Terwijl ik doodgemoedereerd op dat bankje zat! Ik gooide de koude koffie weg en stopte de brownie in mijn tas,, wiste het zweet van mijn voorhoofd en probeerde na te denken. Wat moest ik doen?

Ik keek nog eens naar de kleren en schrapte mijn idee om naar aanwijzingen van het een of ander te zoeken. Ik ken mijzelf, als ik zo iets doe, steken twee seconden later de zwemsters hun hoofd boven het water uit om mij van diefstal te betichten.

Ah! De politie bellen! Dat was het beste. Dan kon die uitzoeken wat er aan de hand was. Intussen zou ik op de kleren passen.

Maar wat moest ik zeggen? Alle zinnen waarmee ik in mijn hoofd het telefoontje probeerde te beginnen sloegen eigenlijk nergens op. Ik had een heel slecht verhaal.

Dat maakte mijn zorgen er niet minder om. Intussen zag ik moeder en kind zich aan elkaar en wrakhout vastklampen te midden van enorme golven met witte koppen.

Ik besloot kordaat dat dit bankje voortaan mijn lievelingsbankje niet meer was, maar daar had ik nu niks aan. Ik stond op en deed een paar stappen naar de walkant, misschien kon ik roepen. Zoiets als: ‘Hallo! Gaat alles goed?’

Maar toen de echo van ‘hallo!’ over het water terugkwam, verloor ik mijn evenwicht. Ik maaide met mijn rechterarm door de lucht terwijl ik dacht: hoe sneu is dit?

Vlak voor ik het water in zou tuimelen, pakte iemand mij bij mijn schouder.

‘Meneer Poort! Meneer Poort!’ Ik schrok wakker. ‘Gaat u mee? U heeft creatieve therapie!’

Achtergrond

Oké, als we straks veel meer dan vroeger thuis blijven werken, kunnen we dan een paar afspraken maken over de plekken waar we thuis onze computer neerzetten? Want ik heb zo onderhand wel genoeg zolderkamertjes gezien. Balken en schrootjes, balken en schrootjes, het hield niet op.

Oh, en al die onduidelijke kamertjes, misschien kent u ze, van die ruimtes die eerst heel chique de strijkkamer waren, daarna strijkkamer/walk in closet/verzamelplaats voor ongevouwen kleren, vervolgens, na een grondige reorganisatie plus een nieuw behangetje en een vlaag van overmoed opeens bibliotheek en leeskamer werden, om ten slotte toch te eindigen als inpandige berging, wat een makelaarswoord is voor rommelhok, waar tot verbazing van iedereen (waaronder veel collega’s) toch nog een bureau in past, tegenover een boekenkast nog wel, die vol staat met Ninja Turtles en/of Power Girls action figures, en/of in onbruik geraakte bloemenvazen/koffiemokken.

Dat is allemaal meer dan een mens kan hebben, of laat ik het bij mezelf houden, meer dan ík kan hebben.

Ik geef toe, ik maak het mezelf te moeilijk, want ik kan het natuurlijk weer niet laten om al die achtergronden eindeloos te bekijken en te analyseren. Het zal u niet verbazen dat ik er een theorie over heb. Je werkt bij beleid of niet.

De basis van mijn theorie is dat al die achtergronden iets zeggen over de persoon op de voorgrond. Ja, het is geen revolutionaire theorie. Maar wat wilt u, ik heb haar tussen de bedrijven door in de kantlijn van mijn aantekeningenboekje gekrabbeld.

Goed, mensen gaan niet zomaar ergens zitten, nee, die willen met hun entourage iets vertellen over zichzelf. Bewust of onbewust. En daar moet je voor oppassen, of laat ik het alweer bij mezelf houden, daar moet ík voor oppassen.

Neem bijvoorbeeld de opgewekte meneer die pontificaal voor een poster van Nana Mouskouri zat. Ik ga niet uitleggen wie dat is (Nana bedoel ik). Het is al erg genoeg dat ik haar herkende en in de lach schoot, omdat zij in mijn pubertijd alles wat suf en oud (20+) en muzikaal fout was, representeerde, en dat ik daar ook zonodig een snedige opmerking over moest maken met mijn microfoon aan. Wist ik veel dat zij in 1963 voor Luxemburg uitkwam op het Eurovisiesongfestival en toen achtste werd!

Waarmee ik maar wil zeggen dat je (ik) voorzichtig moet zijn met oordelen over iemands habitat, want dat is een deel van iemands identiteit. Voor je (ik) het weet heb je (ik) iemand diep in het hart geraakt.

Een achtergrond is ook iets om mee op te scheppen. Eerst dacht ik dat alleen mannen dat deden, met wanden vol sneakers, gitaren, skateboards, racefietsen of highbrow street art (van een Londense kunstenaar die een half jaar daarvoor op een verlaten industrieterrein in een oude vrachtwagen woonde).

Later kwam ik er achter dat ook vrouwen met hun biotoop pronken, maar dan subtieler, bijvoorbeeld met de zachte natuurgeluiden van een boerderij op het platteland, de aandoenlijke viool- en/of piano-oefeningen van hun kinderen in een aangrenzende kamer, of een partner/puberzoon die gedienstig een kopje koffie komt brengen.

In dezelfde categorie vallen de terloopse mededelingen als ‘sorry voor het lawaai, we laten een oranjerie in de achtertuin bouwen’, of: ‘ik moet misschien straks even de vergadering uit want ze komen nieuwe ketels voor de brouwerij brengen.’

Iets heel anders zijn de achtergronden die je met enige handigheid zelf kunt maken. Dat zijn dromen (die niet zijn uitgekomen) die dan in plaats komen van een kennelijk deprimerende situatie thuis.

Ja, dat klinkt een beetje cru, maar ik kan niks anders concluderen als een onafgebroken beteuterde meneer bij de bespreking van een heus wel hoopgevende notitie niets dan zwartgallige kanttekeningen plaatst terwijl hij zogenaamd op het hagelwitte strand van een lagune in Thailand zit. Dat is gewoon wanhopig.

En wat te denken van de gehinderde mevrouw die tijdens een bespreking iedere vraag om een standpunt zuinigjes van zich af duwt zonder ook maar één keer het achterste van haar tong te laten zien, maar die wel open en bloot (bij wijze van spreken!) heeft plaatsgenomen voor een foto uit 1992 waarop zijzelf als twaalf jarige compleet met rugzak, wandelstok en bordercollie op een voetpad in de Appenijnen loopt? Dat ontroerde me. Niet dat beeld, maar de enorme kloof tussen de foto en de vergadering. Greep me gewoon bij de keel.

Mijn achternicht uit Anderik zei me dat het allemaal de kift was.

‘De kift?, vroeg ik? ‘Hoe past dat in mijn theorie?’

‘Nee, dit blog!’ antwoordde zij. ‘Je bent gewoon jaloers op al die mensen, omdat je zelf niks hebt.’

‘Huh?’

‘Jij zit ofwel voor de grijze gordijnen van je woonkamer, ofwel voor de ‘soort-van-witte’ rolgordijnen van je werkkamer. Hoezo is dat niet sneu?’

‘O, als ik mij niet omring met totems en uitbreidingen van mijzelf is dat sneu? Dat is juist stoer, zou ik zeggen! Ik stel mij kwetsbaar op! Als je met mij skypt/zoomt/webext/teamst of wat ook maar, dan doe je dat je met míj en niet met mijn parafernalia. Ik zal me nergens achter verstoppen.’

‘Tss, jij… jij verstopt je achter je woorden!’

‘Ach, nou doe je echt flauw. Is dat omdat je op een boerderij woont met een oranjerie in de achtertuin en een brouwerij in de schuur? Barn Beer, serieus?’

Flits! Weg was mijn achternicht. Ik ook altijd met mijn bijdehante commentaar. En mijn theorietjes.

‘Wat vond u van de kwaliteit van dit gesprek?’ vroeg Skype.

Hm…

Zullen we elkaar weer gewoon op kantoor leren kennen? Als we niet meer weten hoe dat moet, kunnen we nog altijd naar elkaars hobby’s vragen.

Verward

Toen ik afgelopen donderdag van mijn werk naar huis liep, lag er op de hoek van de straat een man voor de bloemenwinkel, te midden van vijf omgevallen coniferen, alsof hij en de bomen omver waren gewaaid door een valwind. Zoiets bestaat, had ik in de krant gelezen. De foto bij het artikel leek precies op de puinhoop voor de bloemenwinkel.

De man van de viswinkel die soms ook bijspringt in de bloemenwinkel stond voorovergebogen naast de man op de grond. Ja, een vreemde combinatie van baantjes, visboer en bloemenman, maar wel een pragmatische, aangezien de viswinkel tegenover de bloemenwinkel is. Ik weet niet hoe hij heet, maar ik noem hem voor dit verhaal Youssef. 

‘Hij is een beetje in de war, denk ik’, zei Youssef tegen mij. Hoewel ik nog maar net aan kwam lopen, vond ik dat wel een houdbare veronderstelling, want het leek me sterk dat de man de ravage bij zijn volle verstand had aangericht. Ik zag in ieder geval niet meteen een wel doordacht plan. 

Youssef en ik keken elkaar aan en besloten, zonder verder iets te zeggen, de man van de grond te trekken. 

Dat viel niet mee. De man wilde eerst blijven liggen en toen hij na ons zachte aandringen tenslotte overeind was gekomen wilde hij niet bewegen, laat staan naar het bankje lopen dat naast de bloemenwinkel tegen het huis van de buren stond. 

Intussen probeerde ik te verstaan wat de man zei, want hij mompelde allerlei zinnetjes van twee, drie woorden waarna hij ons gehinderd, bozig aankeek omdat wij geen antwoord gaven. Dat kwam doordat wij er helemaal niets van begrepen. Youssef en ik spraken gewoon in het Nederlands terug, want we moesten toch wat. Altijd blijven communiceren, heb ik geleerd.

We probeerden we de man voorzichtig naar achteren te duwen, want hij moest echt zitten, dat was wel duidelijk. Telkens als wij hem loslieten, moesten we hem snel weer bij zijn armen grijpen om te voorkomen dat hij viel.

Dan werd hij boos en probeerde hij zich los te wringen. Straks maait hij mij net als die coniferen omver alsof het niks is, dacht ik. (Hm… Ik wil niet de hele tijd zielig doen over mijn linker arm, maar sinds die niks meer doet, heb ik nog steeds geen nieuw evenwicht gevonden. Hij hangt maar een beetje langs mijn lijf en is In de vreemdste situaties opeens 5 kg dood gewicht waar ik me telkens weer door laat verrassen.)

De vrouw van de bloemenwinkel kwam naar buiten en zei: ‘Oh, wacht ik haal m’n baas wel even, die kent hem.’ 

Youssef en ik keken elkaar aan (opgelucht) en duwden de man monter als twee verplegers nog eens in de richting van het bankje. Hij werd weer boos en schold ons uit, Youssef voor moslim en mij voor Karl Marx. Dat had ik weer, soms lijkt die baard wel de enige eigenschap die ik heb. 

‘Nee,’ zei Youssef, ‘ik ben een mens. Gewoon een mens!’

Goed antwoord. Een ijzersterk antwoord zelfs. Maar daarmee had hij de lat wel hoog gelegd. Wat moest ik nou zeggen? 

‘Bakoenin. Scheld me liever uit voor Bakoenin. Die had ook een baard, maar schreef zinniger dingen dan Marx.’ 

Waarom moet ik toch altijd zo bijdehand doen? Het zou niet de eerste keer zijn dat ik een klap voor mijn kanis krijg omdat ik mijn eigenwijze mond niet kan houden. Maar nu had ik het kennelijk precies goed, want de man grinnikte. 

Ik ben pas echt vrij als alle mensen vrij zijn,’ zei ik. Mijn favoriete Bakoenincitaat (als ik eenmaal bijdehand doe, ben ik niet meer te houden). De man lachte weer en wilde mij in zijn armen sluiten. Maar Youssef dacht dat hij mij te lijf wilde gaan en trok me weg waardoor de man voorover op de grond viel.

Toen verscheen plotseling de baas van de bloemenwinkel naast ons. Hij bekeek de man op de grond en zei laconiek: ‘Wil je koffie Volodja?’ En tegen ons: ‘Hij is Rússisch!’ Alsof dat de hele situatie in één klap verklaarde. In ieder geval misschien dat de man mij met Marx vergeleek. En dat hij misschien niet verward maar dronken was. Ja, vooroordeel, maar hij rook wel erg naar drank. 

Dacht ik.

Opeens. 

Hoe dan ook, de man dronk koffie terwijl hij op de grond zat, liet zich daarna alsnog door Youssef en mij naar het bankje brengen (terwijl de bloemenbaas ons stap voor stap in de goede richting coachte) en dronk daar nog een kop koffie terwijl wij, de omstanders, in de ongemakkelijke sfeer terecht kwamen die ook wel eens ontstaat aan het eind van een feestje, als niemand een aanleiding kan vinden om de boel definitief op te breken. Ik kan me ook niet meer herinneren hoe we uit elkaar gingen.

Toen ik de volgende dag weer langs de bloemenwinkel liep, kwam de vrouw naar buiten.

‘Meneer!’ riep ze, ‘ik heb iets voor u!’ Ze verdween in de winkel en niet veel later zette ze een conifeer voor mijn voeten. ‘Van Volodja, voor u!’

‘Voor mij?’

‘Ja, “voor Bakoenin”, zei Volodja. Hij heeft zelf de andere vier meegenomen.’ Ze lachte.

‘Wat was er nou eigenlijk met hem aan de hand?’ vroeg ik.

‘Hij heeft in Rusland gevangen gezeten. En daar heeft hij iets opgelopen, iets in zijn hoofd, hersenletsel. En soms is hij dan even helemaal de weg kwijt.’

De vrouw keek me aan: ‘Heet u écht Bakoenin?’

‘Nee,’ antwoordde ik. Daarna pakte ik het boompje bij de stam en droeg ik het naar huis.

Achterzak

Wij van beleid hebben natuurlijk jargon, dat is een speciale taal die alleen wij begrijpen. Dat wil zeggen, ik meestal niet, wat het des te grappiger maakt om er over te schrijven. Al zeg ik het zelf.

Wij van beleid hebben ook speciaal gedrag, wat ik hier níét ga beschrijven, ook al zou dat ook echt wel grappig zijn. Dat doe ik niet omdat mijn collega’s en ik, net zoals u en uw collega’s, straks weer op elkaars lip zitten in een kantoortuin en ik wil voorkomen dat we dan heel ongemakkelijk en/of gênant gaan doen om dat gedrag te uit de weg te gaan. Wat waarschijnlijk opnieuw erg grappig zal zijn, maar zo blijf je bezig.

Wat ik wel kan (durf) te beschrijven is iets tussen taal en gedrag in, wat ik voor het gemak een gebruik noem. Een zo’n gebruik is (ik zet het even tussen aanhalingstekens, want anders staat het heel raar, vind ik) iemand (meestal een manager) ‘iets meegeven voor in zijn achterzak’. Daarmee bedoelen we een A4’tje waarop in het kort de grote lijn van een betoog staat, inclusief eventuele alternatieven voor het geval zo’n betoog verkeerd uitpakt. Soms staan er ook ‘cijfermatige onderbouwingen’ bij, dat zijn berekeningen van de kosten van het betoog, want gratis betogen bestaan niet. Soms zijn het (ook) statistieken, want kosten zonder prognoses bestaan ook niet.

Voordat ik hier verder over uitweid, wil ik eerst nog iets vertellen over ‘de tas’. Ja, dat lijkt een vreemde wending, en dat is het misschien ook, maar niet in míjn hoofd.

De tas, dat is de tas van een minister, of een staatssecretaris, of een ander hoog persoon op een ministerie, althans op het ministerie dat ik ken. Een gevleugelde vraag is daar (meestal op vrijdagmiddagen): ‘hoe laat gaat de […]tas van de [functie] dicht?’ Dat is belangrijk om te weten als je de grootvizier (of hoger) een notitie mee wil geven om te lezen. Niet zelden jutten de mensen elkaar dan ook op met de onheilspellende mededeling: ‘De […]tas van de [functie] gaat om 15.00 uur dicht!’

Eek!

Bij de puntjes moet je invullen om welke tas het gaat. Ja, het gaat weliswaar steeds om dezelfde tas, maar die heet telkens anders. Zo heet de tas die de [functie] voor de kerstvakantie mee naar huis neemt heel toepasselijk ‘de kersttas’. U kunt zelf wel verzinnen welke namen de tas nog meer kan krijgen. De geinigste vind ik altijd ‘de weekendtas’, omdat ik dan niet alleen te lezen documenten in die tas zie, maar ook schone sokken, ondergoed, een pyjama, tandenborstel et cetera. Ja, misschien kinderachtig, maar dat is mijn manier om een persoonlijk tintje aan die opgefokte deftigdoenerij te geven.

Pardon my French.

Bij ‘functie’ gaat het natuurlijk om van wie de tas is. Eerst hoorde je lange tijd alleen maar over tassen van de minister en van de staatssecretaris, maar in de loop der tijd kwamen daar andere hoge mensen bij. Mijn verklaring (psychologie van de koude grond) is dat zo’n tas status geeft, dus iedereen die aanzien wil, neemt ook zo’n tas. Wel sneu, wan die tas moet natuurlijk gevuld.

Wat er in een tas mag/moet, weet ik niet. Daar zijn vast regels voor, want anders propt iedereen zo’n tas vol met van alles en nog wat en moet iedere manager met zo’n golfkarretje naar de uitgang van het departement.

Terug naar de achterzak. Die is in tegenstelling tot de tas niet sekseneutraal, vind ik. Want hoewel vrouwen ook heus wel broeken dragen en ook heus wel broeken met achterzakken, zijn het toch vooral mannen die achterzakken hebben.

Ik heb lang nagedacht over een alternatief. Dat viel niet mee. Zoals mannen altijd een achterzak hebben, hebben vrouwen altijd een handtas, maar om één of andere reden, klinkt dat niet ernstig genoeg, ‘iets meegeven voor in haar handtas’. Het is een beetje geheim agent-achtig, alsof het om een handgranaat in de vorm van een flesje parfum gaat, of zoiets.

Een ander alternatief kwam van mijn achternicht uit Zwamfoort die me zei dat veel vrouwen iets wat zij mee moeten nemen onder het schouderbandje van hun bh schuiven. Hun mobieltje bijvoorbeeld. Nou, ik ga niet eens opschrijven wat je dan zou moeten zeggen, dus die optie verviel ook.

Goed, waar brengt ons dit? zou mijn goede vriend O. vragen. Ik weet het niet goed. Wat mij betreft schrappen we gewoon het hele gebruik. Er is toch niemand die nog papier gebruikt, dus waarom zouden we het nog over achterzakken of handtassen hebben? Misschien dat ik daar eens een notitie over moet schrijven. Een hele korte: ‘We schrijven voortaan gewoon op waaraan je aan moet denken tijdens een gesprek, en meer niet. Maar ook niet minder.’

Notitie? Misschien is een appje eigenlijk wel voldoende. En ik hoef niet te weten waar iemand zijn/haar mobieltje bewaart.

Rechten

Wat is er toch met al die vreemde rechten? Ik bedoel bijvoorbeeld ‘het bel-me-niet-register’. Dat bestaat alweer een tijdje, en ze gaan het veranderen, maar het blijft even raar, want als we worden gebeld, mogen we zeggen dat we dat niet willen. Recht op verzet, heet dat.
Hm…
Het recht op vergetelheid is ook zoiets. Als een organisatie van alles over en van ons weet, mogen we die organisatie vragen of ze ons wil vergeten.
Nou ja! De omgekeerde wereld, lijkt me.
En nu wil een kamerlid ons het recht op onbereikbaarheid geven. (Om iedereen in de war te brengen heet het wetsvoorstel ‘over de bereikbaarheid van werknemers buiten werktijd’.)
De bedoeling van dat wetsvoorstel is om werkdruk te voorkomen of te beperken. Nou, dan weet ik nog wel een paar wetten! Een wet tegen haast, zou dat kunnen? Misschien, er is vast wel een kamerlid voor te vinden, maar het lijkt me niks, want dan gaan mijn werkgever en ik natuurlijk bakkeleien over de definitie van haast. Want ik vind die van mij eigenlijk de beste, en een discussie daarover lijkt me dus zinloos, maar dat ziet mijn werkgever vast anders, et cetera. Zonde van mijn tijd.
Maar zoiets gaat wel gebeuren met onbereikbaarheid, wat ik u brom.
Het wetsvoorstel zelf zouden we als een waarschuwing moeten zien. De tekst van de wetswijziging behelst feitelijk een zin van 23 woorden. Lekker kort. Dat had u gedacht. Er zit een memorie van toelichting bij van 12 bladzijden, inclusief grafieken en een een onrustbarend notenapparaat. Daarnaast is er nog een advies van de Raad van State van ongeveer één bladzijde met een repliek van het kamerlid van nog eens 10 bladzijden.
Need I say more?
Nee, laten we dan radicaler zijn en ons recht op luiheid eisen. Dat heb ik zelf niet verzonnen, maar Paul Lafargue, die daar een pamflet over schreef, bijna anderhalve eeuw geleden (1880). (Nutteloos maar geinig weetje: hij was de schoonzoon van Karl Marx. Daar zie ik dan een tragisch familiedrama achter, waarin Karls dochter geraffineerd wraak op haar vader neemt – ik weet nog niet waarvoor, maar dat verzin ik later wel – door met een man te trouwen en die arbeid helemaal niets vindt, laat staan Marx’ theorieën daarover. Dit allemaal terzijde.)
Pauls stelling was dat mensen niet meer moeten werken dan nodig is. Zijn pamflet is eigenlijk ook een pleidooi tegen overproductie. Als we alleen de dingen maken die nodig zijn, kunnen we de rest van de tijd lekker niks doen. Dat is dan ons goed recht, als het ware.
Wat mij brengt op Paulus de Boskabouter, of eigenlijk op zijn vrienden Gregorius de das en Joris het vispaard.
Ja, sorry, ik spring van de hak op de tak, maar dat vind ik leuk, en ik mag het trouwens niet laten van de dokter, want als ik het niet doe word ik gek. Ik ga wel proberen om alles nog voor het einde van dit blok aan elkaar te knopen.
Goed, alle dieren in het bos zouden een huis voor Joris gaan bouwen (omdat hij inwoonde bij Paulus en daar eigenlijk niet te handhaven was want hij at alles op, inclusief Paulus’ bankstel) en toen Paulus aan Joris en Gregorius vroeg wat zij konden bijdragen, waar ze goed in waren, riepen ze in koor:’LANTERFANTEN!’ Enfin, het huis kwam er wel, maar ontplofte.
Need I say more?
Dus, korte samenvatting: minder spullen = minder werken = meer lanterfanten. En dan hoeven we vanzelf ook niet meer de hele dag bereikbaar te zijn.
Hoera!
Ho! Te vroeg gejuicht.
Ik zat dit blog te schrijven op een terras terwijl naast mij twee vriendinnen zaten (niet van mij, van elkaar) waarvan de één aan de ander vertelde dat zij eens tien dagen retraite had gehouden in een Tibetaans klooster. Ze had er niets mogen zeggen, niemand aan mogen kijken, en eh… nou eigenlijk gewoon niks dus. Behalve dan yoga, veel yoga, vanaf 4:30 uur in de morgen, en af en toe eten natuurlijk.
‘Zalig was dat,’ zuchtte ze.
Tien dagen lang.
Niks.
‘Dus ook geen mobieltje?’ vroeg haar vriendin voor de zekerheid. De ander schudde meewarig haar hoofd. Daarna volgde een toepasselijke stilte.
‘Maar waarom zou je dat willen, met niemand contact?’

P.s. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik, om het mooie woord vergetelheid te behouden (pun intended) eerst het recht daarop nog wel een goed idee vond, maar toen bedacht ik dat we dan beter dáár een wet voor kunnen maken, een verbod op vergeten van mooie woorden, of liever andersom (positiever): de plicht om mooie woorden te gebruiken, waarna ik de sterke neiging kreeg om alvast een lijst samen te stellen, voor in de memorie van toelichting bij mijn wet, wat ik niet deed, waardoor deze alinea in de PS terechtkwam. Ook om u een beetje te ontzien, want er is een grens aan waar ik u mee op kan schepen, denk ik.

Letterlijk

Transparant, daar hoor je ook veel over. Openheid is de leuze. Dus nadat ik laatst alle plastic raamfolie van mijn ruiten had getrokken (zie hier), besloot ik minder ‘met oortjes in’ naar buiten te gaan. Dan zit ik niet zo in mijn hoofd en hoor ik de andere mensen, was mijn gedachte.
Dus ik, een en al ontvankelijk, naar buiten, een terras op. En voor ik het wist, gingen er twee vrouwen aan een tafeltje verderop zitten.
De ene vrouw (decaf latte met havermelk) zei tegen de andere vrouw (glaasje water en een appel): ‘Nou ja, wij wonen dus in een vinexhuis’. Alsof het een vloek was die ze nu eenmaal moest dragen. Vervolgens gaf ze een beschrijving van het huis, waarvan ik alleen onthouden heb dat er prachtig veel licht was, maar dat het schuurtje echt veel te klein was. Dat een schuurtje formeel geen onderdeel van het huis is, zag ik door de vingers, want om nou het einde van de social distancing te beginnen met medemensen betweterig de les te lezen, dat leek me niet verstandig. Hoe dan ook, er kon letterlijk maar anderhalve fiets in, zei ze.
Letterlijk.
Dus ik zag die anderhalve fiets. En ik vroeg me af wie er nu in vredesnaam een halve fiets zou hebben. Misschien was het de eenwieler van haar Pipi-langkous-achtige dochter die op de circusschool zat? Of zou het echt een halve fiets zijn, overblijfsel van een van de hobby’s van haar ex, die altijd wel met een of ander projectje bezig was? Je hebt van die mannen, die eigenlijk het liefst door hun leven scharrelen en dingen van plan zijn die ze (letterlijk) maar half afmaken, wat hun vrouwen heel wijs dulden, omdat ze intuïtief weten wat er gebeurt als zo’n plan wel lukt: het hele leven op zijn kop.
Eh… Dat is wel heel chagrijnig. Vergeet het.
Intussen kabbelde het gesprek van de vrouwen verder over de voors en tegens van bepaalde wijken in Utrecht. De reistijd van huis naar werk bleek een doorslaggevende factor. Je kon nog zo leuk wonen, als je iedere dag uren in de auto zat, had je er niks aan. ‘Alles gaat goed tot ik bij de afslag Oost kom,’ zei de vrouw uit de vinexwijk. ‘Als ik in de verte het eerste stoplicht eindeloos op rood zie staan, weet ik het al, dit gaat lang duren. Een half uur om vandaar naar hier te komen is niks.’
De andere vrouw knikte vol medeleven, terwijl ze letterlijk om de hoek woonde en dus iedere morgen in een paar minuten naar haar werk wandelde.
Letterlijk.
Dat medeleven was dus maar gespeeld. Maar daar kon ik wel inkomen, want ze kon moeilijk in een soort van triomfantelijk gelach uitbarsten.
Ten slotte belandde de vinexvrouw in een beschrijving van haar tuin, die echt zalig was, maar momenteel letterlijk een wildernis, gewoon een jungle.
Letterlijk.
Ik zag een aap in haar ongesnoeide berkenboom hangen (de berkenboom die ze – zij en haar ex – nog geplant hadden op de placenta van hun eerste kind; sommige mensen doen dat). Dat was een grappig gezicht, de aap bedoel ik.
‘Maar ja, vind maar eens een tuinman!’ riep ze verbolgen. De andere vrouw knikte. Zij had er vast al een, maar daar wilde ze liever niet over beginnen, omdat ze ook al zo asociaal dichtbij haar werk woonde. ‘Die hebben allemaal een wachtlijst,’ ging de vinexvrouw verder. ‘Als je je nu inschrijft ben je in oktober aan de beurt. Tegen die tijd is alles dichtgegroeid. Moet ik letterlijk met een kapmes naar mijn schuurtje!’
Letterlijk.
Ik schoot in de lach.
‘Vindt u dat grappig?’ vroeg zij.
‘Ja, ik zag dat voor me,’ antwoordde ik.
‘Wat?’
Hm… dat wilde ik liever niet zeggen. Aan de andere kant, zonder mijn levendige fantasie was er natuurlijk niets om te lachen. Dan de waarheid maar.
‘Hoe u zich in een kaki tropenpak met een machete een weg naar uw anderhalve fiets kapt…’ Zij staarde me aan. Het bleef even stil. ‘Ik bedoel, dat zag ik dus voor me… en u droeg een Indiana Jones-hoed…’
‘Anderhalve fiets?’ Ik knikte. ‘Zit u ons de hele tijd al af te luisteren?’
‘Nee, maar ik kon wel letterlijk horen wat u zei.’ Ze staarde weer. ‘Letterlijk!’ herhaalde ik.
‘Nou ja, zeg!’ Ze ging wat rechter zitten en keek rond. ‘Zullen we naar dat tafeltje verhuizen?’ vroeg ze de andere vrouw. Dat deden ze. Onder luid geraas en met veel bekijks. Ik wist niet hoe ik mij een houding moest geven; dat weet ik eigenlijk nooit, maar nu helemaal niet, want het was alsof ik hen belaagd had.
Enfin, tot zo ver open en transparant.
Was het maar weer lock down.

Bierviltje (Nguv)

Eerst dacht ik dat de vrouw die aan de andere kant van de landweg met mij opliep hardop in zichzelf praatte. Sommige mensen doen dat, waaronder ik zelf. En ik praat niet alleen tegen mezelf maar ook tegen apparaten en dingen. Als ze niet doen wat ik wil, wat behoorlijk vaak voorkomt, vraag me niet waarom. Misschien wil ik te veel.
Maar de vrouw was natuurlijk aan het bellen met iemand. Niks hardop aan het denken of dingen aan het toespreken. Nee, ze telefoneerde zonder draadje en zonder handen. Ook dát doe ik wel eens, maar ik kan er niet aan wennen dat anderen het doen. Ik moet altijd eerst naar hun oren kijken en als daar zwarte knoppen of witte steeltjes uitsteken, dan snap ik het pas.
De dag is niet ver dat de maatschappij mij inhaalt. Dan snap ik het hele leven gewoon niet meer omdat ik een paar technologische ontwikkelingen gemist heb.
Eh…
‘Het is een bierviltje en die moeten we challengen,’ zei de vrouw. Waarna ze over spreadsheets begon waarin ze gisterenavond ‘even’ alle cijfers had ‘geschilderd’. Dat ‘even’ was belangrijk. Een peulenschil was het geweest, namelijk. En met dat ‘schilderen’ erbij werd het helemaal een fluitje van een cent.
Van € 0,01.
Cijfermensen zeggen dat:‘de cijfers er even in schilderen.’
Ik weet niet waarom ze niet gewoon zeggen dat ze die getypt hebben, of van mijn part ‘er ingeklopt’. Dat schilderen klinkt alsof ze hun hand niet omdraaien voor een beetje rekenwerk (wat eigenlijk niet meer dan logisch is voor cijfermensen, dus waarom zou je er over opscheppen) maar het maakt die cijfers ook een beetje vriendelijker. Minder zwart-wit. Zwart-rood.
Haast kunstzinnig. Speels.
En raar.
Dat is vaak met jargon. Ik heb voor dit blog een korte theorie over jargon ontwikkeld. De kern ervan is dat jargon twee functies heeft. De eerste is: exclusiviteit, en neem dat zowel letterlijk als figuurlijk. Iemand die jargon praat is niet zomaar iemand, dat is iemand die een geheimtaal kent en zich zodoende bijzonder maakt. Tegelijkertijd sluit hij/zij iedereen buiten die de taal niet kent.
De andere functie van jargon is verhullen. Jargon is de taal van eufemisten, en daarom ook, ik zeg het niet graag, een taal om te wantrouwen. Jargon is verzonnen, het rijmt niet voor niets op Klingon!
Terug naar die vrouw. Wat zei ze nu eigenlijk? Laten we beginnen met dat bierviltje. Ik gok dat het een ander woord is voor een korte en eenvoudige berekening. Vroeger was dat ‘de achterkant van een sigarendoosje’. Maar wie weet er nog wat een sigarendoos is? Jonge mensen niet, die snappen een bierviltje beter. En de vrouw was jong.
Goed, behalve de spreadsheet was er dus ook nog een bierviltje, waarop de samenvatting van die sheet stond. Denk ik. Of was het anders en had een concurrént in plaats van die spreadsheet gewoon een bierviltje? Nou ja, echt geniepig! Want een bierviltje is lekker simpel en makkelijk te verkopen. Veel beter dan een ingewikkelde spreadsheet met verborgen formules. Dus ze moesten dat bierviltje challengen.
Challengen?
Ik heb dat opgezocht. Ja, ik weet ook wel dat to challenge uitdagen betekent, maar wat is een bierviltje uitdagen? Dat lijkt me iets wat je doet als je heel erg dronken bent. ‘Kom onder mijn glas vandaan als je durft, jij plat rond absorberend papiervezelding!’
Zoiets.
Maar dat bedoelde ze vast niet. Nee, ze wilde dat viltje betwisten en bestrijden! De simpele rekensom weerleggen. De achterliggende theorie onderuithalen. Dat zou ook haar oorlogszuchtige toon en wilde blik verklaren. En het speeksel dat van haar rood gestifte lippen spatte. Dat bierviltje ‘zat hoog in haar emotie’ om het eens modern te zeggen. Ze was razend. Dat ze even stilviel, betekende niks, ze luisterde naar haar gesprekspartner aan de andere kant van de lijn.
Dacht ik.
Dus niet. Ze keek naar mij.
‘Hé!’ riep ze. ‘Ja, jij! Met je baard en je hoedje!’ We bleven staan. ‘Loop je nou de hele tijd over mij te mompelen?’
Ik haalde mijn schouders op.
Dat vond zij geen goed antwoord. ‘Mij een beetje belachelijk maken met je hoge stemmetje en je driftige gebaren!’ Wandelaars om ons heen stopten.
Het zou best eens waar kunnen zijn, besefte ik. Ik was namelijk deze blog aan het schrijven.
Hardop. Zonder handen en zonder draadje aan het dicteren, rechtstreeks mijn mobieltje in. Misschien moet ik afleren om zo op te gaan in wat ik vertel, en misschien moet ik de volgende keer gewoon liegen als iemand me vraagt wat ik aan het doen ben, want voor ik het wist had de vrouw mij m’n mobieltje ontfutseld en een weiland in gegooid, heel ver weg.
Daar heb ik dan maar de laatste puntjes op de i gezet. Het was toch lekker weer en ik durfde niet goed terug voor ik zeker wist dat zij weg was.

Haast

Haast, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Wie altijd alles eerlijk wil verdelen heeft geluk, want volgens mij heeft iedereen zo ongeveer even veel haast. Ik weet niet waarom, want iedereen heeft er ook een even grote hekel aan. Ik haat het in ieder geval, en iedereen die ik er over spreek ook.
Rara hoe kan dat.
Onlangs had ik heel erg veel haast. Ik moest heel veel dingen doen in heel weinig tijd. (Is dat een goede formule: haast = veel werk + weinig tijd? Hm… weet ik nog niet.) En ik moest ook heel veel collega’s opjagen, opdat zij ook haast kregen (ik heb echt een hele gekke baan).
Dat heet haast máken.
Legt u mij nou eens uit waarom we iets maken waar iedereen een hekel aan heeft. Daar zou ik wel eens een businesscase van willen zien, of een maatschappelijke kosten-/batenanalyse. Een verdienmodel voor de productie van haast, laat me niet lachen (ik heb een kloofje in me lip).
Toch maakt de helft van de wereld haast alsof het niks kost en de andere helft van de wereld staat te popelen om het te hebben.
Wie het snapt, mag het zeggen.
Toen ik haast had, heb ik eerst geprobeerd om kalm aan te doen terwijl iedereen om mij heen panisch rondrende, maar daar maakte ik mij niet geliefd mee. Ik dacht dat het zen was, een ultiem soort loslaten, en bovendien super verstandig, maar het was dus ergerlijk.
Vond men.
Voor ik het wist was ik een dood paard waar niemand meer aan wilde trekken.
Daar lag ik dan. Het heeft mij een heel weekend gekost om weer op de been te komen.
Andersom zakte mijn populariteit ook enorm toen ik vervolgens dan maar andere mensen probeerde aan te sporen. ‘Fijne planning, zeg!’ riepen ze allemaal, hoe voorzichtig ik het ook aanpakte. Geen mens vind het leuk om opgejaagd te worden.
Snap ik, maar eh… niemand wil haast maar iedereen heeft of maakt het?
(Schijnbare) tegenstelling!
In dat soort gevallen (eigenlijk in alle gevallen, maar daar hebben we nu niet over) is het meestal het beste om vragen te stellen. Dus toen er laatst weer eens een spoedklus met vliegende haast langs kwam, vroeg ik: ‘waarom hebben we eigenlijk haast?’
‘Omdat er een deadline is,’ was het antwoord. Nou ja! Dat is natuurlijk een antwoord van niks. Want die deadline komt ook weer ergens vandaan. Dus een nieuwe vraag: ‘waarom is die deadline er?’
Nou, ik kan u niet aanraden om die vraag te stellen, want het antwoord daarop is nog teleurstellender. Die ene deadline kwam namelijk door een andere deadline. Duh! Dat is toch om gek van te worden!? Doorgestudeerde en meestal coherent denkende mensen die zonder blikken of blozen zo’n antwoord geven! Ik stikte zowat.
Is er dan niemand die zich afvraagt waar het begon en waar het ophoudt? Ik bedoel, waar is de eerste deadline? Of een betere vraag: waar is de laatste deadline? Het moet toch een keertje ophouden, toch? Het zou me niets verbazen als die deadlines met z’n allen een vicieuze cirkel vormen, waardoor de laatste deadline ook weer de eerste is. En vice versa. Of zoiets.
Wie heeft dat woord verzonnen, trouwens? Deadline? Daar krijg je toch niemand mee in beweging, met een doodstreep? Naargeestig weetje: het was heel vroeger in Amerika een lijn rondom een gevangenis. Iedereen die ontsnapte en over de lijn kwam, werd doodgeschoten.
En wij maar haast maken.
Alsof de dood ons op de hielen zit, dus. Misschien is het toch een goed woord. Maar dan om alle ‘haastjerepjes nooit genoeg’ tot rede te roepen. Ik heb wel eens voor de gein in een vergadering gevraagd wie of wat er dood zou gaan als we de klus niet op tijd zouden afkrijgen.
‘Haha, mijnheer Poort, die René! Jij altijd met je rare vragen!’
‘Doe me een lol, geef-es antwoord!’ drong ik aan.
Niets en niemand dus. Er zou niets of niemand dood gaan als we de deadline niet haalden.
Dat is goed.
Daarna vroeg ik of er misschien brand zou uitbreken, of er iets in zou storten, of er een ziekte zou uitbreken, of er iets om zou waaien, et cetera…
‘Nou, eh…’
Niets van dat al.
Beter!
Enfin, u begrijpt mij wel, die deadline was eigenlijk helemaal geen deadline, maar gewoon een datum met kapsones. Waardoor ik opeens zag wat er ontbrak aan de formule voor haast: belang. Of eigenlijk, schijnbaar belang. Want véél werk in weinig tijd, dat kan van alles zijn, maar het gaat er om hoe belangrijk dat werk is. En dan bedoel ik: belangrijk in het geheel der dingen. Dan valt er een hoop in het niet hoor!
Ik heb met die toetssteen mijn eigen to do list eens bekeken en kwam tot de conclusie dat er eigenlijk geen enkele klus was die op een dag of week later stak.
Behalve dan dit blog. Want ik snap ook wel dat u daar op maandagochtend graag de week mee wilt beginnen.
Voordat de hel weer losbreekt.