Categorie archief: De toestand in de wereld

Schelden

Geit

Toen ik zes was – in 1964! – verhuisden we vanuit Amsterdam naar een dorp in Gelderland. Er woonden 1600 mensen (in dat dorp) en wij waren het derde gezin van buiten.
Allochtonen.
We moesten integreren en dat mislukte. Of nou ja, ík moest integreren en dat mislukte.
Laat ik, om uitgebreide en nutteloze analyses te voorkomen, zeggen dat het dorp en ik gewoon niet goed met elkaar konden opschieten. En laat ik bekennen dat ik niet veel deed om onze relatie te verbeteren. Ik had heimwee en wilde Amsterdammer blijven. En het dorp vond mij raar. Waarschijnlijk ook als ik geen Amsterdammer had willen blijven. Misschien wás ik wel raar. Zou niet uit moeten maken, vind ik, maar dat bleek lastig.
Op een dag stond er achter op ons schuurtje: ‘René Poort stik de moord in Amersfoort en doe de rest in Boedapest’.
Of Boekarest. Dat weet ik niet meer. En nu ik dit zo typ, besef ik dat de tweede regel helemáál anders was: ‘en krijg de pest in Boekarest’.
Het rijmde, dat vond ik wel goed. Maar ik weet nog dat die tweede regel me stoorde. Ik bedoel, als je al de moord gestikt bent in Amersfoort, hoezo dan nog de pest Boekarest? Eerst de pest en dan dood, zou ik zeggen. Wel een eind rijden, trouwens, Boekarest-Amersfoort. Zeker als je aan de pest lijdt.
Eh…
‘Schelden doet geen pijn,’ zei mijn moeder. Dat is niet waar. Of misschien wel, maar dit was geen schelden. Ik wist heus wel wat schelden was. Ik had zelf wel eens iemand uitgescholden, mijn neefje, en ik was wel eens uitgescholden, door mijn neefje.
Maar het gedicht achterop ons schuurtje, dat was iets anders. Dat was haat.
Een facebookcampagne avant la lettre.
Weinig bezoekers, laat staan likes, want er kwam haast niemand door onze brandgang, alleen wijzelf en onze buren, dus een actie van niks.
Toch pijn.
Een beetje.
Niettemin vind ik vrijheid van meningsuiting een mooi recht. Ik zou er wel twee nieuwe voorwaarden aan willen verbinden. De eerste is dat een mening wel een beetje logisch moet zijn. Zuiver gedacht. Ja, veelgevraagd, maar voor minder doe ik het niet. Dus voor het geval dat degene die mij in 1964 dood wenste dit blog leest, hieronder en betere versie van zijn hekeldicht:
René Poort,
krijg de pest
in Boekarest
en stik de moord
in Amersfoort.

De tweede voorwaarde is dat de úíting creatief moet zijn. Zeker als het schelden is.
Dus niet ‘geitenneuker’. Dat is volgens de nieuwe wet dan verboden, want dat is een heel erg versleten belediging, zeker als-ie bedoeld is voor mensen uit landen waar veel geiten leven.
Ik bedoel, als je een iemand wilt beschimpen en je bent een beroemde komiek en je hebt een populaire show op de televisie en je mag zeggen wat je wilt, dan moet je echt met iets beters komen. Dat geldt ook voor de bewering dat de meneer die je wilt beledigen een kleine piemel heeft. Dat is wat vijf-jarige neefjes elkaar voor de voeten werpen.
Echt sneu.
Neem een voorbeeld aan Dorothy Parker (ik leg niet uit wie dat is). Ze zei van zichzelf dat ze ’s morgens eerst haar tanden poetste en daarna haar tong scherp sleep. Toen ze hoorde dat de oersaaie president Coolidge gestorven was, vroeg ze: ‘How could they tell?’
Dat is creatief.
Of neem Gerard Reve, die Cees Nooteboom (allebei schrijvers, ik zeg het maar even) niet moest en hem ‘het zieke aapje N.’ noemde. Dat is even onschuldig als vernietigend.
Bravo!
Of – en daarna hou ik op – Monty Python. In hun film ‘Monty Python and the Holy Grail’ scheldt een Franse soldaat de Engelsen uit: ‘I unclog my nose in your direction, sons of a window dresser. So, you think you could outclever us french folks with your silly, knees-bent, running-about, advancing behavior? I wave my private parts at your aunties, you cheesy-leather, second-hand, electric donkey bottom biters.’
Veel leuker dan geitenneuker.
Laten we dus voortaan als we onze vrijheid van mening uiten origineel zijn. En laten we afspreken dat als het niet leuk is, dat het dan haat is. En dat dat niet mag.
Want dat doet pijn.

Strrrijdlustig

silos1

Lang geleden moest ik eens naar een vergadering op het ministerie van Justitie (‘veiligheid’ kwam later pas). De zaal waar ik heen was gezonden (de ‘Moddermanzaal’) was een soort collegezaal. In een van de voorste stoelen zat een man met een rood gezicht dat glansde in de schemer van het groene ’uit’-lampje bij de nooduitgang.
‘Nou,’ begon hij zonder inleiding, ‘dit is kennelijk symbolisch voor het soort overleg dat het departement wil voeren.’ Hij wees naar het spreekgestoelte en toen naar de rijen met banken. We kwamen alleen om te luisteren, bedoelde hij. Hij keek mij nog eens indringend aan.
‘Ik ben in een strrrijdlustige stemming,’ zei hij. Zijn ‘r’ rolde subversief de ruimte in. ‘Vanwege dit!’ Hij hield een stapeltje papieren omhoog. Het stuk dat wij zouden gaan bespreken. De instelling die hij vertegenwoordigde bleek er nauwelijks in genoemd en dan ook nog eens onjuist.
‘Strrrijdlustig,’ herhaalde hij.
Intussen was er nog iemand binnengekomen. Een man van een jaar of dertig wiens haar kortgeleden door zijn vriendin geknipt was. Hij leek op kabouter Plop, maar dan zonder muts. De boze man begon tegen hem weer over de zaal en het stuk. De papieren gingen weer omhoog. Plop gaf hem gelijk, want ook zíjn organisatie was er in het document maar bekaaid afgekomen. Hij beloofde meteen een concept brief aan de staatssecretaris uit zijn tas op te diepen waarin hij maar liefst achttien argumenten had opgesomd die bij elkaar genomen van het stuk niets heel zouden laten.
Het was een lichtbruine schoudertas van zadelleer.
Plop stond al snel uit de brief te declameren. Ik zag speeksel van zijn lippen spatten. De andere man ging met de papieren onder zijn arm naast hem staan om het ermee eens te zijn. Het was alsof zij een lied zongen.
Na het achtste punt van verweer verscheen achter hen een man die beleefd wachtte tot Plops rede af was om vervolgens mede te delen dat we elders moesten zijn. De mannen schrokken en probeerden met onhandige mimiek hun halve samenzwering een draai te geven.
Dat lukte niet.
Ik liep de zaal uit. Op weg naar de andere besloot ik om eens te proberen in de vergadering helemaal niets te zeggen. Het leek het me wel een mooie missie om geen ruzie te zoeken. Strijd was nergens goed voor. En strrrijd al helemaal niet.
Eh… dat staat hier politiek correcter dan ik het toen bedoelde. Ik wilde eigenlijk gewoon eens zien of het me zou lukken.
Ja. Ik kon zonder problemen het hele stuk bespreken door veelbetekenend te knikken of mijn wenkbrauwen te fronsen. Plop raakte ondanks zijn oefening in de verkeerde zaal verstrikt in zijn opsomming en staarde bij zo’n beetje alle komma’s en punten van het document zijn medestander in verwarring aan. Maar die wist het ook niet meer. Dat al hun tegenwerpingen in een of ander zwijgen vielen (ook de andere aanwezigen waren van lieverlede stilgevallen), beviel hen helemaal niet, maar ze wisten ook weer niet wat ze ermee aan moesten.
Dit was het eerste en meteen overtuigendste voorbeeld van silo-denken dat ik ooit zag.
Silo-denken?
Ja, dat is de moderne term voor verzuiling. Vergelijk het met een vergadering van de dieren in een kinderboerderij over hun gezamenlijk doel. komt niks van terecht. Het varken wil modder, de schapen gras, en de konijnen voldoende ruimte om nog meer konijnen te maken (zie voor een verslag van die vergadering dit blog).
Silo’s hebben geen glazen plafond maar een glazen muur (of misschien toch ook zo’n plafond, dat weet ik eigenlijk niet). Plop en zijn maat stonden daarachter en konden geen kant op. Maar dat wisten ze niet. Wij trouwens ook niet. Want wij stonden in onze eigen silo’s.
Daar kwamen we pas achter toen er van alles misging.
Ga ik het nou niet over hebben.
Want die silo’s zijn binnen een paar jaar rechts en links ingehaald door het grenzenloze internet en weldenkende mensen. Wat ik u brom. Maar mocht u er een zien, duw hem om. Maakt een prachtig geluid!
De vergadering eindigde met een amendement van de mannen, die hadden geëist dat we in de notitie het woord ‘fiets’ overal door ‘rijwiel’ zouden vervangen (ik verzin dit, het ging om andere woorden, maar als ik die noem, weet u meteen waar die mannen werkten en dat doet er nu niet toe). Bovendien bedongen zij een voetnoot waarin de afkortingen waarmee hun organisaties aangeduid waren voluit werden geschreven.
Toen ik buiten even bleef staan om een sigaar aan te steken (goh, ja, toen rookte ik nog!), kwamen ze ferm uit de draaideur gestapt. De een zei iets tegen de ander en ze lachten. Ik zag de vullingen in hun kiezen. Hun geschater kaatste tussen de gebouwen (=silo’s) omhoog.
Triomfantelijk.
Trrrriomfantelijk.

Referendum

JONGENMETDAS4

Goed, dat referendum is alweer een tijdje achter de rug, maar van de week hadden ze het er weer over en toen zag ik op de tribune van de Tweede Kamer de jongen zitten die kort na de uitslag met een stropdas om in het journaal was verschenen. Ik herinnerde me nog dat hij zijn twee zinnen lange overwinningstoespraak besloot met «De bar is open!»
Dat was dus de tweede zin.
Ik zeg het maar even.
In de eerste zin schepte hij op over omverwerping van het democratisch establishment.
Of zoiets.
Niet veel tekst, maar voor mij genoeg om snel naar iets anders over te schakelen. Er is niets zo beschamend als een triomfantelijke politicus. Ja, ik schrijf politicus, want ook al wilde die jongen met das tegen het bestel schoppen en revoluties ontketenen en meer van die dingen, hij was (en is, en blijft) natuurlijk ook gewoon een politicus.
Zodra hij in beeld kwam, zag ik hem op zijn basis- en/of middelbare school (een paar jaar geleden, schat ik) bij het minste of geringste op de zeepkist klimmen om een petitie aan te kondigen. Tegen het nieuwe pauzerooster, tegen de prijsverhoging van de roze koeken in de kantine, tegen de bouw van een fietsenhok aan de rand van het schoolplein en tegen het nieuwe puntensysteem van de examencommissie voor Grieks en Latijn. Dat laatste bleek zo ingewikkeld dat alleen hij snapte waarom je ertegen moest zijn, een vaardigheid die hij onlangs hergebruikte om in met allerlei ernstige gezichten op de tv te komen.
Zoals ergens in een nieuwsprogramma waarin hij een lijstje van topics voordroeg waarover hij in de nabije toekomst het Nederlandse volk wilde raadplegen.
Zo’n lijstje, dat is dus een politiek programma. Kan iemand dat even aan hem vertellen? Een handige tekstschrijver lijmt alle onderwerpen aan elkaar et voila: een manifest voor de referendumpartij.
Lijst ‘Lijst’.
Het laatste punt van zijn opsomming was TTIP, wat ik helaas moest googelen, om erachter te komen dat het zo mogelijk nog ingewikkelder was dan het verdrag met Oekraïne.
Hoe irritant is dat? Heeft die jongen een hekel aan ons? Ja, zoals hij vroeger ook een hekel aan zijn schoolgenoten had. Of nee, dat was dédain. Maar dat is gewoon sjieke hekel.
(Even tussen haakjes, ik begreep dus eerst niet wat hij zei, omdat achter hem het feest al was begonnen en omdat ik niet wist waar hij het over had én omdat hij het op zijn Engels uitsprak – phonetisch: «tietip» – waardoor ik «tieten» verstond, wat ik gezien zijn voorkomen (jongen met stropdas om) en het gebral achter hem een volstrekt logisch onderwerp achtte; wat ik dan weer hilarisch vond toen ik daar achterkwam.)
Ik heb gelukkig altijd mijn humor nog, trooste ik mijzelf.
Ja, ik heb humor, en ja, ik geef het toe, ook een dirty mind, wat vaak hetzelfde is, want allebei een joy forever, en dus mijn redding, want zonder die eigenschappen zou ik allang mijzelf iets hebben aangedaan. Zeker als het over politiek gaat.
Of, nou ja, politiek is tot daaraan toe, en politici… tja, die horen daar nu eenmaal bij; maar triomfantelijke politici, die kan ik echt niet velen. Alfa-jongens met stropdassen om zijn heel eng. En oudere jongeren die op Peppi en/of Kokkie lijken trouwens ook. Ik weet niet meer hoe die kliniclown zonder ziekenhuis heet, die andere referendaris, alleen dus dat hij op Peppi en/of Kokki lijkt. Da’s meteen ook zijn enige verdienste, dat hij Peppi en Kokki in één guitige persiflage weet te vatten. Wat je daar verder mee moet, weet ik niet.
Eh… ik wil maar zeggen dat als een referendum dit soort jongens naar de barricades drijft, we hen echt moeten tegenhouden hoor.
Ja, van mijn part met een referendum.
Het laatste.
Triomf is echt heel eng. Ik bedoel, je gaat in de politiek omdat je idealen hebt, niet om te winnen. Laat staan om te óverwinnen. Triomferen over je tegenstander, da’s echt sneu.
En ook veel te makkelijk. Zestig procent ja’s winnen van veertig procent nee’s, van twee-en-dertig procent kiesgerechtigden.
Hoera, sla de vaten aan!
Triomferen over je medeburgers dat is helemaal droevig. Toch doen ze het, oude meneren met geblondeerd haar bijvoorbeeld, over Marokkanen. Dat is geen overwinnen, dat is haten.
Kom je ook overal mee op de tv.
Om Spinoza nog eens te citeren: «Haat kan nooit goed zijn».
Ja, open deur, maar verzin eens iets beters.
Ik zou het niet weten.
Dus een boodschap voor alle politici die vinden dat ze met hun zege moeten pralen: Minder! Minder! Minder!

Tour de France

TdF2

De Tour de France, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik had in geen jaren een rechtstreeks verslag gevolgd, maar toen ik las dat Mart Smeets geen enkele merkbare bemoeienis meer had met de wielrensport op tv, besloot ik me er weer eens aan te wagen.
Ja, sorry hoor, maar die man verdraag ik niet. Hij is zo ijdel als de stiefmoeder van Sneeuwwitje, met dit verschil dat hij geen spiegel heeft die hem de waarheid vertelt. Of hij heeft er wel een, maar hij luistert niet.
Ik denk dat laatste.
Maar goed, de Tour de France.
In plaats van één Mart, waren er inmiddels twee commentatoren, ontdekte ik na een poosje. Ja, dat duurde even, want ze keuvelden en mompelden precies hetzelfde, wat een gestaag kabbelende stroom van ditjes en datjes opleverde waar ik maar met moeite twee verschillende praters in kon herkennen.
Waarom er twee van die mannen zijn, geen flauw idee. Eén is eigenlijk al veel. Er gebeurt namelijk niks tijdens zo’n etappe. Ik bedoel, er gebeurt wel iets, maar niets waar een oplettende kijker uitleg bij nodig heeft. In tegenstelling tot wat iedereen altijd beweert, is in zo’n wielrenwedstrijd namelijk echt heel simpel. Iedereen doet altijd heel geheimzinnig over strategieën en tactieken, maar dat is onzin.
Mannengedoe.
De Tour de France is net zo ingewikkeld als de honderd meter sprint. De wereldkampioen BMX vertelde gisteren kort en bondig waarom hij gewonnen had: ‘Ik dacht: zo snel mogelijk naar de finish, en gelukkig kwam niemand me voorbij’. Zo is het , wie het snelste is, komt al eerste aan en wint.
Het enige verschil is dat een etappe oneindig veel langer duurt dan honderd meter sprint of een rondje bmx’en.
Waarom de omroep zoiets nagenoeg integraal uitzendt, weet ik niet.
Vroeger, toen ik fan van Eddy Merckx was, deden ze dat dus ook niet. Ze lieten alleen de laatste klim van de ergste bergritten zien, met twee misselijkmakende camera’s waarvan er meestal één achter een auto vol reservewielen bleef steken als er eens iemand demareerde. En dat dan alleen als de helikopter die voor verbinding moest zorgen niet door mist aan de grond moest blijven. Ja, jongens en meisjes, dat was nog vóór de tijd dat Mart Smeets geheel en al uit absurde beeldspraak en enge truien bestond.
Maar goed, tegenwoordig moet iedere zweetdruppel en abusievelijk ingeschakeld binnen- of buitenblad van dichtbij te bekijken zijn, vergezeld door een verslag en duiding daarvan. Want hoewel het nog steeds de bedoeling is om heel hard te fietsen en dan als eerste aan te komen, hebben de mannen achter de microfoon dus allerlei ingewikkelde theorieën over waarom dat niet zo is.
Ze zeggen om de haverklap veelbetekenende dingen als: ‘Nee, die gaat niet rijden natuurlijk’, of: ‘Ze vallen stil, want ze vertrouwen elkaar niet.’
Eh… het is een racefietswedstrijd! Een beetje argwaan jegens je tegenstanders hoort daarbij, want die willen ook winnen. En om dat te kunnen moeten ze echt gaan rijden, dus dat gaan ze heus wel doen.
Ja, ze worden natuurlijk moe, en niet allemaal tegelijk, waardoor er van lieverlee groepjes van gelijk vermoeiden ontstaan, maar om die dan, zoals de verslaggevers doen, heel interessant en spannnend kongsi’s noemen en er vervolgens schimmige theorieën omheen te fabuleren, dat is bijna sneu.
Zonder die verhalen is er niks aan, denken ze.
Ik zou zeggen, met die verhalen erbij is het volslagen idioot. Ze doen namelijk uitsluitend beweringen die nogal wiedes zijn, zoals: ‘de belangrijkste vraag is of hij vaart kan maken’, of: ‘piekbelasting kun je niet zo lang volhouden’.
Nog erger zijn hun analyses. Die plukken ze heel overtuigd ergens uit hun onnavolgbare verstand, om ze drie tellen later net zo makkelijk te vervangen door tegengestelde als de werkelijkheid (de hele tijd vol in beeld!) hun psychologie van de koude grond logenstraft.
Dan zeggen ze bijvoorbeeld eerst: ‘Nibali heeft geen benen meer’, en niet lang daarna (als de man er op zijn dooie gemak vandoor gaat): ’Ah, kijk, Nibali heeft zijn benen weer gevonden.’
Die onzinnige geheimtaal is bedoeld om te maskeren dat er echt niks gebeurt wat we niet zelf kunnen zien en ons de indruk te geven dat wij er zonder hun vertaling echt niks van snappen. Ze zouden ook kunnen zeggen: ‘Nibali is moe’, en daarna ‘Oh, nee, toch niet’, maar dat is niet alleen ridicuul, maar ook overbodig, dus dat doen ze niet.
Ze zouden ook hun mond kunnen houden en alleen iets zeggen als er wat nieuws te melden is, iets wat wij, de kijkers, niet zien of weten. En dan bedoel ik niet dat Nibali nog steeds zijn overleden oom mist, de man die hem niet alleen heeft opgevoed nadat zijn vader en moeder tijdens het plaatselijke oogstfeest in de eeuwenoude olijvenboomgaard door een onfortuinlijke blikseminslag het leven lieten, maar die hem en passant ook de fijne kneepjes van het racefietsen heeft geleerd, en dat hij terugdenkend aan die oom juist wel of niet wil/kan rijden.
Nee, dat niet. Ik bedoel informatie waar je als kijker iets aan hebt.
Relevante gebeurtenissen, buiten beeld.
Daar zijn er heel weinig van.
Niet genoeg voor twee mannen met microfonen.
We leven in 2015! Waar je maar surft, struikel je over de informatie! Die heb ik allemaal al tevoorschijn gehaald op mijn mobieltje terwijl ik zit te kijken. De misvatting van journalisten is dat die informatie dan extra is.
Dat is dus niet waar. Zíj zijn extra.
Ik bedoel, nog even en we kunnen gewoon op ieder moment kiezen met welke helmcamera (voor of achter) van welke renner we de race via internet willen volgen, en dan kunnen we zelf zien dat Nibali gewoon allebei zijn benen nog heeft! En ik zie nu al grafiekjes van zijn bloedsuikerspiegel linksboven in beeld verschijnen, zodat we zelf kunnen zien wanneer hij moet eten.
Want te weinig eten, dat is echt hét onderwerp van dit jaar. Hongerklop heet dat. Toen Eddy Merckx nog meedeed had je dat niet (toevallig genoeg noemden ze hem de kannibaal, dus misschien had hij gewoon altijd genoeg te eten en was het geen issue).
Toen had je de man met de hamer. Wat die deed, weet ik niet.
Hm.
Hoe dan ook, in de drie kwartier dat ik het volhield om naar die mannen te luisteren, bleek hongerklop een verklaring voor zo’n beetje alles wat er gebeurde. Ze brachten het om de zin ter sprake. Als ze het tenminste niet hadden over de Nederlanders die zoek waren.
Want dat is in alle jaren nog altijd hetzelfde gebleven. Er is altijd een Nederlander die ze kwijt zijn. Alle informatie-overload ten spijt, blijkt die zichzelf telkens (letterlijk!) zoek te kunnen rijden. Meestal komen ze er dan een paar uur na de finish (ik vermijd hier de term ‘meet’) achter dat die na drie lekke banden en een dubbele hongerklop is afgestapt.
Misschien biedt dat wel mogelijkheden voor die mannen. Laten ze zich specialiseren in de opsporing van verdwenen Nederlanders.
Dan hebben ze werk zat.

Rendementsdenken

Maagdenhuis  slaapzak

Toen dat Maagdenhuis leeg en verlaten was en alle journalen met camera’s door dat pand banjerden om net te doen alsof het een first person shooter was, bleef mijn oog hangen bij de luchtbedden met slaapzakken. Ja, hoe bizar is dat, maar het beeld van die kamers met lieve bergjes achtergelaten beddengoed is het enige dat me bij is gebleven, zonde van die spullen, denk ik dan, zouden ze die later nog komen ophalen, of hoe zit dat.
Nadat het stof was neergedaald (neem dat letterlijk) was het tijd voor een evaluatie. Zo noemden ze het niet, maar het vraaggesprak dat ik op het nieuws zag, leek er toch veel op, want de eerste vraag was: ‘wat heeft dit concreet opgeleverd?’
De jongeman die mocht antwoorden monterde helemaal op, wat ik om een of andere reden geen goed teken vond. ‘Nou heel concreet allereerst dat het debat geopend is,’ zei hij. Jammer van die passieve formulering, zeurde ik meteen hardop (ja, ik praat tegen mijn iPad, tegen de ijskast trouwens ook, eigenlijk vooral tegen dingen en mijn kat, die zeggen niks terug), want nou is dat debat als lijdend voorwerp op een of andere wonderlijke manier vanzelf ontstaan (en zal het precies zo verdampen, wat ik u brom).
En eh,  noem me oud of ouderwets, maar is een bezetting van zes weken geen erg ingewikkelde manier om een gesprek aan te knopen? Ik vraag het maar even, aangezien ik nou niet echt een deskundige ben in contact met anderen maken (zie hierboven). Dus misschien heb ik iets gemist.
De jongen noemde verder als concreet wapenfeit dat er twee commissies waren opgericht (ja, die waren ook passief uit het niets ontstaan).
Eh…
Twee commissies.
Ik wil echt niet betweterig doen hoor, maar in de wereld van het college van bestuur van een universiteit is dat het tegenovergestelde van ‘heel concreet’. Dat gaan die bestuurders nooit toegeven, het is immers hun wereld en aan de vaste waarden daarvan peuteren brengt niks goeds, ja cognitieve dissonantie, maar om daar de voordelen van te zien (het is vaak het begin van jezelf veranderen) moet je een zekere introspectie op kunnen brengen en ik vermoed dat ze daar niet zo goed in zijn.
Over introspectie gesproken. Als een debat en twee commissies het resultaat zijn van anderhalve maand ‘strijd’, zou ik aan mezelf gaan twijfelen (= cognitief dissoneren).
Rendementsdenken, daar is soms wel iets voor te zeggen.
Ja, daar begon het allemaal om, die hele bezetting en alle gesprekken erover, en het is altijd een beladen woord, om niet te zeggen een vies woord, maar dat komt doordat iedereen altijd meteen aan geld denkt en geld is dus ook vies. Nee, dat is niet waar, geld is gewoon een armoedige maat voor kosten en baten, en al helemaal voor opbrengst.
Als ik een universiteit moest managen, zou ik voor kennis gaan. Of, nee, nieuwsgierigheid. Eh… twijfel! Nou ja, zoiets. Eerst twijfel zaaien, nieuwsgierig kijken wat er gebeurt, om dan kennis te oogsten. Hadden ze dat gedaan, ik bedoel, waren ze zelf door twijfel en nieuwsgierigheid bevlogen geweest, dan was dat debat echt een zichzelf ontwikkelende peulenschil geweest. En hadden ze in de verste verte niet aan een commissie gedacht.
Laat staan aan zo’n pathetische jaren-80-ontruiming.
Ontruimen, dat is heel erg wetenschappelijk onverantwoord. Net als rotzooi maken, overigens. Maar goed, die jongen zei dat ze het graag hadden opgeruimd als ze zelf niet waren opgeruimd. Dus die studenten wegjagen was behalve onwetenschappelijk ook niet bijster rendabel.
Zijn montere stem werd opeens een voiceover in de first person shooter. Weer die slaapzakken in beeld en daarna met goed gevoel voor drama en misselijkmakende camaeravoering enkele versplinterde deurposten, om nog eens te laten zien dat de jeugd van tegenwoordig  gespeend van alle realiteit in haar eigen first person shooter leefde. Nieuws maken is zo makkelijk! Een nieuwslezer nam het van de jongen over en deelde veelbetekenend mede dat nog niet duidelijk was wie de schade van dit alles zou gaan betalen.
Ik hoop voor die studenten dat het college daarvoor een commissie gaat instellen.