Categorie archief: Dieren

Rust

In de bossen bij Wolfheze kwam ik er weer eens achter dat de echte wereld zich niks aantrok van de wereld die mijn wandelapp me voorschotelde. Of andersom, dat die app een achterlijke voorstelling van de werkelijkheid had.

Hoe dan ook, toen er een lichtelijk bits ‘Sla rechtsaf’ op het scherm van mijn mobieltje verscheen — echt vriendelijk is navigatiesoftware nooit, daar blijf ik me over verbazen, want hoe moeilijk kan het zijn om mensen gewoon blijmoedig de weg te wijzen? — stootte ik op een soort slagboom waarnaast een bord stond: ‘Verboden toegang Rustgebied voor dieren’ Zonder punten, wat me tot mijn eigen verbazing meer verontrustte dan de verassende constatering dat de route die ik volgde kennelijk niet bestond.

En nu voel ik die onrust weer, terwijl ik de foto bekijk en dit opschrijf. Een zin zonder punt, hoe kort ook, dat is voor mij als een weg die zonder waarschuwing bij een afgrond eindigt. Eng!

De impact (om eens een modieus woord te gebruiken) van die onverwachte verboden toegang viel uiteindelijk wel mee en laat ik eerlijk zijn, dankzij de wandelapp, waarmee ik binnen de kortste keren een alternatief pad vond, om het rustgebied heen.

Wat me meteen aan het denken zette, omdat het een behoorlijke omweg was en ik al wandelend besefte wat voor een enorme oppervlakte dieren kennelijk nodig hebben om te rusten. Een bizarre oppervlakte, mag ik wel zeggen! En dat terwijl rusten doorgaans toch een behoorlijk statische activiteit is. Sterker nog, ik durf wel te beweren dat het helemaal geen activiteit is. Ik heb voor de zekerheid wat woordenboeken erop nageslagen en die wemelden van de synoniemen voor ‘activiteit’ die ‘rusten’ per definitie uitsloten. Ik ga ze hier niet allemaal opnoemen, want dat is saai.

Maar rusten stond er dus niet bij. Dat stond dan weer wel elders in die woordenboeken. Voor de zekerheid schrijf ik die hier wél op: het is de toestand waarin je verkeert als je niks doet.

(Een andere betekenis, die er hier helemaal niet toe doet maar die ik toch even citeer omdat ze echt te mooi is om hier niet te vermelden: ‘Klamp op het voeghout van de vang’. komt uit ‘het molenwoordenboek’. Ja, dat bestaat! Het is pure poëzie.)

Terug naar die rustende dieren. En de ruimte die ze daarvoor nodig hebben. Ik heb het even uitgerekend en kwam op zo’n negen vierkante kilometers. Dat zijn meer dan 1.800 voetbalvelden! Zonder dat er ook maar één dier gaat voetballen!

Dit slaat helemaal nergens op, natuurlijk gaan ze niet voetballen en er zijn in de bossen ook helemaal geen echte voetbalvelden, hoogstens hier en daar een weiland, weet ik ook wel, maar ik móést het opschrijven, vraag me niet waarom.

Wat ik maar wil zeggen is dat dieren onnoemelijk veel ruimte nodig hebben om totaal niks te doen.

Ik doe ook wel eens totaal niks. Of ik dan ook rust, weet ik niet goed, want ik dénk dan wel. Mijn hoofd, dat gaat maar door. Ik weet niet hoe ik dat moet stoppen. Maar goed, voor deze omstandigheid waarin ik me dan bevind, heb ik ongeveer anderhalve (1,5) vierkante meter nodig. Dat is de oppervlakte van mijn leunstoel in de meest horizontale stand (eigelijk in iedere stand, maar om een of andere reden vind ik dan ‘oppervlakte’ een rare eigenschap. Voor de volledigheid, er passen ongeveer 1.500 leunstoelen op een voetbalveld.

Eh… opeens zie ik (Christo indachtig) een weiland in een bos vol met uitgevouwen leunstoelen voor me. En vraag ik me af hoe ik zoiets in het echt zou kunnen realiseren. Ergens op een schitterend groene licht glooiende vlakte, waar dan alle dieren nieuwsgierig op afkomen om verbaasd aan de rand te gaan staan kijken. De stoelen staan niet strak tegen elkaar, maar met wat ruimte ertussen, zodat vogels die over het veld heenvliegen niet alleen de stoelen zien, maar ook mooie groene strepen. De stoelen zijn geel. Of oranje. Weet ik nog niet.

‘Hm. En nu?’

Dat was Koala.

Oja, dat moet ik even uitleggen. Mensen die mijn blogs vaker lezen, weten dat Cavia mij verlaten heeft. Echt iets voor mij, een alter ego dat er met een ander vandoor gaat. Maar intussen is daar dus Koala. Koala slaapt veel, en als die wakker is, dan vooral om te eten, maar ook om bijdehand te doen. Met moeilijke vragen:

‘Weet je wat je nu aan het doen bent?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Je bent om de hete brij aan het draaien.’

Hm. Dat was misschien waar. Opeens besefte ik dat ergens in mijn achterhoofd een heel legertje gedachten aan het werk was geweest om, geheel tegen mijn karakter in want zonder woorden, het begrip ‘rust’ gestalte te geven. En dat alle uitwijding hierboven niet meer dan gedraal was, tekstueel gelanterfant om nergens uit te komen, in ieder geval niet bij het onderwerp van dit verhaal: rust.

Niks doen. Dat wil zeggen: niet meer werken. Want ik ben met pensioen. Ze zeggen wel eens: ‘Partir c’est mourir un peu’ (weggaan dat is een beetje sterven), maar in mijn geval kun je die ‘peu’ (dat ‘beetje’) wel weglaten. In de laatste paar maanden ging ik elke dag wel een paar keer dood van de zenuwen als ik eraan dacht. Want verandering, da’s niks voor mij, zeker niet als die ongewis is.

Maar iedere keer overleefde ik zo’n zenuwinzinking. Ik heet niet voor niets René (Frans voor herboren), dacht ik. Een Koala werd ook steeds enthousiaster.

‘Je kan het!’ riep die telkens als de vertwijfeling weer toesloeg.

Dus ging ik door. Vorige week beleefde ik mijn laatste werkdag.

En wat ga je nou doen? Vraagt iedereen. Weet ik niet… of nou ja, ik blijf natuurlijk gewoon denken en opschrijven wat ik denk. Om mijn neurosen te bedwingen. Zoals nu:

Een zin zonder punt is niet eng

Maar eerst ga ik mooie wandelingen maken in de bossen. En op zoek naar een mooi groen en glooiend weiland waar minstens 1500 leunstoelen op passen.

Hypothetisch

‘Ja, we geven elkaar dus al jaren een hypothetisch cadeau, maar dit jaar kan ik echt niks verzinnen,’ zei de vrouw op het ene paard tegen een andere vrouw op een ander paard.

‘Oh, waarom geef je niet gewoon…’ begon die andere vrouw, maar haar suggestie ging verloren in de wind. Waardoor ik zonder dat ik er erg in had en met behoorlijke tegenzin terugdacht aan de allereerste beatmis die ik meemaakte, ik weet niet meer waar en wanneer dat was, alleen dat ik het gênant vond, vanwege de rare would be hippies die met hun elektrische apparaten en instrumenten en veel te luide drumstel voor het altaar stonden en bij het minste of geringste in een lied uitbarstten, in alle gevallen een bloedeloze vertaling van echte jaren 60-klassiekers, die in het Nederlands opeens veel religieuzer betekenissen bleken te hebben dan ik er op mijn paars met oranje tienerkamer ooit achter had gezocht.

‘Het antwoord, mijn vriend, verwaait in de wind…’ zongen ze bijvoorbeeld. Zoetgevooisd. Wat het er niet beter op maakte, want daar is geen enkele tekst van Dylan uit die tijd tegen bestand.

Eh…

Waar was ik?

Oja, de suggestie van die mevrouw op dat paard. Ook mee met de wind.

Gelukkig. Want nou kon ik tenminste zelf iets bedenken. Dat wil zeggen… eerst moest ik weten wat een hypothetisch cadeau precies was. Niet iets wat ik zou willen hebben, dacht ik. Een cadeau dat op een veronderstelling berust, wat heb je daaraan?

Krijg je dat eigenlijk wel?

Is een hypothetisch cadeau ook voor een hypothetische verjaardag?

Hm…

Eigenlijk is iedere verjaardag natuurlijk hypothetisch. Je moet elk jaar maar weer afwachten of je het tot de volgende redt. Sorry, niet zo’n vrolijke gedachte, maar meer kan ik er niet van maken. Lees vooral door.

Nee, schrijf vooral door!

Dat laatste roep ik mijn hoofd tegen mijzelf (bij gebrek aan Cavia) want ik heb geen flauw idee van waar dit verhaal heengaat en tuur al een onrustbarend poosje naar mijn laptop, terwijl er ook nog eens twee intrigerende vrouwen aan het tafeltje naast mij zijn gaan zitten, intrigerend omdat ze misschien een tweeling zijn, maar dan op zo’n manier dat het telkens net is of ze geen echte tweeling zijn.

Ze lijken op elkaar maar niet als twee druppels water en ze zijn hetzelfde gekleed en toch ook weer niet. Ze dragen bijvoorbeeld wel allebei een crème kleurig jasje van een soort nepbont, maar het bont van de ene is min of meer langharig en dat van de andere heeft krullen. En beiden hebben een oud roze flare broek aan, maar de ene broek is van ribfluweel en de andere van gewoon fluweel. Tot slot: precies dezelfde kleur Nikes, maar de een air max classics en de andere air max 90’s.

Om gek van te worden!

Zoiets houdt me dan meer bezig dan dit verhaal, want ik wil natuurlijk weten hoe het zit, maar durf het niet gewoon te vragen aan die twee, want ze zijn zo in zichzelf gekeerd met elkaar bezig dat het erop lijkt dat de rest van de wereld voor hen niet bestaat en ik wil hen natuurlijk niet aan het schrikken maken door opeens wel te bestaan.

Als het ware.

En dan bedenk ik dat dit alles waarschijnlijk al meer dan genoeg bewijs is, dat ze als een soort twee-eenheid handelen, bedoel ik, alsof ze samen precies dezelfde dingen denken en samen één lichaam hebben, het is gewoon griezelig! Als die samen geen tweeling zijn, wat dan? Een folie a deux, maar dan op een goede manier? Kan dat?

Eh…

Als Cavia nog bij me was zou die me nu tot de orde roepen, zodat ik niet nog verder afdwaalde.

Dus dat doe ik zelf maar… terug naar dat hypothetische cadeau. Dat wil zeggen… ik heb best wel een levendige fantasie, al zeg ik het zelf, en dus leek het me een fluitje van een cent om even te verzinnen wat een hypothetisch cadeau is, inclusief een paar voorbeelden. Maar de makke met hypothetische dingen is dat je ze zo gek niet kan bedenken of ze kunnen bestaan. Dat is eigenlijk zo’n beetje wat ze zijn; dingen die kunnen bestaan. Dus een hypothetisch cadeau verzinnen, dat bleek moeilijker dan ik dacht, doodgewoon omdat ik uit de hele verzameling die spontaan in me opkwam er geen kon kiezen die het leukste was. Precies het probleem van die vrouw gokte ik.

Oh, hm… die mededeling over Cavia was te terloops… Ja, Cavia heeft me verlaten. Voor een andere schrijver nota bene. Een vrouw. Mensen hadden me er al voorzichtig op gewezen dat er een Cavia in haar verhalen figureerde, maar u weet hoe dat gaat, ik verdrong het. Tot ik haar opeens in een televisieshow in geuren en kleuren over haar nieuwe boek zag opscheppen en over Cavia hoorde praten alsof ze die al jaren kende!

Toen moest ik het wel geloven.

Dat heb ik weer, een alter ego dat me voor een ander verlaat… hoe sneu is dat?

Opeens stonden de twee vrouwen naast mijn tafeltje. ‘Hallo, wij zijn misschien een tweeling en wij houden ook helemaal niet van beatmissen!’ zeiden ze vrolijk. Unisono natuurlijk ‘En we houden al helemaal niet van antwoorden die wegwaaien! Vage shit!’

Ik knikte. Vond ik eigelijk ook. Ze glimlachten.

‘We hebben een hypothetisch cadeau voor u. Het zou kunnen bestaan, of niet. Wilt u het hebben?’

Ik wilde vragen wat het was, maar ik was bang dat ze me dan zouden uitlachen, dus ik knikte nog eens. Dat cadeau wilde ik wel.

‘Hoera!’ riepen ze. ‘Het is een nieuw alter ego! Een alter alter ego!’ Ze bliezen het in mijn ziel, stapten op hun paarden en galoppeerden naar de horizon.

En toen werd ik wakker.

(Wordt vervolgd.)

Probleemwolf

Ik ga dit verhaal niet beginnen met te zeggen dat de wolf en in het het bijzonder de ‘probleemwolf’ de gemoederen goed bezig houdt, omdat ieder krantenartikel daar al mee begint. Lekker origineel.

Hoewel dat woord ‘gemoederen’ mij wel intrigeert. Het is gewoon het meervoud van gemoed maar het lijkt ook een beetje op een werkwoord.

‘We moeten alle drachtige ooien volgende week gemoederen voordat ze straks weer alle jonge berkjes plattrappen,’ zei de voorzitter van de Veluwse heidefederatie tegen de regievoerder van het herderscomité.

Zoiets.

Of: ‘Verboden te gemoederen’, op de rand van de houten roeiboten die je kunt huren bij Rederij Visscher aan de Krogerplas bij Dunxterloo (G).

Wat me meteen weer terug bij de wolf brengt, want in alle berichten over het exemplaar dat kennelijk rond het Treekermeer doolt, dook opeens een werkwoord op dat ik niet kende: zenderen.

(Trouwens, haast niemand doolt meer, volgens mij alleen wolven nog, alleen daarom al moeten we zuinig op ze zijn, eh… o, nou heb ik de teneur van mijn vertoog min of meer verklapt, nou ja, ik ga zoals gewoonlijk allerlei omzwervingen maken – zoals de wolf – dus lees vooral door.)

Waar was ik? Oja, zenderen. Een meneer van de zoogdierenvereniging die ook wolvenkenner en adviseur van de provincie is, kwam ermee op de proppen. We moeten de wolf niet doodschieten, maar zenderen, zei hij. Dat is een soort electronic monitoring voor dieren. (Sorry, beroepsdeformatie.) Met dit verschil dat boswachters niet even op hun knieën kunnen om een enkelbandje om te doen. Dat vindt zo’n wolf niet goed. Die blijft dus niet stilstaan. Sterker nog, de meeste wolven willen ook helemaal niet verdoofd worden. Dus stiekem een apparaatje ‘inbrengen’ (eek!) lukt ook niet. Ze lopen telkens heel treiterig verder weg dan 30 meter, zodat niemand ze kan raken met een verdovingsgeweer. Zeggen de wolvendeskundigen.

Geef ze eens ongelijk. De wolven bedoel ik.

En die wolf dreigen met het openbaar ministerie of de rechter heeft natuurlijk ook geen zin. Die willen daar hun vingers niet aan branden.

Funfact, er zijn tijden geweest dat dieren wel voor het gerecht werden gesleept. Lees dit maar eens. En doe het niet af als een bizarre gewoonte van achterlijke middeleeuwers. Het zijn mijn favoriete voorbeelden van serieus respect voor dieren.

Goed.

Geen wolven voor de rechter dus, maar ze hebben wel rechten. Min of meer, want ze weten zelf natuurlijk van niks. Hoe dan ook, er zijn ‘internationale afspraken voor soortenbescherming’.

Ja, echt!

Daarin staan regels voor zenderen.

Ja, echt!

Maar laat ik niet flauw doen, ik snap dat wel. Als iedereen maar een beetje naar eigen believen wolven gaat zenderen, raken we het overzicht kwijt. Want die wolven lopen de hele tijd kriskras door de natuur en door elkaar, waardoor de mensen op het coördinatiecentrum waarschijnlijk zelf helemaal de weg kwijtraken. En dan hebben die wolven vrij spel.

Net als vroeger. En da’s nou ook weer de bedoeling niet. Denk ik.

Bij al die wolvenverhalen heb ik trouwens vaker last van beroepsdeformatie, want toen ik ze las, kreeg ik stukje bij beetje het vermoeden dat een ‘probleemwolf’ niet zomaar een wolf was die voor gedoe zorgt. Nee, het zou me niet verbazen als er ergens een officiële definitie van ‘de probleemwolf’ was. Dacht ik.

En ja hoor, die is er. Het is nog mooier, op de website van de zoogdierenvereniging, staat een complete tabel om te bepalen of er bij een interactie sprake is van een probleemwolf of een probleemsituatie. (Subtiel gekozen eufemisme trouwens, interactie, dat van alles kan zijn, van een beetje nieuwsgierig naar elkaar staren tot een wolf die aan je zij hangt met je bovenarm tussen zijn kaken).

Wat het verschil tussen ‘probleemwolf’ en ‘probleemsituatie’ is, ga ik hier niet uitleggen. Maar laat ik zeggen dat die tabel een hartverwarmende poging is om het vraagstuk te ontrafelen, maar dat het me wel tegenviel dat de zoogdierenvereniging vooral het perspectief van de mens kiest. Ja, mensen zijn ook zoogdieren, weet ik, maar dat voelt toch een beetje als valsspelen als ze zichzelf voortrekken.

Zo is een wolf die ‘herhaaldelijk goed beschermd vee doodt en steeds manieren vindt om preventieve maatregelen te overwinnen’ een ‘probleemwolf’. Ik zou zeggen dat zo’n wolf een vindingrijke wolf is. En herhaaldelijk vee doden, dat doen mensen ook. Veel vaker zelfs. Om over de manieren die we hebben gevonden om dat te doen maar niet te spreken. Het is dat ik niet aanmatigend wil doen door over probleemmensen te spreken, maar het lijkt me toch zeker een probleemsituatie. Gezien de toestand van de planeet.

Goed, over dit soort dingen liep ik afgelopen zaterdag te mijmeren aan de rand van de Leersumsche plassen toen een jongen van een jaar of veertien me inhaalde op zijn fatbike.

Probleemfiets.

Hij hobbelde zonder op of om te kijken gemoedelijk verder, langs een meneer op een bankje en daarna langs een verboden toegang-bord waaronder op een ander bord stond uitgelegd dat er een kwetsbaar natuurgebied lag waar vogels aan het broeden waren en andere dieren lagen te rusten.

De jongen reed te hard om dat allemaal te lezen.

Probleemjongere.

De meneer riep hem nog na, maar dat hoorde hij niet.

Want koptelefoon.

‘Ik hoop dat hij zo in de armen van een BOA rijdt’, zei de man tegen mij, ‘of dat-ie tot zijn stuur in de modder zakt, of…’

Hm… ze zeggen van mij weleens dat ik veel fantasie heb, maar die meneer wist qua verbeeldingskracht ook van wanten. En van geen ophouden. Hij was ook iets wraakzuchtiger dan ik. Want het liep in alle verhalen die hij voor de jongen bedacht slecht met hem af. Met de jongen bedoel ik.

Op een gegeven moment wilde ik maar weer eens verder lopen, omdat ik eerlijk gezegd een beetje zenuwachtig van de meneer werd. Hij was heel erg boos en ik had daar niet zo heel veel aan toe te voegen. Hij had alles al gezegd. Meer dan me lief was.

‘Een wolf !’ riep de man toen ik hem gedag zei. Nóg een doemscenario voor de jongen. ‘En dan een echte probléémwolf. Dat beest mag hem best een beetje bijten ofzo.’ Hij keek me aan. ‘Oké, omverduwen mag ook. Doen ze ook wel eens. En dat die jongen dan een rotsmak tegen de grond maakt…’ ik keek weer niet enthousiast genoeg. ‘Of misschien dat die wolf gewoon achter de fatbike aanrent om te spelen? Krijgt die jongen vast en zeker ook de zenuwen van. Dat is ook een mooie revanche voor de natuur toch…?’ ik knikte en draaide me om want ik wilde nu toch echt doorlopen.

‘Meneer? Meneer?’ De man gaf me een paar zachte klapjes tegen mijn wangen. ‘Zag u ze niet, die andere fatbikes? U had opeens ook zo’n haast! Kom dan help ik u overeind.’

Even later zat ik naast hem op het bankje bij te komen. We raakten aan de praat en al snel bleek dat hij ook van beleid was. Andere organisatie, maar dat maakte niet uit, want binnen de kortst keren hadden we elkaar gevonden in een plan om ook een tabel te maken waarmee een inter-provinciale fatbikecommissie dan probleemjongeren, -fietsen en -situaties van elkaar kon onderscheiden om de juiste interventies te plegen.

In het addendum bij de tabel hebben we ook aanwijzingen opgenomen voor zenderen van de fatbikes (en/of de berijders) en, als ultimum remedium, regels voor gemoederen.

Voor je weet nooit.

p.s. De foto is van Wikimedia Commons. Zie hier.

Tuttuloris Gigantis

In de bossen bij Lage Vuursche zat ik op een omgevallen boom aan de rand van een kruising koffie te drinken toen er iets verderop na wat gekraak, gekreun en gesteun een man en een vrouw zich tussen twee struiken door een weg naar de modderige straat baanden. Ze kwamen allebei met verwilderde blik en dito uiterlijk tevoorschijn.

‘Nou, als je nog eens wat weet,’ zei de vrouw, ‘dat was een pad van lik me vestje! Meer iets voor Indiana Jones’ Ze voelde voorzichtig hoe groot de schade aan haar kapsel was. De man sloeg een paar blaadjes van zijn broek.

Daarna liep hij naar het midden van de kruising om alle vier de wegen eens goed in zich op te nemen. De vrouw ging een paar meter verderop voor de paaltjes met gekleurde pijlen staan.

‘We kunnen nou geel nog doen,’ ze ze. Monter.

De man snoof. ‘Dan hadden we net zo goed meteen oranje kunnen doen… maar dat wou jij niet.’

‘Hoezo?’

‘Nou, we hebben net blauw gedaan en jij wil nu geel. Als je die twee met elkaar combineert heb je oranje.

‘Nee,’ zei de vrouw, ‘dan krijg je groen.’

‘Hè?’

‘Groen… Blauw plus geel is groen.’

Een grap.

De man keek haar verbijsterd aan, alsof zij hem voor de zoveelste keer volslagen uit het niets schaakmat had gezet.

Na een paar tellen stilte, trapte hij een dennenappel weg, liep erachteraan en trapte nog eens. De dennenappel stuiterde tegen een bergje soortgenoten aan.

Cavia werd wakker en ging rechtop zitten.

De man nam een aanloopje en schopte de hoop uit elkaar. De dennenappels vlogen alle kanten uit als een zwerm opgeschrikte spreeuwen. Hij zocht heel even naar de appel waar hij mee begonnen was, maar besloot toen om gewoon met de eerste de beste verder te gaan. Die gaf hij met buitenkant van zijn voet een fijne cruyffiaanse trap zodat de dennenappel tollend in de lucht met een boogje (en een sprookjesachtig klein geruis) van de weg af het bos indraaide.

De man er weer achteraan.

Cavia zuchtte. ‘Gaat er nog iets gebeuren?’

‘Weet ik niet,’ antwoordde ik. ‘Dat heb ik niet in de hand.’

‘Jij verzint dit toch?’

‘Nee, niet alles. En dan nog, dingen komen in gewoon in me op. Of niet.’

‘Poteto potato.’

‘Sst, er gebeurt iets!’

De vrouw was naar het midden van de kruising gelopen en tuurde in het rond. Eerst rustig en weldoordacht, daarna een beetje warrig. Op een gegeven moment wierp ze zelfs blikken omhoog naar de kruinen van de bomen.

‘Ga je haar niet helpen?’ vroeg Cavia.

Ik stond op. ‘Hij is daar het bos in,’ riep ik naar de vrouw, die me aankeek alsof ik uit het niets verschenen was.

‘Wie?’

‘De man met wie u aan het wandelen was.’

‘De man met wie ik aan het wandelen was?’

Cavia schoot in de lach. ‘Je hebt die hele man erbij verzonnen!’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Oh, toch geen man?’ Ze glimlachte geamuseerd. Cavia ging verzitten om eens goed gade te slaan hoe ik me hier uit zou redden. Maar nu hielp de vrouw míj. Ze gaf zelf antwoord: ‘Nee, geen man. Een vogel. Ik hoorde een vogel en die zocht ik.’ Ze stak haar vinger op. ‘Luister, daar is-ie weer!’

Een sprookjesachtig klein geruis… ik sloot mijn ogen om het beter te horen.

Toen ik weer opkeek zag ik de vrouw wegwandelen, hand in hand met de man. Al zijn zakken puilden uit met dennenappels.

‘We kunnen ze niet allemaal meenemen hoor,’ zei de vrouw, ‘Je mag de vijf mooiste uitkiezen. Is dat goed?’ De man knikte.

Ho, wacht! De man leek opeens wel een kleine jongen. Hij had stekeltjeshaar en een petje op. ‘En weet je wat ik net heb gehoord?’ ging de vrouw (zijn moeder?) verder, ‘een Reuzen Toeteloer, de tutteloris gigantis! Ze deed het geluid na. De jongen lachte.

‘Ik was Johan Cruyff,’ zei hij.

‘Ja, dat zag ik!’

‘Dat verzinnen van jou begint griezelige vormen aan te nemen,’ zei Cavia, ‘het lijkt meer op hallucineren.’

‘Ik geloof dat het een soort jeugdherinnering is geworden,’ zei ik.

‘Had jouw moeder dan verstand van vogels?’

‘Nee, die Reuzen Toeteloer bestaat helemaal niet!’

‘Oh?’

‘Tsss. Van wie denk je dat ik al die fantasie heb?’

*Reuzen Toeteloer (Tutteloris Gigantis)

Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, is de Reuzen Toeteloer niet erg groot. Hij dankt zijn naam aan zijn kleinere soortgenoot, de Kleine Toeteloer (Tuttuloris Minores). De Gigantis is ongeveer zo groot als een tennisbal. Ook in zijn voorkomen lijkt hij veel op een tennisbal, want het is een pluizige kogelronde vogel. Daardoor is het vaak moeilijk om kraag, rug, buik, vleugels en staart van elkaar te onderscheiden. Dat geldt zeker voor de onderstaartdekveren. Ga daar niet naar zoeken! Trouwens, de Reuzen Toeteloer is zelf ook slecht te vinden. Hij komt zelden buiten de deur.

De Reuzen Toeteloer broedt niet. De vrouwtjes noch mannetjes bouwen een nest en de eieren (tussen de 4 en 18) zijn er gewoon opeens. De jongen komen vaak al na vijf minuten spontaan uit, waarna ze meteen op pad gaan, meestal gewoon te voet, op zoek naar voedsel.

De Reuzen Toeteloer lust alles, maar eet slechts dennenappels. Het is namelijk een pragmatische vogel en dennenappels zijn altijd wel te vinden. De pitten laten ze links liggen, ze eten de schubben.

De Reuzen Toeteloer komt overal in Europa voor. Je kan het zo gek niet verzinnen of hij is er. Helaas dus altijd ergens verscholen. Je ziet hem pas als je het doorhebt.**

De roep van de reuzen toeteloer is vaag, maar wel hoorbaar, ze roepen in vlucht en in zit. De roep lijkt nog het meest op het geluid van een door de lucht tollende dennenappel die iemand met effect heeft weggeschopt: een sprookjesachtig klein geruis. Alleen daarom al loont het de moeite om de vogel toch te blijven zoeken, want iedereen die zijn roep hoort, voelt zich daarna nog heel lang blij en gelukkig.

** vrij naar Johan Cruyff.

P.S. de foto is van Wikimedia Commons. Zie hier.

The vigilante on horseback!

De vrouw die mij op haar paard tegemoetkwam, vroeg zonder verdere inleiding of ik met twee honden aan het wandelen was. En ze vroeg het niet bepaald omdat het haar interesseerde, nee, ze riep me ter verantwoording. Hautain.

Vond ik. Maar laat ik bekennen dat ik die dag licht geraakt was bij van alles, want ik had weinig geslapen en was toch gaan wandelen, en ook nog eens een heel eind, omdat ik dat nu eenmaal de vorige dag had bedacht en ik heel zenuwachtig word van mezelf iets voornemen en dat dan niet doen.

‘Nee, ik heb geen hond‘, antwoordde ik, ‘laat staan twee.’ Kennelijk las ze mijn blogs nooit.

Ze bekeek me van boven naar beneden. Op twee manieren zelfs, want zij zat dus op een paard (boven) en ik stond op de grond (beneden) terwijl ze ook nog eens haar blik van mijn hoed naar mijn schoenen liet gaan en weer terug, alsof ze probeerde te ontdekken of ik de waarheid sprak.

Voor mij was met mijn antwoord de kous af, maar de vrouw zag dat anders (letterlijk en figuurlijk dus, wat mij aan het twijfelen bracht over mijn outfit en houding, story of my life, want kennelijk zag ik er als een hondenbezitter uit?)

‘Een Husky en een Australian Shepherd,’ voegde ze eraan toe. Om mijn geheugen op te frissen. De vraag was nu niet meer óf ik honden bij me had, maar wélke van mijn (vele) honden ik bij me had. Het paard van de vrouw stond intussen lijdzaam te wachten met haar op zijn rug en ik zag hem denken: Daar gaan we weer, eerste graads verhoor van een nietsvermoedende wandelaar.

Ik kreeg opeens zin om het absurde verhaal mee te spelen en mezelf op het voorhoofd te slaan als iemand die zich opeens weer herinnert dat hij twee honden, namelijk de Husky en de Australian Shepherd, bij zich had. En dan ongemakkelijk lachen. Haha! Door de mand gevallen!

Zoiets. Gewoon voor de lol. Maar dat soort pranks pakken bij mij altijd verkeerd uit, dus ik schudde gewoon bedaard mijn hoofd. Ik had ook geen Husky en/of Australian Shepherd bij me.

Ik had ze wel gezien, of nou ja, ik had twee honden gezien en voor de zekerheid die Husky op de foto gezet omdat ik dacht dat het een wolf was. Ja, echt sneu, maar ik heb nu eenmaal helemaal geen verstand van dieren. Het enige dier dat ik een beetje ken is Cavia, maar ‘kennen’ is dan een groot woord, want die blijft me iedere dag weer verbazen met iets wat ik nooit achter die gezocht had.

Achteraf beschouwd was het natuurlijk helemaal een belachelijke gedachte, omdat als de Husky inderdaad een wolf was geweest, dat beest natuurlijk nooit met een hond aan het dollen zou gaan, laat staan een Australian Shepherd! Vanuit de wolf gezien zijn honden natuurlijk dégénérés (ja, op iedere ‘e’ een streepje, ik heb het opgezocht), aan lager wal geraakte wolven die 14.000 jaar geleden hun ware aard hebben verpatst voor kost en inwoning bij de mensen.

De vrouw kuchte. Ze verlangde nog steeds een antwoord. Eerst nee zeggen en later nog eens met mijn hoofd schudden was blijkbaar niet genoeg.

‘Ze zijn verderop in een kuil aan het graven,’ zei ze. De honden, bedoelde ze.

Ik werd steeds verdachter. Had ik daar op een van mijn vorige wandelingen misschien iets begraven? Eek! Ik kijk echt veel te veel politieseries.

Hoewel…

Opeens zag ik het helemaal voor me, mijn pitch voor een nieuwe serie: een vrouwelijke speurneus te paard, in een gewaxte jas, versleten paardrijbroek en Dubarry laarzen, als een soort remake van de inmiddels veel te oubollige serie McCloud (uit de jaren 70! dus voor de jeugdige lezers onder u, zie hier) die in Lunteren en omstreken, want daar speelde dit zich allemaal af, de ene na de andere misdaad opheldert, doodgewoon door vasthoudend en hardnekkig vragen te blijven stellen tot een verdenking wel waar móét zijn. The vigilante on horseback!

Eh…

In de verte, achter de vrouw op haar paard, kwamen de honden weer tevoorschijn. Ze waren nog steeds met elkaar aan het dollen. De Shepherd had iets in zijn bek wat de Husky probeerde af te pakken.

Een been!

Oh, ik bedoel: een bot!

Minder gruwelijk, maar even zo goed eh… verontrustend. Vond ik opeens.

De vrouw zag mijn schrik en keek achterom. Ze grinnikte. Triomfantelijk. Daarna wendde ze zich weer tot mij. Met de indringende blik van een vrouwelijke speurneus te paard, in een gewaxte jas, versleten paardrijbroek en Dubarry laarzen. Dat ik dit niet eerder had gezien, allemaal tekenen dat zij niet pluis was! Alleen Queen Elizabeth kleedde zich zo en kwam er mee weg!

Haar paard brieste en deed een stap naar voren. En ik een stap achteruit.

Misschien was daar een kuil. Of hele drassige bosgrond. Of een diepe plas. En misschien duwde het paard mij. Of sprongen de honden tegen mij op, blij mij weer te zien.

(‘Kijk, daar is die meneer die dacht dat jij een wolf was weer!’ riep de Shepherd naar de Husky. Hij liet het bot vallen en keek niet meer naar om.)

En ik? Tja, ik viel. Roemloos.

De vrouw schaterlachte. Satanisch, zoals dat heet. Het paard brieste nog maar eens en steigerde met veel gevoel voor drama.

‘Meneer, meneer!’ De vrouw duwde tegen mijn schouder. Ik lag op een bankje! ‘Gaat het wel goed met u?’ Ik ging rechtzitten en knikte. Ze wees naar mijn boterhammen. Oh ja, ik zou gaan lunchen. ‘Daar zou ik maar goed op letten want mijn honden zijn er dol op!’

Waarna ze mij groette, de honden riep en haar paard de sporen gaf om in galop de zonsondergang tegemoet te rijden.

Houdverbod

Vorige week zat ik op een bankje met dit uitzicht. Zie hierboven. Het was ook nog eens mooi weer, zie ook hierboven, dus wat wil een mens nog meer?

Rust.

Die werd natuurlijk verstoord, en wel door een man en een vrouw en een hond. De twee mensen liepen naar hun mobieltjes te turen terwijl de hond ongeordend naar van alles en nog wat rende.

Dat baarde in mijn hoofd al meteen hele erge onrust. Dat heen en weer rennen zonder plan, bedoel ik. Oké, ik snap dat je van een hond geen gestructureerd geheel van activiteiten kunt verwachten, die doet maar wat, maar dat maakte zijn gedrag voor mij niet minder zorgelijk. Onheilspellend zelfs. Verdacht.

Maar dat is nu, hier in dit blog, allemaal hineininterpretierung. Had ik toen beter naar Cavia geluisterd, die me telkens als de hond iets onverwachts deed, wat eigenlijk om de haverklap gebeurde, stilletjes waarschuwde, dan had ik meteen begrepen dat het beest niet te vertrouwen was.

Hij heette Bello. Short for Beëlzebub, denk ik.

Niet dat hij naar die naam luisterde. De vrouw of de man riepen hem regelmatig om iets te ge- of verbieden, maar daarmee veranderden ze niets aan zijn doen en laten. Hij ging gewoon door met zijn onbegrijpelijke en langzamerhand irritante bezigheden.

Ik staarde in de verte, wat aan de rand van een hei erg goed lukt, at mijn boterham met pindakaas, en negeerde de hond, wat minder goed lukte, maar toch beter dan ik had verwacht, want na een paar tellen was ik even helemaal alleen op de wereld met slechts het panorama, de zon, en mijn brood.

De hélft van mijn brood, om precies te zijn, want de hond had van mijn meditatieve momentje gebruik gemaakt om mijn andere boterham te stelen. Hij rende de hei op waar hij die zonder te kauwen naar binnen schrokte.

Dat heb ik weer.

Het hele voorval drong maar langzaam tot de man en de vrouw door. Ze hadden de hond wel teruggeroepen toen hij wegrende, maar dat had natuurlijk geen enkel effect. En daarna hadden ze even staan kijken naar wat hij in zijn bek had om vervolgens alleen maar verbaasd te zijn.

‘Hij eet dat brood van die man op,’ zei de vrouw. Matter-of-factly.

‘Niet!’ riep de man.

‘Ja echt!‘

‘Tss! En hij heeft net gegeten!’

Dat laatste was half en half ook tegen mij. Alsof ze hoopten dat ik hun verbazing zou delen. Of hun heimelijke vertedering. Ja, het was vertedering! Gossie die eetlust van Bello is gewoon… nou ja, de oren van je hoofd… dat had-ie al toen hij nog maar een pup van een paar weken was…

Dat soort vertedering.

Andere communicatie met mij hadden ze zo één, twee, drie niet paraat. Ze vonden het eerder hinderlijk dat ik er was, want dat maakte het hele voorval maar ongemakkelijk. Uiteindelijk zei de vrouw: ‘nou, in ieder geval onze excuses’.

Alsof ze me nog meer gingen aanbieden. Schadevergoeding of zo. Dus niet. Ze verdwenen even rommelig als ze verschenen waren. De hond darde van hot naar her alsof er niks gebeurd was en het stel dook weer in hun mobieltjes.

Ik bleef achter met mijn uitgestelde woede. En dito wraakzucht. Daar besloot ik tijdens de rest van mijn wandeling dan maar eens fijn van genieten.

Eerst hoopte ik dat Bello een glutenallergie had en dat-ie het hele huis van zijn baasjes onder zou poepen. Maar dat idee verdrong ik. Per slot van rekening deed die hond gewoon wat honden zoal doen, wat ergerlijk is, maar hem niet te verwijten. Om dezelfde reden viel een paintballgeweer af.

Daarna richtte ik mijn wrok op de baasjes. Dat ze de hond slecht hadden afgericht en dat manco ook nog eens versterkten met weifelachtig optreden bij zijn wangedrag was hen wel degelijk aan te wrijven. Vond ik.

Maar bij alles wat ik voor hen verzon stonden wetten in de weg en praktische bezwaren, tot Cavia opeens iets bedacht wat juist wel volgens de wet was. Het houdverbod! Bedoeld voor dierenbeulen, weten wij heus wel, maar waarom niet óók voor sneue baasjes als die twee van Bello?

Wij zagen dat wel zitten. Dus we hebben meteen een brief aan de formateur geschreven, mede in de hoop dat we zo de partijen uit elkaar kunnen spelen. Ja, waarschijnlijk kansloos, maar we grijpen tegenwoordig echt alles aan om die bizarre onderhandelingen stuk te laten lopen.

(Ja, absurd slot, maar ik kon gisterenavond opeens geen ander, vrolijker, einde meer verzinnen. Er is een grens aan de hoeveelheid verbijstering die ik in één blog kan omdenken dus dit typte ik dan maar onversneden op.)

p.s. Toen ik voor het eerst van dat houdverbod hoorde, begreep ik het verkeerd, want dat is veel leuker. Ik dacht dus dat het om een houtverbod ging en dat het dus verboden werd om planken te hebben en dat de Gamma dicht moest.

p.p.s. Toch nog een vrolijker slot.

Weer die wolven!

Goed, het hoge woord is eruit, de provincies willen de wolf niet meer. Er is gewoon geen plaats voor hem/haar. En zeker niet voor hem én haar, want dan heb je voor je het weet hele roedels in de bossen rondlopen en daar zijn ze veel te klein voor. De bossen bedoel ik.

Drenthe, Friesland, en Overijssel willen dat er leefgebieden worden aangewezen. In Europees verband. Het schijnt dat die wolven een broertje dood hebben aan onze grenzen en gewoon maar een beetje aanzwerven. Dat kan natuurlijk niet.

Ik vind zoiets schattig (ja, het is natuurlijk ook om gek van te worden, maar ik ben vandaag in een zonnige bui): ik zie al die gedeputeerden driftig discussiëren over wat er moet gebeuren, en dan komen ze met dit…

Leefgebieden.

Aanwijzen.

Als ik een wolf was, zou ik me doodlachen.

En eh… gedeputeerden zijn mensen die onze provincies besturen, ik zeg het maar even. Binnenkort kunnen we nieuwe kiezen. Ik ga me niet bemoeien met uw politieke voorkeur, maar kunnen we alsjeblieft creatieve denkers/doeners met ongebreidelde fantasie aan de macht helpen?

Maar goed, de bossen zijn dus te klein. Nou kom ik regelmatig in een bos, en dan valt mij op dat het er inderdaad altijd erg druk is. Maar niet omdat er overal wolven lopen, sterker nog, ik heb er nog nooit een wolf gezien.

Wel mountainbikers. Dat zijn jongens van acht die opeens 32 werden, een baan met een stropdas namen omdat er in hun streek geen lokale brouwerijen meer bijkonden, een huis lieten bouwen in een oude koekfabriek, auto’s kochten die zelf konden rijden, en allerlei andere dingen ondernamen die lekker ravotten met je matties in de weg staan. Hun oplossing daarvoor is dat ze op zondagochtend op de crossfiets door de bossen gaan raggen. Lekker even helemaal eruit!

Terwijl ze met hun vrienden die voor en achter hen rijden hardop allerlei zaken bespreken. Mannenzaken.

Ik vind dat irritant, want het is lawaai, maar vooral ook irritant omdat ik alleen maar flarden van de gesprekken hoor. Ja, bij mij is het alles of niets, het liefst hoor ik niks, behalve de standaard bosgeluiden, maar als er dan toch mensen luid met elkaar praten, dan wil ik wel weten wat ze zeggen.

Een bloemlezing van wat ik eergisteren hoorde: ‘en toen heb ik hem gewoon voor drie jaar geleast’; ‘Neem gewoon een Rottweiler, die zijn heel goed met kinderen’; ‘maar hoeveel procent krijg je dan?’; ‘we mochten die bomen niet kappen, dus daar waren we snel weer weg’; ‘je moet nooit over de A7 gaan, want dat is ‘s morgens de hel’…

En wat dies meer zij.

Hoewel deze tussen de bomen gebazuinde teksten onbegrijpelijk waren, maakte ik er wel uit op dat de mannen hun leven goed in de greep hadden. Sterker nog, het leven wás van hen.

Daar werd ik in het begin wel eens onrustig van, alsof ik ergens in het verleden een afslag of een memo had gemist, maar uiteindelijk heb ik veel aan die branieteksten gehad. Meestal wandel ik na zo’n trits zelfverzekerde stellingen opgelucht verder in de vrolijke wetenschap dat mijn verzet tegen de bourgeoisie waarmee ik als jongeling mijn leven betekenis gaf nog zo slecht niet was geweest.

Begrijp me goed, ik kijk niet op die mannen neer, maar laat ik zeggen dat ik liever wakker lig vanwege dat mijn zuurdesembrood ingezakt is tijdens het bakken, dan dat ik mezelf op zit te vreten in een auto in een file op de A7. Ik prijs mij gelukkig dat ik niet eens weet waar de A7 precies ligt.

Terug naar de wolven, die waarschijnlijk ook niet weten waar de A7 ligt, sterker nog, die niet eens weten waar Drenthe, Overijssel en Friesland liggen, laat staan dat ze straks weten waar hun aangewezen leefgebieden zijn.

Een van de gedeputeerden zei dat de wolven ons land veel verdriet hebben gedaan. Eh… waarom waren de wolven ook alweer verdwenen? Niet omdat wij zoveel lol met ze maakten. Ze huilen niet zomaar. We hebben ze verjaagd. Volgens mij zou het beleefder zijn om hun excuses aan te bieden in plaats van leefgebieden.

Dat gaat waarschijnlijk niet gebeuren, want er is al geeneens draagvlak voor de wolven, laat staan voor verontschuldigingen. Toch zit hem daar de kneep, we moeten het goedmaken met ze.

Laten we een voorbeeld nemen aan Hélène Grimaud, pianiste (creatieve denker/doener) een ‘wolvenhoedster’. In de documentaire ‘Living with wolves‘, legt ze uit waarom ze de wolven zo’n warm hart toedraagt en waarom wij dat ook zouden moeten doen. Ik ga hier niet herhalen wat ze zegt, laat het bij een citaat: ‘it is about having to give back and doing something responsible (…) it epitomizes the challenges of our relation with nature.’

Jammer dat ze niet meedoet aan de verkiezingen.

p.s. Omdat ik wat meer over wolven wilde weten, kwam ik terecht op de site ‘Wolven in Nederland‘. Daar las ik dat in 2015 de eerste ‘zekere wolf’ Nederland bezocht. Hilarisch jargon! Ik zag meteen ook de eerste ‘onzekere wolven’, die nog steeds niet in Nederland zijn, omdat ze niet weten wat te doen. Ze staan ergens bij de Duitse grens te twijfelen. Ik ga een van de mountainbikers vragen om ze op te halen, want twijfelen, dat doen die mannen nooit.

p.p.s. De foto van de wolf is van Wikimedia Common.

Wolf en Lynx

Nou was er wéér gedoe om een wolf. In Brabant. 

Om een of andere reden vind ik dat ook geen provincie voor wolven. Ja, in het Brabant van de 80-jarige oorlog zou het misschien niet raar zijn geweest. En daarover dan een verhaal van Suske en Wiske: ‘De Winkelse Wolf’. Vraag me niet waar of wat Winkels is, dat heb ik zelf net verzonnen. Het klinkt wel Brabants vind ik.

Maar goed, er was daar opeens zo’n beest en ze wisten zich er geen raad mee. Dus kwamen er experts aan het woord, zoals een meneer van de Zoogdiervereniging… wat ik dan weer hebberig vind, zo’n naam, op het megalomane af, want zo’n vereniging speelt meteen de baas over alles wat min of meer aaibaar is of een zeekoe (die vind ik niet aaibaar). 

Maar goed, die expert van de Zoogdiervereniging… die zei dat ‘bestuurlijk Nederland het moeilijk vindt om samen te leven met de wolf’. 

Goh.

Probeer het zelf eens, zoogdiervereniger!

Ik heb het gedaan, een fijn staaltje van investigative journalism, al zeg ik het zelf, maar het viel niet mee. Zindelijk worden ho maar, meneer ging op pad zo het hem uitkwam en na twee weken waren alle katten in de wijk al op. Als ik hem riep – ‘GW1625m!’ – deed-ie of ik Spaans sprak.

Dus of dat ‘Wolvenplatform’ van gedeputeerde Lemkes gaat werken, vraag ik me af (echt waar, dat platform was/is een serieus idee van een volwassen meneer, ziet u het al in de notulen van een provinciale statenvergadering staan?) Daar blijft-ie nooit langer dan tien tellen op zitten. De wolf bedoel ik, op het platform. En als de wolf blijft zitten, springt gedeputeerde Lemkes er natuurlijk vanaf. Want het zijn geen gezellige dieren, die wolven.

Het gedoe over die wolf was nog maar net gaan liggen, of iemand ving met zijn fototoestel in vier kleuren een Lynx, ergens in de Ardennen. Dat was wat, want “een Lynx is zo onvindbaar dat hij ‘de geest van het woud’ wordt genoemd”. 

‘Zó onvindbaar’? Kennelijk kan een dier onvindbaar zijn, maar ook héél erg onvindbaar. Hoe zit dat? Kun je een onvindbaar dier, bijvoorbeeld een Wolf, af en toe vinden, maar een heel erg onvindbaar dier (bijna) nooit? Ik zou zeggen, een dier is onvindbaar of niet, en zodra een onvindbaar dier gevonden is, is het niet onvindbaar meer.

Of is dit allemaal weer nijd en afgunst tussen Nederlanders en Belgen en willen de Belgen een nóg onvindbaarder dier vinden dan wij al gevonden hebben?

Van mij mogen ze. En van mij mogen ze de wolf en de hele rimram erbij hebben. Want het benauwt me allemaal enorm. De verkrampte bureaucratie die aan het licht komt als er zo’n dier ergens opduikt! En dat gaat dan over dieren, maar ik heb nachtmerries waarin ze míj vinden. 

Ik neem de intelligente lockdown nog steeds heel serieus hoor, maar misschien heeft een of andere fanaat van een vereniging met provinciale subsidie waar ik het bestaan niet van vermoed (van de vereniging noch van de subsidie) ergens in mijn straat een verborgen fototoestel geplaatst. 

En kom ik in de krant, al dan niet in kleur maar hoe dan ook met van die rode ogen en mijn baard in de war; krijg ik een naam die alleen uit cijfers en letters bestaat; blijkt er beleid of een procedure of een maatregel waar ik dan natuurlijk net niet in pas of aan voldoe; krijgt Utrecht ruzie met politiek Den Haag omdat de burgemeester vindt dat er een landelijk kader moet komen voor dit soort gevallen (dat ben ik dus), inclusief budget; komt Rutten op tv om uit te leggen dat het inderdaad een topprioriteit is of zou moeten zijn, want op zo’n manier gaat het natuurlijk snel bergafwaarts met de lockdown; waarna dus het kabinet besluit dat alle boa’s voortaan op pad moeten met uitgebreidere bevoegdheden en een vangnet.

Eek!

P.S. Is het eigenlijk niet verontrustend dat het juist roofdieren zijn die hier weer voet aan de grond krijgen? 

Nog eens eek!

Raam

Aan de overkant van de straat is een raam dat ik niet begrijp. Ik bedoel dat ik niet kan achterhalen bij welke voordeur het hoort.
Dat is irritant!
Ik heb me een ongeluk zitten puzzelen, net zo lang naar de gevel getuurd en kleuren van kozijnen met elkaar vergeleken tot ik zowat van mijn verstand ging en het misschien wel verdacht werd. Maar ik kwam telkens een voordeur te kort, of ik hield een raam over. Of andersom.
Rara, hoe kan dat?
Vroeg ik mij af.
Thornfield Hall in de Lombokstraat. Of Blauwbaards burcht!
Eek!
Ja, ik kon natuurlijk eens een praatje aanknopen met de overbuurman/-vrouw of met een van de 38 studenten uit de huizen daarnaast, en dan langs mijn neus weg naar dat raam vragen, maar laat ik eerlijk zijn, dat durfde ik niet.
Eh…
Goed.
Meer dan geheimzinnig was het raam niet. Er was eigenlijk niks aan. Geen licht of leven was erachter te zien. Een saai zwart gat was het.
Tot er op een dag zomaar opeens twee hele kleine katjes in de vensterbank zaten. Ze keken mij aan toen ik mijn gordijnen openschoof, net zo verbaasd over mij als ik over hen. En misschien vonden ze mijn raam wel net zo geheimzinnig als ik hun raam, dat door hen alleen maar geheimzinniger werd, want waar kwamen zij vandaan?
Misschien dat het raam toch bij het huis van mijn overbuurman hoorde. Hij leek me wel een kattenman. Dus ik mijn stoute schoenen aan toen hij zijn vuilniszak buitenzette. Maar hij wist van niks, integendeel hij hield helemaal niet van katten, want hij was er allergisch voor. Hij keek me aan alsof ik hem een onbetamelijk voorstel deed. Beledigd.
Dat had ik weer.
Weer binnen staarde ik pissig naar de katjes, die al hun verbazing kwijt waren en alleen maar blij om me te zien.
Dat maakte een hoop goed. Sterker nog, het maakte bijna alles wat me sindsdien overkwam weer goed. Geen tegenslag zo groot of ik lachte die weg als zij bij mijn weerzien tegen de ruit opsprongen.
‘Kijk, daar is die meneer weer!’ riepen ze dan.
Dacht ik.
Vond ik.
Dus toen ik vannacht wakker werd van gemiauw, stond ik meteen naast mijn bed. Of nou ja, dat kwam ook doordat een vrouw met een nogal zware stem in het Russisch met iemand aan het telefoneren was.
Het geheimzinnige raam stond open!
En de vrouw zat in de vensterbank!
‘Don’t speak Russian,’ zei een man. De vrouw had voor het gemak haar telefoon op de speaker gezet, zodat het gesprek met galm en al in de hele straat te horen was. ‘Speak English please.’
Dat deed ze. ‘They are in the street!’ riep ze. Ik keek naar beneden, het was waar. ‘No, I don’t know how.’ Dat wisten de katjes zelf ook niet. Ze keken bangelijk in het rond alsof ze net geboren waren. De straat was opeens drie keer zo breed.
Vervolgens deed de vrouw afwisselend in het Engels en in het Russisch live verslag van wat er met de katjes gebeurde. Niet zo heel veel. Op een auto na, die bij nader inzien toch onze straat niet in kwam rijden. Terwijl de katjes onwetend bleven zitten en de vrouw het uitschreeuwde van de angst.
Dat schoot niet op. Ik deed mijn kamerjas en sloffen aan en ging naar beneden. Met een beetje geluk kon ik zowel de katjes redden, als het raadsel van de kamer oplossen, want als ik die twee van de straat had geplukt (ze zouden mij vast en zeker herkennen als die meneer van de overkant), kwam de vrouw natuurlijk vanzelf ergens uit een van de deuren te voorschijn.
Zo gezegd zo gedaan.
Maar u snapt het al, het liep allemaal anders.
Het begon zoals ik mij had voorgesteld, de katten begroetten mij als een oude vriend, de vrouw kwam tevoorschijn – neem dat letterlijk, ze was er opeens, uit het niets – maar terwijl zij in haar peignoir ongemakkelijk dicht tegen mij aan kwam staan zodat ik de katjes in haar armen kon laten overstappen, verscheen haar Engels sprekende vriend ook opeens uit het niets.
‘Yes, I can see you now…’ zei hij.
Zijn stem echode luid, zowel in het echt als via het mobieltje van de vrouw, dat zij onder het schouderbandje van haar bh had gestoken. Ik schrok (van de telefoon) en deed snel een stap achteruit.
Foute reactie.
De man liep op mij af. De vrouw probeerde hem in het Russisch op andere gedachten te brengen. Tevergeefs.
Ik werd badend in het zweet wakker.
En nou weet ik nog niet hoe het met dat raam zit.

Ontmoetingen

IMG_1516

Een paar kilometer voor Zaltbommel – Op vakantie kom je nog eens ergens! – ging de trein steeds langzamer rijden, zo langzaam dat ‘Sprinter’ echt nergens meer op sloeg, en de conducteur vond dat hij het uit moest leggen.
‘Goedemorgen, zoals u gemerkt heeft, rijden we wat langzamer dan normaal. Dat komt doordat er personen op het spoor lopen.’ Ik zag meteen een paar baldadig vitalistische pubers voor me, maar dat was weer te snel en makkelijk gedacht, want de mededeling was nog niet af: ’Zij proberen een ontsnapt schaap te vangen.’
Dat zag ik ook voor me. Exit pubers, enter een heel boerengezin, vraag me niet waarom een heel gezin, leek me gewoon gezelliger, vader, moeder, en drie kinderen, in donkerblauwe overalls en zwarte rubber laarzen, enfin een gezin dus, dat behoedzaam maar toch ook gehaast, want ja, die Sprinter wil verder, het eigenwijze schaap probeerde te omsingelen of dan toch tenminste van het spoor te drijven.
Veel leuker dan pubers die misschien aangereden (willen) worden!
Vooral ook omdat de gebeurtenis ergens in mijn hoofd de deur opende naar alle vreemde en soms wel eens beangstigende ontmoetingen die ik tot nu toe tijdens mijn fietstochten had.
Ik ga de leukste hieronder veel te uitgebreid opschrijven. Ik word gek als ik het niet doe en het ruimt lekker op.
Om bij dieren en boerderijen te blijven, ergens in de Alblasserwaard nabij het gehucht Minkeloos (wat een goede naam is, want ik ken iemand die Minke heet en ik heb haar daar nog nooit gezien, ja flauw, maar ik kan niet laten om iedere keer weer te checken of ik haar toch niet ergens zie, je bent een zenuwlijder of niet), rende eens een mooi roze varken op me af, wat op zich al grappig was, maar wat nog grappiger werd toen uit het struikgewas in de berm plotseling een vrolijk lachende Hindoestaanse jongen opdook met een soort lasso om haar te vangen.
Echt waar.
Ik laat u zelf het verhaal erachter verzinnen. Ik ken dat niet, want racefietsen is racefietsen, dan heb ik geen tijd om om overal bij stil te staan (pun intended). En soms is iets juist grappig omdat het onverklaarbaar is. Dus ik laat het zo.
Maar nu ik het toch over een berm heb gehad, even terzijde, kan iemand mij vertellen wat het verschil tussen een zachte en een gevaarlijk berm is? Ik bedoel, een zachte berm lijkt me ook gevaarlijk, want als je erin terechtkomt, zak je weg en val je om.
Of zoiets.
Maar een gevaarlijke berm dan? Is die sowieso gevaarlijk, ook als je er niet inrijdt? Grijpt-ie je als je te dichtbij komt? Raadselachtig fenomeen, wat me telkens weer bezighoudt als ik langs zo’n waarschuwing rijd.
Maar goed, andere ontmoeting, met dezelfde kernkleur… Afgelopen winter, ’s morgens om een uur of negen op weg naar Geldermalsen kwam ik een oude leernicht tegen op een roze scooter, zijn met studs beslagen jas lekker open zodat de wind met zijn borsthaar tekeer kon gaan en ik me af moest vragen, of ik nu wilde of niet, hoe in vredesnaam iemand zo puntgaaf glanzend bruin en verzorgd kon blijven na een nacht doorhalen. Ja, een nacht doorhalen, dat verzon ik om de hele scène nog een beetje in mijn wereldbeeld te laten passen, want hoewel ik een levendige fantasie heb, kon ik me niet voorstellen dat hij nu op weg was naar een of andere genderneutrale oecomenische dienst van een hippe dominee in Meteren.
Om eens iets te noemen.
Niet zo bizar, maar wel prachtig om aan terug te denken was het verliefde stel dat op een bloedhete zomermiddag vlakbij Made met de armen wijd aan de rand van een aardappelveld was gaan staan om zich stil en met gesloten ogen door de sproei-installatie te laten beregenen. Ze waren al behoorlijk nat. In de zij (= glanzend als zijde), noemden ze dat vroeger in Vlaanderen, wat ik wel mooi gezegd vind. Ik heb nog steeds wel eens spijt dat ik niet bij hen ben gaan staan, omdat het me wel een goeie grap leek en ik graag hun gezichten had gezien op het moment dat ze erachter zouden komen. Maar ja, ik ben doorgereden, want in een roman van John Irving is zoiets het geniale begin van een weergaloos verhaal over een onwaarschijnlijke maar eeuwige liefde, maar in mijn leven draait het vast en zeker uit op een arrestatie, ontslag en een sneu bestaan tot aan mijn eenzame dood in een caravan ergens op het erf van een uiteengevallen commune in Oost Groningen.
Ja, op de fiets kom je nog eens ergens, ook in je hoofd.
Wat me op mijn laatste ‘ontmoeting’ brengt, met een ander raadselachtig ‘verkeersbord’, dat vlakbij mijn huis staat, langs het water bij het bruggetje van Oog in Al naar de Munt.
‘Strijk zeilwerk’ staat erop.
Ja, raadselachtig is het eigenlijk niet, want ik weet heus wel wat ermee wordt bedoeld, maar dat is niet leuk. Dus telkens als ik het lees, zie ik de mensen op een boot snel de zeilen laten zakken terwijl anderen de strijkplank en -bout uit de kajuit halen opdat ze dan met z’n allen in de weer te gaan kunnen om al die vierkante meters gekreukte stof weer netjes glad te krijgen. En dat dan allemaal omdat wij in Utrecht het varen graag een beetje sjiek houden.
Ja, dat vind ik dan hilarisch.
Ik hoop u ook.