Categorie archief: Dieren

Vakantie

Op de Lekdijk bij Lexmond moest ik wachten op een kudde koeien die overstak van de boerderij naar de wei in de uiterwaard. Nu staan racefietsers erom bekend dat ze altijd haast hebben, en meestal vind ik ieder oponthoud inderdaad nogal irritant, maar zo’n optocht kuierend vee brengt je op andere gedachten. Dwíngt je tot andere gedachten, want regelmatig blijft een van de beesten staan om je eens nauwkeurig te bekijken, met een soort onverholen minachting die je van zo’n dier niet verwacht en die je dan ook volslagen uit evenwicht brengt, want je bent niet op zondagmorgen in alle vroegte van huis vertrokken om je ten overstaan van 83 koeien opeens zo futiel te voelen als een stofje in het zonlicht.
Of zoiets.
Waarom ik wel was vertrokken, wist ik niet meer. Dat wil zeggen, ik kon geen goede reden bedenken. Behalve dan dat ik graag heel hard over dijken fiets, maakt me niet uit waarheen.
‘Doe je dat iedere dag?’ vroeg ik aan de jongen die her en der een koe op haar rug klopte en bemoedigend toesprak (‘Goed zo, loop maar door!’).
‘Nee, want ik werk alleen op zondag,’ antwoordde hij.
Goed antwoord!
Nog een vraag: ‘Maar gebeurt het wel iedere dag?’
’Ja, het gebeurt wel iedere dag. ’s morgens gaan ze naar de wei en ‘s avonds weer terug naar huis, om gemolken te worden.’ Hij wees naar een weitje achter de boerderij. ‘En daar slapen ze.’
Veel gedoe en toch saai, wilde ik denken, cynisch als ik ben, maar ik was nog maar kort daarvoor door een zwartbonte Holstein klein gestaard tot iets wat mensen gedachteloos van hun revers vegen, dus ik verdrong het. Bovendien lachte de jongen alsof het allemaal de vondst van de eeuw was.
Ja, de vorige eeuw, dacht ik… toch nog (het is een ziekte).
De kudde was overgestoken en de laatste koe keek nog even om. Nee, jij met je racefiets, zag je haar denken, om zeven uur het huis uit, zo snel mogelijk het halve land door fietsen en dan weer naar huis… dat is zeker geen gedoe? En niet saai?
‘Nee,’ zei ik (ja, hardop!), ‘dat is vakantie.’
‘Nou, veel plezier dan maar!’ zei de jongen.

Uil & Wolf

Owl&Wolf

Hm, eerst die uil en toen een wolf. Ik durf hier wel te bekennen dat het gedoe met die Oehoe mij emotioneel dus best wel raakte of zo. Als kind luisterde ik altijd naar de verhalen van Paulus de boskabouter (ja, jongens en meisjes, wij hadden wel een tv, maar dit was alleen op de radio, dat noemden ze een hoorspel) en Paulus had een Oehoe als vriend. Een zachtaardig wijze vogel die als enige tekortkoming had dat hij af en toe een muis at. Zijn stopwoord was ‘helendal nogal wel zo tamelijk’ (ja, vier woorden, maar hij sprak ze iedere keer in één adem als één kolossaal tussenwerpsel uit), wat ik hilarisch vond. Nu nog eigenlijk. Dus toen bleek dat in Purmerend een soortgenoot van hem niets vermoedende burgers zonder aanwijsbare reden aanviel, verschoof mijn wereldbeeld een beetje. Ieder mens heeft een paar ankers in zijn leven en één van de mijne was losgeraakt.
Het gaat nu wel weer.
Eh, dat is te zeggen, ik had dat nog niet achter de rug, of die wolf daagde op. Ook een bizar geval van foute typecasting.
In het journaal voerde men een deskundige meneer van de stichting ‘Wolf in Nederland’ op. Zo’n man en zijn stichting houden mij dan al bezig voordat hij ook maar iets gezegd heeft. Hoezo ‘Wolf in Nederland’? Is dat een streven of een constatering? In beide gevallen zou ik zeggen dat ze de stichting wel weer kunnen opheffen. Want doel bereikt en/of feit bevestigd. Kunnen ze fijn een nieuwe club oprichten, ‘Uil úít Nederland’ misschien. Of ‘Kweepeer in Sliedrecht’. Kan allemaal.
Hoe dan ook, de man gaf ons zijn analyse van het geval en begon met de geruststellende mededeling dat – let op de aanhalingstekens, ik citeer nu – ‘de wolf helemaal niet boos was naar de mensen toe’.
Ik kan zeker vijf minuten niet fatsoenlijk functioneren als ik zo’n zin hoor, maar die man komt op het journaal om blij als een bos rozen ongestraft zulke dingen te zeggen. In de rest van het korte gesprek liet hij ook nog eens openhartig zien dat hij zijn klassieken niet kende. In zo’n beetje alle sprookjes die mij ooit zijn verteld, komt wel een wolf voor die mensen verslindt. Nou, als dat niet boos naar de mensen toe is, dan weet ik het niet meer. De man keek niettemin volstrekt gelukkig bij zijn conclusie. Iedereen kan zomaar een stichting beginnen.
Het werd nog mooier. Na de ‘Man in Nederland’ kwam een gedeputeerd statenlid aan het woord. Hij droeg zijn stropdas alsof het ding hem naar het leven stond en zette meteen, verontwaardigd, hoog in. ‘We verwelkomen de wolf in Nederland, maar dat betekent wel dat hij natuurlijk gedrag moet vertonen.’
Echt waar.
PVV-gedachtengoed, maar dan voor wolven. Voor je het weet hebben ze al onze banen en vrouwen ingepikt. Da’s de sociologische variant van ‘boos naar de mensen toe’.
Het statenlid gaf gehinderd door onwetendheid en angst voor de camera, een tamelijk vage beschrijving van het natuurlijke wolvengedrag dat hij graag zou zien. Een beetje rondrennen in buitenwijken hoorde er niet bij, dat wist hij wel. De wolf hoort in ‘beboste omgeving’ thuis.
Ik zie dan die wolf, die immers het beste met de mensen voor heeft, ondanks dat hij geen flauw idee heeft van wat het is, toch braaf op zoek gaan naar ‘beboste omgeving’. Dat is echt heel wat hoor, voor een beest dat eigenlijk naar een diep en zwart woud verlangt waar hij geroofde kinderen kan opeten.
Dit alles maakt wel duidelijk dat onze samenleving niet met buitenissigheden om kan gaan. Dieren die out of the box doen, dat vatten we niet. (Ja, ik ben beleidsadviseur, dus ik zie meteen een maatschappelijke ontwikkeling.)
Die uil wilden ze met een verdovende pijl uit de luchtschieten. Goed idee. Het wachten was op de vergunning.
En die wolf moest dus een locatiegebod en een chip in zijn oor, vond de gedeputeerde.
Ik bedoel maar. Hoe machteloos is dat?
Intussen wil mijn cavia van zwemles af. Hij zegt dat het onnatuurlijk is. Een knaagbare context wil hij.
Dat heb ik weer.