Categorie archief: Mensen

Hypothetisch

‘Ja, we geven elkaar dus al jaren een hypothetisch cadeau, maar dit jaar kan ik echt niks verzinnen,’ zei de vrouw op het ene paard tegen een andere vrouw op een ander paard.

‘Oh, waarom geef je niet gewoon…’ begon die andere vrouw, maar haar suggestie ging verloren in de wind. Waardoor ik zonder dat ik er erg in had en met behoorlijke tegenzin terugdacht aan de allereerste beatmis die ik meemaakte, ik weet niet meer waar en wanneer dat was, alleen dat ik het gênant vond, vanwege de rare would be hippies die met hun elektrische apparaten en instrumenten en veel te luide drumstel voor het altaar stonden en bij het minste of geringste in een lied uitbarstten, in alle gevallen een bloedeloze vertaling van echte jaren 60-klassiekers, die in het Nederlands opeens veel religieuzer betekenissen bleken te hebben dan ik er op mijn paars met oranje tienerkamer ooit achter had gezocht.

‘Het antwoord, mijn vriend, verwaait in de wind…’ zongen ze bijvoorbeeld. Zoetgevooisd. Wat het er niet beter op maakte, want daar is geen enkele tekst van Dylan uit die tijd tegen bestand.

Eh…

Waar was ik?

Oja, de suggestie van die mevrouw op dat paard. Ook mee met de wind.

Gelukkig. Want nou kon ik tenminste zelf iets bedenken. Dat wil zeggen… eerst moest ik weten wat een hypothetisch cadeau precies was. Niet iets wat ik zou willen hebben, dacht ik. Een cadeau dat op een veronderstelling berust, wat heb je daaraan?

Krijg je dat eigenlijk wel?

Is een hypothetisch cadeau ook voor een hypothetische verjaardag?

Hm…

Eigenlijk is iedere verjaardag natuurlijk hypothetisch. Je moet elk jaar maar weer afwachten of je het tot de volgende redt. Sorry, niet zo’n vrolijke gedachte, maar meer kan ik er niet van maken. Lees vooral door.

Nee, schrijf vooral door!

Dat laatste roep ik mijn hoofd tegen mijzelf (bij gebrek aan Cavia) want ik heb geen flauw idee van waar dit verhaal heengaat en tuur al een onrustbarend poosje naar mijn laptop, terwijl er ook nog eens twee intrigerende vrouwen aan het tafeltje naast mij zijn gaan zitten, intrigerend omdat ze misschien een tweeling zijn, maar dan op zo’n manier dat het telkens net is of ze geen echte tweeling zijn.

Ze lijken op elkaar maar niet als twee druppels water en ze zijn hetzelfde gekleed en toch ook weer niet. Ze dragen bijvoorbeeld wel allebei een crème kleurig jasje van een soort nepbont, maar het bont van de ene is min of meer langharig en dat van de andere heeft krullen. En beiden hebben een oud roze flare broek aan, maar de ene broek is van ribfluweel en de andere van gewoon fluweel. Tot slot: precies dezelfde kleur Nikes, maar de een air max classics en de andere air max 90’s.

Om gek van te worden!

Zoiets houdt me dan meer bezig dan dit verhaal, want ik wil natuurlijk weten hoe het zit, maar durf het niet gewoon te vragen aan die twee, want ze zijn zo in zichzelf gekeerd met elkaar bezig dat het erop lijkt dat de rest van de wereld voor hen niet bestaat en ik wil hen natuurlijk niet aan het schrikken maken door opeens wel te bestaan.

Als het ware.

En dan bedenk ik dat dit alles waarschijnlijk al meer dan genoeg bewijs is, dat ze als een soort twee-eenheid handelen, bedoel ik, alsof ze samen precies dezelfde dingen denken en samen één lichaam hebben, het is gewoon griezelig! Als die samen geen tweeling zijn, wat dan? Een folie a deux, maar dan op een goede manier? Kan dat?

Eh…

Als Cavia nog bij me was zou die me nu tot de orde roepen, zodat ik niet nog verder afdwaalde.

Dus dat doe ik zelf maar… terug naar dat hypothetische cadeau. Dat wil zeggen… ik heb best wel een levendige fantasie, al zeg ik het zelf, en dus leek het me een fluitje van een cent om even te verzinnen wat een hypothetisch cadeau is, inclusief een paar voorbeelden. Maar de makke met hypothetische dingen is dat je ze zo gek niet kan bedenken of ze kunnen bestaan. Dat is eigenlijk zo’n beetje wat ze zijn; dingen die kunnen bestaan. Dus een hypothetisch cadeau verzinnen, dat bleek moeilijker dan ik dacht, doodgewoon omdat ik uit de hele verzameling die spontaan in me opkwam er geen kon kiezen die het leukste was. Precies het probleem van die vrouw gokte ik.

Oh, hm… die mededeling over Cavia was te terloops… Ja, Cavia heeft me verlaten. Voor een andere schrijver nota bene. Een vrouw. Mensen hadden me er al voorzichtig op gewezen dat er een Cavia in haar verhalen figureerde, maar u weet hoe dat gaat, ik verdrong het. Tot ik haar opeens in een televisieshow in geuren en kleuren over haar nieuwe boek zag opscheppen en over Cavia hoorde praten alsof ze die al jaren kende!

Toen moest ik het wel geloven.

Dat heb ik weer, een alter ego dat me voor een ander verlaat… hoe sneu is dat?

Opeens stonden de twee vrouwen naast mijn tafeltje. ‘Hallo, wij zijn misschien een tweeling en wij houden ook helemaal niet van beatmissen!’ zeiden ze vrolijk. Unisono natuurlijk ‘En we houden al helemaal niet van antwoorden die wegwaaien! Vage shit!’

Ik knikte. Vond ik eigelijk ook. Ze glimlachten.

‘We hebben een hypothetisch cadeau voor u. Het zou kunnen bestaan, of niet. Wilt u het hebben?’

Ik wilde vragen wat het was, maar ik was bang dat ze me dan zouden uitlachen, dus ik knikte nog eens. Dat cadeau wilde ik wel.

‘Hoera!’ riepen ze. ‘Het is een nieuw alter ego! Een alter alter ego!’ Ze bliezen het in mijn ziel, stapten op hun paarden en galoppeerden naar de horizon.

En toen werd ik wakker.

(Wordt vervolgd.)

Laars

Hij zag de laars al staan toen hij de straat in reed. Voor de deur pakte hij meteen zijn mobieltje, nam een foto en begon te typen. Driftig, ieder woord en iedere zin stuurde hij meteen weg als zijn ergernis te groot werd om verder te denken.

‘Eh…’

‘Kijk eens wat hier staat.’

‘Heb jij de andere meegenomen?’

‘Als aandenken ofzo?’

‘Of is dit een of andere symboliek???’

‘Eén (1!) laars jatten?’

‘JA JATTEN!’

‘Hoezo dat?’

‘Serieus?’

Toen hij tien minuten later, uitgeraasd, in de huiskamer met een kop thee voor het raam naar de laars staarde, stond hij opeens weer in de Welkoop van Koudum. Zo ongeveer de laatste plek op de wereld waar hij iemand als haar had verwacht. Een 32 jarig hippie meisje als manager van de afdeling tuingereedschap en -machines? Nee. Van de afdeling bloemen en planten misschien. Toen Fenne hem aansprak, schaamde hij zich meteen voor zijn verbazing.

En Fenne had gedaan alsof ze er niets van had gemerkt. Dat was lief, vond hij. Hoe ze uiteindelijk van zijn nieuwe natuurvezel straatbezem en een bizar glimmende uitzet tuingereedschap bij de rubberen outdoorlaarzen waren beland wist hij niet meer.

Hij had een paar maten en modellen gepast en was uiteindelijk op die ene met het nutteloze riempje uitgekomen, in een 42, die prima zat. Toch had hij haar gevraagd of ze ook een 42,5 hadden of misschien wel een 43? (In de hoop dat die niet niet in voorraad waren, wat gelukkig zo was, zodat hij een week later terug moest komen, want dan zouden ze binnen zijn.)

Fenne had weer heel aandoenlijk gedaan alsof haar neus bloedde en de bestelling genoteerd. De vrijdag daarna had ze een bericht ingesproken om te zeggen dat de bestelling binnen was: ‘Goedemiddag meneer Borghesius, uw te grote en véél te grote laarzen zijn binnen. Schikt het u om ze een dezer dagen te komen passen?’

Dat was minder aandoenlijk, maar even leuk. Leuker zelfs. Hij hield wel van dat soort sarcasme, het was alsof ze elkaar al jaren kenden, alsof ‘mijnheer Borghesius’ haar koosnaam voor hem was. En oh… hij wilde nog veel meer van die berichtjes.

Die kreeg hij, de een nog grappiger en liever en poëtischer dan de andere. Voicemails, appjes, e-mails, lange papieren brieven. Die hij allemaal nog grappiger en liever en poëtischer beantwoordde. Het was alles bij elkaar wel een hele lange aanloop naar iets wat anderen tegen elkaar aangevlijd in elkaars oor zouden fluisteren, maar het was ook onvermijdelijk, beseften ze allebei. Ze moesten eerst hun harten uitstorten. Schoon schip maken.

Maar op een dag had Fenne hem een zelf gemaakte ansichtkaart gestuurd: ‘Sebastiaan, ik weet niets meer om te dichten. Ik wil in plaats van jouw dichter zijn, dichter bij jou zijn.’ Ze had het goed gezien, soms had hij een duwtje in de rug nodig. Hij had zijn tranen weggeveegd was op zijn motor gesprongen.

Daarna was het hek van de dam. Een maand later trok Fenne al bij hem in, in zijn huisje aan de rand van Warns en ze werden gelukkig. Domweg gelukkig aan de Skarlerdijk.

Met uitzicht op de polder.

Helemaal niets en toch prachtig. Dat was zijn liefdesverklaring aan het landschap, het landschap dat zonder dat ze het merkten steeds meer ging lijken op hun leven. Of eigenlijk andersom. Hun leven was steeds meer niets en steeds minder prachtig.

Hij was naar dat lege land gekomen om rust te vinden. Trager te leven. Minder gejaagd. Dat was gelukt. Zelfs met een onverwachte liefde. Maar het was veel te goed gelukt, besefte hij op een dag. Na twee jaar was hun ooit heerlijk trage leven tot stilstand gekomen. En ergens diep in zijn hart was hij bang dat een duwtje in de rug niet meer zou helpen.

Fenne had zich van de weeromstuit op de tuin gestort. (In zijn laarzen, wat hij ooit onweerstaanbaar aantrekkelijk had gevonden, maar nu opeens gewoon potsierlijk.)

‘Misschien moeten we alles gewoon laten verwilderen,’ had hij op een avond gezegd toen Fenne min of meer verbaasd verzuchtte dat niets meer wilde groeien. ‘Gewoon de natuur zijn gang laten gaan en dan kijken wat er gebeurt.’ Een metafoor die niet bij haar aankwam, omdat het hem niet lukte erbij te glimlachen.

Maar hij had haar toch aan het denken gezet, want een paar dagen later stelde zij opeens voor om te verhuizen.

Naar de stad. Zijn stad. Utrecht.

‘We kunnen dit huis een tijdje aanhouden en daar iets huren. En dan zien we wel…’ had Fenne gezegd. ‘Kunnen we ook mooi meteen de tuin laten verwilderen.’

Glimlach. Hij had teruggelachen. En gebloosd.

Toch nog een duwtje in de rug.

Ze verhuisden zo’n driekwart van de huisraad en hun kleding, zodat het huisje in Warns in noodgevallen toch een beetje bewoonbaar bleef. In de stad hadden ze geen tuin, een bestraat plaatsje was alles, dus had Fenne alleen de bezem ingepakt.

En dus kennelijk zíjn laarzen.

Op het scherm van zijn mobieltje verscheen melding. Fenne appte hem terug.

‘De andere staat in de kast onder de trap. Achterin.’

‘Ik wilde deze inderdaad jatten.’

‘JA! JATTEN!’

‘Als aandenken 🥲’

‘En toen ik kreeg spijt. Maar wilde niet meer terug naar binnen.’

Hij legde zijn mobieltje weg en staarde weer naar de laars… Hé, wat staat die man daar nou? Hij wachtte even om te zien wat de man van plan was… niets, hij stond daar maar.

Er tikte iemand op mijn schouder. Ik schrok en keek om. Een man.

’Gaat het goed met u meneer?’ vroeg hij.

Oh shit, ik was weer eens ergens op straat in gedachten verzonken blijven staan. Waarom kan ik niet lopend een verhaal verzinnen?

Ik knikte.

De man bleef naast me staan en samen keken we naar de laars. Ongemakkelijke stilte. Tot hij de laars van de grond pakte en die als een kind tegen zich aandrukte.

Opeens leken de rollen omgedraaid. ‘Gaat het wel goed met ú?’ vroeg ik. Hij schudde zijn hoofd. ‘Kan ik u ergens mee helpen?’ Hij haalde zijn schouders op. Fronste zijn wenkbrauwen. Dacht na.

‘Welke maat schoenen heeft u?’

Die vraag had ik niet verwacht.

‘Eh… 42’

‘Wacht even.’ Hij liep zijn huis weer in en kwam even later terug met een tweede laars. Hij gaf ze allebei aan mij en zei: ‘Ik hoef ze niet meer.’

‘…?’

‘Een lang verhaal… dat ik ook niet ga vertellen… maar u lijkt mij iemand die er zelf een ook wel een verhaal bij kan verzinnen.’

Het was al af.

Probleemwolf

Ik ga dit verhaal niet beginnen met te zeggen dat de wolf en in het het bijzonder de ‘probleemwolf’ de gemoederen goed bezig houdt, omdat ieder krantenartikel daar al mee begint. Lekker origineel.

Hoewel dat woord ‘gemoederen’ mij wel intrigeert. Het is gewoon het meervoud van gemoed maar het lijkt ook een beetje op een werkwoord.

‘We moeten alle drachtige ooien volgende week gemoederen voordat ze straks weer alle jonge berkjes plattrappen,’ zei de voorzitter van de Veluwse heidefederatie tegen de regievoerder van het herderscomité.

Zoiets.

Of: ‘Verboden te gemoederen’, op de rand van de houten roeiboten die je kunt huren bij Rederij Visscher aan de Krogerplas bij Dunxterloo (G).

Wat me meteen weer terug bij de wolf brengt, want in alle berichten over het exemplaar dat kennelijk rond het Treekermeer doolt, dook opeens een werkwoord op dat ik niet kende: zenderen.

(Trouwens, haast niemand doolt meer, volgens mij alleen wolven nog, alleen daarom al moeten we zuinig op ze zijn, eh… o, nou heb ik de teneur van mijn vertoog min of meer verklapt, nou ja, ik ga zoals gewoonlijk allerlei omzwervingen maken – zoals de wolf – dus lees vooral door.)

Waar was ik? Oja, zenderen. Een meneer van de zoogdierenvereniging die ook wolvenkenner en adviseur van de provincie is, kwam ermee op de proppen. We moeten de wolf niet doodschieten, maar zenderen, zei hij. Dat is een soort electronic monitoring voor dieren. (Sorry, beroepsdeformatie.) Met dit verschil dat boswachters niet even op hun knieën kunnen om een enkelbandje om te doen. Dat vindt zo’n wolf niet goed. Die blijft dus niet stilstaan. Sterker nog, de meeste wolven willen ook helemaal niet verdoofd worden. Dus stiekem een apparaatje ‘inbrengen’ (eek!) lukt ook niet. Ze lopen telkens heel treiterig verder weg dan 30 meter, zodat niemand ze kan raken met een verdovingsgeweer. Zeggen de wolvendeskundigen.

Geef ze eens ongelijk. De wolven bedoel ik.

En die wolf dreigen met het openbaar ministerie of de rechter heeft natuurlijk ook geen zin. Die willen daar hun vingers niet aan branden.

Funfact, er zijn tijden geweest dat dieren wel voor het gerecht werden gesleept. Lees dit maar eens. En doe het niet af als een bizarre gewoonte van achterlijke middeleeuwers. Het zijn mijn favoriete voorbeelden van serieus respect voor dieren.

Goed.

Geen wolven voor de rechter dus, maar ze hebben wel rechten. Min of meer, want ze weten zelf natuurlijk van niks. Hoe dan ook, er zijn ‘internationale afspraken voor soortenbescherming’.

Ja, echt!

Daarin staan regels voor zenderen.

Ja, echt!

Maar laat ik niet flauw doen, ik snap dat wel. Als iedereen maar een beetje naar eigen believen wolven gaat zenderen, raken we het overzicht kwijt. Want die wolven lopen de hele tijd kriskras door de natuur en door elkaar, waardoor de mensen op het coördinatiecentrum waarschijnlijk zelf helemaal de weg kwijtraken. En dan hebben die wolven vrij spel.

Net als vroeger. En da’s nou ook weer de bedoeling niet. Denk ik.

Bij al die wolvenverhalen heb ik trouwens vaker last van beroepsdeformatie, want toen ik ze las, kreeg ik stukje bij beetje het vermoeden dat een ‘probleemwolf’ niet zomaar een wolf was die voor gedoe zorgt. Nee, het zou me niet verbazen als er ergens een officiële definitie van ‘de probleemwolf’ was. Dacht ik.

En ja hoor, die is er. Het is nog mooier, op de website van de zoogdierenvereniging, staat een complete tabel om te bepalen of er bij een interactie sprake is van een probleemwolf of een probleemsituatie. (Subtiel gekozen eufemisme trouwens, interactie, dat van alles kan zijn, van een beetje nieuwsgierig naar elkaar staren tot een wolf die aan je zij hangt met je bovenarm tussen zijn kaken).

Wat het verschil tussen ‘probleemwolf’ en ‘probleemsituatie’ is, ga ik hier niet uitleggen. Maar laat ik zeggen dat die tabel een hartverwarmende poging is om het vraagstuk te ontrafelen, maar dat het me wel tegenviel dat de zoogdierenvereniging vooral het perspectief van de mens kiest. Ja, mensen zijn ook zoogdieren, weet ik, maar dat voelt toch een beetje als valsspelen als ze zichzelf voortrekken.

Zo is een wolf die ‘herhaaldelijk goed beschermd vee doodt en steeds manieren vindt om preventieve maatregelen te overwinnen’ een ‘probleemwolf’. Ik zou zeggen dat zo’n wolf een vindingrijke wolf is. En herhaaldelijk vee doden, dat doen mensen ook. Veel vaker zelfs. Om over de manieren die we hebben gevonden om dat te doen maar niet te spreken. Het is dat ik niet aanmatigend wil doen door over probleemmensen te spreken, maar het lijkt me toch zeker een probleemsituatie. Gezien de toestand van de planeet.

Goed, over dit soort dingen liep ik afgelopen zaterdag te mijmeren aan de rand van de Leersumsche plassen toen een jongen van een jaar of veertien me inhaalde op zijn fatbike.

Probleemfiets.

Hij hobbelde zonder op of om te kijken gemoedelijk verder, langs een meneer op een bankje en daarna langs een verboden toegang-bord waaronder op een ander bord stond uitgelegd dat er een kwetsbaar natuurgebied lag waar vogels aan het broeden waren en andere dieren lagen te rusten.

De jongen reed te hard om dat allemaal te lezen.

Probleemjongere.

De meneer riep hem nog na, maar dat hoorde hij niet.

Want koptelefoon.

‘Ik hoop dat hij zo in de armen van een BOA rijdt’, zei de man tegen mij, ‘of dat-ie tot zijn stuur in de modder zakt, of…’

Hm… ze zeggen van mij weleens dat ik veel fantasie heb, maar die meneer wist qua verbeeldingskracht ook van wanten. En van geen ophouden. Hij was ook iets wraakzuchtiger dan ik. Want het liep in alle verhalen die hij voor de jongen bedacht slecht met hem af. Met de jongen bedoel ik.

Op een gegeven moment wilde ik maar weer eens verder lopen, omdat ik eerlijk gezegd een beetje zenuwachtig van de meneer werd. Hij was heel erg boos en ik had daar niet zo heel veel aan toe te voegen. Hij had alles al gezegd. Meer dan me lief was.

‘Een wolf !’ riep de man toen ik hem gedag zei. Nóg een doemscenario voor de jongen. ‘En dan een echte probléémwolf. Dat beest mag hem best een beetje bijten ofzo.’ Hij keek me aan. ‘Oké, omverduwen mag ook. Doen ze ook wel eens. En dat die jongen dan een rotsmak tegen de grond maakt…’ ik keek weer niet enthousiast genoeg. ‘Of misschien dat die wolf gewoon achter de fatbike aanrent om te spelen? Krijgt die jongen vast en zeker ook de zenuwen van. Dat is ook een mooie revanche voor de natuur toch…?’ ik knikte en draaide me om want ik wilde nu toch echt doorlopen.

‘Meneer? Meneer?’ De man gaf me een paar zachte klapjes tegen mijn wangen. ‘Zag u ze niet, die andere fatbikes? U had opeens ook zo’n haast! Kom dan help ik u overeind.’

Even later zat ik naast hem op het bankje bij te komen. We raakten aan de praat en al snel bleek dat hij ook van beleid was. Andere organisatie, maar dat maakte niet uit, want binnen de kortst keren hadden we elkaar gevonden in een plan om ook een tabel te maken waarmee een inter-provinciale fatbikecommissie dan probleemjongeren, -fietsen en -situaties van elkaar kon onderscheiden om de juiste interventies te plegen.

In het addendum bij de tabel hebben we ook aanwijzingen opgenomen voor zenderen van de fatbikes (en/of de berijders) en, als ultimum remedium, regels voor gemoederen.

Voor je weet nooit.

p.s. De foto is van Wikimedia Commons. Zie hier.

Vakantie

Vakantie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik doe daar nooit aan mee, want dat is uit mijn comfortzone. Ik heb weliswaar ooit aan de psycholoog van het revalidatiecentrum in een montere vlaag van ‘het roer moet om’ beloofd dat ik niet alleen uit mijn hoofd zou komen, maar ook uit mijn comfortzone (in mijn geval vaak hetzelfde), bijvoorbeeld om mensen te ontmoeten, maar daar heb ik nooit echt werk van gemaakt. Behalve dan een paar jaar geleden, toen ik ben gaan wandelen in Zuid Limburg.

Veel natuur daar. Vrolijke bossen, lome akkers, heuvels die ze bergen noemen. En mensen. Dus veel te ontmoeten.

Dat begon al meteen bij het eerste ontbijt in de eetzaal van het hotel. Terwijl ik probeerde het gesteven servet uit te vouwen, zetten een jonge man en vrouw met glimmende trouwringen de buit die zij bij het buffet gescoord hadden voor zich op tafel en begon naast hen een mevrouw aan haar tafelgenoten nogal luid uitleg te geven van de pillen die zij bij het ontbijt moest slikken. Ze wees ze één voor één aan, vermeldde de namen en voor de zekerheid de kleur, en vertelde waarvoor of waartegen ze waren. Als ze er niet uitkwam, hielp haar man, en een enkele keer de vrouw tegenover haar, die kennelijk ook verstand van zaken had. Ik wist niet goed wat ik met al die informatie aan moest, zeker niet in combinatie met de jonge mensen die toen ze in hun croissants hapten lang niet zo gelukkig keken als ik verwachtte, waardoor ik me opeens afvroeg of ze inderdaad op huwelijksreis waren zoals ik vermoedde, én me afvroeg hoe gelukkig je dan precies moet kijken als je pas getrouwd bent, want daar is natuurlijk geen norm voor, maar vast wel een soort ondergrens en…

‘Wat weet jij daar nou allemaal van?’ vroeg Cavia. (Jammer genoeg was die erbij toen de psycholoog mijn hele ziel en zaligheid had blootgelegd.)

‘…’

‘Jíj zat daar helemaal in je dooie eentje op je muesli te knabbelen, zoals iedere morgen waar je ook bent! Dus het is nou niet zo dat je veel verstand van dit soort situaties hebt!’

Eh…

Wandelen!

Op mijn eerste tocht was het al meteen raak, want ik was amper het dorp uit of er naderde een tamelijk absurde optocht van twee paters die een rommelige groep jongeren aanvoerden. Allemaal gothics. Die jongeren bedoel ik. Het was alsof de geestelijken een bende duivelsdiscipelen gevangen genomen hadden. Dat was niet zo. Sterker nog, ze keken allemaal erg vrolijk. Wat ze gingen doen, was onduidelijk. Mijn gok was dat ze op weg waren om gedoopt te worden, daar is Limburg namelijk erg geschikt voor want het wemelt er van de beekjes, die allemaal kabbelen alsof het niks is. Dat laatste is niet per se nodig om iemand te dopen, maar het maakt de hele scène wel romantischer.

Goed, ik liep verder, een bos in. Dat is daar niet zo moeilijk. Ik kwam een uur lang helemaal niemand tegen en tot mijn eigen verbazing maakte ik me daar zorgen over. Zo kwam er niks van ontmoeten!

Gelukkig kwam ik al snel bij een huis waarvoor een meisje op een stoeltje zat, naast een kleedje vol zacht glanzende Pokemonkaarten, die me deden denken aan mijn kinderen en hun enorme verzameling kaarten die ik, Joost mag weten waarom, in gedachten probeerde te vinden in een huis waar ik al in geen eeuwen was geweest, in hun kamers, op de zolder en de vliering, in kasten en/of oude schoenendozen, kortom overal en nergens terwijl ik gaandeweg zwetend in paniek raakte. Had ik nou al een zonnesteek? Zou echt iets voor mij zijn.

Nee, het meisje vroeg mij of ik Pokémonkaartjes wilde kopen en dat verstond en begreep ik goed. Dus niks aan de hand. Maar ik hoefde geen Pokémonkaartjes, zelfs niet toen ze zei dat ze soms heel veel waard zijn, want zij had er eens eentje verkocht voor € 91! Dat wist ik, dat ze veel waard zijn, want ik was eens op Catawiki gaan zoeken naar een enorme en levensechte roze (!) Pikachu van kunststof omdat ik daar ooit op had geboden om ten slotte af te haken toen het bedrag niet meer in redelijke verhouding stond tot de blijdschap die het vrolijke monstertje me telkens gaf als ik hem bekeek. Ik vond een kleine honderd euro voor een glimlach bij het zien van een roze Pikachu te veel.

Later kreeg ik daar natuurlijk spijt van. Ik had ook uitgerekend dat als ik 83 zou worden en ik iedere dag één keer zou glimlachen om die roze Pikachu, één glimlach niet meer dan twee cent zou kosten (inclusief veilingkosten en verzending), wat dan weer een belachelijk schijntje was voor zeker tien seconden onvoorwaardelijke vreugde. Wat me er dus toe bracht om alsnog op die veilingsite te gaan zoeken, om alleen maar Pokémonkaarten te vinden en me te verbazen over de astronomische bedragen die mensen daarvoor wilden neerleggen.

Aan de stoffige rand van het bos voor het beduimelde huis flakkerde m’n verlangen naar die roze Pikachu weer een beetje op, terwijl ik nog maar eens mijn hoofd schudde. Het meisje knikte begripvol, alsof zij precies wist dat ik in de rest van mijn leven duizenden glimlachen van nog geen twee cent per stuk zou gaan mislopen.

Daar was ik nog diep over aan het nadenken toen ik langs een wei vol geiten liep. En dus géén schapen die net geschoren waren, ik zeg het maar even, want dat maakte een langsfietsende vader zijn zoontje in het stoeltje wijs, een misser die hij halsstarrig volhield toen ik in de lach schoot, ‘ja, die meneer moet lachen om de scháápjes, hij vind ze ook leuk,’ riep hij, waarna het jongentje prompt aan het huilen sloeg. Dat laatste was doodgewoon toeval, maar ik wil het hier toch even vermelden.

Een van deze geiten lag op haar zij naar adem te happen. Dat leek me niet goed. Maar wat moest ik doen? Flink doorstappen om de meneer die verderop in een tuintje aan het schoffelen was te waarschuwen. Hij zag me aankomen en antwoordde al nog vóór ik iets had gezegd: ‘Ja, net goed! Lekker laten liggen!’ zei hij.

‘Uh… Hè?!’

Het bleek dat die geiten regelmatig het hek om zijn tuin omverduwden om zich vervolgens vol te vreten met hij ook maar aan het verbouwen was.

‘Zelfs tomaten!’ zei hij meer verbaasd dan boos. Ik wist nog maar net te voorkomen dat ik hem vroeg waarom dat zo raar was, want hij leek me iemand van uitgebreide litanieën over alles wat hem tegenzat, waaronder dus die brutale geiten.

Maar goed, toen stonden we daar. De man vol wrok en ik in dubio, want wat moest er nu met die geit? Het was alsof dat beest mijn dilemma ergens uit de lucht oppikte, want toen ik omkeek, krabbelde zij weer op om meteen naar ons toe te drentelen en ons van een afstandje uit te lachen.

‘Gefopt!’, mekkerde zij.

Dacht ik.

Daar werd de tuinier echt boos om. Hij greep een riek en deed een stap naar voren. De geit bleef gewoon staan. Onverstoorbaar. Tot razernij van de man die na een korte aanloop de riek naar de geit wierp. Een nogal sneue actie, die onverwacht prachtig afliep, want de riek landde na een perfect boogje met de vier tanden tegelijk in het gras om daar heel even na te trillen. Daar had de man niet van terug.

Ik ook niet. Dat leek me een mooi teken om te vertrekken. Ik knikte naar de man en hervatte mijn wandeling.

Er volgde een gevarieerde reeks korte ontmoetingen, die ik eigenlijk niet in dit verhaal wilde opnemen omdat ik niet goed wist wat ik ermee aanmoest, maar die ik ook niet uit mijn hoofd kreeg, wat me van liever lede echt in de weg ging zitten, zodat ik ze ten slotte toch maar opschreef. Hieronder.

Twee vrouwen die achter elkaar fietsten terwijl ze een onverstaanbaar gesprek schreeuwden waaruit opeens de volgende min of meer verontwaardigde mededeling opvloog: ‘Nou ja, je moet niet vergeten dat hij motorcrosser is geweest!’ Nee, dank u, dat zal ik de rest van mijn leven niet meer vergeten…

Een klein peloton soldaten in volle bepakking dat op vrolijke fanfaremuziek uit een kolossale ghettoblaster erop los marcheerde alsof het niets was, terwijl iedere rij soldaten ook nog eens een lange boomstam (zo dik als een doelpaal) op de schouders droeg.

Een vrolijke familie die, zo vertelde een vrouw mij enthousiast, op weg was naar weer een andere familie om daar suikerfeest te vieren. Ze droeg een jongetje op haar schouders dat was uitgedost als een minikoning in een goud bestikte djellaba.

Eh… Ik verzin best veel in deze blogs, of liever gezegd, ik maak de werkelijkheid een beetje leuker, maar wat ik tot nu toe geschreven heb, is allemaal echt gebeurd. En het volgende ook, tot mijn eigen verbazing…

Een jongen kwam mij hand in hand met zijn moeder tegemoet terwijl hij, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, een dik boek aan een touwtje meetrok door het stuivende zand in de berm van de weg.

Zijn vastberadenheid was even onbegrijpelijk als troostrijk. Soms, als ik bij het opstaan helemaal geen zin heb in de dag, denk ik aan hem terug om mijzelf op te monteren. Wat hij kon, kan ik ook, denk ik dan. Gewoon doorgaan, hoe absurd het ook is, alles. En dan ben ik wéér blij dat ik niet achter de twee ben aangerend om te vragen waar dat boek over ging. Het moest een beetje mysterieus blijven. Om een of andere reden versterkte dat de hoop die ik uit de hele ontmoeting putte.

‘Smoesjes,’ zei Cavia, ‘je durfde het gewoon niet te vragen.’

‘Heus wel…’

‘Nee man, lees nog eens terug wat je hierboven allemaal hebt geschreven. Je hebt met niemand een woord gewisseld! Lekkere ontmoetingen! Dus maak mij nou niet wijs dat je heus wel een gesprek had aangeknoopt met die twee.’

‘…’

Ik verzin best veel in deze blogs, of liever gezegd, ik maak de werkelijkheid een beetje leuker, dus eh…

Een jongen kwam mij hand in hand met zijn moeder tegemoet terwijl hij, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, een dik boek aan een touwtje meetrok door het stuivende zand in de berm van de weg.

We waren elkaar al gepasseerd toen ik opeens besefte dat dit té absurd was om zomaar voorbij te laten gaan. Ik keerde om en rende achter ze aan. Nog voor ik iets gevraagd had, trok de jongen het boek naar zich toe tot het tussen ons in op de weg lag.

‘Kijk zelf maar,’ zei hij. Ik pakte het op en bladerde er doorheen. Allemaal lege bladzijden op de eerste twee na. Ik begon te lezen: “Vakantie daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik doe daar nooit aan mee, want dat is uit mijn comfortzone.”

Uh… Hè?

Ik sloeg snel de bladzijde om en las de laatste zin: “De jongen glimlachte. ‘Je mag het boek wel houden,’ zei hij.”

p.s. De foto is van wikimediacommons. Zie hier.

Geen kerstverhaal

‘Tien?!’ riep het meisje achter de kassa uit.

De man keek in zijn mandje en telde de halve liters opnieuw. Zijn hoofd wiebelde met kleine knikjes van blikje naar blikje.

‘Ja, tien,’ zei hij.

Kerstavond, kort voor sluitingstijd in de buitenwijkse Jumbo van een een provinciestad. Her en der pubers in zwart-gele poloshirts die onverstoord hun vakken vulden, en wij, de man met zijn bier voor mij en ik met wat boodschappen die ik op het einde van de lopende band zette. En het kassameisje dus, dat monter op haar iets te hoge kruk zat.

‘Die extra zijn zeker omdat het kerstmis is?’ vroeg ze. Opgewekt.

Hij snoof. ‘Echt niet. Ik zal blij zijn als het voorbij is.’

‘Ja, ik eigenlijk ook,’ gaf het meisje toe. Ondanks haar zilver gelakte nagels en de glinsterende sterretjes op haar wangen.

Daarna bleef het stil. Ik checkte nog eens of mijn mandje echt leeg was. De twee staarden me aan. Waren ze aan het wachten om te horen wat ik van de feestdagen vind?

Dat ging ze eigenlijk niks aan, vond ik, maar het leek me de sfeer geen goed doen om daar iets over te zeggen en bovendien hadden ze me al aan het denken gezet, dus ik moest er iets mee, met hun nieuwsgierige blikken.

Tja. Ik ben geen liefhebber van feesten. Zet me in een ruimte met een onoverzichtelijke groep vrolijke en gelijkgestemde mensen en ik sta al gauw met twee linkerhanden en ingekeerde blik na te denken over mijn houding en-schuine-streep-of gezichtsuitdrukking tot ik me uiteindelijk nauwelijks meer durf te bewegen en zo stiekem mogelijk, zelfs zonder dat ik zelf merk, naar de rand van het gedruis beweeg, waar ik vervolgens zo helemaal niets ga staan uitstralen dat geen enkel mens nog een gesprek met me durft aan te knopen. In de ideale situatie heb ik dat niet door. Dus oneindige rust. Als mijn hele toestand onverhoopt toch tot me doordringt, ben ik nog verder van huis dan in het begin van het feest, want dan heb ik tot overmaat van ramp ook niks meer aan mijn twee linkerhanden en is aandoenlijk stuntelen ook geen optie meer.

‘Wou je dat allemaal aan die twee gaan vertellen?’ vroeg Cavia. ‘Dat verhoogt de feeststemming ook niet bepaald…’

‘Nee, natuurlijk ga ik dat niet vertellen. Dit denk ik alleen maar,’ antwoordde ik.

‘Eh.. oké, maar intussen laat je dus een hele rare stilte vallen, heb je dat door?’

O shit, ja, ik sta bij de kassa van de Jumbo! Ik keek op. Inderdaad, rare stilte. Het meisje keek me aan alsof ik alles wat ik had gedacht wél had verteld. De man veegde zijn haar naar achteren.

‘Zijn jullie morgen eigenlijk open?’ vroeg hij. Het meisje schudde haar hoofd.

‘Sorry. Dinsdag pas. Maar dan wel meteen om acht uur!’

De man dacht na. Ik zag hem rekenen. Hij liep zonder iets te zeggen terug de winkel in. Het meisje sloeg haar ogen neer alsof hij haar vader was. We wachtten.

‘Vijftien,’ zei hij toen hij één van de blikjes voor mijn spullen op de band zette.

Het meisje hield de barcode voor de scanner. De man betaalde, vouwde zijn gele shopper open en boog voorover om de blikjes over te laden. Hij kwam hijgend weer overeind.

‘Tot dinsdag dan,’ zei hij.

‘Houdoe!’ groette het meisje. Toen de man uit het zicht was, zuchtte ze. ‘En wat vind ú van kerstmis?’ vroeg ze.

‘Ga nou niet dat hele verhaal alsnog vertellen,’ waarschuwde Cavia. Ik schudde mijn hoofd.

‘Dat dacht ik al,’ zei het meisje.

Fluitsignaal

De twee dames die hijgend tegenover mij op de bank ploften, konden hun geluk niet op, bleek toen ze weer een beetje op adem waren gekomen. Ze hadden namelijk nét de trein gehaald.

Om zeker te weten dat het echt goed was afgelopen, vertelden ze elkaar gedetailleerd wat ze allemaal hadden gedacht en vervolgens gedaan om tenslotte veilig en wel hier op deze bank in deze trein neer te zijgen.

Gewoon de eerste de beste bank! Dat laatste was kennelijk het verbazingwekkendste van alles, want dat herhaalden ze een paar keer. Ik wist niet waarom.

Eh…

Ze trokken hun jassen uit, doken in hun tassen om een thermoskan, bekers, een Tupperware bakje met koekjes, en roze servetjes tevoorschijn te halen, stalden alles uit op het plankje bij het raam, en wilden net hun koffie inschenken toen uit de intercom een strenge mannenstem kraakte.

De conducteur.

‘Dit is een bericht voor de twee dames in het blauw en paars die het zojuist nodig vonden om op het allerlaatste moment nog in de trein te springen.’

De dames stokten en keken elkaar aan.

‘Elise, dat zijn wij!’ fluisterde de een. Elise gebaarde dat ze niks moest zeggen. Ze zwegen en gluurden quasi terloops naar mij om te zien of ik het doorhad.

Ja, nogal wiedes, maar wat moest ik met die kennis? De twee erbij lappen? Heel hard roepen dat ze hier zaten? Nee, dat ging ik natuurlijk niet doen. Maar ik kon niet voorkomen dat mijn blik afdwaalde naar het haakje waaraan hun jassen hingen. Een blauwe en een paarse.

Ze bloosden.

De conducteur ging verder: ‘Wat u deed, is strafbaar! Ik had namelijk al gefloten!’

Soms is de timing van de Nederlandse spoorwegen gewoon griezelig, want terwijl de stem van de man nog nagalmde, verscheen op de schermpjes in de coupé de volgende tekst: “In verband met uw veiligheid is het verboden om in- en uit te stappen na het klinken van het fluitsignaal.”

Hm… een hele slechte tekst.

Terwijl ik mijn hoofd de zin probeerde te redigeren (zie ook mijn vorige blog, het is een ziekte), begon Elise aan een reconstructie van wat er precies was gebeurd.

‘Ja, ik zei nog: Chantal, laten we de volgende maar nemen.’

‘Oh, ging je daarom rennen?’ vroeg Chantal.

Intussen begreep ik dat ‘klinken van het fluitsignaal’ niet. Het stond er alsof het een natuurverschijnsel was dat buiten de NS om telkens uit de lucht kwam vallen. Of zoiets.

‘Nou ja zeg, ik mág niet eens rennen van de dokter. Vanwege m’n knie.’ Dat was Elise weer. Chantal schudde haar hoofd.

‘Ik kon je amper bijhouden!’

Dus ik besloot van dat klinkende fluitsignaal een actie te maken. Een actie van de conducteur. Dat leek me ook veel leuker.

‘Nou Chantal, dat is niet eerlijk van je, want je weet heus wel dat ik sinds die ene keer bij die bushalte nooit meer ren. Daar heb ik toen juist die knie van gekregen!’

Vervolgens besloot ik ‘in verband met uw veiligheid’ te schrappen. Want wat betekent dat? Ik zou het niet weten, het is veel te vaag. Omfloerst. Waarom zeggen ze niet gewoon dat het gevaarlijk is om in of uit een bijna vertrekkende trein te springen?

‘Welke bushalte?’

‘In Hoogeveen! Toen we naar Madeleine gingen!’

Daar wist Chantal niks meer van en dat hele verhaal van de dokter geloofde ze eigenlijk ook niet. Ze renden zo vaak…

‘Ja, omdat jij altijd net op het nippertje komt…’

Dat was de druppel. Chantal pakte haar thermoskan en stopte die weer terug in haar tas. Elise griste de koekjestrommel van het plankje. Toen ze alles weer hadden ingepakt bleven ze met hun tassen op schoot stil voor zich uit staren.

Inmiddels had ik een nieuwe tekst.

‘Als de conducteur gefloten heeft, mag u niet meer in- of uitstappen, want dat is gevaarlijk,’ prevelde ik.

Wat zei u?! vroeg Elise.

Eh…

Ze keek Chantal aan en ze grinnikten. Kwam ík even als geroepen, een gemeenschappelijke vijand!

‘Waar bemoeit u zich mee?’ vroeg Elise.

‘Ja,’ viel Chantal haar bij, ‘ bent u soms ook van de spoorwegen?’

Om één of andere reden had ik de tegenwoordigheid van geest om niet uit te gaan leggen dat ik een beleidsmedewerker met een beroepsdeformatie was, die bovendien nog eens in zichzelf praatte. Of mét zichzelf. Dat leek mij een slecht verhaal. De waarheid, maar toch een slecht verhaal.

Dus verzon ik een ander verhaal, dat waarschijnlijk even slecht was, want ze geloofden er geen snars van. Ze leunden dreigend naar voren en toen ze in de ijver om hun vriendschap weer te lijmen mij een duw gaven, nam ik de benen, maar al na een paar meter had Elise me ingehaald. Ze lachte.

‘Nou, dat verhaal over haar knieën en de dokter is echt wel gelogen!’ riep ik langs haar heen naar Chantal.

Dat had ik misschien niet moeten doen. Elise duwde me nog eens. En nog eens…

‘Meneer! Meneer!’ Dat was de conducteur, die me wekte en me vriendelijk vertelde dat we al een tijdje in Leeuwarden waren.

Ik stond op.

‘Vergeet uw koekje niet!’ Hij wees naar een roze servetje waarop een kletskop lag. ‘Lekker hoor, zelfgebakken.’

De foto heb ik gevonden op Wikimedia Commons, en wel hier.

Hart/hoofd

Toen ik op een bankje ergens in de polders bij Tienhoven zat, kwam er een vrouw langs die zo overweldigend in your (my!) face gekleed was, namelijk in een geweldige combinatie van luidkeels groen (satijnen Mao-vestje) en nog luider schreeuwend geel (broek, wijde pijpen, geborduurde bloemen) dat ik haar zonder er verder over na te denken (waarom zou ik?) welgemeend complimenteerde met haar ensemble, een compliment dat zij al even welgemeend in ontvangst nam.

Tot zover niets aan de hand.

Maar toen was ik uitgerust en had ik mijn boterhammetjes op en ging ik weer verder en haalde ik de vrouw in. Want ze slenterde alsof het niets was. Ze was aan het telefoneren.

‘Nou, weet je wat ik doe als ik niet kan slapen? Dan doe ik alsof ik een heel klein mensje ben en loop ik ín mijn lichaam naar mijn hart. Daar ga ik dan tegenaan zitten,’ zei ze.

Dat zag ik voor me. Ze had haar armen om haar opgetrokken knieën geslagen en knikkebolde een beetje, terwijl ze met haar hoofd tegen de wand van haar hart zacht met het kloppen meedeinde…

Ho!

Ze had die prachtige maar heel erg lawaaierige combinatie nog steeds aan! Geen wonder dat ze niet in slaap kon komen. Had ze geen pastel blauwe pyjama of zo? Of iets in oud roze?

Dat leek me niet iets om nu aan haar te vragen. Ik ken mezelf. Hoewel het een volstrekt legitieme vraag was in míjn hoofd, zou zij het vast en zeker beschouwen als een hele slechte eerste zin van een stuntelige poging om een gesprek aan te knopen, of wat dan ook. En ze zou gelijk hebben! Maar ik wilde helemaal geen gesprek aanknopen, laat staan wat dan ook. Ik wilde gewoon wat meer context, zoals dat tegenwoordig heet. Want nu zat ik met die vrouw in mijn hoofd terwijl zij naast haar hart in haar eigen lichaam zat, in een kleurig setje dat prima was voor een fijne wandeling op een zonnige dag, maar echt funest voor je nachtrust.

Maar goed, ik ging haar dus niet om uitleg vragen. Laat staan dat ik haar zou vragen of ik eens een keertje even naast haar mocht komen zitten. Want dat leek me opeens wel gezellig.

Een nog slechtere eerste zin.

Ik vind het romantisch, zei Cavia, ‘en die vrouw misschien ook wel.’

‘De wildvreemde vrouw die ik zojuist heb afgeluisterd, bedoel je? Nee, zoals ik al vaker heb uitgelegd… in een Hollywoodse romcom pakt zoiets na een reeks ongemakkelijke misverstanden geweldig uit voor alle betrokkenen, die aan het einde van de film allemaal huilen van geluk, maar in mijn leven niet. In mijn leven blijft het bij ongemakkelijke misverstanden.

‘Dat zeg je altijd. Je zit daar maar in je hoofd te bedenken hoe alles zal uitpakken, maar heb je ooit gewoon iets geprobeerd?’

Dat was geen vraag.

‘Mag ik hier naast u zitten?’

Dat was wel een vraag. Een heel erg gefluisterde vraag. Twee uur later, ander bankje, op een heuveltje. Andere vrouw, een tegenovergestelde vrouw zou ik haast zeggen, want geheel in camouflagekleuren gekleed. Nadat ze was gaan zitten begon ze zich omstandig maar geruisloos te installeren om eens uitgebreid in de verte naar vogels te turen. Daarvoor had ze maar liefst twee verrekijkers, een kleintje aan een bandje om haar nek en een grote voor zich op poten, die ze allebei behoedzaam uit haar groene rugzak had gehaald. Haar rugzak die van boven tot onder uit ritsen en touwtjes bestond.

Zo’n soort rugzak heb ik ook, maar de vrouw kon er beter mee overweg dan ik, want ze wist door trefzekere en bewonderenswaardige organisatie precies achter welk ritsje welk benodigdheidje zat.

‘Zijn daar YouTube tutorials voor?’ hoorde ik mezelf vragen.

Ze antwoordde met haar wijsvinger ernstig voor haar lippen terwijl ze haar hoofd schudde en naar het landschap voor ons gebaarde.

Stilte!

Vogels!

De vrouw zette de kolossale telescoop voor haar rechteroog.

Ongemakkelijk misverstand; mijn vraag, die eigenlijk een grap was. Niet om te lachen, vond de vrouw. Dus in ieder geval ongemakkelijk. En om dat nog eens te onderstrepen, verloor ik mijn evenwicht toen ik opstond om te vluchten, rolde ik van het heuveltje en stootte ik mijn hoofd tegen een omgevallen boom. Waarom ruimen ze die dingen ook niet op als ze op de grond liggen?

Ik schreeuwde heel hard: ‘AU!’

Alle vogels in de hele polder vlogen verschrikt op om de rest van de dag niet meer terug te keren. De vrouw wenste mij naar de hel.

In plaats daarvan ging ik naar huis, precies het omgekeerde van de hel, want mijn eigen hemel. En daar ging ik weer in mijn hoofd zitten, mijn speciale plaats in mijn eigen hemel.

Naast Cavia.

‘Jij ook altijd met je goede raad,’ zei ik. Cavia zweeg. Na een poosje sloeg die een arm om mijn schouder.

p.s. De tekening is gemaakt door Patrick J. Lynch en te vinden op Wikimedia commons: hier. Ook de tekening van hersenen staat op Wikimedia commons, hier. Ik heb de tekeningen zelf over elkaar gefröbeld.

Paradijsvogels

Doordat ik weer eens toestanden met mijn mobieltje had over waar ik precies was en waar ik dus heen moest (volgens de app liep ik wel de goede kant op maar achteruit, of andersom, vooruit maar de foute kant op) keerde ik voor mijn gemoedsrust echt véél te vaak terug op mijn schreden. Daar kan ik niet tegen. Ik heb sowieso een haat-liefde-verhouding met dat soort apps, want ze geven de vreemdste instructies. Laatst: ‘ga rechtdoor op de Dwarsweg’. Zoiets kan mijn hoofd eigenlijk niet aan. Ik weet wat ik moet doen, maar alleen als ik het niet probeer te begrijpen.

Eh…

Ik passeerde zeker drie keer een vrouw die op een bankje bij de bushalte tussen haar tassen zat te roken en drinken terwijl ze hardop met zichzelf van gedachten wisselde, iedere keer dat ik langskwam over een andere kwestie.

Zo te horen.

Die vrouw stelde me gerust, want mijn telkens terugkerende verschijning en mijn steeds wanhopiger blik verbaasde haar helemaal niet. Ze noteerde mij als ik voorbijkwam (man met baard + hoed… weer die man met baard + hoed… nog eens die man met baard + hoed… ) en sloeg verder geen acht op mij.

Dacht ik. (Tussentijdse cliffhanger, lees vooral door.)

Een klein uur later was ik weer bij de bushalte terug. Met een gloednieuwe verrekijker. En een appje op mijn iPhone waarmee ik vogels kon identificeren. Hun uiterlijk en hun geluiden.

De techniek staat voor niets.

Hoewel er bij de bushalte niet veel vogels te horen waren, probeerde ik toch er een te vangen, met mijn mobieltje dan. Ik tuurde hoopvol naar de mededeling ‘listening for birds…’

Tot de vrouw opeens voor mij stond en vroeg: ‘bent u muzikant?’

‘Nee,’ antwoordde ik terwijl ik me afvroeg hoe ze daarbij kwam. Ik lijk erg op Billy Gibbons, de gitarist van ZZ Top maar ik zag in de vrouw eigenlijk geen fan van die band. En het leek me trouwens sterk dat Billy Gibbons in Zeist op de bus naar Utrecht zat te wachten, maar misschien hield die vrouw gewoon alle opties open (maar dan toch niet dat Dusty Hill uit de dood herrezen was, hoe erg ik ook op hém lijk).

‘Wat voor een werk doet u dan?’

‘Ik werk bij de reclasering,’

Daar moest ze even over denken.

‘Dat is binnenlands, toch?’

‘Eh… ja.’

Ze knikte alsof ze dat al had gedacht. ‘Dat is niet zo gevaarlijk als buitenlands.’

Een verrassende stelling, maar een die me te verdedigen leek, al wist ik zo gauw niet hoe. Daardoor keek ik kennelijk niet overtuigd genoeg.

‘Rusland! China! Het wereldtoneel!’ Ze lachte, en toen ze hijgend bedaard was, vroeg ze, opeens beleefd geïnteresseerd als iemand op een staande receptie: ‘Die werkstraf, is dat nou echt nodig?’

Eh…

We waren weer terug bij de reclassering.

Nou die straf was echt belachelijk, vond de vrouw, want wat veroordeelden dan allemaal moesten doen tegenwoordig, daar werd je echt niet vrolijk van. Ze deed het voor.

Ze stak haar armen omhoog, spreidde haar vingers en wiebelde haar handen alsof ze geluid maakten terwijl ze in kleine cirkels rondstampte op de eerste regels van Hooked on a feeling in de uitvoering van Jonathan King (of van Blue Swede, weet ik niet, maakt ook niet uit)…

Het was een combinatie van een chaingang en een regendans.

‘Ooga chaka! Ooga chaka!’ zong ze. Na haar derde cirkel hield ze ermee op. ‘Dat kun je een mens niet aandoen, toch?’

Hoewel het toch een behoorlijk vrolijke kijk op de werkstraf was, en daarom misschien een uitvoering ervan die (eindelijk) voor breder draagvlak in de maatschappij zou zorgen, gaf ik haar toch gelijk. Vooral omdat ik – beroepsdeformatie! – niet voor me zag hoe deze dans de recidive kon verminderen.

Lijn 73 kwam er aan, de vrouw maakte een reverence alsof ik de koning was, en ik stond op. Toen ik in de bus zat, checkte ik mijn mobieltje om te zien wat de oogst was. Listening for birds, weet u nog?

Twee birds-of-paradise.

Paradijsvogels.

Twee?

‘Ja, die tweede ben jij natuurlijk’, zei Cavia toen ik het hen vertelde. ‘Zoals je binnenvétters hebt, heb je ook binnenvlíégers. En jij bent een binnenvlieger. Diep van binnen ben je een paradijsvogel.’

Ik ben zo blij dat die weer terug is, Cavia!

p.s. De foto is van Wikimedia Commons.

Broeierig

‘Simone straalde echt iets broeierigs uit!’ zei de vrouw die voor mij liep nogal verstaanbaar tegen iemand in haar oortjes. Ze deed me om een of andere reden denken aan Jeanette op wie ik in de brugklas ooit heel erg maar onopgemerkt verliefd was. Ze bewoog driftig met haar armen. De vrouw voor me, bedoel ik.

Dat laatste begreep ik niet goed. Dat wil zeggen, ik kon die bewegingen niet rijmen met wat ze zei. Maar goed, welke armgebaar hoort er wel bij zo’n stelling?

Dit is een retorische vraag.

Ze ging verder: ‘Who the fuck zegt nou zoiets?’

Ah, verbazing! Leek mij. Laat ik het daar maar op houden. Of misschien was het verontwaardiging.

Was zíj misschien Simone? En had iemand dat over haar gezegd? Dat betwijfelde ik. Ze vertelde het verhaal alsof ze er getuige van was geweest. Alsof ze in een gezelschap had gezeten waarvan iemand dat opeens van Simone had gezegd.

Misschien was Simone een van de kandidaten bij een sollicitatie geweest? En zat de vrouw die voor mij liep in de commissie die de beste moest kiezen? Of, soortgelijke situatie, was de vrouw voor mij lid van een ballotagecommissie van een studentenhuis en was die Simone komen kennismaken?

Trouwens, wat is dat, iets broeierigs uitstralen? Wát was er te zien toen Simone dat deed? Ik wilde context, om het eens modern te zeggen.

Nieuwsgierigheid is een mooie eigenschap, maar nu brak het me toch op. Ik wilde heel graag aan de vrouw voor mij vragen wat er precies was gebeurd. Maar zoiets doe je niet natuurlijk. Ik in ieder geval niet. Zeker in dit geval niet. Ze was al verontwaardigd genoeg. En laten we eerlijk zijn, het ging niet om iets waar je het zomaar eens met een voorbijganger over gaat hebben.

Ze ging verder met haar verhaal en zei dat die bepaalde uitstraling er niet toe deed. Dat was privé. Een mens mag uitstralen wat hij/zij/hen wil.

Dat ben ik met haar eens. En niet om politiek correct te zijn. Ik vind het echt. Niet gehinderd door kennis van zaken, overigens. Ik weet namelijk nooit wat ik zelf uitstraal en ik begrijp zelden wat anderen uitstralen. Heel onhandig in het sociale verkeer, kan ik u vertellen.

Ik zette de pas erin om van de kwestie af te zijn. Ik kan behoorlijk aanpoten, al zeg ik het zelf, dus hoorde al snel niets meer van het telefoongesprek. Ik kreeg het wel warm. Toch maar weer iets langzamer lopen. Maar wat nou als ze me zou inhalen?

Eek!

Om niet helemaal gek te worden, stopte ik even om hele harde muziek uit te kiezen en mijn oortjes te zoeken. Maar ik kan nooit iets vinden in mijn tas en ben zodoende altijd bang dat ik van alles kwijt ben, zeker in dreigende situaties als deze, en raakte dus in paniek waardoor ik de vrouw vergat tot ik inderdaad weer door haar werd ingehaald. Net toen ik zwetend het doosje van mijn oortjes op de bodem van mijn tas voelde.

Te laat.

‘Ja, als ze nou een hele blote jurk had gedragen of zo…’ zei de vrouw (terwijl ik de oortjes in mijn hoofd probeerde te proppen).

Ja, wat dan, vroeg ik me af. Staat de uitstraling dan buiten kijf? Hmm… bij zulk uiterlijk vertoon gaat het niet meer om uitstralen maar eerder om uitróépen. Of uitschrééuwen.

Toch?

Er drongen zich meteen nog meer vragen aan mij op: wat is eigenlijk het verschil tussen uitroepen en uitschreeuwen? Uitroepen, dat doe je van vreugde, leek me, en uitschreeuwen doe je in wanhoop. Dat bracht me niet veel verder. Ik probeerde heel erg de verschillen niet voor me te zien. Dat hoefde ook eigenlijk niet, want Simone was zo helemaal niet, had de vrouw gezegd.

Gelukkig. Het was allemaal al ingewikkeld genoeg. Ik ook altijd met mijn gedenk.

Die verzuchting had ik als een waarschuwing moeten zien. Het is meestal namelijk een voorteken van een mentale toestand waarin ik stukje bij beetje minder en minder van de wereld om mij heen waarneem om vervolgens met een roerloze blik voor mij uit te staren. Terwijl ik denk.

Het kan geen kwaad, maar het is wel een beetje ongemakkelijk.

Eerst voor de omstanders, later ook voor mij, als tot me is doorgedrongen dat het weer eens zover was.

Meestal kom ik vanzelf weer bij zinnen, maar nu kwam het doordat ik schrok. Die vrouw stond opeens een paar meter verderop naar mij te kijken. Nog steeds in gesprek.

‘Wacht even, Jeanette, we doen het helemaal anders,’ zei ze. ‘We zetten alles in de eerste persoon, ja: ik-zinnen, en dan maken we van de hoofdpersoon een man. Heb je dat?’ Ze luisterde en knikte. ‘En dan begint het verhaal met dezelfde zin, maar dan gehoord door die man, die toevallig achter mij loopt…’

‘Hè? Ja, in het echt ook, maar nu niet meer.’ Ze liep weg terwijl ze verder praatte. ‘Hij stond te slaapwandelen of zo. Maar nou is hij weer wakker geloof ik. Echt raar…’

Nou moe, ben ik in het blog van een ander terecht gekomen.

p.s. de foto is van Wikimedia Commons

Verward

Toen ik afgelopen donderdag van mijn werk naar huis liep, lag er op de hoek van de straat een man voor de bloemenwinkel, te midden van vijf omgevallen coniferen, alsof hij en de bomen omver waren gewaaid door een valwind. Zoiets bestaat, had ik in de krant gelezen. De foto bij het artikel leek precies op de puinhoop voor de bloemenwinkel.

De man van de viswinkel die soms ook bijspringt in de bloemenwinkel stond voorovergebogen naast de man op de grond. Ja, een vreemde combinatie van baantjes, visboer en bloemenman, maar wel een pragmatische, aangezien de viswinkel tegenover de bloemenwinkel is. Ik weet niet hoe hij heet, maar ik noem hem voor dit verhaal Youssef. 

‘Hij is een beetje in de war, denk ik’, zei Youssef tegen mij. Hoewel ik nog maar net aan kwam lopen, vond ik dat wel een houdbare veronderstelling, want het leek me sterk dat de man de ravage bij zijn volle verstand had aangericht. Ik zag in ieder geval niet meteen een wel doordacht plan. 

Youssef en ik keken elkaar aan en besloten, zonder verder iets te zeggen, de man van de grond te trekken. 

Dat viel niet mee. De man wilde eerst blijven liggen en toen hij na ons zachte aandringen tenslotte overeind was gekomen wilde hij niet bewegen, laat staan naar het bankje lopen dat naast de bloemenwinkel tegen het huis van de buren stond. 

Intussen probeerde ik te verstaan wat de man zei, want hij mompelde allerlei zinnetjes van twee, drie woorden waarna hij ons gehinderd, bozig aankeek omdat wij geen antwoord gaven. Dat kwam doordat wij er helemaal niets van begrepen. Youssef en ik spraken gewoon in het Nederlands terug, want we moesten toch wat. Altijd blijven communiceren, heb ik geleerd.

We probeerden we de man voorzichtig naar achteren te duwen, want hij moest echt zitten, dat was wel duidelijk. Telkens als wij hem loslieten, moesten we hem snel weer bij zijn armen grijpen om te voorkomen dat hij viel.

Dan werd hij boos en probeerde hij zich los te wringen. Straks maait hij mij net als die coniferen omver alsof het niks is, dacht ik. (Hm… Ik wil niet de hele tijd zielig doen over mijn linker arm, maar sinds die niks meer doet, heb ik nog steeds geen nieuw evenwicht gevonden. Hij hangt maar een beetje langs mijn lijf en is In de vreemdste situaties opeens 5 kg dood gewicht waar ik me telkens weer door laat verrassen.)

De vrouw van de bloemenwinkel kwam naar buiten en zei: ‘Oh, wacht ik haal m’n baas wel even, die kent hem.’ 

Youssef en ik keken elkaar aan (opgelucht) en duwden de man monter als twee verplegers nog eens in de richting van het bankje. Hij werd weer boos en schold ons uit, Youssef voor moslim en mij voor Karl Marx. Dat had ik weer, soms lijkt die baard wel de enige eigenschap die ik heb. 

‘Nee,’ zei Youssef, ‘ik ben een mens. Gewoon een mens!’

Goed antwoord. Een ijzersterk antwoord zelfs. Maar daarmee had hij de lat wel hoog gelegd. Wat moest ik nou zeggen? 

‘Bakoenin. Scheld me liever uit voor Bakoenin. Die had ook een baard, maar schreef zinniger dingen dan Marx.’ 

Waarom moet ik toch altijd zo bijdehand doen? Het zou niet de eerste keer zijn dat ik een klap voor mijn kanis krijg omdat ik mijn eigenwijze mond niet kan houden. Maar nu had ik het kennelijk precies goed, want de man grinnikte. 

Ik ben pas echt vrij als alle mensen vrij zijn,’ zei ik. Mijn favoriete Bakoenincitaat (als ik eenmaal bijdehand doe, ben ik niet meer te houden). De man lachte weer en wilde mij in zijn armen sluiten. Maar Youssef dacht dat hij mij te lijf wilde gaan en trok me weg waardoor de man voorover op de grond viel.

Toen verscheen plotseling de baas van de bloemenwinkel naast ons. Hij bekeek de man op de grond en zei laconiek: ‘Wil je koffie Volodja?’ En tegen ons: ‘Hij is Rússisch!’ Alsof dat de hele situatie in één klap verklaarde. In ieder geval misschien dat de man mij met Marx vergeleek. En dat hij misschien niet verward maar dronken was. Ja, vooroordeel, maar hij rook wel erg naar drank. 

Dacht ik.

Opeens. 

Hoe dan ook, de man dronk koffie terwijl hij op de grond zat, liet zich daarna alsnog door Youssef en mij naar het bankje brengen (terwijl de bloemenbaas ons stap voor stap in de goede richting coachte) en dronk daar nog een kop koffie terwijl wij, de omstanders, in de ongemakkelijke sfeer terecht kwamen die ook wel eens ontstaat aan het eind van een feestje, als niemand een aanleiding kan vinden om de boel definitief op te breken. Ik kan me ook niet meer herinneren hoe we uit elkaar gingen.

Toen ik de volgende dag weer langs de bloemenwinkel liep, kwam de vrouw naar buiten.

‘Meneer!’ riep ze, ‘ik heb iets voor u!’ Ze verdween in de winkel en niet veel later zette ze een conifeer voor mijn voeten. ‘Van Volodja, voor u!’

‘Voor mij?’

‘Ja, “voor Bakoenin”, zei Volodja. Hij heeft zelf de andere vier meegenomen.’ Ze lachte.

‘Wat was er nou eigenlijk met hem aan de hand?’ vroeg ik.

‘Hij heeft in Rusland gevangen gezeten. En daar heeft hij iets opgelopen, iets in zijn hoofd, hersenletsel. En soms is hij dan even helemaal de weg kwijt.’

De vrouw keek me aan: ‘Heet u écht Bakoenin?’

‘Nee,’ antwoordde ik. Daarna pakte ik het boompje bij de stam en droeg ik het naar huis.