De man die mij samen met een vrouw tegemoetkwam, zei toen ze langs me liepen: ‘Met name zevenblad, want dat is zo’n beetje het ergste onkruid dat er is’.
Verbolgen.
Op zo’n toon van: ben ik nou de enige die dat begrijpt?
De vrouw beaamde zijn stelling: ‘Inderdaad, ja.’
Hm…
Een typische Bob den Uyl-zin. Voor wie het niet weet of is vergeten, hier nog even de definitie: Een Bob den Uyl-zin is een zin die je ergens op straat of in een café of Joost mag weten waar hoort en waar je dan de hele godvergeten dag over blijft peinzen. Een hele zin dus; geen los woord of een flard, en ook niet een paar zinnen achter elkaar, nee, een hele alleenstaande zin, die net te weinig informatie bevat om meteen te begrijpen waar het over gaat, maar ook weer net teveel om hem te vergeten.
Ja, ja, de oplettende lezer heeft opgemerkt dat ik de definitie al meteen heb opgerekt, want wat ik hoorde was eigenlijk een Bob den Uyl-dialoog.
Een kniesoor die daar op let.
Goed.
Zevenblad, dus.
Ik heb dat even opgezocht, want ik ben niet zo heel erg botanisch aangelegd (en dat wil ik eigenlijk ook zo houden, want dat is écht niet sexy; een stelling die ik met weerzin onderbouw door de all terrain-sandalen van de man te noemen (nu ziet u ze ook voor u), en zijn volslagen wanhopige happy socks).
Zevenblad kan dan onkruid zijn, het is ook eetbaar. Te bereiden als spinazie. Zomaar gratis uit de berm te plukken. Dan vind ik onkruid een onaardige naam. Zeker in de combinatie met ’Zevenblad’, wat ik nogal dreigend vindklinken, vraag me niet waarom. Maar het lijkt me dus wel echt typisch dat de man deze naam koos terwijl dezelfde plant ook wel tuinmansverdriet heet. Ja, dat is dan weer een beetje droevig, maar wel veel poëtischer. Ik zie die tuinman daar staan, naast die planten, met de tranen in zijn ogen. En dan niet omdat hij er niet tegenop kan wieden, maar omdat zijn geliefde die hem verlaten heeft het onkruid altijd opwaardeerde tot bloemen en als het maar even kon er een paar boeketten van in huis zette. Tot ze ervandoorging dus. Niet alleen omdat haar man de planten het liefst wegschoffelde voordat zij ze kon plukken, maar ook, en vooral ook, omdat haar man kennelijk vergeten was dat ze ook in haar bruidsboeket een paar takken zevenblad had laten steken. Háár verdriet (vrouw-van-de-tuinmans-verdriet) was dat die verwijzing telkens aan hem ontging.
Terug naar die man die langs mij liep. Of nee, liever terug naar die vrouw die hem gelijk gaf. Bij nader inzien vond ik dat laf. Dat wil zeggen, het klonk laf, alsof ze geen zin had om hem tegen te spreken. Ze kende hem nu eenmaal, wat Zevenblad betrof was hij niet te vermurwen.
Dus: ’inderdaad, ja.’
Voor je het wist, ontstak hij in woede en stortte hij drie volle colleges over ’Onkruid in West-Europa en in Nederland en België in het bijzonder’ over je uit. Hij was namelijk professor, dat kon niet missen. Hij had de air van iemand die heel veel weet van weinig. Op zijn 18e was hij dit rabbit hole ingekropen en er daarna alleen nog maar uitgekomen om te vertellen wat hij allemaal wist.
Bijzonder hoogleraar wieden, in Wageningen.
En zij?
Eerst kwam ik alleen op klassieke rolverdelingen; hij professor, en zij een laboratoriumassistente. Of zoiets. Ja, schandelijk traditioneel, het spijt me. Daarna bedacht ik dat ze alle twee Wetenschapper waren. Hij professor in het onkruid en zij professor in de kruiden (hm, nog steeds niet zo origineel, maar ik schrijf gewoon wat in me opkomt, dat is voor mij het leukst). En misschien waren ze de contouren van hun vakgebieden aan het bepalen om te voorkomen dat ze heibel kregen over grensgevallen. Ze had hem gewoon gelijk gegeven om er vanaf te zijn. Dat Zevenblad geef ik hem, had ze gedacht, met alle twijfelachtige planten waarover ze nog moesten bakkeleien in het achterhoofd.
Uitgekookt! slim!
En de man had het niet in de gaten, ik hoorde hem achter mij doorzeveren over hij het halsstarrige Zevenblad dat uit geen tuin te verjagen was. Hij wilde nog meer gelijk.
Omdat we kennelijk het zelfde rondje liepen kwam ik hen later weer tegen. Ze hadden het nog steeds over Zevenblad.
De vrouw glinlachte en zei: ’toch vind ik het best een mooie plant.’ De man bleef staan en keek haar aan. In afgrijzen. ’Ja, het kan een boeket droogbloemen echt helemaal opfleuren!’
Categorie archief: Mensen
Het gras, de boom, of hoe de lockdown toch nog goed kwam
Op de eerste mooie ochtend van het jaar, na een armoedige stuiptrekking van de winter, wat natte sneeuw en een paar nachten vorst aan de grond, stond de vrouw juist voor het raam toen de zon tussen twee wolken door een monter bundeltje licht de tuin instraalde. Het was niet veel, maar genoeg om met gesloten ogen te wachten tot de warmte weer van haar gezicht vloeide.
Toen ze haar ogen weer opende, zag ze het gras. Of liever, wat er van over was.
‘Zullen we in de lente eindelijk eens iets aan de tuin doen?’ vroeg ze. Haar vrouw antwoordde niet. ‘Of dan in ieder geval het gras…’
‘Huh?’
‘Het gras!’
‘Wat is er met het gras?’
‘Dat ziet er niet uit. Er zitten overal kale plekken.’
Haar vrouw stond op en kwam naast haar staan. ‘Waar dan?’
‘Tss, daar! En daar, en daar…’ Ze wees de plekken aan.
‘Oh, dat. Dat groeit vanzelf weer dicht.’
‘Dat zei je vorig jaar ook. En toen bleef er dus over wat nu hebben… we moeten bijzaaien, denk ik.’ Ze zwegen en keken naar buiten. ‘Er zijn vast wel YouTube filmpjes van.’
Die waren er.
Tientallen.
En onder ieder filmpje weer tientallen vragen en antwoorden. En discussies. Scheldpartijen.
De meningen waren verdeeld, maar dat je niet zomaar even een paar kale plekken in je gazonnetje kon pimpen, dat was wel duidelijk. Het was een soort project. Een plan van aanpak moest je hebben.
Na twee-en-een-half uur, achttien filmpjes en 172 ‘openbare reacties’ wisten ze min of meer hoe ze het veld kon repareren. Ze keken elkaar aan en zeiden: ‘Ooh… dóórzaaien!’
Een raar woord vonden ze. Maar niet zo raar als ‘herstelzaad’.
‘Stel je voor dat wij ook zoiets zouden hebben, wij mensen. De mannen dan. Herstelzaad. Klinkt handig, toch?’
‘Nee dan die verticuteerschoenen!’ Een reuzenschoen met spijkerzolen om over je gras lopen. Om er lucht in te brengen.
‘Mag ik dat doen?’
‘Nee, ik!’
‘Volgens mij is vanmiddag het tuincentrum open!’
Maar die middag kwam het toch niet uit, en de hele week daarna ook niet, en toen kwam de lockdown. En werd het tuincentrum ook het centrum van de wereld. Iedereen was er, en iedereen moest zijn grasveld herstellen. Verticuteren. Kalk geven. Bemesten. Doorzaaien. Afstrooien (dat vonden zij bij nader inzien het mooiste woord uit het hele gazonjargon).
Dus alles was op. Op één zak na, die ze zonder verder te aarzelen meetroonden naar de kassa, dat wil zeggen, naar de rij vóór de kassa. Terwijl ze wachtten en rondkeken, vertelden ze elkaar het verhaal dat ze ooit aan hun kinderen zouden vertellen. Die zouden er niets van geloven.
Thuis gooiden ze de zak op het grasveld om toen pas te zien wat ze hadden gekocht.
Gazongrond. Wat wel fijn klonk, maar verder nutteloos was gezien de staat van hun grasveld.
‘Hadden ze eigenlijk nog tegels?’ vroeg ze tegelijk aan elkaar.
Dat wisten ze niet. Daar hadden ze ook niet naar gezocht. En ze waren ze ook niet van plan naar tegels te gaan zoeken.
Ze gingen naar binnen.
Een paar dagen later begon er een genadeloze droogte, die een paar weken aanhield, waardoor de plastic zak, die nog steeds op het midden van het grasveld lag, verweerde en poreus werd, zodat de inhoud zich tijdens de regenbuien die volgden gulzig volzoog tot de zak bol ging staan als een pas opgeschud kussen, dat tijdens een onweersbui door de bliksem werd getroffen en zacht openbarstte, om een bergje aarde achter te laten, waar de volgende dag al meteen een stengel met blaadjes uit ontkiemde, blaadjes die zo teder waren dat de vrouwen er wel om konden huilen, zo blij werden ze ervan, wat nog maar het begin was, want de scheut groeide in een paar weken uit tot een overweldigende boom die ademloos ontzag wekte bij alle mensen die langsliepen en waar zomers kinderen onder kwamen staan omdat er ijsjes aan groeiden die rijpten en loslieten als je liedjes voor de boom zong, wat zo ongeveer het mooiste geluid is om bij te ontwaken, vonden de vrouwen, die er natuurlijk geen moment aan dachten om ooit nog een grasveldje aan te leggen, laat staan een betegeld plaatsje, zeker niet omdat de boom in de herfst eetbare blaadjes liet vallen waar ze thee van zetten waar ze een soort high van werden, in ieder geval heel vrolijk en zorgeloos, vaak tot ver in de winter, wanneer de boom uitrustte en zich opmaakte voor de lente en zijn bloesem, die zo lekker rook, dat telkens als de vrouwen die inademden ze beter begrepen waarom het leven zin had.
En ze leefden nog lang en gelukkig.
(Die verticuteerschoenen kochten ze toch, gewoon voor de lol, en later omdat hun kinderen dan van het lachen bijna uit hun boomhut tuimelden. Wat natuurlijk niet gebeurde, want de boom hield ze dan tegen.)
Pak

Goed, als het 32 graden in de schaduw is en de uitverkoop zwetend uit zijn voegen barst, moet je ‘s zondags niet op de herenafdeling van de Zara zijn. Zeker niet met je vriendin en een ternauwernood gedempte ruzie die handenwrijvend naast je blijft staan als je het jasje aantrekt dat zij (de vriendin) ergens uit een rek heeft getrokken.
‘Het zit wel lekker,’ zegt hij.
Om de stemming te breken.
‘Ja, dat zal wel,’ zegt zij, ‘het is te groot. Dat staat voor geen meter.’
Eigenlijk wil hij helemaal geen pak aan. Maar er is altijd wel een of andere gelegenheid waarvoor dat moet, de bruiloft van een bevriend stel ofzo, en daar moeten ze heen, en hij heeft dus niks wat een beetje netjes is.
Vindt zij.
Sjiek hoeft niet, gewoon een beetje netjes.
Een pak.
‘Een pak is wél sjiek,’ zegt hij.
‘Nee, een smoking is sjiek. Een pak is gewoon netjes,’ zegt zij.
‘Wat is een smoking?’
‘Dat doet er niet toe, die hebben ze hier toch niet. En dat zou echt helemaal nergens op slaan… in een smoking naar een bruiloft.‘ Ze bekijkt hem nog eens. ‘Ga nou eens recht staan.’
‘Ik sta toch recht?!’
De ruzie gniffelt en trekt aan de rechtermouw van de jongen.
‘Ik kijk even of ze een maat kleiner hebben.’
De jongen bekijkt zichzelf in de spiegel en strekt zijn armen zodat de rest van zijn handen tevoorschijn komen. ‘Volgens mij is dit prima,’ zegt hij. Tegen zichzelf. Hij kijkt rond. De vrouw loopt langs de rekken, drie nieuwe jasjes onder haar arm geklemd. ‘Geen zwart, Es!’ roept hij.
Es. Kort voor Esther. Of Esmée.
Hoe dan ook, ze loopt door. De jongen wacht. Bekijkt en bevoelt verveeld een stropdas.
‘Ga je een das dragen? vraagt Es. Ze staat opeens achter de hem. Hij schrikt. ‘Staat je altijd goed.’ Hij schudt zijn hoofd.
‘Dat is zo benauwd.’
De ruzie laat een van de stropdassen eens even verlokkelijk glanzen. Es tilt hem met haar vrije hand verder in het licht. ‘Deze is best mooi.‘
‘Ik wil echt geen das om.’
Ze laat de das los en duwt het bovenste jasje in de handen van de jongen. ‘Probeer deze eens.’
‘Dit is een hele andere. Dit is zwart…’
‘Ja, dat zie ik ook. Deze is alleen om te zien of de maat goed is.’
‘De stof prikt in m’n nek.’
Es zucht. ‘Het gaat alleen om de maat!’ Ze laat haar blik van boven naar beneden gaan en weer terug. ‘Doe je bovenste knoop eens dicht, en dan je armen naar voren.’ Dat doet hij. ‘Nee, alleen de bovenste knoop.’
‘waarom?’
‘Dat hoort zo.’
‘Waarom zitten er dan twee aan?’
‘Goeie vraag,’ zegt de ruzie.
Zij haalt haar schouders op. ‘Is dat nú belangrijk?‘
‘Nee…’
‘Doe je armen maar weer omlaag…’ Ze zucht weer. ‘Ga nou eens gewóón staan!’
‘Ik sta toch gewoon?’
‘Dit is beter,’ zegt Es, meer tegen zichzelf dan tegen de jongen. Ze hangt de andere jasjes terug in een rek. ‘Wacht hier even, dan zoek ik er de goede broek bij.’
‘Dan wordt het een pak! We zouden alleen een jasje zoeken. Ik wil geen pak…. En ook geen zwart!’
Tien minuten later stapt hij een pashokje uit en gaat hij in het midden van het pad staan: pak, overhemd, das… The works. Es staat met haar rug naar hem toe, strijkt met haar hand langs een satijnen jurk die iemand heeft laten hangen.
‘Es…,’ fluistert hij. Ze draait zich om, kijkt en houdt haar adem in. De ruzie zet zich schrap.
‘Fuck!’, zegt ze tenslotte, ‘je bent opeens net papa…’
‘Ja! Snap je nou waarom ik geen pak aan wil?’ Ze knikt. ‘Mama zou zich kapot schrikken als ik haar zo naar het altaar zou brengen.’
‘Kom, trek alles maar uit, dan zoeken we een mooie pantalon met een trui of zo.’
De jongen verdwijnt weer in het hokje en zij gaat op een krukje zitten, handen in haar schoot.
‘Warm hè?’ zegt de ruzie, die tegenover haar is gaan zitten. Ze veegt het zweet uit haar wenkbrauwen.
‘Thieu,’ roept ze naar het pashokje, ‘laten we maar naar huis gaan.’
Zwemmer
Toen ik afgelopen zondag over het jaagpad langs de Krommerijn van Bunnik naar Utrecht liep, kwam me halverwege Amelisweerd een zwemmer tegemoet.
Hij was helemaal bloot. Dat kon ik door het troebele water nauwelijks zien, maar ik wist het toch omdat ik hem kort daarvoor een eindje verderop in het gras naast zijn hoopje kleren had zien staan.
Een beetje zielig.
Zowel de man als zijn hoopje kleren.
Vond ik.
Ik probeerde heel hard niet meteen te denken dat hij een verward persoon was, iemand ‘met een psychische kwetsbaarheid’.
(Wie zou die laffe eufemismen verzinnen, trouwens? En zou die lafaard niet begrijpen dat zo’n rad voor ogen averechts werkt? Als ik ‘zo gek als een prei’ was, dan zou ik echt pissed zijn als iemand me in een of andere vage verzameling van mensen met [vul hier een eufemisme in] zou wegzetten. Want dan was ik meteen mijn eigen hele persoonlijke geestesgesteldheid kwijt.)
Maar goed, terug naar die man. Die ik een beetje zielig vond. Die naakt op de oever van de Krommerijn had gestaan en die niet echt de houding had van een man met onhoudbare levenslust en minachting voor het noodlot, die slome wandelaars zoals mij uitlacht om hun nietige bestaantjes. Nee, de man was geen hedendaagse vitalist die op het punt stond om weer een uitdaging van zijn bucket list te schrappen. Hij leek eerder deemoedig, als iemand die zichzelf een straf heeft gegeven.
Met de schoolslag.
Dat viel me tegen, niet dat die man zichzelf strafte, maar dat hij de schoolslag zwom. En het leek me ook nogal dom. Ik bedoel, als je op een kille en bewolkte zondagmorgen tegen de stroom in een heuse rivier te lijf gaat, dan kom je met de schoolslag niet ver, psychologisch gezien. Het water lacht je schaterend uit voor je je eerste slag hebt afgemaakt. De schoolslag is voor bangerikken.
(Wat me aan de enige keer dat ik mijn oma zag zwemmen deed denken, die was namelijk ook bang, dat haar gepermanente krullen nat zouden worden, zodat ze terwijl ze voorzichtig door het water bewoog (het was géén zwemmen) haar nek uitstak, als een stokstaartje dat voor z’n A-diploma opgaat.)
Maar dat hoorde er misschien wel bij (ik heb het nu weer over de man met z’n schoolslag), want de man onderging de hoon over zijn schichtige schoolslag alsof het zijn verdiende loon was.
De zwemtocht was een boetedoening, dat was me nu wel duidelijk. De een loopt naar Santiago de Compostella en de ander zwemt in de Krommerijn naar Bunnik. Of Wijk bij Duurstede.
En weer terug. Want zijn kleren lagen immers op de walkant in Amelisweerd inclusief een deprimerend armoedige theedoek waarmee hij zich zou gaan afdrogen. Zielig kan nog zieliger, dacht ik, toen ik er langs liep.
‘Nog zieliger!’ riep de wind en hij blies de theedoek van het hoopje.
Ik erachteraan.
Nu moet u weten dat ik tegen dingen praat. Ik weet niet waarom, maar ik doe het. Ik voer complete conversaties met wat ook maar. Ik heb een vaag vermoeden dat het beter voor mijn gemoedsrust is.
‘Hé,stomme theedoek!’ riep ik, terwijl de doek zich dansend in de wind ontvouwde. Dat was een mooi gezicht, maar ik had niet zoveel tijd om ervan te genieten, want hardlopen over een hobbelig paadje met een plotseling loodzware bungelende linkerarm, die telkens precies de andere kant op wilde, ging eigenlijk niet. Wat ik dan wel weer grappig vond (omdat ik mezelf daar zag wankelen achter die stomme theedoek aan).
‘Kom terug!’ Dat klonk hulpeloos en galmde bovendien naargeestig over het water het bos in.
Ik was inmiddels weer in de buurt van de man. Die keek om, precies op het moment dat ik zijn theedoek uit de lucht greep.
‘Hé, blijf van mijn theedoek af!’ riep hij. Dat was niet de reactie die ik verwacht had.
‘Hij vloog weg,’ antwoordde ik.
‘Ja hoor, een vliegende theedoek. Moet ik dat geloven?’ Ik haalde mijn schouders op. De man watertrappelde en inspecteerde mij. ‘Ben je wel helemaal 100? Imbeciel! Met je rare armpje’.
Imbeciel, dacht ik, dat woord hoor je niet vaak meer.
‘Ben je doof of zo? Hé! Kapitein Haak! Leg die doek terug!’
Ik knikte en keerde om, terwijl de man bleef schelden.
Nee, geen boetvaardige man die van zich zelf voor straf naar Wijk bij Duurstede moest zwemmen, leek mij. Ook geen persoon met een psychische kwetsbaarheid. Met een kort lontje, dat misschien wel.
p.s. Mijn motto, of eigenlijk dat van mijn moeder, of tenminste één van haar motto’s, iets wat ze me vaak zei toen ik klein was, is dat het leven niks is als je je niks verbeeldt. Mijn interpretatie daarvan is dat je er af en toe iets moet bijverzinnen. Dus voor de goede orde: die man zwom daar echt, en zijn kleren lagen echt op een hoopje aan de oever, lullig theedoekje bovenop. En dat theedoekje waaide echt weg, maar ik wist het meteen te pakken, nog voor het zich in de wind kon ontvouwen, en legde het terug met een mooie zwerfkei erbovenop.
Hoe saai is dat?
Dus vandaar.
Alleen
Robert ten Brink van All you need is love heeft als motto voor zijn programma ‘Niemand mag met Kerst alleen zijn’.
Wel ja, ga er maar aanstaan.
Niemand!
Nou, ik kan u vertellen, dat is hem dit jaar niet gelukt. Toen ik zijn voornemen las, dacht ik bij mezelf, dat zullen we nog wel eens zien! Ik ben deze blog om half acht kerstavond, begonnen, en ik had toen sinds kerstochtend alleen mijn moeder gesproken. Aan de telefoon. Maar dat doe ik iedere dag. Dus dat telt eigenlijk niet. En ik heb een meneer gedag gezegd op straat, maar dat vind ik eigenlijk ook niet tellen, het duurde niet langer dan een seconde.
Inmiddels is de tweede kerstdag zowat voorbij en het zou me verbazen als hij straks nog bij me aanbelt. Robert ten Brink bedoel ik. Maar mocht hij zo vastberaden en hardnekkig zijn, dan doe ik lekker niet open. Ik vind alleen namelijk wel fijn. En Robert ten Brink vind ik eng.
Hoezo mag niemand alleen zijn? Dat is behalve een opschepperige overschatting ook een nogal aanmatigende moraal. Kennelijk ben je sneu en te betreuren als er niemand is om kerst mee te vieren. Maar ik vind kerst al geeneens een leuk feest. Dat is dan natuurlijk helemaal een gotspe.
En dan die titel van dat programma… Een nog grotere overschatting, en een behoorlijk naïeve bovendien.
Eh… All you need is love? Ik denk het niet. Ja, in 1967 leek het er misschien een beetje op, toen de Beatles het zongen, maar ik zou mij daar niet veel van voorstellen. Die jongens hadden het op een gegeven moment ook wel gehad met liefhebben en dan wilden ze ook gewoon een hapje eten.
Terug naar het onderschatte alleen zijn. Niet te verwarren met eenzaamheid. Korte definities om ze uit elkaar te houden: Iemand is alleen als hij/zij zonder anderen is (letterlijk of figuurlijk), en eenzaam als hij/zij dat niet leuk vindt.
Als u andere definities wilt, pas dan op met googelen, want het internet is vergeven van de sites over eenzaamheid. Het is booming business. Op de sites staan tips om er vanaf te komen. Dat is natuurlijk raar. Ik bedoel, stel dat ik me wél eenzaam voel, ga ik dan op een site zoeken wat ik er aan kan doen? Ik denk het niet.
Ik ben voor gein toch eens op zo’n site gaan kijken en werd er helemaal chagrijnig van. Allemaal vrolijke mensen die het kennelijk al achter de rug hadden en dat samen vierden. In your face! Als ik eenzaam was, zou ik meteen naar een andere site klikken.
Op een van de sites las ik dat er ook eenzaamheidsambassadeurs zijn. Die trekken het land door, in tegenstelling tot wat je op grond van hun titel zou denken, om eenzaamheid te bestríjden.
(Ja, toen ik die titel las, snapte ik ook wel wat ze ermee bedoelen, maar je kunt ook het tegenovergestelde begrijpen en dat vond ik dan weer veel grappiger; functionarissen die overal in het land eenzaamheid propageren en dan met kerst aanbellen om te checken of u niet toevallig midden in een gezellig samenzijn zit. En daar dan een avondvullende show over met achtergrondreportages over mensen die blij verkondigen dat ze eindelijk verlost zijn.)
De ambassadeurs gaan voor ‘lokale aanpakken’. Ze denken bijvoorbeeld aan ‘supermarkten die tekenen van eenzaamheid opvangen’.
Eek!
Ik moet gaan oppassen, want ik val zo onderhand precies in de doelgroep en voor ik het weet hebben ze me gevonden. Een gescheiden man van boven de 60 met een zielige arm (een ‘verlieservaring’ van jewelste waardoor ik ook nog eens ‘in mijn mobiliteit beperkt’ ben) met een hang naar alleen zijn, die ‘vormt’ natuurlijk een kolossaal teken van eenzaamheid.
Ik zie de winkeliers bij mij in de Kanaalstraat allemaal al bellen naar een meldpunt, of mij in de groep gooien bij een of ander ‘digitaal signaleringsnetwerk’, zodat een ‘lokale coalitie’ bij mij thuis de geraniums in beslag kan nemen. Of misschien komt minister de Jonge (politieke evenknie van Robert ten Brink) dat zelf wel doen, met camera’s erbij zodat-ie triomfantelijk over zijn mooie werk kan vloggen.
Ik denk dat ik voortaan de rest van het jaar net doe of het Kerstmis is.
Dalem
Op de dijk bij Dalem zat ik naar de overkant van de Waal te kijken (naar Woudrichem, alias Woerkum) terwijl er een vrouw uit een brandgang tussen de huisjes schuin achter mij verscheen om traag maar kordaat over een bestraat paadje de dijk te beklimmen, regelrecht naar het bankje waar ik op zat.
Welja.
Toen ze me op twee meter genaderd was, bleef ze staan en zei ze: ‘zo, nu even genieten’, op een soort dreigende toon, alsof ik het haar zou misgunnen, beletten, of zelfs verbieden. Ze liep door en ging pontificaal aan het andere eind van de bank zitten.
‘Hopla!’
Dat zei ze.
Triomfantelijk.
Echt!
Noem me paranoïde, maar zulke mensen wekken bij mij grote argwaan. Wie hardop mededeelt dat hij/zij gaat genieten kan ik al moeilijk serieus nemen, maar mensen die daar dan ook nog eens een punt van willen maken al helemaal.
Genieten, dat moet in stilte. Ja, ik weet ook wel dat er luidruchtig genot bestaat, maar ik bedoel ‘in stilte’ figuurlijk, als een ander woord voor introvert.
Of zoiets.
Genot, dat is een innerlijke bezigheid, wil ik maar zeggen. Een ander hoeft daar niets van te merken. Laat staan horen of zien.
Eek!
Als het aan mij lag, gebeurde een hele hoop dingen in stilte en verborgen, want iedereen deelt tegenwoordig alles maar en een mens kan tegenwoordig niks meer voor zijn eigen bewaren. En andersom kan ik nergens komen zonder dat ik de hele ziel en zaligheid van anderen moet dulden en zien te vergeten – wat moet ik er anders mee? Maar ik heb het niet voor het zeggen en mij vragen ze dus niks.
Eh… Voorlopig pleit ik voor geruisloos genieten. Sterker nog, ik vind dat iedere andere soort ‘genieten’ geen genieten mag heten.
Zo blijft het tenminste een beetje exclusief. Want toen die vrouw met al haar misbaar naast me kwam zitten, wás ik dus al aan het genieten. Alleen dat wist ik niet. Het gebeurde zonder dat ik er erg in had.
Beter kan niet.
Maar zodra die vrouw haar genieten zo publiekelijk aankondigde, besefte ik mijn eigen genot en was meteen de lol eraf. Als ik door heb dat ik geniet, verdampt mijn plezier waar ik bij sta/zit.
Ik had veel zin om haar van de bank te duwen en dan heel hard verder te fietsen, maar zoiets mislukt natuurlijk en ik had weinig zin in een jammerlijke aanslag op een wildvreemde vrouw en/of een hysterische fietstocht op de vlucht voor haar familie, die natuurlijk voor minstens de helft uit motorrijders zou blijken te bestaan.
Vertel mij wat.
Dus ik berustte in haar en haar verlekkerd aanschouwen van de uiterwaarden.
Dat hielp niet veel, want alsof het allemaal al niet erg genoeg was, moest ik nu ook aan mijn overbuurman denken, die na een uitgebreid verslag van een vakantie in Italië zijn verhaal had afgesloten met een likkebaardend ‘Ja, dat was wel even genieten!’
Dus niet, dacht ik, want als je het midden op straat zo luid moet omroepen, klinkt het vooral heel erg wanhopig en geloof ik er niks meer van. Ik snap het wel, je rijdt niet samen met je vrouw en kinderen in je Nissan Primera zonder airco helemaal voorbij Napels naar het godvergeten einde van de beschaving om dan na drie weken afzien aan je thuisgebleven en volstrekt uitgeruste buurman te moeten toegeven dat je iedere dag gek werd van de muggen en misselijk van het vele eten.
Dus je gilt dat je genoten hebt.
Hè, wat cynisch nou weer van mij.
Terug naar Dalem.
Waar mijn oog viel op de schoenen van de vrouw die opvallend bling bling waren, en die glommen, twinkelden en schitterden dat het een aard had, eigenlijk te veel en te erg, op het gevaarlijke af, ja, het zou me niet hebben verbaasd als de mensen in Woudrichem alias Woerkum gedesoriënteerd van de dijk rolden en de Waal in tuimelden, wat me dan weer geheel onverwacht aan de nieuwe minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport deed denken omdat die, zo schreven de kranten en toonden de nieuwsdiensten, eveneens opvallende schoenen droeg.
Ik zou zeggen: schreeuwerige.
‘Kijk ons eens!’ riepen ze. En zo keek de minister ook. Hij had een bij zijn schoeisel passende grijns getrokken en zijn neusgaten wijd opengesperd als een uitzinnig paard in het zonlicht van een zomermorgen.
Mijn hemel wat was die man aan het genieten.
‘Genieten’, bedoel ik.
Verdwalen

De oude man had zijn half vergane oranje grote-mensen-driewieler voor de behangpapierwinkel van Priem in Gent geparkeerd en was op een zwarte kist ernaast gaan zitten. Van ver leek het alsof hij op een troon zat. Een beetje zoals Solomon Burke vroeger, op een zetel. Maar dichterbij bleef er van de vergelijking niets over, want de man was alles behalve majesteitelijk, zelfs niet op de schertsmanier van Burke. Hij droeg een bleek geruit houthakkershemd onder zijn vuile fleecejack, een donkerblauwe vettig glimmende trainingsbroek met opgerolde pijpen, en ongeveterde wit met zwarte Adidasschoenen (Run DMC!) aan zijn voeten, die hij als ankers voor hem op de kaseien had gezet. Daartussen lag een hoed met een steen erin.
Want hij speelde viool.
Met zijn ogen gesloten, roerloos, op zijn armen en handen na, die hij in alle rust hun gang liet gaan, misschien omdat hij niet anders kon, misschien omdat hij wist dat het wel goed zou komen.
Dat laatste was in ieder geval zo. Het kwam goed. Erg goed. Ik kan hier niet beschrijven hoe goed, maar neem dit als voorbeeld (en denk dan de keurige jongeman met zijn schoonzonenhaar even weg, want daar gaat het niet om).
Zo goed dus.
En mooi.
En wij mochten daarnaar luisteren.
Móésten daarnaar luisteren. Ons afwenden en verder lopen zou heiligschennis zijn. Geld geven eigenlijk ook. Die hoed lag er voor de vorm. Toen ik uiteindelijk naar voren durfde stappen om geld in zijn hoed te laten vallen, speelde hij gewoon door. Hij wist waarschijnlijk niet eens dat ik er was. Kon hem ook niets schelen. Hij speelde om te spelen. Niet voor geld, niet voor mij. Voor niemand. Voor zichzelf misschien.
De vrouw naast mij fluisterde: ‘Het is maar net welke afslagen je neemt in je leven. Ik bedoel, je hebt een god gegeven talent en dan zit je op een dag hier, óf je staat in een zwarte pandjesjas op het Vrijthof in Maastricht je zoveelste Weense wals te spelen’.
Ik dacht aan mijn eigen afslagen. Doodlopende wegen. Rotondes waar ik maar niet af wist te komen. Ja, een versleten metafoor, maar ik was de vorige dag vanuit Utrecht komen fietsen, onderweg hopeloos verdwaald in Antwerpen, om ten slotte in ware doodsverachting langs één rechte lijn naar Gent te rijden over een bizar smal fietspad op het asfalt van een vierbaans provinciale weg, dus de vergelijking tussen levensloop en de weg zoeken was moeilijk te ontwijken.
Mijn conclusie daarna was dat elke weg die je niet zelf gekozen hebt klote is. Da’s niet zo’n heel geweldig inzicht, laat staan een houdbare stelling, maar ik neem haar niet terug. De tegengestelde bewering is niet veel briljanter, maar ook die schrijf ik ook op, om verder te vertellen over de violist: iedere zelfgekozen weg brengt je dichter bij het geluk. (Kan zo op een tegeltje. En daar dan een foto van op LinkedIn. Ga ik niet doen.)
En de violist leek me eigenlijk volstrekt gelukkig. Bij nader inzien. Ik (en de vrouw misschien ook) was er vanuit gegaan dat de man ergens een afslag gemist had, of een verkeerde had genomen, maar dat was helemaal niet zo. Eindeloos dezelfde Weense walsen spelen wilde hij niet, maar iets anders wat de meeste mensen met god gegeven talenten (of enige andere) doen ook niet. Hij wilde viool spelen voor de behangpapierzaak van Priem in Gent, alleen te midden van publiek dat hij niet wilde zien.
Ik had zijn hele hoed vol met geld willen gooien als ik hem had mogen vragen waarom.
Of nee, hóé. Hóé hij dat voor elkaar had gekregen. Want opeens had ik het gevoel dat ik toch iets gemist had. Een geheim olifantenpaadje, of zoiets.
Dat komt ook weer door dat fietsen. Veel mensen mijmeren vaak: ‘ja, je verstand op nul en dan naar de einder, dan ben je helemaal weg’, maar dat is niet zo. Niks geen verstand op nul. Ja, dat gaat wel op een laag pitje, maar heel stiekem gewoon zijn eigen gang. In mijn geval op zoek naar herinneringen waarvan ik dacht dat ik ze had weggegooid. Dingen die ik vergeten wilde.
Op weg naar Gent waren er zeker tien boven water gekomen.
Ze gaan meestal over situaties die ik verkeerd aangepakt heb. Daar heb ik er nogal wat van. En telkens als mijn verstand zoiets dan weer treiterig voor me afspeelt, souffleert een stem in mijn hoofd – mijn verstandiger ik, waarschijnlijk – wat beter ware geweest.
Meestal is dat: ‘Nee! Niet doen!’
Daar had ik natuurlijk niks aan, ik wilde weten wat wél moest doen.
Maar goed, ik ging dat niet aan die man vragen.
Op de terugweg verdwaalde ik dus weer. En kwam ik geheel onbedoeld in de St. Annatunnel terecht, zakte via de mooiste roltrappen van de hele wereld 31 meter onder de grond, naar een grote buis van zowat een eeuw oud, alleen voor voetgangers en fietsers, die allemaal net als ik hun lol niet op konden, zo leuk was dit.
Een weg zonder afslagen.
Hm, die is te makkelijk.
Ik laat ’m toch staan.
Maar de stelling over wegen die je niet zelf gekozen hebt, neem ik terug. Die zijn niet allemáál klote.
De duivel in Gameren
Toen de veerman van de pont naar Brakel-Herwijnen (of andersom) in zijn eigen dialect mijn vraag nog eens samengevat en herhaald had – ‘Gameren?’ – klonk het niet als een plaats waar je zou kunnen verdwalen. Maar ik deed het toch. En om een of andere reden vroeg ik telkens de weg aan mensen die nog nooit van de Veestraat hadden gehoord. Hoe bizar was dat?
Eerst was er een keurige meneer met een wandelstok die mij in een deftig soort Nederlands zei dat hij me tot zijn spijt moest teleurstellen. Daarna was er een oude mevrouw die een nog oudere mevrouw in een rolstoel voortduwde die (de eerste oude vrouw) zei dat ze geen Gamerse was (wat ik wel een mooi woord vond, Gamerse, maar wat me ook meteen hoofdbrekens koste, want hoe noem je dan een man uit Gameren, een Gamer, Gamers, Gamert?, allemaal benamingen die me niks leken, of die zelfs een reden zouden zijn om te verhuizen, vond ik, in ieder geval een reden om er niet te gaan wonen) en die toen ik al weer op de fiets zat en wegreed alsnog aan de vrouw in de rolstoel vroeg of zíj wist waar de Veestraat was zodat ik het antwoord niet hoorde. De derde was een hardhorende man met twee piepende gehoorapparaten die boos werd toen ik mijn stem verhief (ook lastig in de omgang en communicatie, als je zo’n gebrek hebt, leek me, maar daar ben ik maar niet over begonnen, het was al ingewikkeld genoeg allemaal). Ten slotte vroeg ik het een man en vrouw van mijn leeftijd die met hun kleinkind op een bankje in een park zaten om witbrood aan de eenden te voeren. De man wist wel waar de Veestraat was, maar de vrouw ook (of andersom) en dat leverde na veel vieren en vijven een paar wegen erheen op. De routeplanner in mijn auto op geeft er altijd drie en ik kies dan meestal gewoon de bovenste want om daar nou ook een mening over te hebben… het hele punt is nou net dat ik die niet heb, ik vraag toch niet voor niets de weg? Maar goed, het echtpaar gaf me geen lijstje met routes, maar gedetailleerde beschrijvingen van de verschillende paden en lanen die me naar de Veestraat zouden leiden. Ze vertelden welke van hun vrienden en kennissen ik onderweg zou kunnen tegenkomen omdat die daar woonden; op de hoek van de Prinsenstraat woonde Kees, maar die was niet thuis want een fervent visser (waardoor ik hem dus niet tegen zou kunnen komen, maar het leek me te bijdehand om hen daar op te wijzen), en op het einde van de Kerklaan was een pleintje waar hun achternicht een houtzagerij had. Hoe dat pleintje heette, wisten ze niet, wat niet gaf, want daar hoefde ik toch niet te zijn, dat wil zeggen, ik moest het diagonaal oversteken om in de Graansteeg te komen, en dan de derde straat links te nemen.
Zei de man.
De vrouw betwistte dat. Zijn aanwijzingen, bedoel ik. Ik hoefde helemaal niet naar dat pleintje, maar als ik dat dan toch deed, moest ik in de Graansteeg de tweede links nemen en niet de derde.
Dat zag de man anders. enm, u raad het al, ze kregen ruzie, te beginnen met een woordenwisseling. Ik stond erbij en keek ernaar. Zoals ook hun kleinkind en de eendjes. Uiteindelijk onderbrak ik hen maar, gaf ik een samenvatting van alle routebeschrijvingen, en zei ik dat ik daarmee wel verder zou komen (wat natuurlijk altijd wel waar is, ‘verder’ is een rekkelijk begrip).
Toen ik het parkje uitreed, riep de vrouw nog: ‘de tweede links!’
Ik keek om en zag dat de man haar een klap gaf. Of nou ja, hij wilde zijn hand voor haar mond houden, maar dat pakte niet goed uit. Te bruusk. Hoe dan ook, de vrouw keek alsof ze geslagen werd…
Precies zoals de moeder van de jongen in de bezoekerszaal van het huis van bewaring aan het Wolvenplein, ergens in 1986.
Ja, sorry, abrupte en onverwachte overgang, het verhaal maakt hier een draai van 180 graden, maar ik zag haar opeens weer voor me… hoe ze haar kapotte bril vasthield om te zien waar vier bewaarders haar zoon heendroegen en hoe ze naar de deur bleef staren tot zijn geschreeuw langzaam in het gebouw verdween.
Een vijfde bewaarder had een glaasje water voor haar gehaald en was bij haar blijven zitten.
‘Hij zei dat ik de duivel was’, fluisterde de vrouw.
De man knikte en zei dat haar zoon in iederéén wel eens de duivel had gezien, zomaar opeens, en dat-ie die dan ook te lijf ging. Hij kon het niet tegenhouden.
Schrale troost. Voor haar, voor de zoon.
Dacht ik toen en dacht ik weer, in Gameren.
Ik fietste verder, het dorp uit, de dijk op, het maakte me niet uit waarheen. Verdwalen, dat leek me eigenlijk helemaal geen slecht idee.
De vliegende Forens

In de trein van Boxtel naar Deurne stapte kort voor vertrek een man de coupé binnen die ons allemaal goedemorgen wenste en daarna meteen uitlegde in wat voor een nare situatie hij zich bevond: defecte ov-chipkaart, portemonnee thuis laten liggen, en een familiegeval in Bakel waar hij onmiddellijk heen moest.
Als nou iedereen hem wat geld gaf, dan kon hij gezwind een los kaartje aanschaffen en afreizen. In de stilte die volgde omdat wij dit alles overdachten, bekende hij openhartig dat hij iedere dag met deze trein heen en weer reisde. Waarom dat was, en waarom hij dat vertelde, liet hij aan onze fantasie over.
Moet je net mij hebben.
Ik zal eerlijk zijn, ik vond dat de man er niet als een forens uitzag. Vraag me niet hoe zulke mensen er dan wel uitzien. Het beeld dat ik van hen heb is schimmig, maar als iemand daar niet aan voldoet, voel ik dat meteen. Maar wie ben ik, dus stel dat hij dat toch deed, forensen bedoel ik, waarom dan? Alweer, om nogal vage redenen zag hem niet dagelijks naar een vaste betrekking gaan. Dus hij reisde om iets anders heen en weer.
Dat ‘heen en weer’ hield mij wel bezig, eigenlijk. Dat kwam opeens uitzichtloos op me over, alsof een moderne versie van de Vliegende Hollander was, maar dan voor straf met zijn ziel onder zijn arm op een trein in plaats van op een schip en zwervend op het traject Boxtel-Deurne – kan dat, zwerven op een traject? – in plaats van over de wilde wateren bij Kaap de Goede Hoop.
Maar dus wel zoals in de sage op zoek naar echte liefde.
Eh… ik laat het verhaal over de Vliegende Hollander even zitten. De kern is: onnadenkende kapitein sluit deal met de duivel om snel die kaap te ronden, en moet de rest van zijn leven blijven varen, mag slechts eens in de zeven jaar aan wal om een vrouw te vinden die hem onvoorwaardelijk liefheeft en zodoende van zijn vloek verlost.
Wel ja, iemand die eeuwig van hem houdt.
Die familiekwestie van de man uit Deurne zag ik opeens in een heel ander licht. Hij zat gevangen op het spoor tot een vrouw hem in haar hart zou sluiten! En om het voor ons niet al te erg te maken nam hij zijn toevlucht tot eufemismen.
Een familiegeval, duh!
Hij was eigenlijk nog erger gestraft dan zijn legendarische lotgenoot. Hij moest niet alleen zwerven tot hij de liefde had gevonden, maar ook nog eens bedelen om reisgeld. Hoe cynisch is dat!?
Ja, mensen, met de duivel valt niet te dollen.
Intussen kreeg de hele situatie dus wel universele en tijdloze dimensies. En mijn reisgenoten zaten nog steeds verlegen en onwetend in hun mobieltjes te staren in de hoop dat de Vliegende Forens onverrichter zake zou vertrekken.
Ik besloot hem te helpen (je werkt bij de reclassering of niet) en ging naast hem staan om voor iedereen de diepere betekenis van dit alles uit de doeken te doen.
Dat werkte. De een na de ander keek op en velen staarden mij begripvol aan. Een warm medeleven vulde de ruimte. De man om wie het allemaal ging rilde en wierp een onrustige blik naar buiten, waar de conducteur in beeld verscheen, en staarde wanhopig naar de passagiers, die wel geroerd maar niet vrijgevig bleken. Romantiek en financiën, da’s geen fijne combinatie. Hij wendde zich nijdig naar mij.
‘Zo, professor, volgens mij ga jij dus effe schuiven!’ siste hij. Buiten tuurde de conducteur langs de trein om te zien of we veilig konden vertrekken. ‘Nou?!’
Goed, het kostte een paar centen, maar daarna was ik tot aan Deurne de held van de coupé.
Eh…laat die frase even tot u doordringen: ‘tot aan Deurne de held van de coupé’, sneuer kan niet. Wat voor een leven leid ik eigenlijk?
Uhmm… Hoe dan ook, het was echt ontroerend dat ik de bedelaar zo had geholpen, vond iedereen. En een mevrouw die het niet helemaal had begrepen, zei dat zij dan wel met mij wilde trouwen, want je hele leven op zo’n trein dolen, dat was ook niks, vond ze.
Dat aanbod sloeg ik af.
Zo sneu was het nou ook weer niet.
Te mooi

Bij de slijter stond ik zo lang naar een fles wijn te staren dat het raar was.
Denk ik.
Achteraf beschouwd.
‘Groot Geluk’, stond erop.
Wat de hele situatie alleen maar raarder maakte.
Denk ik.
Achteraf beschouwd.
God zij dank heb ik nog ergens een onderbewustzijn. Als ik al te ver afdwaal van de gewone-mensen-wereld roept altijd een of andere gedachte me wel tot de orde. Ik weet nooit waar die dan vandaan komt. Maar het is wel een creatief fenomeen, al zeg ik het zelf (of nou ja zélf, dat is een ingewikkeld begrip in dit verband, als u begrijpt wat ik bedoel) want iedere keer is het weer een verrassing. Hoe kom ik dáár nou weer bij, vraag ik me dan af. Soms met enige zorg, maar daar ga ik het nu niet over hebben.
De mens is een raadsel, laten we het daar maar op houden.
Eh, terug naar de slijter… Terwijl ik daar met die fles ‘Groot Geluk’ in mijn handen stond, zette mijn onderbewustzijn ergens een klein bovenraampje open waardoor een wijze raad van Marktplaats mijn bewustzijn binnenkwam.
‘Laat uw gezonde verstand spreken: als iets te mooi lijkt om waar te zijn, dan is dat meestal ook zo.’
Kan zo op een tegeltje. Tegel, want het is een nogal lange wijsheid.
De sjieke variant ervan is van Spinoza (oh god, daar heb je hem weer met zijn Spinoza, hoor ik u denken, lees toch maar door): ‘Het kan ook niet anders of iets wat zo zelden gevonden wordt, is moeilijk. Want als het heil binnen handbereik lag en zonder veel moeite gevonden kon worden, hoe zou het dan mogelijk zijn dat het door bijna iedereen werd genegeerd?’ (Voor wie de ziekte van Spinoza ook eindelijk te pakken heeft en de Ethica wil lezen, dit is uit de mooiste vertaling in het Nederlands, vind ik, van Corinna Vermeulen)
Eh… Erg sjiek gezegd dus, ingewikkeld misschien, maar net als marktplaats wil hij maar zeggen dat als geluk voor € 14,85 per 0,75 liter te koop zou zijn, de hele winkel zou vol staan met dromers als ik.
Terwijl iedereen geluk dus heel erg overschat. Je hoort er veel over, maar het valt enorm tegen. ‘De jacht op geluk is een existentiële vergissing’, las ik laatst. Zodra je het zoekt begint de ellende. Zit wat in, want het is een heel gedoe. Maar het is ook wel beetje pessimistisch, zo’n uitgangspunt. Voor de handdoek in de ring sta ik ’s morgens niet op. Dan liever de onomwonden raad van Marktplaats. Of nee, doe de voorzichtigheid van Spinoza maar: het bestaat en we kunnen het bereiken, maar het is wel even een dingetje.
Ik moest aan mijn kat denken. Mijn ex-kat, om precies te zijn. Een schuchter beestje met een ingeschapen angst voor mensen dat ik in een onverklaarbaar opgewekte bui voor € 90,25 uit het dierenasiel had bevrijd om vervolgens een jaar lang te proberen een band met haar op te bouwen, wat ik uiteindelijk opgaf nadat we elkaar het leven onmogelijk hadden gemaakt in de aanloop naar haar halfjaarlijkse vaccinatie tegen weet ik veel wat. Dat zij voor haar eigen bestwil in het getraliede draagmandje moest, kon ik haar niet goed uitleggen en het handgemeen waar ik daarna onbeholpen in met haar terechtkwam, verloor ik .
Toen ik op een gegeven moment mijzelf op mijn buik, met bloedende handen, half onder de bank, oog in oog met haar aantrof en hardop in mijn lege huiskamer tegen haar hoorde zeggen: ‘okay, jij wint!’, wist ik dat het voorbij was.
Exit mijn kat.
Snik.
‘Kan ik u helpen?’
De slijter.
Slijtster. Of hoe noem je een vrouwelijke slijter? Hm. Laten we het op sommelière houden. Dat klinkt romantischer. Hoewel het resolute gebaar waarmee ze meteen de fles uit mijn handen nam en in het rek terugzette me eerst nogal afschrok. Evenals haar glimlach. Meewarig, alsof ze Spinoza ook gelezen had.
Maar ze had enorm rood krullend haar, veel aandoenlijke sproeten en groene ogen, dus toen ze me zonder iets uit te leggen meenam naar de whisky’s, liep ik mee, pakte blind de fles aan die ze me gaf en liep naar de kassa. Resistance was futile. Toen ik afrekende, glimlachte ze weer.
‘Laat me eens weten wat u ervan vindt,’ zei ze.
Toen ik thuis kwam, pakte ik meteen de fles uit: Writer’s tears. Traantje op het etiket.
Zoiets verzin je niet. Of nou ja, die sommelière wel. Een beetje griezelig, dacht ik nog, voordat ik een glas voor mezelf inschonk. Lekker spul. Maar ook een beetje sneu. Self fullfilling promise in a bottle, want na het tweede glas kon ik wel janken, als het ware. ‘Een echte drinker spuugt de kurk weg; een Iers gezegde,’ had ze ook nog gezegd. Die kurk vond ik de volgende dag terug, samen met een paar halve herinneringen. Zie hierboven.
Jammer dat ik niet meer weet waar die slijter is. Helemaal kwijt. Inclusief die sommelière. Van wie ik opeens vermoed dat ze helemaal niet bestaat.
Te mooi om waar te zijn.
Achteraf beschouwd.



