Categorie archief: Overleven

Ziel

zwerm

Eergisteren was zo’n gruwelijk lege zondag zonder reden van bestaan. Godvergeten twijfel overal, maar nergens een mens te bekennen, behalve aan de overkant van de straat drie meisjes van een jaar of zeventien waarvan er één opeens riep: ’Ziel!? Wat is dát? Wat héb je daar aan?’ Ze ging voor haar vriendinnen staan en vroeg het nog eens: ‘Zíél..!?’
Echt waar.
Ze had een Marokkaans accent. Dat doet er verder niet toe, ware het niet voor haar ‘z’. Ik kom oorspronkelijk uit Amsterdam, dus ik heb helemaal geen ‘z’ en ben dus al snel jaloers op om het even welke ‘z’, maar de ‘z’ van ‘ziel’ die dat meisje in de lege straat losliet, was echt helemaal geweldig. Hij kwam als een zwerm bijen uit haar omhoog, zwol van een zucht naar een nijdige schreeuw (zchreeuw!) om daarna zacht na te galmen tussen de stille huizen.
‘Zzziel!’
Een verlengde ‘z’. Daar had ik iets over gelezen. ‘Ziel’ is gewoon ziel, maar ‘Zzziel’ is de ziel. Wat het hele voorval een diepere betekenis gaf.
Dacht ik. Ik stond er zeker een halve minuut ademloos naar te luisteren, alsof ik hoopte die betekenis zich op een of andere manier aan me zou openbaren. Ik raad u af om zoiets te doen, want het is raar en al snel verdacht. Zeker als je een man van 58 bent. Maar goed, ik kon moeilijk naar de overkant lopen om er eens met haar over van gedachten te wisselen. Om een of andere reden had ik het gevoel dat zoiets helemaal slecht af zou lopen. Ik zou niet uit mijn woorden komen en zij zou wat ik wel zei als een belediging interpreteren. Ik was immers ook al verward blijven staan om naar haar ‘z’ te luisteren alsof ik stemmen hoorde, wat feitelijk ook zo was, maar zodra ik dat aan haar ging uitleggen, zou ik het vast en zeker niet veel later tegenover haar grote broer moeten herhalen, die alles nog verkeerder zou begrijpen.
Vertel mij wat. Ik heb mijzelf veel te vaak voor schut gezet.
En ik heb een veel te goed geheugen. Dat is ook een last hoor. Neem mijn sneue gestamel van 42 jaar geleden tegenover Jeanette van den Boeijkamp die ik wilde vragen of ze met mij naar het schoolfeest wilde gaan… de herinnering aan die scène komt zeker één keer per maand zo levendig mijn gedachten binnen dat het zweet me weer uitbreekt. Jeanette had ook een broer, trouwens. Die me de volgende dag namens haar op mijn gezicht kwam slaan. Geen woorden maar daden, daar is soms ook iets voor te zeggen (no pun intended).
Goed, terug naar dat meisje en de ziel. Waarom die vragen over de ziel? Zag ze voor zichzelf het nut van een ziel niet of vond ze een ziel in het algemeen – de ziel dus – onzin? Grote vragen, waar zo ongeveer iedere zichzelf respecterende filosoof wel eens zijn/haar hoofd over had gebroken. En nou ik dus ook. En dat meisje.
Op een zondagmiddag in de Kanaalstraat.
Het moet niet gekker worden.
Werd het wel.
Ze bleef staan en riep: ‘Hé, oude man! Ja, jij met je baard. Wat kijk je? Heb ik iets van je aan of zo?’
Dat leek me sterk. Dus ik schudde mijn hoofd.
Grappig.
Vonden haar vriendinnen.
‘Die hoed zou je best wel staan,’ zeiden ze. Ik schudde weer mijn hoofd. Niemand krijgt mijn hoed. Ook een meisje dat heel mooi “Zzzziel?!’ kan roepen niet.
Ze liet haar vriendinnen giechelen.
‘Nou, wat kijk je?’ herhaalde ze.
Hm… Ik moet echt eens leren te liegen. Ik had gewoon ’Niks’ moeten zeggen en met afgewend hoofd naar huis moeten lopen, maar in plaats daarvan bleef ik onbeholpen staan om te zeggen dat ik naar haar ‘Ziel?!’ had geluisterd.
‘En?’
‘Huh?’
‘Heb je ook een antwoord?’
Even ter herinnering, dit speelde zich allemaal op een grauwe zondagmiddag in de Kanaalstraat af, zij met haar vriendinnen voor de schoongeboende winkel van paardenslager van Beek en ik aan de andere kant van de straat ter hoogte van ‘afhaalcentrum Baraka’.
Ik zei toch dat het gekker zou worden?
‘Je ziel, dat ben je zelf’, zei ik. Kan zo op een tegeltje. En dan een foto daarvan op LinkedIn.
‘En wat moet ik ermee?’ (Met haar ziel, bedoelde ze, niet met het tegeltje.)
‘Gewoon, je leven leiden.’
Riep ik in de lege straat, dus eigenlijk met een ‘!’
Hilarisch, bij nader inzien.
‘Dat kan ik wel,’ zei ze.
Ik knikte, want dat leek mij ook. Ze lachte.
‘Bedankt!’
Gekker kon echt niet, dit was opeens mijn mooiste zondagmiddag in jaren.
Ik nam mijn hoed af en groette haar.

Honger

appel

Op zoek naar iets te eten in zo’n half verlaten dorp waar het altijd zondagmiddag is, stapte ik niets vermoedend een museum met houten spullen binnen. Ik keek wat rond tot een lange man me vroeg of ik wat wilde rondkijken. Ik kon moeilijk iets anders beweren. Dat ik op zoek naar voedsel was, zou erg ongeloofwaardig klinken. Hoewel ik het niet kon laten om erg gretig en verlekkerd naar een levensecht nagemaakte fruitschaal inclusief houten appels en peren te staren, ook al omdat het mij deed denken aan het hilarische gedicht van Koos Speenhoff over vegetariërs, wat ik hier niet ga citeren, behalve dan de volgende regels, om uit te leggen waar mijn associatie vandaan komt: “voor een paar onnooz’le centen / eet je appelen met krenten / soep van blaren, pas gevallen / met mahoniehouten ballen” – de rest moet u echt zelf lezen en, nog beter, hardop voorlezen aan iemand, het maakt niet uit wie, aan u zelf desnoods, eh… ik dwaal af.
Leest u het gedicht, dan ga ik ondertussen terug naar IJlst.
Ja, ik wilde dus even rondkijken.
‘Wij vragen daar wel een vergoeding voor,’ zei de man. Hij keek me aan. ‘Ja, dat weten de meeste mensen niet.’
Goede truc. Hij betichtte me van iets illegaals terwijl hij me wegzette bij het domme deel van de mensen dat niet kan bedenken hoe een museumbezoek werkt. Nu ja, ik hád natuurlijk zeker twee minuten gratis rondgekeken, maar het is over het algemeen moeilijk om níet rond te kijken, en daar in het absurd kleine museumpje al helemaal, want voor je het wist, had je alles zonder te betalen gezien. Ik trok meteen mijn portemonnee om de schade niet op te laten lopen.
Vier euro.
Een onooglijk toegangskaartje.
Goed, er was houten speelgoed, niet alleen vrolijk gekleurd spul, maar ook van dat onbewerkte beukenhouten spul, er waren van die irritante onderbindschaatsen (wat je ook deed om ze aan je arme voeten vast te snoeren, ze schoten altijd na drie slagen weer los), en er was gereedschap, wat erg mooi was, om niet te zeggen geil, maar dat is niet moeilijk, bijna elk gereedschap is mooi om niet te zeggen geil.
Vind ik dan, wat eigenlijk raar is, want ik heb twee linkerhanden en ben zo handig als een tros druiven.
Ik liep rond. Met de nadruk op rond, want het centrum was zoals gezegd nogal klein en we konden niet veel veel anders dan rond een grote vitrinekast langs de muren met planken vol uitgestalde spullen schuifelen.
De andere bezoekers en ik.
Het was een soort processie.
Dat had ik nog nooit gedaan, en met een beetje fantasie werd het heus plechtig, maar zoiets gaat op den duur ook vervelen. Om tenminste iets te denken, droeg ik mijzelfop om uit te rekenen hoe lang een mens voor vier euro rondkijkt alvorens maar weer eens op te stappen. Daar kwam ik niet uit.
Zo af en toe keek ik wel hunkerend naar de beukenhouten appels en peren. Hoewel ik doorgaans heel fatsoenlijk ben, sta ik niet voor mijzelf in als ik honger heb. Dan maakt het me op een gegeven moment niet uit waar ik mijn tanden in zet. Ik heb eens met twee woedende kinderen achter mij een pakje namaak chocolade sigaretten met vloeipapier en al opgegeten (lospeuteren was een kwelling) omdat nu eenmaal het eerste was dat ik tegenkwam.
Net toen ik smakkend aan een goudreinet rook, stelde de lange man een vraag aan iedereen die rondliep.
‘Weet iemand misschien waar al deze schaatsen van gemáákt zijn?’ vroeg hij. Dat was niet moeilijk. Beukenhout zeiden enkele bezoekers. Hij knikte zuinig. ‘Gestóómd beukenhout.’
Klein detail dat alleen kenners weten. Wij knikten. De man dacht na over een volgende vraag.
‘En weet u dan waarom deze schaatsen doorlopers genoemd worden?’ Hij wees naar een paar schaatsen in een glazen kast. Wij keken eens goed, maar durfden niet te antwoorden. De man stapte op de kast af en zei: ‘Dat dacht ik wel. De meeste mensen die hier komen, weten dat niet.’ Hij pakte de schaats ui de kast. ‘Kijk, het ijzer hier achter aan de schaats, dat loopt bij deze dus door.’
Wij zagen het.
‘En bij deze dus niet.’ Het scheelde anderhalve centimeter, maar het was waar. ‘Een doorloper is veiliger, want daar kun je minder makkelijk mee achterover vallen.’ We knikten nog maar eens en wilden doorlopen.
No pun intended.
‘Dat wist u niet hè?’ ging hij verder. ‘Nee, dat weten de meeste mensen niet. Die denken dat het die krul is aan de voorkant, die doorloopt. Dat is natuurlijk wel zo, maar dat is bij heel veel schaatsen. Aan de achterkant niet. Dat is alleen bij doorlopers.’ Hij wachtte even om te zien hoe dat bij ons aankwam.
Glunderde.
Triomfantelijk.
Wat het allemaal extra irritant maakte, want ik heb een belachelijk goed geheugen, dus van die man met zijn schaats kwam ik nooit meer vanaf. God, de dingen die ik allemaal nog weet… ik schrijf dat niet om op te scheppen, want een hele hoop wil ik best vergeten. Vraag me niet waarom, maar de man met zijn smalende grijns riep de lach van onze buurvrouw in de saaiste straat van het destijds (1964) sowieso hele saaie Ammerzoden op, inclusief de kleur van haar tanden en het blikkerende goud van een kies rechtsboven, om maar niet te spreken van de plooien in haar hals die week meetrilden met haar helse geschater.
Eek!
En dan dus ook nog een helse honger.
‘Mijnheer, wij staan niet toe dat bezoekers de uitgestalde museumstukken aanraken,’ zei de man.
‘Net echt, zo’n appel,’ zei ik tussen twee happen door. ’En best wel te eten.’
Hij staarde me aan.
‘Ja, dat weten de meeste mensen niet.’

Eeuwige liefde

Kauwen

De man en vrouw gingen met veel geruis van tassen en bijbehorend misbaar naast mij aan de andere kant van het gangpad zitten.
In de trein op weg naar Utrecht.
Het duurde even voor alles in orde was, want de vrouw moest zich goed installeren om de inhoud van haar tassen te inspecteren. Ze nam één voor één de dingen eruit en bekeek alles alsof het de buit van een diefstal was.
Hebberig.
Goodiebags. Een tas met gratis dingen, wat wil een mens nog meer?
Een tas met gratis dingen die je nódig hebt, zou ik zeggen, want er zitten altijd spullen in die ik nooit van mijn leven zelf zou hebben aangeschaft, sterker nog, die ik tot op het moment dat ik ze voorzichtig voor me op tafel leg nog nooit heb gezien en waar ik ook het bestaan nooit van vermoed had, maar goed, ik ben misschien niet de beste persoon om blij te maken met goodies.
Het woord alleen al.
Zijn er ook baddies? Daar zou ik nou wel weer de humor van inzien. Een mandje met ziektes of ongedierte.
Ja, ik vind dat grappig.
Eh… waar was ik?
Bij de vrouw in de trein. Ze had kennelijk alles zonder verder na te denken in de tassen gepropt of laten proppen, want bij alles wat ze tevoorschijn haalde, kreunde ze (het was eigenlijk een binnensmonds kirren, maar daar weet ik geen woord voor), verrast om wat ze nou weer opdiepte.
Haar man probeerde intussen te slapen.
Daar kwam niks van terecht, want de vrouw was zo iemand die hardop denkt. Ik onderdruk hier de stelling dat het meestal vrouwen zijn die dat doen, omdat ik die niet goed kan onderbouwen. Mannen doen het misschien ook, sterker nog, ik ken er een paar, ik doe het zelf ook wel eens, maar dat is anders. Meestal naar binnen gericht. Mannen praten tegen zichzelf.
De vrouw niet.
De vrouw in de trein, bedoel ik.
Maar die stelling laat ik achterwege.
Zo’n beetje alles wat er door haar hoofd ging (weet ik niet zeker natuurlijk, ik kan geen gedachten lezen, maar goed ook, want aan de dingen die ze openbaarde had ik meer dan genoeg) nam ze op in een ononderbroken relaas (rode draad: een beschrijving van haar goodies en het nut dat ze ervan dacht te gaan hebben) dat ze behendig mengde met beschrijvingen van het landschap waar we doorheen raasden en citaten uit de appjes die intussen ze ontving.
‘Woensdag komen de kinderen eten,’ zei ze, ‘gezellig toch? Mogen we komen eten, vroegen ze net. Gezellig, heb ik geappt. Dat is het toch? gezellig?’ Ze gaf haar man een elleboog en hij schrok wakker. Of deed alsof. De vrouw glimlachte. ’Ik ben dan wel eerst naar die cursus. Dat weet je hè?’
Hij knikte.
Ze vouwde een plattegrond open en tuurde er een tijdje naar voordat ze het ding ten slotte voor haar man zijn neus hield. Ze waren naar het Mauritshuis geweest en terwijl ze de hele route nog eens naliep, verdwaalde ze met terugwerkende kracht in een van de afdelingen.
Een paar keer.
De man haalde haar telkens weer terug. Hij tekende in de lucht hoe het museum in elkaar stak. De vrouw vloekte, want ze had een hele vleugel gemist.
‘Wat was daar?’ vroeg ze. De man haalde zijn schouders op. ‘Jij vergeet ook altijd alles…’ Ze glimlachte weer. ‘Of waren het allemaal naaktschilderijen?’
Hij schudde zijn hoofd. De vrouw keek in haar mobieltje.
‘Ik vraag haar even wat ze wil eten… O,risotto… En hamburgers…’ Ze dacht even na. ‘Goed, als jij dan die hamburgers doet, maak ik vantevoren de risotto wel… Vóór mijn cursus… Ze komen om half zes, dan ben jij er toch al?’ De man knikte. ‘Gezellig… Maak je ook sla?’
‘Huhuh.’
‘Goh, moet je kijken hoe groen het buiten alweer is. Dat gaat soms zo snel, hè!? Vanmorgen werd ik wakker van de vogels, dat vind ik ook altijd zo leuk.’
‘Om vijf uur!’ zei de man. ‘Ik snap niet wat daar leuk aan is.’
‘Gewoon, al die geluidjes. Hoe ze naar elkaar fluiten. Dat vind ik leuk. Gezellig. Doet me aan vroeger denken. Toen de kinderen nog klein waren. Als ze dan wakker werden. Dat gemurmel…’
‘Vroeger… Ja, het was inderdaad vroeger, meestal vóór die vogels begonnen.’ Ze gaf hem een duw.
‘Dat viel best mee… Alleen Esther soms… Dan ging ik haar gewoon halen. Nam ik haar mee naar beneden om samen in de schommelstoel te luisteren en naar buiten te kijken…
O, god, we zijn er al bijna, kijk daar heb je Douwe Egberts al.’
Ze zocht haar goodies bij elkaar en duwde alles terug in de tassen. De man ging rechtop zitten en hielp haar.
‘Wat ga je met al die zooi doen?’ Vroeg hij.
‘Weet ik nog niet. Misschien is er iets voor de kinderen bij.’
‘Ik hoop het.’
Ze duwde hem weer. Hij grinnikte en nam de tassen van haar over. Ze vertrokken, met hetzelfde geruis en hetzelfde misbaar, maar op een of andere manier gelukkiger.
De mens is een raadsel.
Ik ging achter hen aan, tot de vrouw de AH binnenging (Hamburgers!), waarna ik toch maar naar de kroeg liep (ik kon moeilijk naast de man gaan staan wachten tot ze terugkwam), waar ik bier zou gaan drinken met een vriendin, die al meteen na de eerste slok, god mag weten hoezo dát opeens, je verzint het niet, de kwestie van eeuwige liefde op tafel gooide.
Bestaat die of niet?
Ik wist het niet, wat eigenlijk al een soort antwoord was, want als je erover twijfelt, kun je het wel vergeten, maar mijn tafelgenote was stelliger en wond er geen doekjes om: liefde voor het leven bestaat niet.
Punt.
‘Wat niet wegneemt dat je er wel voor moet gaan.’
Vond ze.
Da capo.

Curiosity

 

handbag-kelly-in-pelle-azzurra

De man die naast mij liep op weg naar het station was op het eerste gezicht een hele gewone man. Hij haalde wel erg zwaar adem en snoof ook regelmatig met veel geluid extra lucht op. Omdat hij verkouden was, dacht ik. En hij mompelde in zichzelf, wat ik ook niet zo bijzonder vond, omdat ik dat ook wel eens doe. Alleen dan niet zo verongelijkt. Nee, als ik iets tegen mijzelf zeg, is het altijd om te lachen.
Vind ik.
De humor ligt op straat en ik vertel mezelf waar. Zo hadden ze laatst bij de NS een andere stem om mededelingen doen. Een of andere Gooise vileine relnicht. Vraag me niet hoe je dat kunt horen. Maar een spoorwisseling is dan heel erg grappig. En vertragingen, hilarisch! Ik heb toen een trein gemist omdat ik hoopte dat hij ‘wegens een technische storing kan de internationale intercity naar Innsbruck Hauptbahnhof vandaag niet rijden’ (en dat dan ook in het Duits) zou gaan omroepen. Zou mijn hele dag goed maken, dacht ik.
Gebeurde niet. Wel veel plezier gehad met die zin in mijn hoofd oefenen.
Je moet wat.
Verder gaat alles goed.
Terug naar de boze man naast mij, die geen humor op straat zag maar ergernissen. Ja, er zat hem van alles dwars.
Dat snuiven was omdat hij wild werd van de wereld om zich heen.
Ja, dit heb ik allemaal achteraf beredeneerd, want toen hij de mevrouw die ons tegemoet liep opeens heel hard ‘prostitué!’ toeriep, was het wel een soort van verrassing.
Heb ik al eens gezegd dat ik nieuwsgierig ben?
Ik achter de man aan!
Ik wilde wel eens weten wie hij nog meer ging uitschelden.
Hij hield het bij vrouwen. En bij ‘prostitué!’
Allemaal niet erg creatief. Aan de andere kant schreeuwde hij niet naar álle vrouwen, gelukkig maar, want dan zou het al snel saai zijn geworden.
Nieuwsgierigheid is ook een soort ziekte, je hele normen- en waardenstelsel gaat eraan ten onder als je niet uitkijkt.
Hoge hakken, rood gestifte lippen, geblondeerd haar, dat waren de man zijn triggers.
Stimuli, om het wetenschappelijk te zeggen. Ik deed namelijk actie-onderzoek.
Voor het bloggen heimelijk achter een rare man aan. Nou ja, heimelijk. Ik zat hem zo dicht op de hielen dat de eerst volgende vrouw die hij uitschold, dacht dat ik het deed.
Nou ja! Ik ben in de derde feministische golf opgegroeid, tussen de paarse tuinbroeken, en ik heb leren breien om mijn vrouwelijk ik te ontdekken!
Maar ja, leg dat maar eens uit op een vol perron met een aanstormende trein en dito mevrouw. Ik heb dus deemoedig haar verwensingen aanvaard. De aanval met haar Kelly-bag ook (als ik een pak slaag krijg, dan wel een beetje chique natuurlijk).
De man zocht schaterend steun bij een bord met vertrektijden.
‘Lukt iedere keer weer!’ riep hij naar mij.

Naar Almelo

Livingstone1

Ik moest naar Almelo.
Dat is heel ver weg.
Voor iemand als ik.
Had ik al eens verteld dat ik niet van reizen hou?
Naar Almelo, dat is dus een reis.
Ja, lach maar.
Ik moest ook nog met een mevrouw van een onderzoeksbureau iets doornemen, dus we spraken af dat we elkaar op het station zouden ontmoeten, bij de Starbucks om precies te zijn, en dan, nog preciezerder, dus de Starbucks die het dichtst bij het jaarbeursplein ligt, om de hoek van spoor 21.
Ik geef deze inleiding om aan te tonen dat thuisblijven meestal het verstandigst is. Let maar op, alles gaat mis. Heen en weer fietsen naar de supermarkt of een winkel in de stad, dat is echt avontuurlijk genoeg. Verder weg, dat is gedoe; allemaal rituelen en dwangneurosen. En die dan altijd tevergeefs.
Het is een ziekte.
Maar goed, een mens moet de deur wel eens uit. Ik ook. Dus op een gegeven moment stond ik bepakt en bezakt en gehoed beneden bij de voordeur… om dus opeens te niet zeker te weten of ik alle ramen goed had gesloten. Sommige mensen gaan dan in gedachten hun handelingen na en concluderen dat alles in orde is. Anderen halen hun schouders op, mompelen ‘het zal wel’, en vertrekken.
Eek!
Ik kan dat niet. Ik moest dus terug naar boven. In haast. Want hoewel ik ruim de tijd had genomen, ik ken mijzelf, begon inmiddels toch de tijd te dringen. God mag weten hoe ik die telkens weer vermors.
Alles was natuurlijk gewoon dicht en het gas was uit, de achterdeur op slot, en ik hoefde helemaal niet te plassen. Maar toen ik weer beneden stond, voelde ik opeens een kou op mijn kop en besefte ik dat ik mijn hoed in de wc had laten hangen. Want ja, van al dat gejaag had ik het warm gekregen en om nou met dat ding op mijn kop dáár te gaan zitten… dat vind ik raar. Ja, ook als ik helemaal alleen in mijn eigen huis en onzichtbaar voor alle andere mensen ben. Daar heeft Sartre hele ingewikkelde dingen over geschreven die ik hier niet kan reproduceren en ook niet ga opzoeken. Cruciaal citaat is: ‘De hel, dat zijn de anderen.’ Ook als ze in geen velden of wegen te bekennen zijn. Onthou dat. Of nee, doe maar niet, dat maakt uw leven een stuk draaglijker.
Ik rende naar boven voor mijn hoed, om teruggaans mijn kuitspier of weet ik veel wat te scheuren toen ik overmoedig van halverwege de trap naar beneden op de grond sprong.
Viel.
Dat heb ik weer. Toch maar naar het station gestrompeld. Ja, fietsen gaat sneller, maar de tijd die ik daarmee win verlies ik vervolgens in de megalomane stalling van het station. Het zal wel aan mij liggen, maar iedere keer als ik daar kom, zijn er alleen maar plaatsen in die pesterige bovenrekken.
Had ik al eens gezegd dat ik nogal klein ben? Ik zou een lange verhandeling kunnen schrijven over de trauma’s die ik daarvan heb, vooral romantische, maar dat doe ik niet, want dit blog moet voor u ook een beetje leuk blijven. Weet in ieder geval dat mijn lengte me sinds mijn eerste verkering achtervolgt, alle mooie gedachten over innerlijke schoonheid ten spijt. Een goed hart en een groot verstand, daar heb je niks aan als je voortdurend naar boven moet kijken en de ander naar beneden.
Eh… Ik ging dus lopen.
Trekkebenen.
In de Starbucks probeerden een groep ouden van dagen wijs te worden uit het menu. En ik dacht dat ík ontheemd was (‘Koffie?’ riep het meisje achter de balie panisch uit. De mens is een raadsel.)
Groene schoenen. Aan de telefoon had de vrouw van het onderzoeksbureau gezegd dat ze die zou dragen. En ik had gezegd dat ik een hoed had.
Groene schoenen bleken nogal in de mode. In zes minuten tijd kwamen er acht vrouwen (en een man die zijn midlifecrisis bezwoer) met groene schoenen langs. En ik moest die ene hebben die op zoek naar een hoed was. Ik zal niet uitweiden over de misverstanden die ik veroorzaakte bij de vrouwen die ik hoopvol aansprak nadat ik eerst naar hun schoenen had gestaard (want je hebt groen en groen, en sommige zaten
net tegen turquoise aan, heus waar).
Zoiets is dan min of meer verdacht en ik weet niet wat ik daar aan kan doen. Maak het alleen maar erger.
Toen ik haar eindelijk dacht te zien, was ik te laat. Ze liep al zo’n beetje het station uit, bedaard maar gehaast, in een soort zwembadpas (ik leg dat niet uit) achter een hipster met een strogeel vakantiehoedje aan.
Nou ja!
Ook als ik géén gescheurde weetikveel had gehad, was ik blijven staan. Een hoed is een hoed. Geen raffia vogelverschrikkersding. Dat ze me kennelijk aan de telefoon voor zesentwintig versleten had (en 1,87 meter!), was vleiend, maar maakte het niet goed.
Dus ik liet haar gaan. Het was trouwens toch al te laat om nog te overleggen. Ik moest naar de trein.
(Later vernam ik – vraag me niet hoe – dat ze die jongen met zijn hoedje vertwijfeld aangesproken had – dat is dan weer niet verdacht – en dat hij haar natuurlijk had moeten teleurstellen, of nou ja, dat viel wel mee, want omdat ze net als ik geconcludeerd had dat wíj elkaar niet meer zouden treffen, en die conclusie met een nog vertwijfeldere zucht voor zich uit gepreveld had, had hij haar ter troost, op een kopje thee getrakteerd, en later, omdat het toch al een eind in de middag was, op een glas wijn, dit alles terwijl ze samen van het ene vrolijke onderwerp in het andere tuimelden, en ten slotte, moe van het lachen en in elkaars glanzende ogen kijken, naar zijn huis waren vertrokken om daar in elkaars armen op de bank in slaap te vallen).
Intussen was ík in Almelo ingehinkt. Op mijn bestemming aangekomen moest ik aan iedereen uitleggen hoe ik in hemelsnaam zo ver van huis verzeild was geraakt en hen toch had weten te vinden (mijn reputatie neemt altijd een trein eerder).
Wel ja. Één uur en twintig minuten over het spoor en ik was al even legendarisch als Livingstone.
Hoewel die langer was.
En geen zenuwlijder.
Denk ik.
Want dan word je geen ontdekkingsreiziger, dunkt mij.

Guus

mier

Laatst zag ik Guus. Hij zat in de zon tegen de pui van de Jacobskerk, precies zoals hij dertig jaar geleden altijd op de binnenplaats van het afkickcentrum zat, rug tegen de muur, zijn benen opgetrokken, hakken tegen zijn billen, en zijn armen om zijn knieën geslagen.
Als een kind.
Ik wou dat ik daar zat, dacht ik toen altijd.
En vorige week weer.
Jaloers op een junk.
Je hebt wel eens van die dagen.
Hij zag me, en wat meer was, hij herkende me.
Bizar en toch ook weer niet. Hij had hij een ondoorgrondelijk geheugen. Zijn hele leven al. Hij onthield alles, maar kon zich niets herinneren.
Rara, hoe kan dat.
Zijn verstand leidde een eigen leven.
Zijn lichaam trouwens ook.
Toen.
Op de dag dat hij binnenkwam, kon hij amper staan, dat wil zeggen, amper stílstaan. Hij knikkebolde met zijn hoofd, schokte met zijn schouders, stuiptrok met zijn armen, en drentelde eindeloos in het rond, opgejaagd door de hel op aarde. Hij rilde en beefde zo erg dat het pijn deed om er naar te kijken.
Deed ik dus niet. Hij keek trouwens toch niet terug. Hij staarde naar de grond.
En wachtte. Dat was het enige dat hij kon.
Moest.
Tot hij op een dag plompverloren verhalen begon te vertellen. Waar ze vandaan kwamen, was een raadsel. Zijn hoofd was een bingomachine, met herinneringen als de balletjes. Als er een uitrolde, gooide hij die voor je voeten.
Maar ze waren wel vluchtig. Voor je het wist, keerde zijn blik weer naar binnen en viel hij midden in een zin stil om dan na een eindeloos zwijgen weg te lopen. Alsof je niet bestond en ook nooit bestaan had.
Maar hij vergat dus niets. Het kon een dag duren, of een week, veel langer zelfs, maar opeens stond hij dan weer voor je en maakte hij het verhaal af, de tijd tussen de twee momenten verdampte wwar je bijstond.
Een paar weken later, de cold turkey en detox voorbij, zat hij in de zon en zei hij: ‘Kijk, een manke mier.’
Er kwam er een een mier langs met nog maar vier pootjes, een links en drie rechts.
‘Dat is een domme mier, want hij kan alleen in rondjes lopen. Net als ik. Straks komt er een vogel…’
Hij keek me aan, opende zijn mond voor de rest van zijn zin, maar zweeg en staarde langs me heen in de verte. Een dag later vertrok hij naar een begeleid wonen-project en ik zag hem nooit meer terug.
Tot vorige week dus.
Ik ging naast hem zitten.
‘En die neemt me mee,’ zei hij na een poosje.
‘Waarheen?’ vroeg ik.
‘De lucht in. Zo hoog, dat als ik omlaag kijk, jij ook een mier lijkt. Een domme ronddarrende mier.’
Ik zag mezelf bezig.
Hij keek me aan. ’Nou kijk je heel sip. Ben je misselijk, van het rondjeslopen?’
‘Ja, zoiets’.
Je hebt wel eens van die dagen.

Nieuwsgierig

Rear-Window-2

Mijn buurjongen van de overkant is een student met een pragmatische inslag. Hij slaapt veel en heeft weinig geld, dus om zijn kamer donker te houden heeft hij geen gordijnen gekocht, maar de platgevouwen dozen van zijn ikeakasten tegen het raam gezet.
Maar overdag dus niet. Nee, alleen als hij gaat slapen…
Had ik al eens gezegd dat ik nieuwsgierig ben? Nou als je in zo’n smal straatje als dat van mij woont, leer je dat wel af. Je hoeft maar één keer de overburen op de bank te zien tongen en je kijkt nooit meer zomaar naar buiten. Één beeld zegt meer dan duizend woorden, hoor je wel eens, maar om daar op nu zo’n manier bewijs van te krijgen… toen ze even overeind kwamen om adem te halen kon ik zonder moeite tussen haar tanden zien wat ze die avond gegeten had.
Tenminste, ik hoop dat het dat was.
Ik bedoel maar, te veel informatie kan ook.
Over gordijnen gesproken – want daar gaat dit blog over, wacht maar – ik ben eens verliefd geweest op een vrouw waar ik iedere dag langsfietste om naar haar gesloten gordijnen te kijken (ze hield ze namelijk altijd dicht, een nogal duidelijk signaal dat ik toen niet opving). Ja, achteraf beschouwd sneu, maar toen vond ik veel kracht in de tekenen die zij me gaf door die gordijnen op een bepaalde manier te plooien. Dat was natuurlijk allemaal flauwekul, maar dat wist ik niet. Ik was niet helemaal honderd. En dat wist ik dan ook weer niet. Om mijn schade en schande volmaakt te maken, dit speelde allemaal in een tijd dat ik toch al een aardige tijd volwassen was, of nou ja, te oud was om mijn puberale hormoonhuishouding er de schuld van te geven.
Eh… terug naar haar gordijnen.
Toen die op een dag ineens open waren en ik naar binnen keek, bleek haar hele kamer leeg.
Ze was verhuisd!
Ik heb in mijn hele leven nooit zoveel níets bij elkaar gezien.
Niets!
Het tegenovergestelde van liefde is niets. Het witte silhouet van haar bed op het vergeelde behang.
Waarmee ik maar wil zeggen dat nieuwsgierigheid goed is, maar ook gevaarlijk (ja, en soms zielig).
Toch is niet nieuwsgierig zijn nóg gevaarlijker (en vaak zieliger).
Hoezo dat?
Een paar jaar geleden moest ik een groep studenten voorlichting geven over een loopbaan bij de reclassering. Ik hield een verhaal, dat, al zeg ik het zelf, nogal enthousiast van toon was en waarin ik allerlei overtuigende en waterdichte bewijzen leverde voor de onafwendbare carrièrekeuzes die iedereen in de zaal zou maken. Iets anders dan de reclassering zou verspilling van tijd en kansen zijn.
Vond ik.
Tot ik dus op het einde vroeg wie er nog vragen had.
Niemand.
Nu was ik best wel tevreden met mijn verhaal, maar ik wist ook wel zeker dat ik op sommige punten even van geestdriftig vertellen naar rabiaat prediken was afgegleden, dus dat alles klip en klaar was, dat geloofde ik niet.
‘Niemand een vraag?’ vroeg ik nog eens, maar dan zoetgevooisd.
Nee.
Een hele zaal vol mensen die allemaal heel ernstig deden alsof ze hun nog niet uitgerijpte hersenen pijnigden.
Ik zag ze in gedachten tegenover een onder toezicht gestelde zitten.
En stapte van het podium.
Ik schat dat ik die dag door alle foldertjes bij mij te houden en iedereen verkeerde telefoonnummers te geven het huidige landelijke recidivecijfer met zeker vijf procent omlaag heb gebracht.
Risicomanagement is helemaal niet zo moeilijk.
Terug naar de overbuurman. Ik weet niet waarom. O, ja, omdat ik opeens aan Rear Window moet denken. Ik leg niet uit waar die film precies over gaat. In ieder geval ook over nieuwsgierigheid. Gevaarlijke nieuwsgierigheid. Loopt gelukkig goed af, maar wel nadat je eerst van de spanning zo’n beetje van je verstand bent gegaan. Grace Kelly is veel te mooi om gevaar te lopen.
Zoiets als in Rear Window zal mij bij mijn overbuurman en zijn vriendin niet overkomen. Ten eerste omdat hij erg van zijn vriendin lijkt te houden en haar dus niet zal vermoorden (hoewel je zoiets nooit zeker weet, de mens is een raadsel), ten tweede omdat ik geen verkering heb met Grace Kelly (die is niet alleen far out of my league, maar ook dood), en ten derde omdat hij dus gordijnen heeft opgehangen.
De overbuurjongen. Of zijn vriendin, dat weet ik niet. Maakt ook niet uit.
Zwarte rolgordijnen.
Wat dan wel weer als voordeel heeft dat ik nu in zijn spiegelende raam kan zien wat mijn benedenburen zo allemaal doen.
Had ik al eens gezegd dat ik nieuwsgierig ben?

The Old Black Horse Inn

OBH

De pub was volgepakt met luidruchtig drinkende twintigers die voor een tv zaten,  zo groot als biljarttafel, maar dan dus op zijn kant als het ware, sterker nog, dat was het eerste dat ik dacht te zien, een biljarttafel zonder poten tegen de muur geplakt, nogal vreemd, maar niet vreemder dan de hele situatie waarin ik terecht was gekomen, waarover later meer; het was trouwens een voetbalwedstrijd, op die tv, ook groen, dus zo raar was mijn associatie niet.
Goed, voor die reusachtige tv dus een kleine menigte Mancunians of Gunners of wat voor een koosnamen die voetbalfans ook hebben, ik had geen tijd, laat staan de rust om ook nog eens te checken wie er tegen wie speelden, en daaromheen zaten vijf of zes, ik heb ze niet geteld, op hun barkruk ingedutte oude mannen die om het allemaal nog spannender te maken daar telkens bijna vanaf vielen en dan precies op tijd wakker schrokken om enigszins besmuikt hun evenwicht te herstellen en mee te juichen of joelen, al naar gelang de algemene stemming. Het leek op zo’n act met bordjes op van die wiebelige dunne stokken, maar dan met een of andere  variété-engel als jongleur, die ergens tussen hemel en aarde vilein zijn act stond te oefenen.
Het meisje achter de toog had blauw haar.
Dit had ik allemaal niet verwacht. De pub niet, de drinkende voetbalfans niet, de suffende oudjes niet, het meisje niet.
Haar blauwe haar daarentegen stelde me wel gerust. Mooie kleur. Zeker temidden van de verder volstrekt grauwe en donkere, om niet te zeggen duistere kroeg.
Dat is-ie in mijn herinnering tenminste.
Maar ja, in zulke situaties is mijn geheugen niet zo heel erg goed. Want toen ik daar stond en me heel sneu en eenzaam aan het blauwe haar van dat meisje vastklampte (ja, figuurlijk, ik zeg het maar even, het was allemaal al bizar genoeg) zou ik gezworen hebben dat The Old Black Horse Inn op de foto’s die ik op internet bekeken had een aller schattigste kruising was van het geboortehuis van miss Marple (ik leg niet uit wie dat is) en een eftelingattractie.
Een echt Engels hotel.
The Old Black Horse Inn, hoe Brits wil een mens het hebben?
Dat old klopte. Zo’n beetje alles was oud. Behalve dan het meisje achter de bar dan, dat eruit zag als dertien. Misschien was ik verkeerd? Moest ik bij The New Black Horse Inn zijn? Zo’n stijf en statig, geheel uit dik tapijt en veloers gordijnen opgetrokken paleis met overal glimmende lakeien en een heuze receptie met mahoniehouten balie waarachter een bijna hooghartige matrone (een vrouw, drie en een half keer zo oud als het meisje) kamers toewijst alsof het haar eigen persoonlijke en hele creatieve ingeving is.
‘Hi there, how are you today?’ vroeg het meisje. Die vraag snap ik nooit. Dat wil zeggen, ik heb dan altijd de neiging om uit te gaan leggen hoe ik me die dag voel, maar da’s niet de bedoeling geloof ik, want als ik dat doe, krijg ik altijd glazige blikken terug.
Vraag het dan niet, wil ik dan zeggen, maar hoe dat beleefd pissig in het Engels moet, weet ik niet.
Dus ik zei: ‘I’ve booked a room here.’
Wat u niet kunt horen is de vertwijfeling in mijn stem. Het leek me nog steeds sterk dat ze in The Old Black Horse Inn kamers verhuurden. Maar het meisje knikte en vroeg me mijn naam. Tóén schrok ze. Ze herhaalde wat ik zei alsof het een vloek was, of nee, alsof ik ‘hij-die-niet-genoemd-mag-worden’ in hoogst eigen persoon was, en ging hulp halen.
Dat was een jongen die een formulier had waarop mijn naam stond, inclusief enkele beloften die ik moest doen en een stippellijntje om mijn handtekening op te zetten.
Ik tekende zonder iets te lezen of vragen te stellen, veel gekker kon het niet worden, leek me, en daarna brachten ze me samen naar mijn kamer.
Ho, dat klinkt gezelliger dan het was. Vergeet dat.
Het meisje bleek nieuw en de jongen verzon ad hoc een training on the job: zij moest alles doen en zeggen terwijl hij haar zou coachen en soufleren.
Wat ík moest doen, zei hij niet. Gewoon wat alle gasten doen, dacht ik dan maar, maar lieve help, gewoon was inmiddels het laatste wat in mij opkwam. Mijn leven zou sowieso heel anders zijn geweest en gelopen als ik meteen vanaf het begin had begrepen wat gewoon was. Zie mijn andere blogs.
Eh…
We gingen met zijn drieën door een deur naast de bar om uit te komen in een smal gangetje dat naar een al even smalle trap leidde. Daar kwam de jongen erachter dat we in de verkeerde volgorde liepen. Hij voorop, ik in het midden en het meisje achteraan, dat moest natuurlijk precies andersom.
Bovendien had hij de sleutel in zijn hand en dat was ook de bedoeling niet. Hij gaf hem aan mij, zonder te zeggen dat ik hem aan het meisje moest geven, want hij was veel te druk om haar met gebaren en gefluisterde aanwijzingen naar de kop van onze kleine optocht te dirigeren. Toen dat stukje bij beetje tot haar doordrong, overlaadde hij mij met een serie nauwelijks te aanvaarden verontschuldigingen (hoe doen ze dat daar toch, excuses maken waar jíj je dan vervolgens schuldig over voelt?) terwijl hij voor mij langs ging op weg naar het meisje dat op haar beurt aan de andere kant van mij naar voren toog.
Als u met mij wil medeleven, neem dan in gedachten dat híj mijn koffer droeg en zíj mijn tas en dat het trappetje dus erg smal was. Er pasten nog net een paar nieuwe excuses bij.
‘We’re going to the first floor, room two,’ zei de jongen toen we goed stonden. Het meisje keek panisch in het rond. Door al het gedoe was ze vergeten dat de eerste verdieping naar boven was. Ze botste tegen me op toen ze weer terug wilde, nee, stommelde in mijn armen.
Synchroonblozen, is dat een woord?
Doet er niet toe, we deden het.
Heel erg.
Toen ik me weer kon bewegen, wees ik naar een deur tegenover de trap, waar een grote 2 op was geschilderd. Ze glimlachte.
Wij erheen.
Nadat we er een paar tellen stil hadden getsaan, zei de jongen: ‘Now you open the door.’
Sleutel kwijt!
Ja, die had ik in mijn hand, maar dat waren we alle drie vergeten.
Ik sla het verslag van de uitgebreide en hilarische zoektocht naar dat ding over. Ons gezamenlijk lachen daarna ook.
Deerniswekkend was het enige woord dat in me opkwam toen ik tien minuten later op de rand van het bed ging zitten.
En opzij zakte.
En mijn ogen sloot om niet gek te worden van de stotterende tl-buis.
En naar het gedruppel van de douche luisterde.
En in slaap viel.

Tafeltje voor twee

Lebowski

De digitale revolutie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Nou heb ik het niet zo op veranderingen, zeker niet als ze snel gaan en van alles op zijn kop zetten, wat bij een revolutie meestal het geval is, maar ja, ik wil ook het contact met de rest van de maatschappij niet verliezen (nee, toch maar niet), en mijn moeder koopt kaartjes voor het concertgebouw vanuit haar sta-opstoel met haar iPad op schoot, dus tja, een tafel voor twee reserveren in een eetcafé, daar moet ik ook maar eens aan.
Dacht ik.
Eh… een raar woord eigenlijk: ‘sta-op-stoel’. Ik bedoel, een meubelmaker wil mensen lekker laten zitten, lijkt mij, niet hen te helpen met opstaan. Als je een stoel maakt waar je doelgroep niet uit kan komen, moet je toch eens over je vak na gaan denken. Ik schiet trouwens altijd in de lach als ik zo’n ding zie, want ik stel me dan voor dat door een fabricagefout zo’n oudje op een dag de huiskamer in gelanceerd wordt.
A vicious mind is a joy forever.
Waar was ik?
O ja, digitaal tafeltje voor twee.
Het café dat ons wel wat leek had een website vol met foto’s van opgezette dieren. Niks voor vegetariers, dus. Maakte niet uit, want wij wilden hamburgers.  En Belgisch bier.
Vader en zoon op stap.
In het kadertje waarin in uitnodigende kapitalen ‘METEEN RESERVEREN’ stond, hadden ze ook dit geschreven: “Voor vandaag reserveren? Bel ons even en we kijken meteen even of er nog een tafel vrij is”.
Tot zover de digitale revolutie.
Jammer.
Want ik vind bellen eng. Mijn hele leven al.
Dus ik probeerde of ik echt niks kon typen. MIsschien was de mededeling over vandaag wel iets van gisteren wat ze vergeten waren weg te halen. Jawel hoor, alles werkte gewoon. 27 seconden later had ik een vrolijke bevestiging van mijn reservering.
Hoera!
Toen we ’s avonds binnenkwamen besloeg mijn bril. De rest van Utrecht was er ook, dampend van opwinding over het aanstaande weekeinde. Dat vind ik altijd een beetje sneu, want wat voor een leven hebben die mensen doordeweeks, vraag ik me dan af. Het duurde ongeveer vijf minuten voor we door hadden wie er van de bediening was en nog eens vijf minuten om een van hen door de menigte te volgen tot die (het meisje van de bediening) eindelijk stil bleef staan bij een tafel vol lege glazen. Op mijn mededeling dat ik een tafeltje voor twee had gereserveerd, zei ze dat ik daarvoor bij de bar moest zijn. Ze wees waar we moesten zijn.
Het was in de richting van Zeist. Daar moesten we naar Hester vragen.
Zo gezegd zo gedaan. Onderweg vroeg ik me af waar de tent zijn naam vandaan had. Er was nergens een tapijt te bekennen. Ook geen bowlingballen omgebouwd tot schemerlampen of kegels als geinige items aan hun touwtjes van het plafond naar beneden… In plaats daarvan overal wilde dieren.
Opgezet.
Hester was aan het praten met een jongeman.
Een moeilijk gesprek waarvoor ze telkens medelevend moest knikken. ‘Ja, maar dat is juist heel goed dat je dat bij haar hebt aangegeven!’ hoorde ik haar zeggen. ‘Anders blíjft ze dat doen…’
De jongen knikte. Zweeg. Twijfelde.
Ik ook; ging het over zijn moeder of over zijn ex?
Hester zocht zijn blik.
Wij wachtten.
Hm…
Misschien moest ik toch maar bellen?
Nee, ze zou vast niet opnemen.
Maar wat als ik nou mijn geduld verloor? Dat overkomt me wel eens. Het is niet leuk, voor mij noch voor omstanders, en ik weet jammer genoeg van tevoren nooit wanneer het gebeurt. Soms ben ik mijn geduld na een halve seconde al kwijt, soms pas na een paar jaar. In dit geval wist ik het niet. Ik besloot er niet op te wachten.
’Ben jij Hester?’ vroeg ik.
Ze glimlachte.
(Maar niet heus.)
Knikte.
‘We hebben een tafeltje voor…’
’Moment. Ik kom zo bij u. Ik wil even mijn gesprek afmaken.’
Ze legde haar hand op de jongen zijn arm.
Ik staarde naar Hesters hand en daarna naar het kippenvel op de jongen zijn arm. Ik kreeg medelijden met hem. En een hekel aan Hester.
Dat zag de vrouw die een meter verderop bierglazen aan het spoelen was. Ze droogde haar handen af en vroeg of ze mij kon helpen.
‘Ja, een tafeltje voor twee. Heb ik gereserveerd.’
Ze pakte een a4tje met een schema erop: namen, tijden, aantal personen. Wij stonden er niet bij.
‘Hoe heeft u gereserveerd?’
‘Op jullie website.’
Ze schudde haar hoofd en liep weg.
Dat kan natuurlijk ook! Dat ik daar zelf nooit aan denk! Gewoon weglopen! Dat zou een hoop misverstanden schelen. Ja, en sociale contacten, maar ja als u eens wist wat die misverstanden voor een schade aanrichten…
Maar daar gaat het nou niet over.
De weggelopen vrouw had Hester uit haar romance getrokken om aan mij dezelfde vragen te laten stellen. Maar Hester liep niet weg. Nee, Hester wees me erop dat die mededeling over opbellen er niet voor niets had gestaan. ‘Op zaterdagen is het te druk om de website te checken.’
Dit was een mooie trigger voor een driftbui vol verloren geduld.
Dacht ik.
Maar er gebeurde niks. In plaats daarvan schoot ik in de lach. Het was te absurd. En dat bleef zo, want ze liep ten slotte ook weg, maar dan in de veronderstelling dat we haar zouden volgen. Toen we daar achter kwamen, stond ze in de verte triomfantelijk naast een leeg tafeltje.
En naast een opgezette giraf.
Een halve opgezette giraf. Zijn buik hield op bij de muur.
Hij keek droevig op ons tafeltje neer.
Dat snapten wij ook wel.
En al helemaal toen we even later de kaart bekeken.
Stomme hamburgers. Veel te klein.
Stom bier. Allemaal IPA’s van hippe dertigers.
We stonden op en liepen weg.
Tip: dat is echt een hele goede oplossing voor heel veel onaangename situaties.
Buiten ging ik op mijn iPhone naar de website van het restaurant.
‘Wat doe je?’ vroeg mijn zoon.
‘Even netjes annuleren,’ zei ik.
27 seconden later had ik mijn bevestiging.
‘Jammer dat je niet komt. Tot een volgende keer!’

Inbraak

bromsnor-300x285

Goed, ik moet niet zo vroeg opstaan, want dan lig ik tenminste te slapen op het belachelijk vroege uur dat junks kennelijk uit stelen gaan. Maar ik was wakker, keek naar buiten en zag iemand in de auto van de overburen grasduinen. Eerst dacht ik nog dat het de buurman zelf was want het zag er allemaal nogal relaxed uit, maar toen herinnerde ik me dat hij van de overbuurvrouw gescheiden was en vond ik het bij nader inzien eigenlijk ook wel een rare tijd (04.45 uur!) om in het handschoenenkastje van je auto te gaan graven.
Maar ja, ik wilde niet te snel oordelen, want ik wordt zelf regelmatig midden in de nacht wakker om mij dan af te vragen waar ik mijn paspoort ook alweer gelaten heb, of die ene onverzonden liefdesbrief, het papiertje met mijn wachtwoord van dropbox, het bonnetje van de nieuwe stofzuiger, et cetera.
En die dingen ga ik dan zoeken.
Overal.
Dus eh… nou ja, misschien had de buurman dat ook.
Dacht ik.
Denken – dit soort denken, bedoel ik – is nogal nutteloos in urgente situaties als inbraken, snap ik heus wel, maar ja, ik ben een zenuwlijder, dat gaat maar door in mijn hoofd.
Het is een ziekte.
Toen ik eindelijk mijn mobieltje gevonden had, was de dief weg. Ik belde toch. De mevrouw van de 112 stelde mij vragen en zei: er rijdt nu een wagen aan.
Jargon! Ben ik dol op!
Wíé rijden ze aan? wilde ik vragen, maar dat leek me net even te bijdehand, zeker met een vers misdrijf voor mijn neus waar ik niet veel aan had weten te doen.
Vijf minuten later tufte er een politieauto door de straat, twee minuten later dezelfde nog eens (vanaf de andere kant), en weer twee minuten later stopte hij bij de auto van de overburen. Dat lijkt knullig voor een buitenstaander (dat was inderdaad precies wat ik dacht: knullig) maar dat was het natuurlijk niet. Ze waren vast en zeker eerst gaan rondrijden (vervolg op aanrijden) om te kijken of ze de dader elders zouden kunnen betrappen.
Bedacht ik toen de agenten uitstapten. Ze keken nog eens rond, zagen mij voor het raam staan en wenkten me.
Een van de twee had al voor mijn deur postgevat om mij vragen te stellen. Hij pakte een aller schattigst notitieboekje om mijn antwoorden in op te schrijven.
Toen moest ik aan de kroeg denken waar ik laatst een een kopje thee had besteld, wat de bediening stantepede in haar mobile device had ingevoerd, waarna ze het achter de toog al waren gaan het zetten terwijl ik nog over de smaak aan het twijfelen was.
De moderne tijd is niet voor zenuwlijders.
Lang leven de agent met zijn boekje.
Wel jammer dat meer dan de helft van de agent zijn vragen dezelfde vragen waren die de mevrouw van de 112 ook al aan mij gesteld had. Dat bedierf mijn warme herinneringen aan Bromsnor (ik ga niet uitleggen wie dat is) die vijftig jaar geleden ook zo’n boekje had, en een potloodje waaraan hij gezellig likte voor hij ging schrijven. Ik kreeg sterk de neiging om breedsprakig te worden, om de agent zodoende eindeloos aandoenlijk te laten voortpriegelen, maar dat deed ik niet, want ik stond in een rafelige ochtendjas op de stoep nat te worden van de miezer.
’s Morgens om (inmiddels) 05.30.
En ik besefte dat het eigenlijk wel goed was zo. Ik zag opeens de digitale variant van dat opschrijfboekje en een akelige big brother met big data die ergens in zijn onnoemelijke geheugen opsloeg dat ik kennelijk bij nacht en ontij getuige kan zijn van auto-inbraken om bij de volgende keer mij te vragen of ik wel een alibi had. En ik zag mijzelf vergeefs om een kopje thee vragen bij een weigerende ober die in zijn apparaatje heeft gelezen dat ik nog een boete voor fietsen zonder licht heb openstaan.
Lekker integraal maar ook irritant.
Toen fietste verderop iemand een dwarsstraat uit die precies aan mijn beschrijving van de dief voldeed.
Vonden de agent die de auto van de buurman bewaakte.
Hij een sprong in de politieauto terwijl mijn ondervrager luid ging staan praten in zijn vérspreekapparaat, kennelijk om weer een andere collega elders aanwijzingen te geven voor de achtervolging. Dat kwam niet goed door, want hij herhaalde het drie keer, telkens harder en langzamer.
In andere huizen van de straat gingen ook lichten aan. Ik stond even oog in oog met een van de studente van nummer 37. Ze bekeek mijn ochtendjas. Of mijn sloffen, dat kon ik niet goed zien.
Allemaal even onterend.
De agent liep tevreden – vraag me niet waarom – naar de auto van de overbuurman en/of buurvrouw om die nog eens te inspecteren.
‘Heeft u mij nog nodig?’ vroeg ik.
Hij bleef staan en zei: ‘Nee, dank u.’
Het was alsof we een scene uit herenleed deden.
Ik kan niet wachten op de brief waarin hij met veel bijbehorende stempels, parafen en handtekeningen het verslag van dit alles aan mij toezendt.