Ergens in de jaren 80 kocht ik een zwarte leren broek, In de uitverkoop. Destijds was zo’n broek sexueel neutraal. Ik leg nog uit waarom ik dat per se opschrijf.
Mijn achterbuurman was een gecertificeerde relnicht die er dagelijks een droeg, maar mijn toenmalige zwager, die zoals hij mij vaak zei ‘meer vrouwen had gehad dan ik aardappelen gegeten’ droeg er ook vaak een.
Een leren broek was van alle gezindten en ik had er dus een, die zonder dat ik het wist in de afgelopen twintig jaar van liever lede een homosueeel attribuut werd. Daar kwam ik pas achter toen ik na een grote schoonmaak dat ding uit de kast haalde (pun intended) en op marktplaats zette.
Mijn god, de details die ‘geïnteresseerden’ over die broek wilde weten! Binnenbeenlengte, buitenbuitenbeenlengte, taille… lieve help. En ik had niets door. Al die lieve jongens informeerden naar míjn afmetingen!
Ja, lach maar.
Uiteindelijk, toen een mogelijke koper genaamd Playboy mij vroeg of de broek glom en zo ja, waar dan precies, begon mij toch iets dagen. Maar nog pas nadat ik mijn antwoord begon met ‘hallo…’ en er ‘Playboy’ achter wilde typen. Opeens zag ik een harige man met ontbloot torso en een matrozenpet op.
De volgende koper heette Woelrat . Nu ken ik mijn klassieken, dus dit keer snapte ik het meteen. Of hij langs mocht komen om te passen. Hij moest toch in U. zijn.
Hm. Ik had veel zin om dat af te slaan, maar die broek werd van liever lede een of ander dreigend object waar ik snel vanaf wilde, dus ik maakte een afspraak.
Een week later hinkte Woelrat als een ooievaar op één been (ik vermijd hier het woord poot) voor ons dressoir, zijn andere been halverwege de pijp van mijn lederen broek terwijl ik decent naar buiten staarde. Toen ik weer opkeek, stond hij minzaam aan de kennelijk te ruime plooien van de broek te plukken.
God mag weten waar ik het vandaan haalde, maar voor hij iets kon zeggen snoerde ik hem de mond met loftuitingen over de manier waarop de broek hem iets extra’s gaf. Ja, het leer gaf hem een bepaalde uitstraling, die…
Twee tellen later, stond ik winkeltje te spelen. Of nou ja, winkeltje… modezaak! Ik gaf Woelrat het ene na het andere rake advies over de combinaties die hij zou kunnen maken met andere kledingstukken en niet veel later had ik hem niet alleen de broek, maar ook een groot deel van mijn eigen en Cavia’s garderobe verkocht, waaronder diens hele verzameling zwembroeken, die Woelrat gelukkig niet allemaal hoefde te passen, omdat hij inmiddels alles blind van me aannam en in zijn tas propte.
Het is wat. Het ene moment weet je niet beter of je bent je hele leven beleidsmedewerker om de godganse dag notities te schrijven, en het andere moment blijk je opeens de getalenteerde eigenaar van een modezaak.
Als het ware.
Ja, mijn opa had een manufacturenwinkel (garen, band, knopen, dat soort dingen, maar ook pyjama’s, ondergoed en bh’s) en ik hielp hem wel eens als het druk was, maar dat ik er kijk op had, dat was toen nooit tot mij doorgedrongen. Pas toen Woelrat met een volgeladen auto de straat uitreed, kwamen de herinneringen aan die winkeltijd boven. Zoals de diep gedecolleteerde mevrouw die voor mij was komen staan om een stukje van haar bh tevoorschijn te trekken en mij hees te vragen of wij die ook strapless verkochten, en dat ik haar toen zonder blikken of blozen had aangeraden om geen strapless te dragen omdat ze daar de schouders niet voor had. Had ik toen maar geweten waar ik die wijsheid vandaan haalde (want het was waar), dan had ik nu geen memo’s en impactanalyses geschreven, maar jurken en pakken verkocht.
Maar geen leren broeken.
Ik bedoel lederen.
Ik ken mijn klassieken.
Categorie archief: Overleven
Omarmen
Laatst omarmde iemand me bij het afscheid. Ongemakkelijk gedoe als je klein bent zoals ik en de ander groot. Ik moest een beetje op mijn tenen staan.
Geen houding voor een volwassen man, vind ik.
Maar goed, toen herinnerde ik wat iemand laatst in een vergadering had medegedeeld: ‘de besteding van het Kollema-budget is door het hoofdbestuur omarmd.’
Hoe bizar klinkt dat? Het is trouwens nog bizarder om het dan later in de notulen te lezen. Vooral omdat ik dat hoofdbestuur daar dan mee bezig zie. Ja, kinderachtig, maar ik kan dat niet voorkomen. Vraag me niet wat ik dan zie. Dat is vaag. Hoge dames en heren op een soort staande receptie. Uitbundig.
Omarmen dus. Iedereen doet het. En echt van alles. In mijn wereld omarmen mensen vooral beleid of besluiten over beleid.
Ja, ik weet ook wel dat omarmen een ander woord voor aanvaarden is. Maar waarom dan niet gewoon aanvaarden?
Omdat omarmen vager is. Dat is heel handig als het over besluiten gaat. Want besluiten, nou ja, dat zijn best wel een soort van confronterende dingen. Of zo. Voor je het weet, kun je geen kant meer op en moet je doen wat je gezegd hebt.
Als je een knoop doorhakt, gaat het touw kapot. Dat is definitief. In de wereld van beleid doen mensen dat niet. Nee, die ‘werken naar besluitvorming toe’. Dat is om in de metafoor te blijven: aan het touw peuteren.
Terwijl je dat doet, schep je dan weer wel ‘ruimte voor voortschrijdend inzicht’.
Kent u dat? Dat is echt helemaal handig!
Bijvoorbeeld als je een dan eindelijk toch een besluit genomen hebt en het toch niet zo’n fijn besluit vindt, omdat je je vergist hebt. Maar vergissen, dat is niet zo stoer, dus dat zeg je dan natuurlijk niet. Nee, dan beroep je je op voortschrijdend inzicht. Het mooie daarvan is dat het je overkomt. Het is het ínzicht zélf dat voortschrijdt.
Stout inzicht! Foei!
Bij je therapeut heet dat externe attributie en in het gewone leven een smoesje.
Inzichten kun je overigens ook omarmen. Vraag me niet wat er gebeurt als ze tijdens de omarming voortschrijden. Ik denk dat het dan beter is om even niets te doen en te wachten tot het over gaat.
Dat is met veel dingen vaak het beste trouwens. Niets doen wordt zo onderschat tegenwoordig.
Níét omarmen, dat is je ware.
Alhoewel. Toen ik laatst uitgleed met mijn racefiets, over de weg schoof en de bestelbus achter mij met zijn bumper tegen mijn schouder tot stilstand kwam, en de bestuurder en ik na een poosje hijgend van de ongeconsummeerde doodsangst midden op de polderweg tussen de weilanden onder jachtige wolken tegenover elkaar stonden tot we stukje bij beetje op adem kwamen en beseften dat het allemaal goed was afgelopen, stapte hij op me af om me te omarmen.
Een enorme gozer van een jaar of twintig, twee koppen groter dan ik.
‘O man, ik ben zo blij dat je nog leeft,’ fluisterde hij.
Daar denk ik nog vaak met weemoed aan terug.
Noa
Vanmorgen om kwart over vijf fietste er een vrouw door de straat die om de drie vier tellen zangerig ‘Noa!’ riep.
Zoals je een kind roept dat zich verstopt heeft. Zogenaamd in paniek. Of, nee, het klonk wel iets échter, zoals je een poes lokt.
Langgerekte ‘o’, korte ‘a’.
Meer een ‘ah’, eigenlijk.
‘Noooah…’
Die puntjes horen erbij.
Sirene zonder overtuiging. Mooi gezongen, maar tegen beter weten in.
Verwarrend allemaal.
’s Morgens om kwart over vijf.
Niet iets om monter de dag mee te beginnen. Daar ben ik toch al niet zo goed in, monter de dag beginnen.
Überhaupt, de dag beginnen, monter of niet, niks voor mij. Als ik moet kiezen tussen slapen en waken, neem ik het laatste, maar dan alleen omdat slapen echt zonde van je tijd is, niet omdat wakker zijn zo leuk is. Of nou ja, wakker wórden, dat is gedoe. Het eerste kwartier van de dag, dat is ploeteren, daarna gaat het wel, maar de angst dat ik die vijftien minuten niet doorkom, is vreselijk.
En dat dan iedere dag.
Het is een ziekte.
De remedie is toch niet anders dan de dag maar beginnen. Bij de minste of geringste aankondiging van dageraad met een soort doodsverachting zonder dralen aan de slag.
Aan de slag, dat is denken. Dat gaat gelukkig vanzelf. Mijn hoofd doet doet dat.
Toen de vrouw langsfietste ook. Ik luisterde naar de vergeefse Noa’s, hoorde hoe ze een voor een wegstierven terwijl de vrouw de straat uitfietste, en ergens in mijn verstand kwam een voorstelling van haar te voorschijn.
Om een of andere reden leek ze op de vrouw die ik eens had gezegd dat ik het blauw van haar jurk prachtig vond kleuren bij haar ogen. Of nee, ik had alleen gezegd dat ik die kleur mooi vond.
Yves Klein-blauw. Ik heb ooit een van zijn sponzen in het echt gezien en alle besef van moraal verloren terwijl ik bedacht wat ik zou moeten doen en/of laten om het werk bij mij op het dressoir te krijgen; gewetenloze delicten, alles voor schoonheid.
Hoewel ze me in haar ogen liet kijken alsof ze wist wat ik niet had durven zeggen, en hoewel ik toen bloosde, en hoewel we toen lachten, heb ik haar daarna nooit meer gezien.
Tot ze opeens door mijn straat fietste.
In mijn gedachten dan.
Ik wist niet eens of ze bij mij in de buurt woonde.
Ik wist niet eens of ze wel een kat had.
Wist niet eens of Noa een kat was.
Moest haast wel. Ik kon me geen ander dier voorstellen dat je Noa zou noemen. Een hond? Nee, een hond genaamd Noa, dat is gewoon zielig. Dito voor parkiet, cavia, hamster, woestijnrat, slang, schildpad, eh… een paard, dat zou nog kunnen. Maar zo’n beest raak je niet zomaar kwijt, dunkt mij. En als je dat doet, vind je het zo weer terug.
Toch?
Ik had in ieder geval rechtop in bed gezeten als er een Friesche hengst door de straat had gedraafd.
Goed, dus Noa was een kat, en ze was zoek, maar hoezo gaat die vrouw dan ’s morgens om kwart over vijf op zoek? Ik bedoel, kan zoiets niet wachten tot de dag een beetje op streek is?
Kennelijk niet.
Wat alles nog droeviger maakte dan het al was.
Want radeloos.
Wanhopige sirene, dat kan eigenlijk niet.
Had ze de hele nacht gewacht tot Noa thuis zou komen? Zoals Joni Mitchell, waiting for a car on the hill?
Oh, hoeveel van die nachten heb ík niet gek van angst bij het raam doorgebracht. Verliefd zijn is mooi, maar de hele tijd overgeven en huilen als een kind… dat dan weer niet.
Misschien had ik beter als de vrouw kunnen doen. Op mijn fiets door de straten rijden om de naam van mijn geliefde te zingen. Dat was tenminste iets.
Nutteloos maar romantischer.
Dus eh… misschien was Noa wel gewoon de vrouw van die vrouw?
Ja! Ik zag haar meteen voor mij. Zo genadeloos lief en mooi dat een mens er alles voor over zou hebben om van haar te mogen houden.
Gewetenloze delicten.
Terwijl ze zelf niet besefte waarom. Zulke vrouwen bestaan (mannen ook, Ramses Shaffy bijvoorbeeld, heb ik eens gelezen). Geen flauw benul van de liefde die ze oproepen. Laat staan van het bijbehorende verdriet.
Wedden dat die Noa doodgemoedereerd ergens een laatste sigaret van een nacht doorhalen zat te roken en onthecht van het alledaagse bestaan op de zonsopgang wachtte terwijl ze ergens in de verte haar naam tussen de huizen hoorde kaatsen?
En wedden dat ze dacht dat iemand een kat riep?
‘Duh! Om half zes. Hoe bizar is dat?’ fluisterde ze tegen zichzelf.
Ik draaide me op mijn zij en keek op mijn wekker.
Ja, verdomd, half zes.
Yes!
Rood
De verpleegster heette Gladys en ze was erg mooi. Maar ze duwde mij ook in een knalrode rolstoel door het half verlaten ziekenhuis, waardoor schoonheid opeens een aspect van het leven was waar ik niet lang bij stilstond.
Alhoewel. Het troostte me wel.
We reden langs de glazen wand van een schemerige binnentuin. Donker en zwijgend struikgewas achter dertig vierkante meter plotselinge spiegel.
‘Kijk daar gaan we,’ zei Gladys.
Witte man, zwarte vrouw, rode rolstoel.
‘Zo heeft u zichzelf waarschijnlijk nog nooit gezien?’
Nee.
My first wheelchair.
Hij was verplicht. En dus absurd. Wie een ziekenhuis binnenstapt moet ziek doen. Voor zich laten zorgen.
Kan ik niet. Maar ja, ik kan zoveel niet.
Twee uur daarvoor was ik tegen een auto opgeknald, door de lucht gevlogen (vermoedde ik), had ik mijn racefiets uit een berm vol brandnetels getrokken, adresgegevens uitgewisseld met de automobilist, samen met een voorbijganger alles wat krom was aan mijn fiets weer recht gebogen, mijn door elkaar geschudde gedachten en herinneringen bij elkaar geveegd, en ten slotte dertig kilometer terug naar Utrecht gefietst (in minder dan één uur, wind mee).
Thuisgekomen dacht ik, toch maar even checken of alles goed is. Lang leve de techniek, mobieltje op selfiestand naar de achterkant van mijn oor laten kijken terwijl ik voor de spiegel stond; schilderij van Margritte, of zoiets, inclusief Droste-effect: diepe snee.
Bloed.
Knalrood.
Daarna gedoucht, naar het ziekenhuis gefietst (andere fiets), verhaal verteld (3x), en twijfel gezaaid, want was ik nou buiten bewustzijn geweest of niet?
Ja, in de lucht.
Dacht ik.
Wist ik niet meer.
Hm.
Naar de neuroloog.
In een rolstoel, want verplicht.
Absurd.
Knalrood.
Ik zag ‘Don’t look now’; de hele film in een paar seconden. In iedere scène tergende dreiging van datzelfde rood. Meteen in de eerste minuut te beginnen met het regenjasje van een verdronken kind.
Kwam niet meer goed, dat had ik aan alles gevoeld. Toch uitgekeken.
Had ik niet moeten doen, dacht ik, veertig jaar later, in de rolstoel.
Opeens dreiging alom.
Gladys glimlachte naar me via de spiegelwand.
Troost.
‘Sorry,’ zei ze. ‘We willen niet dat u valt.’
‘Ik ben al gevallen. En door de lucht gevlogen en opgestaan, en…’
‘We weten nog niet of u iets heeft. Vandaar.’
‘…’
‘Die rolstoel.’
Ik glimlachte terug.
Berustte.
Ziek zijn ís absurd.
Wat de neuroloog per se nog eens wilde bewijzen. Hij gebood me uit de rolstoel en liet me op mijn blote voeten over een denkbeeldige lijn lopen, op m’n hakken, op m’n tenen, terwijl hij ernaar keek alsof hij bang was dat het verkeerd zou gaan maar niet wist wat verkeerd was.
‘Kunt u uw ogen sluiten en met uw linkerhand uw neus aanraken?’ vroeg hij. Dat kon ik. Ook met mijn rechterhand. Toen ik mijn ogen opende, lachte Gladys me weer toe.
‘We gaan een scan maken.’
Van mijn hoofd.
‘En daarna ga ik een chirurg zoeken.’
Voor mijn oor.
Hechtingen! Alle plekken op mijn lijf waar ik ooit met naald en draad behandeld was, begonnen te steken alsof het gisteren gebeurd was.
Gladys las mijn gedachten en liet haar blik langs mijn herinneringen gaan. Ze bekeek mijn oor.
‘Misschien kunnen ze het plakken.’
Troost was haar reden van bestaan.
Niet waar natuurlijk, maar wel een mooie gedachte. Die hield ik vast tot ze me ten slotte kwam vertellen dat ik weg mocht. Alles was goed, op één ding na.
‘Woont u alleen?’
Ik knikte eerst ferm en daarna zielig, maar dat hielp allemaal niet, want in mijn uppie de nacht in, dat mocht niet. Punt.
Tot zover de troost.
Streng.
Iemand moest mij om de twee uur wekken en checken of ik nog wel bij mijn verstand was.
Dat kwam mijn dochter doen. Om half een verscheen ze de eerste keer slaperig naast mijn bed, om te vragen wie zij was.
Dat wist ik heus wel.
‘Gelukkig heb je nooit een rood regenjasje gehad,’ hoorde ik mijzelf zeggen.
Ze glimlachte.
‘En wie ben jij?’ vroeg ze.
‘René… René Magritte.’
Toen belde ze voor de zekerheid toch maar even de dokter.
Gokken
De vrouw van de krantenkiosk sprak om met Carmiggelt te spreken (ik ga niet uitleggen wie dat is) een verwoestend soort Utrechts dat niet alleen door merg en been ging, maar ook iedereen in de winkel bang maakte, mij tenminste wel. De gezichtsuitdrukkingenen die zij er voor de halve verstaanders gratis bijgaf maakten het er niet veel beter op. Angstaanjagende blik in haar ogen had ze.
De oude gebogen Antilliaan voor mij trok zich er niet veel van aan. ‘Hetzelfde recept,’ mompelde hij.
Bedeesd, maar vastberaden. Hij kende de vrouw, denk ik.
Ze keek hem aan. ‘Je wil de lotto spelen?’ Het klonk alsof ze vond dat hij er nooit veel van bakte.
‘Ja, net als altijd.’
‘Het is morgen superzaterdag, dus dubbele trekking. Wil je dat ook?’ Hij knikte.
‘Dat is ook twee keer zo dúúr!’
Hij knikte weer. ‘Ja, ik wil twee keer.’
‘En ga je weer zelf de nummers kiezen?’ Nu was wel duidelijk ze hem een hele belabberde lottospeler vond.
Lotto spelen leek me geen vaardigheid waar waar je goed of slecht in kon zijn, maar bij gokkers ligt dat anders. Ik heb eens in dezelfde winkel een klant zijn beklag horen doen over de ‘kutloten’ die hem de week daarvoor verkocht waren. Daar was namelijk helemaal niks op gevallen!
Niks!
Voor de zoveelste keer! Hij dacht erover om elders zijn loten te gaan kopen.
Een nogal bizar verwijt en een even bizar dreigement, maar nog bizarder waren de verontschuldingen van de verkoper, die beterschap beloofde.
De mens is een raadsel.
En een hele slechte statisticus.
Terug naar de Antilliaan. Hij wachtte geduldig tot de vrouw op de kassa een paar toetsen had ingedrukt.
‘Ja, zeg het maar,’ riep ze.
De man noemde zijn nummers. Hij dacht er telkens zo lang over na dat hij na de vierde niet meer wist hoeveel hij er nog moest.
‘Twee,’ zuchtte de vrouw en toen hij na de laatste bleef staan peinzen, vroeg ze luid en langzaam of hij zeker wist dat dit ze waren. Ze declameerde het hele rijtje nog eens en de man zei dat het goed was. Daarna moest hij een kleur noemen. Hij keek vertwijfeld rond en kwam uiteindelijk bij zijn schoenen uit.
‘Bruin!’
De vrouw schudde haar hoofd. Dat was kennelijk een hele domme kleur. ‘En dit hele setje dus twee keer,’ herinnerde ze hem.
‘Nee, wel twee keer, maar andere nummers.’
‘Je zei dubbele trekking! Het is superzaterdag!’
Er ontstond een discussie over het verschil tussen twee loten met andere cijfers en hetzelfde lot twee keer en welke variant de meeste kans op zou leveren. Ze kwamen er niet uit. En ik besloot me er niet mee te bemoeien, want ik kansberekening, daar waag ik me niet aan. De mens is een slechte statisticus.
Ik zeg niet zomaar wat. Er is veel onderzoek naar gedaan. Ook naar lottospelers en andere gokkers. Die doen maar wat. Dat ligt eigenlijk ook in de hele bezigheid besloten.
Gokken is, ja, gokken.
Ze zien dat zelf dus anders. Ze hebben hele uitgesproken oordelen over kansen. Waarom denkt u dat ze zelf hun nummer en kleur willen kiezen? Omdat ze er verstand van hebben! Ik koop zelf ook wel eens een lot en niet zelden krijg ik dan tips voor een eindnummer. ‘Je moet geen zeven nemen, want daar is vorige week al veel op gevallen,’ dat soort goede raad.
Hm.
De Antilliaan lachte: ‘ik denk dat we hier een geval van miscommunicatie hebben.’
‘Ja, dat denk ik ook,’ beaamde de vrouw. De hele winkel lachte. De vrouw keek ons aan. Als blikken konden doden, zouden we vandaag allemaal in de krant hebben gestaan, als slachtoffer van een geheimzinnige aanslag.
Maar ze dacht na en lachte toen ook. ‘Vergissen is menselijk,’ zei ze. ‘ik annuleer alles gewoon en we beginnen opnieuw.’
De Antilliiaan knikte blij. En de rest van de winkel ook, ook al moesten we nu alles weer meemaken.
Twee keer.
Altijd nog beter dan tussen de sigaren en Linda’s het leven laten.
Verhaal
In de trein zat een vrouw te telefoneren over de rouwplechtigheid voor haar overleden moeder.
Hm.
Ze was de grafredes aan het regelen en probeerde een spreker te strikken om reserve te zijn voor een andere spreker. Die laatste kon ze namelijk niet bereiken omdat hij, dat had ze had van zijn compagnon vernomen, op reis was naar een land in Afrika, alwaar hij een veertiendaagse training annex studiereis rondom oude verhalenvertellers probeerde op te zetten.
Storytelling. Dat was heel hip. Ze had het opgezocht.
‘Is Ubuntu eigenlijk wel een land in Afrika?’ vroeg ze zonder op een antwoord te wachten. Het was hoe dan ook zeer de vraag of hij terug zou zijn vóór de teraardebestelling, want, nou ja, die verhalenvertellers had hij natuurlijk niet zomaar gevonden, dat had ze al lang begrepen, en dan moesten die ook nog bereid gevonden worden hun verhalenvertelkunst aan blanke Nederlanders over te dragen.
Of zoiets.
God mocht weten wat daar allemaal bij kwam kijken.
Het was niet haar idee, dat was duidelijk.
Ze zweeg even en vatte daarna alles in één zin samen: moeder dood, spreker één onbereikbaar, spreker twee ook goed. Ze bracht het wel iets genuanceerder, maar veel anders was het niet.
Geen wonder dat ze dat verhalen vertellen niks vond… als je van je moeder verliezen een elevatorpitch kunt maken.
Als ik de reserveman was, zou ik nog eens over haar verzoek nadenken. Daar had ze op gerekend.
‘U wist altijd zo beeldend en met gevoel over haar te vertellen,’ vleidde ze hem. Ze gaf een voorbeeld. Niet zomaar een voorbeeld. Ze wilde graag precies dat de spreker dát voorbeeld nam.
Bij de kist.
Ze legde uit waarom en wist behendig zowel enkele positieve karaktertrekken van haar moeder te memoreren (opdat de man die niet vergeten zou), als de man te loven om zijn rake opmerkingsgave. Hij had het toch allemaal maar gezien. Dat haar moeder zo verpletterend meelevend was, dus.
Tot aan haar laatste adem, trouwens. Ze hadden allemaal rond haar sterfbed gestaan, al haar dierbaren, en hoewel ze ontzaglijk veel pijn moest hebben gehad, en ook heel erg bang voor de dood was geweest, had ze niet gerust voordat ze iedereen op het hart had gedrukt geen verdriet te hebben om haar verscheiden. Want dat ze verder moesten met hun leven .
Zo was ze. Cijferde zich altijd weg voor een ander.
‘Dus dat wil ik er zeker in,’ besloot ze. ‘Dat altuïsme van haar.’
Het was niet erfelijk.
Wat de man daarvan vond, bleef onduidelijk. De vrouw was af en toe wel even stil, maar zo te horen niet om te luisteren, alleen om adem te halen voor nieuwe details over de laatste uren, en daarna de laatste jaren, en daarna het leven van haar moeder.
En ik luisterde daarnaar.
Of ik wilde of niet.
Maar ja, je kunt moeilijk een vreemde vragen om een verhaal te af te breken waarvan ze om de anderhalve zin zegt dat het haar nog steeds ‘emotioneel erg aangrijpt’.
Mijn stelling over gevoelens is dat zodra je zegt dat je ze hebt, je ze kwijt bent. Ja, ik weet heus wel dat emoties verwerken heel persoonlijk is, en dus dat dit een boude stelling is, zeker omdat ik verder van die vrouw d’r innerlijk niets weet…
Nou ja, ik weet dat het dus haar innerlijk is.
Háár innerlijk.
Ínnérlijk.
‘Vooral de ongelooflijke intimiteit van dat laatste moment zal ik altijd blijven koesteren,’ zei ze.
Ze was nog nooit zo dicht bij haar moeder geweest.
Ik ook niet.
Maar ja, ík kende haar moeder net. Díé vrouw was haar dochter.
Ook niet iets om haar op te wijzen. Ofschoon ik wel steeds meer zin kreeg om haar op een of andere manier het zwijgen op te leggen. Delen is heel erg modern en waar je tegenwoordig maar komt in de wereld kun je de hele godvergeten rest ervan mee laten leven, dus deze onontkoombare openhartigheid was misschien wel heel erg eigentijds, maar ik vond het het een gemoedsvariant van niezen zonder hand voor je mond. Ik had voortdurend de neiging om spetters van mijn gezicht te vegen.
Ze was intussen overgegaan op het programma van de afscheidsplechtigheid. Of, nou ja, plechtigheid, dat moest het zeker niet worden, want zo was haar moeder ook nooit geweest.
Plechtig.
Gewoon was al gek genoeg.
Dus alles bleef heel eenvoudig, gewoon een paar sprekers, en achteraf wat drinken met elkaar. Een goed glas wijn op haar heffen met misschien wat te eten erbij.
Een stukje Franse kaas.
‘U heeft toch ook wel tijd om nog even te blijven als u gesproken heeft?’
‘…’
‘Hallo? Dominee?’ Ze keek naar haar stille mobieltje en fronste haar wenkbrauwen. ‘Zeker die tunnel,’ fluisterde ze tegen zichzelf.
Daar waren we een kwartier geleden doorgereden.
Ze tikte een paar keer op het scherm en hield het ding weer tegen haar oor. ’Moet ik verdomme dat hele verhaal opnieuw vertellen.’
Wat ze niet deed. Niet meteen.
Terwijl ze wachtte, staarde ze naar buiten en toen de dominee opnam, zei ze dat hij niet meer nodig was.
‘Ik ga zelf wat zeggen.’
Koffie & ik
Vroeger smaakten mijn boterhammen met chocoladepasta wel eens naar tomatensoep.
Rare gewaarwording.
Ik heb het nu over de tijd dat mijn moeder boterhammen voor me smeerde. Op dezelfde houten plank waarop ze uien en andere groenten sneed.
Het duurde even voordat we daar met zijn allen achterkwamen, dat het daardoor natuurlijk kwam dat onze boterhammen vreemd smaakten.
Wat me nu nog wel eens bezighoudt, is de vraag waarom we het zo laat ontdekten. Ik bedoel, ik had al sinds ik kon kauwen boterhammen met chocoladepasta gegeten. En toen opeens op een dag die bijsmaak. Hadden we tot dat moment nog nooit een houten snijplank gehad? Had mijn moeder haar werkwijze veranderd? Soepgroenten in het algemeen of de ui in het bijzonder in ons huishouden geïntroduceerd?
Zij weet niet meer hoe het zat. Wel hoe het afliep. Ze boende het ding aan een kant schoon met bleek en schreef er daarna met een Oostindische inkt ‘Brood’ op. Dat wist ik ook nog (Ik zie zo haar hartverscheurende huishoudschoolhandschrift weer voor me), want toen ik later op kamers ging en in studentenhuizen kwam te wonen was telkens het eerste dat ik deed altijd precies hetzelfde. Alle planken kregen aan één kant brood als bestemming (met bleek schrobben kon toen niet meer, daar was ik te links voor).
Een guitige huisgenoot voerde op een regenachtige zondagmiddag dat principe eindeloos door op alles wat er maar in de keuken te vinden was. Alles kreeg een specifiek doel. Zo was er een pan waar ‘Aardappelen’ op stond en een pan voor ‘Spruitjes’.
Een heilloze onderneming natuurlijk, want er waren veel meer bestemmingen dan de best toch wel grote verzameling potten, pannen, en ander gerei die wij hadden.
Het was ook een zenuwtergende actie. Voor mij dan. Want ik krijg het dus gewoon niet voor elkaar om iets anders dan aardappelen te eten uit een pan waar ‘Aardappelen’ op staat.
Je bent een zenuwlijder of niet.
Mijn kinderen hadden vroeger bekers met kleine symbolische icoontjes van dranken erop. Hoe mensen limonade kunnen drinken uit een beker waar een uier op staat, is mij een raadsel. Mijn kinderen deden dat ook niet.
Ja, het is erfelijk.
Ik was eens op te eten bij iemand die me risotto gaf uit een diep bord. Toen ik het op had, bleek er op de bodem ‘Pasta!’ geschilderd.
Ik was op slag misselijk.
Het is een ziekte.
Maar goed, dit allemaal ter inleiding en verklaring van de onnoemelijke prestatie ik momenteel lever. Ik zit dit namelijk te typen in een café genaamd ‘Koffie & ik’.
Eh…
Ze hebben ook thee. Een paar soorten zelfs.
Sappen, dito.
En een ruim assortiment etenswaren.
Ik bedwing nu de neiging daar een opsomming van te geven. Mijn punt is zo ook wel duidelijk hoop ik. De helft ervan tenminste. De andere helft gaat over mij. Ik bedoel ‘ik’.
Die van de ‘Koffie & ik’.
Eh…
Er zijn hier ook andere mensen. Ik ben niet alleen. Naast mij zit een vrouw.
Zij.
‘Koffie en zij’. Of nee, ‘Zij en koffie’, dat klinkt beter. Niet dat het uitmaakt. Overal staat al ‘Koffie en ik’ op.
Ze drinkt trouwens thee. Net als ik. Oolong uit een fijn potje en een nog fijner oorloos kopje van haast doorzichtig wit fine bone china het kan niet mooier.
Geluk bestaat.
Ware het niet voor die naam.
Die naam is gedoe.
Waarom?
Nou, dat lijkt me duidelijk. Die vrouw en ik zijn ‘wij’, of we nou willen of niet.
Dus: ‘Thee en wij’.
Hm.
Als ze nou maar niets anders besteld. Of vertrekt.
Denk ik dan.
Dat doet ze niet. Nee , ze kijkt naar de man die binnenkomt.
Nee! Een andere ‘wij’!
De man wil geen thee. Zul je net zien. Hij wil appelsap.
Dus: ‘Appelsap en thee en wij’. Of ‘Appelsap en thee en hij en wij’. Nee, ‘Hij en appelsap en thee en wij’.
Hij neemt een slok, staat op en vraagt er een ‘tosti met kaas, chorizo en chutney’ bij.
Aaah!
Thee en wij en appelsap en een tosti met kaas, chorizo en chutney en hij.
Of… eh…
Nee!
Dit wordt natuurlijk niks. Ik kan alles wel op een leuk klinkend rijtje zetten, maar voor ik klaar ben heeft die vrouw straks ook haar tanden in iets te eten gezet om alles weer in het honderd te gooien. Ze pakt de kaart al. En dan heb ik het nog niet eens over het jonge gezin dat stiekem is binnengekomen terwijl ik nadenk en onverhoeds naast de speelhoek is gaan zitten. Hun kind schreeuwt meteen om een croissantje.
Ik heb veel zin om ze weg te sturen.
Dan zie ik opeens een matrix. Dat gebeurt me vaker. Ik ben een zenuwlijder, weet u nog? Ik houd van orde. En andersom: ik word gek van wanorde. Nou ja, dat is overdreven, rotzooi kan ik wel hebben maar dan alleen als het volslagen onlogische rotzooi is. Chaos in de wiskundige zin van het woord. Ik hoor liever onvoorspelbare ruis en geknetter dan een zender die telkens verdwijnt of aan het kraken slaat. Chaos die net geen chaos is en waar telkens een soort patroon in schemert, die is om wild van te worden.
Vind ik.
De oplossing voor de veel wanorde is vaak een matrix. Orde scheppen. Zoals in het geval van mijn lievelingscafé ‘Koffie & ik’. Ik ga voorstellen om die naam op te heffen en te vervangen door een matrix. In de linkerste kolom de items van de menukaart, in de bovenste regel: ‘ik, jij, zij (enkelvoud), hij, wij, jullie, zij (meervoud)’. Iedereen die binnenkomt, vult in wat voor hem/haar/hen geldt. Gewoon een ‘X’ zetten in de cel op de kruising van de kolom en rij die van toepassing zijn. Iedereen mag zelf kiezen welke dat zijn.
Hoe makkelijk is dat?!
Ja, het is even opletten, maar dan klopt het tenminste allemaal.
En het hypermoderne gevolg is dat het café telkens van naam verwisselt of meerdere namen tegelijk heeft, afhankelijk van wie er wanneer en waar, wat eet of drinkt. De netwerksamenleving in levende lijve!
Ik ga meteen aan de slag om de actuele situatie vast te leggen. Bij wijze van experiment.
Dat is nog een heel gepuzzel.
Excel werkt ook niet mee. Of nou ja, ik ben daar niet zo goed in, geloof ik.
Het leven van een zenuwlijder gaat niet over rozen. Dat is een soort pleonasme (goed om te weten zeg!).
Ik ook altijd. Het zweet breekt me uit terwijl ik alles probeer bij te houden en excel gewoon doet wat hem het beste lijkt. Die netwerksamenleving is niks voor mij. Ik wordt heel droevig.
Dan komt een van de vrouwen van ‘Koffie & ik’ naar me toe met een bordje en op dat bordje ligt een boterham met chocoladepasta.
‘Ik weet niet waarom, maar je keek alsof je dat wel kon gebruiken,’ zegt ze.
Het is waar. Ik neem verslagen een hap. ‘Hoe smaakt-ie?’
Ik slik en knik en zeg: ‘Geen spóór van tomatensoep’.
Geluk bestaat.
Spullen
Het nadeel van fietsen is de fiets. Ik bedoel dan vooral wielrennen.
Daar heb je ook een fiets voor nodig.
Een racefiets.
Zo’n fiets is eigenlijk niks anders dan een goed georganiseerde en behendig in elkaar geschroefde verzameling onderdelen.
Spullen.
Dat zijn mannendingen.
Niks voor mij.
Ik ben wel een man, maar mijn ouders waren heel hip en modern, dus die hebben voor mij alleen het basispakket genomen, zodat ik later zelf altijd nog kon zien welke opties ik er bij wilde bestellen. Of, nou ja, hun besluit was ook wel een beetje uit praktische overwegingen geboren, want mijn vader had zelf ook alleen het basispakket en zich nooit extra’s kunnen veroorloven, dus hij had geen idee wat een man verder nog nodig had.
Hij had zelf ook nooit iets gemist.
Had ook geen spullen.
Geen gereedschap, bijvoorbeeld.
Dat wil zeggen, toen ik drie en een half was vonden we op de terugweg van een bezoek aan mijn oma, die aan de tweede Kosteverlorenkade in Amsterdam woonde, op de Postjesweg (ook in Amsterdam) een blauwe, half gevulde gereedschapskist en daar heeft hij het mee gedaan tot zijn dood. Er zaten een hamer, een nijptang, een verroeste zaag, een paar schroevendraaiers, en een Bahco in (zo’n Engelse sleutel met een wieltje om te verstellen, ik heb mooie herinneringen aan eindeloos dat ding zonder enig doel groter en kleiner maken), en een draadstripper. Waar die voor diende, ontdekten we pas toen ik vele jaren later verkering kreeg met de dochter van een electricien, die (de dochter) voor ze het schaterlachend uitmaakte nog wel het lieve geduld opbracht om me de toepassing ervan met een mooi kleurig bosje snoeren en draad uit te leggen.
Dat ik mij er niet voor schaamde dat zij mij technisch onderricht gaf, vond ze eigenlijk verontrustender dan dat ik niet wist wat die tang voor een ding was.
En dát begreep ik dan weer niet.
Komt allemaal door dat basispakket. Minimale identificatie (pun intended). Ik heb me ook eens zonder ook maar de minste schroom de buitenspelval laten uitleggen door mijn buurmeisje. Want ik liep er telkens in.
Maar goed, ik heb dus niks met spullen. De liefde voor spullen doe je op als je met andere mannen omgaat. Dat doe ik erg weinig, want ik begrijp ze niet.
Een voorbeeld.
Terwijl ik dit zit te typen in mijn favoriete café komt er een man binnen op zoek naar de krant. In zijn ene hand een zonnebril en een of andere creditcardholder-schuine-streep-portemonnee, in zijn andere hand autosleutels en mobieltje.
Spullen.
Ik denk dan, gooi die zooi in een tas.
Ja, een vrouwenoplossing.
(Voor wie het per se weten wil of voor wie mij liefdesbrieven wil schrijven, ik ben hetero, dat was de standaardinstelling van het basispakket en mijn ouders waren wel modern, maar geen thrillseekers).
Nog een voorbeeld. Ik kwam gisteren in een kledingzaak, en bij de mannenkleren hingen een volnerf rundlederen kookschort. Ik bleef er bij staan.
En keek ernaar.
‘Voor de barbecue,’ verklaarde het meisje van de winkel.
Hm. Barbecue. Dat is in de open lucht vlees verbranden. Ik zag messen, spatels, duivelse vorken, grijpers met scherpe tanden.
Iets voor mannen.
‘Of ze dragen ze ook wel als ze iets ambachtelijks doen.’ Ze glimlachte naar me alsof ik van een andere planeet kwam. En ik had nog helemaal niks gezegd. Ging ik ook niet doen.
Snel de winkel uit.
Terug naar die fiets.
Ik fiets altijd alleen, dat zal u niet verbazen. Op een tweedehands fiets uit 1994, waar de fietsenmaker alle spullen op heeft gezet waarvan ik bij de aankoop niet had gezien dat ze kapot waren of gewoon ontbraken. Telkens als ik weer bij hem kwam, vroeg hij zich hardop af of ze het onderdeel dat ik nodig had nog wel konden bestellen. En hij riep ook erg vaak zijn vader erbij. Een man van zeventig of zoiets.
Goed, het is een oude fiets.
Niet te verwarren met vintage of old skool.
Oud is belachelijk, vintage of old skool is superhip.
Maar het beste is gewoon toch gewoon alles nieuw.
Technologisch hoogstaand. Ontwikkeld door NASA. Gemaakt van high modulus composite fibres.
Vraag me niet waarom. Nieuw is de norm, vintage is een statement, oud is zielig. Het is zo.
Dat zie ik aan de blikken van andere mannen op de fiets.
Hoe kijken ze dan? Precies zoals vrouwen elkaar bekijken als ze op een feestje binnenkomen. Zo’n bij voorbaat misprijzende scan van boven naar beneden en weer terug.
Dodelijk.
Als je een vrouw bent.
Zo kijken mannen op de fiets ook, met dit verschil dat ze niet elkaar maar elkaars spullen bekijken.
Ik weet dan natuurlijk niet waar ik kijken moet (lees dit goed: omdat ik niet weet waar ik naar kijken moet!).
Meestal valt mijn oog op iets wat er totaal niet toe doet. Hun buiken bijvoorbeeld. Lieve help wat een enorme gevaarten zijn dat zeg. Die mannen zijn geen wielrenners, maar ballonvaarders!
Ik ben eerlijk gezegd wel blij dat zo’n pens ook niet in mijn basispakket zat.
Wat moet je ermee?
Dat hoorde ik later. Ze bewaren er hun reservespullen in.
In your face!
De man die opeens naast mij fietste was lang.
Heel erg lang. Er cirkelden mussen rond zijn hoofd om te kijken waar ze een nestje konden bouwen.
Dit verzin ik. Het is een hyperbool. Vind ik leuk.
Maar hij was wel irritant lang, dat verzin ik niet.
Of, nou ja, lang is natuurlijk relatief en in dit geval ook erg subjectief, want ik vind lang al snel irritant. Mijn eerste vriendinnetje was een kop groter dan ik (laat dat ‘tje’ dus maar weg) en mijn moeder maakte daar altijd grappen over. Kwam met het keukentrapje aan als ik een date had.
Zij maakte (en maakt!) overal grappen over.
Mijn moeder.
Vooral cynische. Genadeloos.
Ja, ik heb dat van haar. Maar dan nog erger.
Familiekwaal.
We kunnen niet anders, ik in ieder geval niet, als ik niet cynisch zou zijn, was ik na een dag dood(ongelukkig) en/of stapelgek.
Ik weet niet waarom ik dit vertel.
Omdat ik moet.
Als ik niet…
Achteraf beschouwd had mijn moeder wel gelijk. Marie-Anne Tuyl en ’t Waal was niks voor mij (ja, ook haar naam was lang, nomen est omen op een rare manier), maar zoiets besef je niet als je zestien bent. Als je zestien bent besef je niks. Je leven is dan heel simpel. Je hebt hormonen, en hormonen, en dan de rest van de wereld.
Eh, ik dwaal af…
Die man.
Zijn fiets had allerlei extra stangen en verlengde buizen. En een overdadige warboel van nerveuze kabeltjes. Een paar hendeltjes aan zijn stuur. Een kilometerteller-schuine-streep-snelheidsmeter zo groot als een iPad mini met kleurige grafiekjes die met iedere driftige trap van vorm en kleur veranderden.
In your face!
Ja, een fiets kan dat ook zijn.
Uit zijn oren kwamen ook kabeltjes.
Telefoonkabeltjes.
‘Roeland, jongen, iedereen weet dat het dames A-team helemaal niks is,’ zei hij. Op de toon van iemand die altijd gelijk heeft.
Krijgt.
Ik ging in zijn kielzog rijden.
Arme Roeland. Had het hele jaar zijn stinkende best gedaan met zijn meiden en nou als dank zo’n brute opmerking.
De man keek op zijn horloge. Hij moest nog ergens heen. Naar de crèche, schatte ik. Of de naschoolse opvang. Zouden zijn kinderen ook zo lang zijn? Aan het voorstoeltje was niet veel te zien en het zitje op de bagagedrager leek ook normaal. Maar wat weet ik van kinderstoeltjes? Niet veel. Het leek me niettemin sterk dat ze die ook in verlengde versies verkochten. Aan de andere kant zou het me niks verbazen als die man ze net als zijn eigen fiets zelf ontwierp en ergens in een ver land liet produceren. Opeens verscheen zijn LinkedIn pagina voor me: “owner at Big Bicycles”.
Iedereen is tegenwoordig owner. Directeur van zichzelf. Niks voor mij. Een oude Joodse vervloeking is: ik wens je veel personeel. In mijn geval is één genoeg. Als ik mijn eigen personeel was, zou ik mezelf te gronde richten.
De lange man had daar geen last van. Een geboren ondernemer, dat zag ik zo. Vraag me niet waarom. Ik zag zijn kinderen nu ook voor me. Twee blonde jongens met verantwoord vuile gezichten en dito kleren. De oudste in de volle uitrusting van een hockeykeeper; zo’n masker als Hannibal Lecter in Silence of the Lambs draagt, en een stick in zijn handen alsof hij het ding als beleg van een stokbroodje in de rust op zou opeten.
De jongere zat in zo’n supersonische kinderbolide waar je eigenlijk wegenbelasting voor zou moeten betalen – vind ik – te kraaien met een te luide hese stem en een veel te uitgebreid vocabulair voor zijn leeftijd.
In your face!
Het was erfelijk.
Sommige mensen hebben dat. Meestal mannen. Alles wat ze aanraken en/of voortbrengen, wordt even brutaal en onafwendbaar als zijzelf. Omgekeerde brokkenpiloten zijn het. Ze dwingen het geluk niet af, nee, ze hebben er aandelen van. Wie ook wat wil, moet aan hen toestemming vragen.
Irritant.
Vooral voor Roeland, die niets vermoedend op een of ander roemloos jeugdteam afstevende vol slome pubers die alles bizar vonden als het niet meteen epic was. In een Amerikaanse film combineren dan alle spelers van zo’n elftal hun coming of age met onvermoede talenten en allengs groeiend fanatisme, om in de bloedstollende finale van de competitie het team van die pedante lange vent te verslaan, maar hier in Nederland en in het echte leven komt Roeland er ‘s avonds achter dat hij de coach van zijn eigen dochter wordt en zijn grootste zorg zal zijn dat ze op tijd en nuchter op het veld verschijnt.
Nou hyperbool ik weer. Ik weet dat natuurlijk allemaal niet. Ik verzin het.
Leuker.
Maar dat Roeland zijn oude team kwijt is, niet. Niet verzonnen en niet leuk. De lange gooide hem zijn besluit voor de voeten, gevolgd door: ‘Ik moet nu verder, laten we er morgen op de club even over doorpraten.’
Case closed. Hij trok de snoeren uit zijn oren en frommelde ze in zijn binnenzak.
En keek om.
Omlaag.
Naar mij.
‘Hé, jij daar! Moet je per se de hele tijd achter mij aan fietsen?’ vroeg hij.
Het was zíjn kielzog.
Ik knikte.
’Hoezo dan?’
‘Ik wil weten hoe het afloopt.’
‘Wat?’
Toen vloog er een mus tegen hem aan.
Recht in zijn gezicht.
Cookies
De boodschap van Jurassic World (en iedere andere film waarin man made monsters mensen opeten, erg origineel is die film niet, maar dat terzijde) is dat de mens nietig is en zijn plaats in de natuur (voor wie gelooft: de schepping) moet weten.
Kapsones, dat is er al genoeg.
Maar goed, met internet dat is kennelijk iets anders, want dat groeit en dat groeit maar, alsof megalomanie een deugd is. Vooralsnog eet het geen mensen op, hoewel ik daar niet zeker van ben, ik herinner me een meneer die via een website een andere meneer had gevonden en dat één van de twee toen de ander had geslacht en in de diepvries bewaard om iedere dag iets van hem naar binnen te werken.
Dat is eigenlijk wat anders, ja, weet ik, maar ik herinnerde me dat opeens en dan moet ik ik het opschrijven.
Móét!
Internet zelf eet niks. Niet letterlijk. Figuurlijk wel. Eenmaal in zijn klauwen, ben je niks beter af dan de sneue mensen die, al dan niet in een film, dachten dat het leuk was om de natuurlijke loop der dingen te verschuiven door zelf een of andere soort leven in elkaar te fröbelen.
En net als de natuur en alle enge beesten die daarin leven, maakt internet ons eerst bang. Om te waarschuwen. Het verzint absurde dingen om je angst aan te jagen.
Of nou ja, mij in ieder geval wel.
Een voorbeeld.
Gisteren was ik op marktplaats bij de afdeling damestassen. Ja, het is heel modern als mannen ook een soort handtas dragen, maar er is op marktplaats nog geen sectie voor man bags, dus je moet wat als ernstig hippe vijftiger.
Affijn, ik ben daar, en er verschijnt naast de foto van een mooie donkerblauwe leren holdall een advertentie van ene Lilly die mij aanraadt er met de dokter over te praten.
Dat heb ik weer.
Nieuwsgierig als ik ben, klik ik op haar in stemmig lila zogenaamd met de hand geschreven naam (nee, er was geen foto bij), waarna er een hele site over erectiele disfuncties (ED) in beeld springt!
Spreek het woord één keer hardop uit en je hebt het. De mannen onder u dan. Want wat zulke aandoeningen betreft is self-fulfilling prophecy een trefwoord.
Las ik.
Vandaar ook die afkorting. Altijd handig als je niet meteen een eufemisme bij de hand hebt.
Op het scherm verschenen ook een man en een vrouw, in verschillende poses (nee, allemaal heel keurig), zeer symbolisch nu eens een eindje van elkaar, de man met zijn rug naar de vrouw gekeerd, en dan weer hand in hand innig tegen elkaar aan.
Met corresponderende gezichtsuitdrukkingen.
Schuldig beschaamd (man) en verbaasd beteuterd (vrouw) in de ene versie, trots voldaan (man) en dankbaar gelukzalig (vrouw) in de andere.
O, het leven kan zo simpel zijn.
Maar ik ben een zenuwlijder, dus dat het leven eenvoudig is, dat geloof ik niet zomaar. Toen ik die advertentie in beeld kreeg, vroeg ik mij af hoe dat kon.
Ja, door cookies, ik ben ook niet van gisteren.
Nee, ik bedoel, waar haalt die Lilly van de erectiele disfuncties (ik schrijf het lekker stoer voluit) in vredesnaam de cookies vandaan om mij als een kennelijk risicogeval-schuine-streep-geïnteresseerde te beschouwen?
Was mijn leeftijd voldoende? Of mijn leeftijd in combinatie met die handtassen? Heb ik misschien een site over watertorens bezocht? Heel erg lang bij de Gamma een aanbieding voor tuinslangen bekeken (of juist bezemstelen)?
Niet alleen Gods wegen, maar ook die van zoekalgoritmen zijn ondoorgrondelijk. Met dit verschil dat die algoritmes door mensen zijn gemaakt. Ja, de bijdehante lezers onder u zullen tegenwerpen dat ook God man made is. Juist om de ondoorgrondelijkheid te kunnen verklaren.
Maar daar gaat het nou niet over.
Dacht ik.
Vind ik.
Het is míjn blog.
Hoe dan ook, íémand heeft bedacht, nee berekend, dat ik tot een doelgroep behoor. Ik zie tijden naderen waarin de politie automatisch een melding krijgt als iemand drie sites bezoekt en daar zes cookies verzamelt die met elkaar gecombineerd het voorteken van een (nieuwe) misdaad vormen. Minority report is niet ver weg.
Griezelíííg.
Is er nog ergens iemand die nadenkt over de morele rekenarij achter die cookies?
Vast niet.
Nadenken en internet, da’s een slecht combinatie.
Die Lilly, om daar nog even op terug te komen, want het houdt me bezig, dat begrijpt u, eh… die heeft natuurlijk ook geen idee van hoe het zit. Zij komt verschijnt alleen als een bizarre sirene om niets vermoedende mannen naar de dokter te lonken.
Op haar site kon je ook naar ‘hulpbronnen’.
Had ik al eens gezegd dat ik nieuwsgierig ben?
En dat ik een levendige fantasie heb?
Ik er dus heen (op het gevaar af dat ik daarna nergens meer zou kunnen surfen zonder dat er aanbiedingen voor pillen of apparaten – Eek! Aparaten! – tevoorschijn zouden poppen). Nou ja, een grote teleurstelling natuurlijk (no pun intended), want daar stond in bedeesde letters: werk in uitvoering.
Zoiets verzin je niet.
(En dan heb ik het nog niet eens over de ‘zelf test’, jig!)
Goed, ik zag dat stel weer, midden in de nacht achter hun computer, ieder angstvallig op een eigen krukje – niks geen werk in uitvoering! – starend naar die schemerige mededeling op het scherm.
Met corresponderende gezichtsuitdrukking.
Iets tussen wanhoop en verbijstering, alsof ze plotseling een of ander monster in de ogen keken.
Maar waar die hen dan weer voor waarschuwde, zoals monsters plegen te doen, dat bleef ondoorgrondelijk.









