Categorie archief: Overleven

De weg kwijt (voor E.)

Abbey road

Een nadeel van Groot Brittannië is dat de Britten zo aardig zijn. Ja, noem me een chagrijn, maar na een paar dagen in London kan ik ze wel villen. En dan schijnt het nog mee te vallen in die stad. Te jachtig voor vriendelijkheid.
Niks van gemerkt. Iedereen was zo tergend beleefd dat ik op een gegeven moment de man die mij met een manische blik en opengesperde neusgaten uitlegde dat ik required by law was hem ongehinderde toegang tot het zebrapad te verlenen, spontaan om de nek wilde vallen
Ja, dat is echt een dingetje daar, zo’n zebrapad.
Andersom sta ik geregeld met een kloppend hart aan de stoeprand naar hartelijke automobilisten te staren die geduldig als de hel wachten tot ik durf oversteken.
Ik ben in Engeland altijd de weg kwijt. Letterlijk en figuurlijk. Het leven in Nederland is al een hele toer voor een zenuwpees als ik, maar daar is het ronduit een beproeving. De houvast die ik hier heb, namelijk dat ik in ieder geval (eh, geloof ik) weet welke sociale vaardigheden ik níet heb (nogal wat), zodat ik daar rekening mee kan houden, ben ik daar natuurlijk  door al die beminnelijkheid meteen kwijt. Dat haalt mijn hele zenuwenbestel (nee, geen typefout) omver.
Daarom was ik zo blij dat we naar de IKEA gingen. Want dat is een internationaal doolhof waar verdwalen de norm is, óók letterlijk en figuurlijk. Er gelden andere wetten (en er zijn geen zebrapaden), ook in het menselijk verkeer. En geheime toegangsregels, volgens mij, waar wij kennelijk aan ontsnapt waren, want de combinatie vader-dochter kom je daar niet tegen. Eigenlijk zie je alleen moeders en dochters, jonge stellen waarvan er één hoogzwanger is, en gezinnen. Vader-dochters moeten naar de GAMMA. Ga maar eens kijken, daar sterf het ervan, vooral als het academisch jaar begint. Een GAMMA konden we daar trouwens niet vinden. Wel een tot in de verste uithoek volgestouwde DIY (do it yourself), die als geruststellend motto had: if we don’t have it, you don’t need it.
Ik dwaal af.
De eerste de beste Engelsman die we in de IKEA om informatie vroegen, deed gelukkig al meteen ietwat bits (scheelt maar één letter, bizar!), omdat we een bed met Europese maten zochten.
Ik weersta hier de neiging om uitgebreid uit te leggen waarom dat een hachelijke missie was. Bij een bed hoort natuurlijk een matras en ook een lattenbodem en die zijn heel handig in zowel Europese afmetingen als in standard Brittish size te krijgen zijn, maar niet allemaal in de winkel, wel te bestellen (drie weken levertijd en een ordertoeslag) of op de website aan te klikken (inclusief leveringskosten).
Toch kwam alles goed. Dankzij E., die de bovenmenselijke gave heeft om door die winkel te lopen zonder iets te kopen wat niet op haar lijst staat, dus ook, zoals zij zei, geen handige hulpjes voor problemen in het huishouden waarvan je niet wist dat je ze had (IKEA’s motto: if you don’t need it, we put it next to the check out).
Ja, mensen het kan!
Dat hield ik in gedachten toen ik gisteren in Utrecht een paar gordijnen ging kopen. De IKEA daar is aan het uitbreiden! Hoe absurd is dat? Die zaak was al zo groot als de jaarbeurs, keer twee. Nog even is het een buitenwijk van Utrecht en stopt lijn zeven in de Klippangata. Bij een spårvagnhållplats van ongelakt vuren die je eerst zelf in elkaar moet zetten.
Goed, ik met mijn ogen strak naar de grond op weg naar de kassa. Gordijnen onder mijn arm. Betaalpas gereed.
So far so good. Maar de grens tussen focussen en bewustzijnsvernauwing is vaag. Evenals de grens tussen vreugde en van je verstand gaan. Nu pas besef ik hoe beheerst dat fatsoen van die Britten is.
Het is een gave.
Die ik niet heb.
Dus dat de politie mij mee kwam nemen, snap ik wel een beetje. Buitenzinnig rondspringen en roepen dat het gelukt is, dan kan nog wel. Aanstaande vaders satanisch uitlachen om hun volgeladen winkelwagentjes, misschien. Maar de juffrouw van de kassa zoenen, nee. En kleerhangers van een studente afpakken en ze als boomerangs de winkel in zeilen, écht niet. Ook niet als ze zo heten.

Congruent communiceren

Valse hond2

Het was mooi weer en ik ging een eindje lopen in een zo’n park waar oude mensen met hun kleinkinderen uit wandelen gaan en scholieren tijdens hun pauze op gemeentelijke lounchestoelen liggen met hun mobieltjes in de aanslag om met god en alle mensen te delen wat hen maar voor de voeten komt.
Het is eigenlijk een parkje van niets, zeker als nog geen blaadjes aan de bomen zijn, want dan kijk je er dwars doorheen en zie je dat er omheen het dagelijks leven gewoon doorgaat hoe gretig je ook slentert. Maar het is er rustig, in ieder geval zo rustig dat het opvalt als er een jonge vrouw van ergens in de twintig huilend als een kind op haar omafiets over de kronkelpaadjes rost. Ik zag en hoorde haar al van verre aankomen, maar zij reed zo snel en onbesuisd dat ik voor ik het wist moest kiezen tussen opzij springen en haar vragen wat er aan de hand was. Ik deed het allebei, twijfelaar als ik ben. Terwijl ik in de lucht hing op weg naar een veilig heenkomen, riep ik: ‘wat is er aan de hand?’
‘Mijn hond is vermist!’ huilde zij terug.
Dat heb ik weer.
Ik bedoel, ‘mijn hond is vermist!’? Wat is dat voor een zin? Als je je hond kwijt bent, schrijf je dat met een paar vette uitroeptekens onder een aandoenlijke foto van het dier op een A4tje, dat je dan een paar honderd keer kopieert om op lantaarnpalen te plakken. De vrouw keek nog even om, alsof zij wilde nagaan hoe de mededeling bij mij viel.
Nou, niet in goede aarde dus.
Ja, sorry, een jonge vrouw die haar verdriet uit als een nieuwslezer, dat is me te absurd voor medeleven. Noem mij harteloos, maar na zo’n zinnetje, hoe smartelijk geroepen ook, en hoe tragisch de aanleiding ook, vloeit alle deernis uit mij weg.
Sterker nog, ik schoot in de lach. Ze keek weer om. Nog verdrietiger. Dacht ik.
Hm. Ik heb eens een training voor persoonlijke effectiviteit gevolgd en al meteen na de eerste sessie constateerde het duo dat de training gaf dat ik incongruent communiceerde (en u dacht dat ú problemen had). Incongruent communiceren is dus dat je het een zegt maar het ander laat zien. Of andersom. Ik zal niet uitweiden over de 512 verkeerd uitgepakte gesprekken, waaronder enkele bizarre liefdesverklaringen, die mij na deze diagnose opeens weer te binnen waren geschoten. Voor wie zich er een of meerdere daarvan nu ook herinnert: sorry, ik bedoelde het niet zo.
Dat meisje waarschijnlijk ook niet, besefte ik opeens. Ze leed aan dezelfde aandoening als ik! We hadden een band! Meteen in het kielzog daarvan voelde toch nog compassie. Wat moest ik doen?
Erachteraan! Het goedmaken!
Voor iemand met mijn conditie, blijkt zo’n parkje dan nog behoorlijk uitgestrekt. Gelukkig huilde de vrouw nog steeds dat het een aard had, dus kon ik haar in ieder geval op mijn gehóór volgen, terwijl ik dwars door struikgewassen raasde om bochten af te snijden. De situatie die zodoende ontstond, maakte mij, toen ik haar op enkele meters na had ingehaald, om meerdere redenen verdacht. Weet ik nu. Achteraf. Wat zagen omstanders namelijk? Een jonge vrouw in tranen op de vlucht voor een man met hoed en wapperende regenjas.
Vijf minuten later had een van de scholieren een facebookpagina over mij gemaakt, en nog eens vijf minuten later had ik 63 volgers. Waaronder de hond, die geen facebookaccount had, en die mij dus – hij was helemaal niet vermist! – in het echt volgde, nadat hij uit het niets tevoorschijn was gesprongen om de vrouw te helpen. Hij was niet alleen erg groot, maar kon ook heel congruent communiceren. Ja, dat kon hij echt veel beter dan ik. Volstrekte eenheid van woord (Waf!), gebaar (Hap!), en expressie (Kwijl!).
Van goedmaken kwam natuurlijk niets meer. Op de brief aan haar die ik op alle lantaarnpalen in de omgeving plakte heb ik nooit antwoord gekregen. Terwijl ik toch best mooi kan schrijven, al zeg ik het zelf.
En heel congruent.
Dat dan weer wel.

De volgorde van fruit

DeVolgordeVanFruit

Wie zomaar zijn bord leegeet, beschouw ik met argwaan.

Ik ben eens met een mij half bekende meneer uit eten geweest omdat wij zakelijk iets moesten bespreken (‘aan de relatie werken’, was het eigenlijk, want we moesten samen een project leiden, maar we hadden geen ‘natuurlijke klik’, iets waar derden mij op hadden gewezen, wat ik natuurlijk als een waarschuwing had moeten opvatten, een tip om heel hard weg te rennen, want ik bedoel, ‘een natuurlijke klik’, zoiets moet je vermijden als je bij je verstand wilt blijven, dunkt me), om al meteen bij het voorgerecht met afgrijzen getuige te zijn van zijn volstrekt ongeordende eetgewoonten. Nou ja, gewoonten. Wat hij deed zou ik geen gewoonten noemen (ongeordende gewoonte, da’s natuurlijk ook een contradictio in terminis). Hij prikte hap snap wat in het rond, liet wat van zijn vork viel liggen waar het neerkwam, schoof voortdurend eten heen en weer, en at uiteindelijk de helft niet op, maar god mag weten waarom juist díe helft.
Hoewel ik bekaf werd van al dat bizarre gepriegel, móest ik blijven kijken, alle drie de volgende gangen, want ergens zou er toch een patroon tevoorschijn komen, dat kon niet anders, niemand was zo chaotisch.
Toch wel.
Die klik, zelfs een onnatuurlijke – wat dát ook moge zijn, klinkt als iets strafbaars – schreef ik definitief af toen hij zijn grand dessert zo aanpakte dat het enige bolletje ijs dat op zijn bord lag langzaam in een drabberig plasje veranderde terwijl hij elders in de weer was met een gepelde druif, die hij als een ijshockeyer met zijn vorkje langs de andere gerechten duwde (waaronder de zieltogende sorbet) omdat het ding telkens aan zijn vork ontsnapte. Hoe duidelijk wil je een criterium voor de volgorde van je eten hebben? IJs smelt, druif niet!
Alles heeft een volgorde en voedsel dus ook. Ik zeg het maar even. En ik kan het weten, want ik ben een  zenuwlijder. Die hebben verstand van dat soort dingen. Orde in het algemeen en volgorde in het bijzonder.
Ik eet iedere morgen een bakje fruit en iedere morgen het fruit in dezelfde volgorde. Ja, schud uw hoofd maar. Eet ik dan iedere morgen dezelfde soorten fruit? Neen, dat dan weer niet. Ik heb criteria om de volgorde te bepalen. Die zijn erg persoonlijk, maar ik ben nogal openhartig, waarom anders dit blog, en bovendien bent u al helemaal op dit punt gekomen in deze uitweiding, dus om uw aandacht te belonen, zal ik mijn methode uit de doeken doen.
Het is allemaal vrij simpel.
Het belangrijkste criterium is: het lekkerste het laatst. Ja, daar kan je lang en breed over discussiëren, weet ik heus wel, maar neem van mij aan, dat het omgekeerde principe altijd tot spijt en ruzie leidt. Spijt omdat aan het einde van de maaltijd het smakelijkste al achter de rug is en je niets hebt om naar uit te kijken, en ruzie omdat tafelgenoten (meestal zusjes en/of broertjes, maar ook volwassenen heb ik het zien doen) die wel de juiste volgorde hebben aangehouden, je gaan zitten jennen met de dingen die ze bewaard hebben. De mens is slecht, daar doe je niks aan.
Mensen vragen mij vaak: waarom eet je niet gewoon alleen maar lekker dingen?
Duh!
Er is áltíjd een volgorde! Ook een verzameling van alleen maar lekkere dingen heeft een volgorde. Neem bijvoorbeeld mango. Nogal eens het lekkerste fruit, vind ik, dus het laatste dat ik eet. Maar eenmaal bij dat fruit aangekomen, begin ik natuurlijk niet zomaar in het wilde weg te eten. Een mango is nooit overal even rijp, dus de rijpste stukjes, moeten wachten tot het einde. En grote stukken zijn natuurlijk te verkiezen boven kleine, dat spreekt voor zich, dus… ja ik ga dat niet allemaal uitleggen… Het concept is duidelijk, lijkt mij.
Waar het om gaat is dat alles eigenschappen heeft, smaak en grootte bijvoorbeeld, of smelttemperatuur, en dat je de verschillen tussen die eigenschappen gebruikt om een volgorde te bepalen.
Verschillen zijn goed. Onthou dat.
Even terug naar dat nagerecht, ijs bewaren tot je de rest opgegeten hebt (gesteld dat je druiven opjagen een vorm van eten kunt noemen), is dus dom.
Misschien had ik dat niet tegen mijn vreemde date moeten zeggen, maar goed, die klik werd toch niks. En dat project ging niet door, had ik al snel in de gaten. Maar dat kwam misschien ook omdat ik zijn bestek had afgepakt.
En verstopt.
Of nou ja, in mijn binnenzak had gestoken toen ik het restaurant uitrende.