Categorie archief: Overleven

In die zin

Negen bewegende pasfoto’s op het scherm van mijn iPad en één ervan schuift naar de pole position (links boven), de miniponem van de voorzitter, die eerst vrolijk een halve minuut naar lucht hapt tot we allemaal roepen dat hij zijn microfoon aan moet doen en dan vervolgens (waarschijnlijk nog eens) opgewekt roept dat hij blij is dat we allemaal op zo’n korte termijn konden aanhaken. Hij legt uit wat de bedoeling van de bijeenkomst is en zegt twee keer zonder dat duidelijk is waarom: ‘in die zin’.

Hm.

Opeens zegt iedereen te pas en te onpas ‘in die zin’. Waarom is dat? Ik vraag me dan iedere keer af: in welke zin? Of: is er ook een andere zin? Kan ik er een kiezen, of een paar zinnen vergelijken?

Nee.

Even voor de duidelijkheid, ik bedoel dus met ‘zin’ geen “serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen”. (Ja, een hele nare definitie, maar ik kon even niks anders vinden.) Nee, ik bedoel dus ‘zin’ als een ander woord voor ‘opzicht’ of ‘oogpunt’.

(Als ik lang naar deze woorden kijk, vind ik ze vreemder en vreemderder* — vooral oogpunt — en vraag ik me ernstig af of ik u met deze blog ga helpen, maar lees toch vooral door.)

Maar ‘in die zin’ gaat nooit over opzichten of oogpunten. Je zou verwachten dat er na ‘in die zin’ een specificatie volgt, uitleg van ‘die zin’ (het opzicht/oogpunt), maar die komt nooit. ‘In die zin’ is een tussenwerpsel, maar dan zonder functie, een specificatie die niets specificeert. Het is meer een soort stopwoord. Zoiets als Johan Cruijffs ‘op een gegeven moment’.**

Wat mij doet denken aan de kapelaan van mijn oma’s parochie die enkele weken nadat mijn opa was overleden bij haar op bezoek kwam terwijl wij (ouders, zus en broer) er ook waren. Ik weet niet waarom ik mij die meneer nog herinner. Of wacht, natuurlijk weet ik dat, namelijk omdat die man dus ook steeds een zinloos tussenwerpsel gebruikte. Hij zei om de haverklap ‘net wat u zegt’. Waarschijnlijk had hij op de kapelanenschool geleerd om conflicten te vermijden (of positiever: harmonie te zoeken). Hij was het voor de zekerheid gewoon met iedereen eens. Denk ik.

Maar ik heb hem vooral onthouden omdat mijn vader en moeder nadat hij vertrokken was uit hun stoel vielen van het lachen omdat ze alle twee zijn tussenwerpsels hadden zitten te tellen.

Oh, dat klinkt raar. Maar goed, het staat er al. Die man hád dus geen tussenwerpsels (Joost mag weten hoe dat eruit zou zien, ik moet er niet aan denken), hij gebrúíkte ze. Dat klinkt misschien ook raar, maar iets anders kan ik er niet van maken.

Hoorbaar, trouwens. Dat tellen bedoel ik. Nee niet zo hoorbaar als bijvoorbeeld die omroepers bij dartwedstrijden, maar voor de goede verstaander redelijk te volgen gefluister. De kapelaan had trouwens niks in de gaten.

Naderhand hebben mijn vader en moeder nog lang geprobeerd om het gesprek te reconstrueren, want ze waren ieder voor zich op een ander getal uitgekomen, en aangezien mijn vader boekhouder was (nu heet dat controller), zat hem dat niet lekker. Cijfers moesten wel kloppen, of het nou een grootboekrekening of een simpele optelsom was.

Goed, terug naar dat tussenwerpsel ‘in die zin’. Wat moeten we daarmee? Ik zie enkele mogelijkheden: 1) verbieden (de favoriete maatregel van overheden die niets anders kunnen verzinnen om hun onmacht te tonen — oh dat is wel heel cynisch en venijnig, nou ja ik laat het staan hoor — maar dus niet mijn keuze, dat snapt u wel); 2) reguleren (ook een favoriet middel van… et cetera), te beginnen met: 3) opnieuw definiëren, zodat iedereen tenminste weet wat hij/zij zegt (dat is meer voor de dromers, want veel mensen willen dat helemaal niet weten).

U raadt het al, geen van die opties is reëel. Dus ik volgde de raad op van mijn moeder op. ‘Leg je hoofd er maar naast’. Bij nader in zien weet ik niet goed wat het echt betekent, maar ik begrijp het altijd als: ergens in berusten.

Dus dat deed ik, ik legde mijn hoofd ernaast. Letterlijk (betekent hetzelfde, maar is dramatischer).

‘Meneer Poort!?’

Huh? O ja, vergadering!

‘Heeft u iets voor de rondvraag?‘

Ik keek snel naar mijn aantekeningen. Die waren nog vreemderder dan ooit. Ik had kennelijk iets geturfd. Ja, natuurlijk! Ik telde snel alles bij elkaar op en zei (triomfantelijk): ‘achtendertig!’

Negen bewegende pasfoto’s die mij ongelovig aanstaarden. Had ik niet goed gerekend? Ik twijfelde. Maar gelukkig had de voorzitter gevraagd of de vergadering opgenomen mocht worden, zodat anderen er later nog eens naar konden kijken.

(Wie doet dat ooit?)

Ik dus, want ik ben dan wel geen boekhouder, maar wel een zoon van mijn vader. De cijfers moeten wel kloppen.

Achtendertig keer ‘in die zin’ tijdens een vergadering van één uur leek mij namelijk érg weinig.

* Vrij naar Lewis Carol (‘Curiouser and curiouser!’ said Alice). Soms ben ik ook zo verbaasd dat ik geen goed Nederlands meer kan schrijven.

** Leuk weetje: toen Cruijff in Barcelona ging voetballen vertaalde hij dat zinnetje gewoon letterlijk in het Spaans: en un momento dado. Hij wist niet dat die uitdrukking in het Spaans niet bestond en sterker nog, hij wist ook niet dat ‘dado’ eigenlijk alleen gebruikt wordt als het om God gaat, als Hij geeft.

Papadag

Peter kwam piepend en krakend tot stilstand. Zo voelde het tenminste. Hij bleef staan, de fiets tussen zijn benen, het stuur in zijn handen. Door het raam zag hij zijn vrouw in de huiskamer staan. Ze keken elkaar even aan voor zij naar de deur liep.

Even later haalde ze Jasper uit zijn stoeltje zodat Peter kon afstappen en de tas met spullen van de fiets kon pakken. De snelbinders werkten niet mee. Zijn fiets viel bijna om en toen hij hem probeerde tegen te houden, stootte hij met zijn scheenbeen tegen de trapper. Hij klemde zijn kaken op elkaar en wachtte tot de pijn wegebde.

‘Dag kleine man!’ riep zijn vrouw tegen Jasper terwijl ze hem optilde, ‘ben jij fijn naar de speeltuin geweest? En heb je lekker met de andere kinderen gespeeld? Met Zohra en Wesley en…’

Zij tilde hem iets hoger en keek langzaam van zijn blote voetje naar de grond. Terwijl ze rondkeek, zette ze hem op haar heup en nam ze zijn voetje in haar hand. Ze fronste haar wenkbrauwen.

Intussen lag de tas op straat. De rits was opengebarsten en er rolde een potje billenzalf uit, in de richting van de stoeprand. Peter ging er achter aan. Zijn fiets viel alsnog om. Hij keek naar het potje dat langzaam doorrolde en daarna naar zijn fiets. Hij koos voor het potje.

‘Waar is Jaspers rechter schoentje?’ vroeg zijn vrouw. Peter bukte en greep het potje. ‘Peter?’

‘Wacht even’, antwoordde hij. Oh ja, dat potje was erg vet geworden. Het glipte uit zijn hand en hobbelde verder. Onder een auto. Peter zuchtte en stond op. Hij staarde naar Jasper en toen naar zijn vrouw. Er was iets.

‘Zijn schoentje?’ vroeg zijn vrouw nog eens. ‘En zijn sokje trouwens ook.’ Peter keek rond. ‘Nee, hier ligt niks. Ik heb al gekeken. Hij zal alles onderweg wel ergens verloren zijn.’ Peter knikte. ‘Heb je niets gemerkt?’

‘Heb je zelf wel eens op vrijdag om half zes in de middag dwars door de stad gefietst? Ik ben al blij als we hier levend en heelhuids aankomen!’ Ho, dat kwam er gemener uit dan hij had bedoeld. Maar hij kon niks verzinnen om het te verzachten.

Jasper begon te huilen. Peter sloot zijn ogen, hij had opeens zin om mee te huilen. In plaats daarvan tijgerde hij onder de auto naar het potje zalf en gooide het in de tas, die hij voor de voeten van zijn vrouw op de grond liet ploffen. Daarna zette hij zijn fiets recht en stapte hij weer op.

Toen hij op de hoek van de straat was, hoorde hij hun voordeur dichtvallen.

Papadag, het woord alleen al. Dat klonk echt veel gezelliger dan het was. Overleven, dát was het. Met je hart in je keel opstaan en tot na het avondeten met de angst in je hart hyperventileren. Bijna overgeven. Zoiets. In geen van hun boeken over opvoeding had hij dat gelezen. Waarschijnlijk had hij een bijlage gemist. Of een voetnoot.

Hij fietste langzaam verder terwijl hij de andere kant van de straat scande. En nu maar hopen dat niemand heel hulpvaardig had gedacht dat schoentje ergens op een paaltje te zetten of aan een boomtak te hangen, want dan vond hij het natuurlijk nooit meer terug. Daar zouden regels voor moeten zijn: wat te doen met op straat gevonden kinderspullen.

Hé, wat doet die man daar? Peter remde en stapte af. Nou moe, hij staat bij Jaspers sokje! En hij maakt er gvd een foto van! Creepy!

‘Hé griezel! Dat is mijn sokje!’ riep hij, ‘eh, van Jasper, van mijn…’ De man keek op en groette hem. Peter wist opeens niks meer te zeggen.

‘Nee,’ zei de man toen ze tegenover elkaar stonden, ‘ik loop niet de hele dag kindersokjes te fotograferen, mocht je dat denken.’

‘Het ziet er anders wel zo uit!’

‘Ik fotografeer gewoon dingen. Als ik een verhaal achter iets zie, zet ik het op de foto.’ Peter bukte en raapte het sokje op. Toen hij weer verder wilde gaan, vroeg de man: ‘Ben je toevallig ook een schoentje kwijt?‘. Hij tikte op zijn mobieltje en liet Peter een foto zien.

‘Ja! Ja, dat is het schoentje van Jasper!’

En toen omhelsde hij mij, wat ik een beetje ongemakkelijk vond, want hij was twee koppen groter dan ik en mijn hoed zakte scheef, zodat ik er nogal verfrommeld uitzag. Maar waarschijnlijk was er niemand die op mij lette, want een boomlange vent die tranen met tuiten huilt op de schouder van een nietsvermoedende schrijver op zoek naar een verhaal, dat was al bezienswaardig genoeg.

Schaatsen

Nou, de Olympische spelen zijn begonnen hoor. Ik keek samen met mijn moeder naar het schaatsen. Omdat ik zelf geen tv heb en het lang geleden was dat ik integraal naar een sportprogramma had gekeken, was de tv-uitzending een grote verrassing. Wat een uitgebreide toestand maken ze daarvan, tegenwoordig!

Het kan door de strenge Chinese coronaregels komen, of door het Nederlandse chauvinisme, maar in de studio zaten zo ongeveer meer mensen aan tafel dan er in Peking op het ijs waren. Vier deskundigen maar liefst, die als een soort miniversie van het laatste avondmaal van Da Vinci aan een lange tafel zaten.

Bij de NPO hadden ze waarschijnlijk gedacht: wat minister Kuipers kan, kunnen wij ook, dus er stond een meneer bij een groot scherm vol staatjes en grafiekjes met rondetijden door de eeuwen heen, afgezet tegen de luchtdruk in China, de schoenmaat van de schaatsenrijders (m/v) en toonsoort van hun lievelingsmuziek.

De grote vraag bij de 5000 meter voor de mannen was wat Sven Kramer nog kon. De doorgestudeerde meneer had tekeningen van Svens houding en beweging gemaakt om te bewijzen dat deze sinds zijn eerste gouden 5K inmiddels 16 jaar ouder was.

Goh.

Een even serieuze als mysterieuze constatering bij de vergelijking tussen een oude en recente foto was: ‘kijk, hij gebruikte toen veel meer ijs!’ Ik vroeg mij af hoe Sven nu dan zou schaatsen. Met minder ijs leek mij niet geloofwaardig. Het antwoord bleef jammer genoeg in het ongewisse steken, zodat ik er tot diep in de nacht over na bleef denken.

De mensen aan de tafel wisten daarentegen wel precies wat je moest doen om te winnen. Ik geef hier een kleine bloemlezing van de tips: je eigen race rijden; pieken op het juiste moment; alles geven; de longen uit je lijf rijden; tot op de bodem gaan; vlak rijden; snelle rondetijden vasthouden; en last but not least: een goede tijd neer zetten. De beste tijd om precies te zijn, zei ik er achteraan, maar mij vragen ze natuurlijk weer niks.

Het woord waar iedereen zijn advies mee begon, heb ik voor de gein weggelaten: ‘gewoon’. Je kunt van die deskundigen zeggen wat je wilt, maar ze beheersen wel de kunst om gemeenplaatsen zo te brengen dat het lijkt alsof ze vertrouwelijke informatie prijsgeven. Zo vaak ‘gewoon’ zeggen en dan toch de indruk wekken dat je iets bijzonders mededeelt, chapeau!

Het is natuurlijk vooral interessant doen. Begrijp me goed, Ik wil de prestaties van sporters niet bagatelliseren hoor, maar het gaat er (gewoon) om dat je hard schaatst. En als je wil winnen, harder dan de anderen.

Maar dat vinden ze bij de televisie niet genoeg.

Commentatoren zijn daarom altijd op zoek naar twee dingen: verklaring en emotie. Met dat laatste hebben ze bij schaatsers enorme pech, want dat zijn allemaal nuchtere Friezen, Groningers, Drenten et cetera, die heus wel emoties hebben, maar lang niet zulke uitgebreide als de mensen van de tv willen. Een van de commentatoren deed dan ook een vreugdedansje toen Sven Kramer achteraf bekende dat hij zijn prestatie een beetje gênant vond.

‘Dus je schaamde je?!’ vroeg de interviewer ongelovig. Hij kon zijn geluk niet op.

Het was gewoon sneu.

Maar niet half zo sneu als de nabespreking van Roest zijn race. Met z’n vieren gingen ze verklaren waarom hij niet de beste was. Je zou denken dat het gewoon een kwestie van minder hard schaatsen was geweest, maar u snapt intussen wel dat zoiets veel ingewikkelder is.

Hoewel de deskundigen deden alsof het om een objectieve analyse ging, kwam de bespreking neer op een gemakzuchtig maar genadeloos vonnis. Alsof het al niet naar genoeg was voor Patrick dat hij verloren had, gingen ze zijn race nog eens nauwgezet ontleden om te checken wat hij fout had gedaan.

In plaats van medeleven en begrip voor Roest zijn teleurstelling te tonen, meenden de mannen aan de lange tafel dat het voor ons kijkers veel interessanter zou zijn dat zij handenwrijvend voor ons zouden uitrekenen hoeveel jaar Patrick Roest iedere nacht wakker zou liggen om zijn hoofd te breken over ‘waar hij die 0,4 seconden had laten liggen’.

Nee, smart delen was echt veel minder leuk dan vermenigvuldigen. Maal vier, om precies te zijn. Of nee, maal vijf, want opeens bleek er in het verre China ook nog een meneer te staan die vroeger geschaatst had en dus mee mocht praten. Hij wist ons hevig ontdaan te vertellen dat het allemaal ingeslagen was als een bom. Hij wist gelukkig wel waar die 0,4 seconden gebleven waren, namelijk ergens in de laatste 200 meter.

Ik was blij voor Patrick, want dan hoefde hij daar in ieder geval niet van wakker te liggen. Dat deed de meneer in China wel voor hem, want diens verdriet was niet te stelpen.

Dat kon natuurlijk ook altijd nog, gewoon zelf emotioneel worden…

‘Hé!’ riep mijn moeder. ‘Kun je je commentaar even voor je houden? Ik heb al genoeg aan die mannen daar! Schrijf het maar allemaal in zo’n blog van je op.’

Dus vandaar.

De foto is van Wikimedia Commons.

Stellig

‘Ja, vorm! Maar vorm is ook altijd inhoud,’ zei de man met veel aplomb tegen het groepje jonge vrouwen waarmee hij aan een ronde tafel zat in een vers geopend restaurant dat, alsof niemand ooit was weggeweest, als vanouds werd opgevrolijkt door een mini leger rondstuiterende peuters en kleuters en hun ouders/grootouders die hun half zwaarmoedige gesprekken over leven vóór, tijdens en na corona om de beurt onderbraken om de neuzen van hun (klein)kinderen te vegen of hun warme tranen te deppen en/of zere plekken te kussen.

Een van de leukste spelletjes om in een café of restaurant te spelen, is proberen uit te vinden hoe een gezelschap in elkaar zit; wie hoort bij wie en waarom, dat soort vragen. Dat deed ik nu ook en nadat ik een paar hypotheses had verworpen besloot ik dat de man een professor was met zijn studenten. Misschien niet bijster origineel, maar een vader met vijf kinderen, bovendien allemaal meisjes, die ook nog eens ongeveer even oud waren, dat ging er bij mij niet in, net zomin als het verjaardagsfeestje van een van de vrouwen die haar jaarclub had uitgenodigd voor een high tea inclusief haar vader. Zoiets resulteert in een ongemakkelijke dynamiek waar 20 jarigen niet op zitten te wachten.

Hoe dan ook, ze hingen aan zijn lippen. Wat mij wel teleurstelde, want ik had graag meegemaakt dat een van hen had gevraagd hoe in vredesnaam vorm inhoud kan zijn. Ze hadden voor de gein net als ik even de term ‘vorm versus inhoud’ kunnen googelen om vervolgens na al een paar klikken op een onwrikbaar citaat van Immanuel Kant (niet de minste) te stuiten: ‘Vorm en inhoud, taal en denken, kunnen niet zonder elkaar, maar vallen niet samen.’ Maar niemand vroeg aan de professor wat hij vond van Kants standpunt in zijn Kritik der reinen Vernunft.

Nou bleef ik daar mee zitten.

En met de man zijn stelligheid. Want daar kan ik helemaal niet tegen. Mensen die niet twijfelen, wantrouw ik heel erg.

Kennelijk zit me dat hoog, want toen ik het opschreef, dacht ik: daar heb ik toch al eerder iets over geschreven? Ja, hier, maar op het gevaar af dat ik mezelf plagieer, ga ik toch door met dit verhaal, en hoop ik van u hetzelfde, want ik weet echt nog niet hoe dit verhaal afloopt (wat een goed teken is, voor u, voor mij is het een hel) behalve dan dat het nauwelijks op dat andere verhaal lijkt.

Eh… argwaan jegens stelligen dus. En lof voor de twijfelaars. Maar dan bedoel ik niet de twijfelaars die eindeloos hun hoofd breken over welke kleur sokken ze aan moeten trekken (ook erg belangrijk hoor, kost mij iedere morgen zeker een paar minuten). Nee, het gaat mij om de twijfel die voortkomt uit nieuwsgierigheid en die leidt tot onderzoek.

Hm… dit verhaal wordt steeds serieuzer.

Wat ik maar wil zeggen is dat het leven erg saai wordt als je alles zeker weet. Dus: ga voor onzekerheid. Laat je verrassen. Ja, dat zeg ik hier vaker, en ik wil wel eerlijk toegeven dat ik dat ook doe om mezelf toe te spreken, aangezien verrassingen doorgaans onverwacht komen en ik mezelf daar op wil voorbereiden. Eigenlijk sta ik de hele dag op scherp. Ik weet nog niet definitief of dat nou zielig of juist stoer is. Voorlopig ga ik voor het laatste.

Terug naar de professor, die zo’n beetje alles zeker wist. Want hij stapelde de ene bewering op de andere alsof het niets was, en ook nog eens met de air van iemand die het allemaal zelf ontdekt had. En zijn studentes maar knikken.

Terwijl ik me zat op te vreten.

Ik stond net op het punt om met mijn mobieltje in de aanslag de professor met het tegendeel van zijn zoveelste boude bewering om de oren te slaan (figuurlijk dan), toen een van de stuiterende kinderen naast hem tot stilstand kwam.

Een meisje met sproeten, een pluizige bos rood krullend haar, en, het belangrijkste, twee groene ogen, waarmee ze de man eerst eens goed bekeek en daarna aanstaarde. Dat kunnen kinderen erg goed. En er was gelukkig niemand, ouders noch grootouders, die haar dat verboden omdat het onbeleefd was.

Het was vooral leerzaam. Een les in nederigheid voor de professor die langzaam verschrompelde, en voor zijn studentes die opeens beseften dat je ook iets anders kon doen dan knikken.

Zoals grinniken.

Tot zover een goed verhaal, al zeg ik het zelf. Wel jammer dat het meisje daarna opeens bij mijn tafeltje verscheen en me niet alleen nogal indringend en ontwapenend aankeek, maar mij ook vroeg wat ik aan het opschrijven was.

Om één of andere reden kon ik niet anders dan de waarheid vertellen, en wel zo luid dat ook de professor het hoorde. Hij riep met overslaande stem dat ik zijn privacy schond en dreigde met een rechtszaak als ik niet meteen alles van al mijn gegevensdragers verwijderde.

Dat had ik weer, een professor in de rechtsgeleerdheid.

Dus of u dit niet wilt doorvertellen… Want anders was dit mijn laatste verhaal, vrees ik.

De foto is van Wikimedia Commons.

Focus

‘Ik heb je drie keer gebeld, vriend!’ zei de man tegenover mij.
Telefoongesprek. Dat had ik niet meteen door. Ik keek op.

De man keek door mij heen. Gefocust. Zo zou hij het zelf noemen, denk ik. Opschepperig: ‘Ik ben altijd heel erg gefocust!’ Zijn vrouw zegt dat ook: ‘ Dietrich is altijd zo gefocust!’

Want dat is goed. Focus is altijd goed. Let maar eens op, in een vergadering of zo, dan zegt altijd iemand op een gegeven moment: ‘we moeten echt focussen!’ En dan knikt de rest. Oh ja, bijna vergeten, focussen.

Dat betekent eigenlijk: kiezen. Niet van alles en nog wat tegelijk doen. Focussen is de vergrotende trap van prioriteren. Want dat is niet meer dan alles gewoon in een bepaalde rangorde zetten. Misschien even puzzelen, maar je hoeft geen afscheid te nemen van iets. Het belangrijkste staat bovenaan en het minst belangrijke onder aan, en de rest daar tussen in, maar alles staat er en je kunt er nog alle kanten mee op. Want voor je het weet is het inzicht voortgeschreden en dan begin je gewoon weer opnieuw.

Kan niet als je gefocust hebt. Want focussen, dat is rigoureus voor één ding kiezen, en daar dan dus al je aandacht op richten. Of nee, je energie. Dat klinkt serieuzer. Ergens energie insteken is echt veel beter dan er aandacht aan geven. En andersom werkt het ook, zo zeg ik bijvoorbeeld nooit meer dat ik moe ben, alleen maar dat ik geen energie meer heb. Dat heeft een ernstige medische bijklank, alsof een diagnose is en geen gemoedstoestand.

Terug naar focussen. Ik kan dat nooit. Ik wil altijd alles en zoveel mogelijk dingen tegelijk. Diep in mijn hart dan. Daar ben ik Meat Loaf (“van alles meer, meer en meer”). Alles is mooi. Maar voor de buitenwereld doe ik heel erg mijn best om maar één of twee dingen te doen, en als het er twee zijn, die dan nooit tegelijk. Dáár ben ik Spinoza, de matigheid zelf en ook de filosoof met de kortste lijfspreuk ooit: caute (sommigen vertalen het als ‘wees voorzichtig’, anderen als ‘wees verstandig’, dat laatste bevalt me beter, hoewel het nog steeds mijn hang naar overdaad in de weg zit).

Van binnen is mijn andere ik het daar dus zelden mee eens, met die verstandigheid, zodat de ene ik de hele tijd bezig is om de andere ik tegen te houden (en de andere ik de hele tijd die ene ik probeert te verleiden). Heel vermoeiend. Herstel: Echt een gigantisch energielek.

Eh… die man. Die was dus gefocust. Maar afgaande op zijn blik, zou ik hem eerder bezeten noemen. Eng.

‘Vijf keer het afgelopen uur!’ beet hij de ander toe. Zo vaak had hij gebeld. Hij luisterde, niet lang. ‘App me dan even! Nou zit ik hier maar te wachten.’ Hij veegde wat op zijn iPad. ‘In de trein. Ik ga nou naar die mensen toe!’

Die mensen… ik had met ze te doen.

‘Ja, natuurlijk weet ik waar ik moet zijn.’ Hij gaf een beschrijving van de route die hij ging lopen als hij straks uit de trein zou stappen.

Shit, hij ging regelrecht naar ons kantoor toe! Opeens ging er bij mij een lichtje branden. Ik bekeek de man nog eens. Nou zag ik pas wie het was. Die stomme mondkapjes ook.

Lang leve de techniek! Want ik wist de man zijn naam wel, maar ik wilde weten waar hij ook alweer van was. Dus mobieltje en LinkedIn open en ja hoor, daar grijnsde hij mij aan. Ik kreeg het er warm van. Niet voor niks, want een paar tikjes later zag ik ook nog eens in mijn agenda staan dat hij bij míj op bezoek kwam.

Ik dacht dat we die man hadden afgezegd!? We hadden er toch geen tijd voor? Zijn initiatief was toch gesneuveld, ergens in de ‘besluitvorming’? Allemaal vragen aan mijzelf waar ik niks aan had, zelfs aan de antwoorden niet, want hij was vast van plan om te komen. Hij keek nog steeds heel erg gefocust.

Dat had ik weer.

‘Kunt u niet ergens anders heenstaren? U ziet toch dat ik bezig ben? U stoort mij nogal.’ Hij snoof. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Dat vond hij nog erger. ‘Kunt u ergens anders gaan zitten, alsjeblieft? Dit is echt mateloos irritant.’

Dat deed ik dan maar, maar wel met de tegenwoordigheid van geest om heel erg langzaam al mijn spullen bij elkaar te zoeken en mijn jas aan te trekken zodat hij flink moest zuchten en steunen.

‘Wacht even Martin, er is hier iemand die zo nodig moeilijk moet doen.‘

Ik groette en vertrok.

Nu heb ik het meestal niet zo op wraak, maar deze keer maakte ik een uitzondering toen de man eindelijk voor mij zat, op 1,5 m afstand, en ik na zijn uitgebreide excuses tot mijn spijt moest zeggen dat het hele project was afgeblazen.

In de prioritering was het al gezakt, maar toen we gingen focussen was het initiatief meteen van de lijst gevallen.

p.s. Ik heb die man natuurlijk verzonnen, behalve de eerste alinea. En mijn overpeinzingen, die zijn ook echt.

De foto is van Wikimedia Commons.

Versoepeling

Goed, de versoepelingen waren amper uitgeroepen of ik verlangde van de weeromstuit heel erg terug naar een paar fases geleden, toen we nog een avondklok hadden en iedereen lekker binnen bleef om daar lawaai te maken in plaats van bij mij voor de deur.

Of nou ja, lawaai maken is een groot woord, want het straatje waarin ik woon is erg gehorig, wat betekent dat ik echt álles hoor, en dan ook nog eens versterkt of zo, want het kleinste geluid stuitert tussen de gevels net zo lang heen en weer tot het een kathedrale herrie is, waardoor ik vrijdagnacht dus wakker werd van twee mensen die aan de overkant stonden te zoenen. Ik bedoel maar. Het was alsof ze naast mijn bed stonden, inclusief galm.

Ik weersta hier de neiging om het geluid (eigenlijk: de geluiden, want er kwam geen einde aan) verder te beschrijven. Ik hou het op de korte beschrijving die Raymond Babbitt in Rain Man gaf van de kus die híj kreeg: ‘Wet’.

Er zijn mensen die bij zo’n gebeurtenis gewoon een raam openschuiven en iets snedigs roepen om het stel tot zwijgen te brengen, maar ik durf dat niet, want ik denk dan altijd dat ik nóg meer mensen wakker maak (wat waarschijnlijk ook zo is) die vervolgens boos op míj worden. Mijn andere (veel ergere) vrees is dat een van de twee zoeners verstoord opkijkt om nog iets snedigers naar mij terug te schreeuwen, waar ik dan de rest van de nacht met een rood hoofd van wakker lig.

Dus ik doe niets en ga wakker liggen van iets anders.

Vragen.

Bijvoorbeeld: woont een van de twee in het huis aan de overkant, en zo ja, waarom gaan ze dan voor de deur in de kou staan te kussen als ze veel gerieflijker binnen op de bank kunnen gaan zitten? Misschien kenden ze elkaar net, en waren ze daar nog niet aan toe? Was wat ik hoorde dan een uit de hand gelopen afscheidskus na een avondje uit? In films heb je wel van die scènes waarin opgebouwde spanning opeens niet meer te houden is als ze elkaar aan het einde van een date goedenacht wensen, maar dan gaan ze altijd vrij snel naar binnen om onderweg op de trap zichzelf en/of elkaar uit te kleden.

En wat dies meer zij.

Toen ben ik kennelijk mijmerend weer ingedommeld, want ik werd wakker van een staartje opgewonden gesprek tussen de twee en een deur die dichtsloeg. Nou had ik gemist of ze alle twee naar binnen waren gegaan! Ik spitste mijn oren, want misschien kon ik toch nog iets horen.

Voetstappen. Lome en trage voetstappen, waarin ik, romantisch als ik ben, diepe teleurstelling hoorde. En liefdesverdriet. En spijt. Hadden ze toch nog gedoe gekregen over naar binnen gaan? Hoe dan ook, een van de twee zoeners droop af (no pun intended).

Een jongen. Dat weet ik, omdat hij niet lang wegbleef. Een uurtje later was hij terug, om mij weer wakker te maken, ditmaal doordat hij heel hard ‘Amélie!’ riep.

ik verdrong mijn herinneringen aan alle keren dat ik zelf van wanhoop en verliefdheid (gaan in mijn leven vaak samen) alle decorum verloor en iets deed zoals de jongen nu.

‘Amélie!’ Hij huilde bijna.

Wel een fijne naam om te roepen, vond ik. In gedachten riep ik mee en ik probeerde gelijk met de jongen op te gaan. Er zat een soort ritme in zijn hartenkreten. Hm… Dat was toch wel moeilijk, alleen in je hoofd. Dus ik besloot mee te fluisteren. Maar op die manier klonk ‘Amélie!’ niet half zo mooi. Alle klank en melodie verdween in mijn schorre geprevel. En nu ik er eens kritisch over nadacht, ging liggend zingen, want dat was het eigenlijk, ook niet zo goed. Ik sloeg de dekens van me af en ging op de rand van het bed zitten. Dat was al beter.

‘Amélie!’

Best wel goed, al zei ik het zelf.

Maar in de badkamer zou het helemaal geweldig zijn, want daar klinkt alles echt alsof ik al sinds mijn kleutertijd professioneel operazanger ben. En ja hoor, onnavolgbaar! Behalve dan voor mijn eigen echo die intussen ook meedeed. Ik was een heel koor!

Dat de jongen op straat intussen opgehouden was, hoorde ik niet eens, zo in vervoering was ik. Waardoor ik ook niet naar het raam liep om te kijken wat er aan de hand was, dan had ik namelijk gezien dat Amélie in tranen en op haar blote voeten naar buiten was komen rennen om hem te omhelzen en te troosten, als een geliefde en een moeder tegelijk. Laat staan dat ik doorhad hoe stil het daarna werd… de twee bleven roerloos midden op straat staan.

Daar hadden ze misschien nog gestaan als de politie niet was gekomen om bij mij aan te bellen en te vragen of ik wat zachter kon doen.

Eek!

Toen schrok ik pas echt wakker.

De foto is van Wikimedia commons

.

Wonder

Op de Leidsekade zette de krantenjongen zijn fiets tegen een lantaarnpaal om mij staande te houden en te vragen of ik er zo uitzag omdat ik het mooi vond, of ‘voor geloof’.

Hij dacht namelijk dat ik een rabbi was. Dat heb ik wel vaker, dat mensen dat denken. Een zwart pak, flinke grijze baard en een hoed, en je bent een rabbi.

‘Omdat ik het mooi vind,’ zei ik. Hij knikte alsof hij dat al verwacht had.

Maar hij liet zich niet uit het veld slaan en begon aan een verhaal over zíjn geloof dat hij zo geestdriftig en vrolijk vertelde dat ik niet kon doorlopen.

Trouwens, het was geen krantenjongen maar een krantenmán, want één van de vele dingen die hij me vertelde (en één van de weinige dingen die ik begreep) was dat hij drie kinderen had. Dan ben je geen jongen meer, vind ik. Maar om één of andere reden vind ik krantenman een rare benaming voor iemand die kranten bezorgt. Een krantenman, dat is de directeur van de Telegraaf of zo. Of een mijnheer, de vijfde generatie van een deftig uitgeversgeslacht, met inkt in plaats van bloed in zijn aderen, die ’s morgens gewoon zijn eigen voorpagina eet tussen twee boterhammen.

Eh… Sorry, dit móést ik opschrijven.

Waar was ik? Oh ja, het verhaal van de man. Dat was erg ingewikkeld. Het ging dus over zijn geloof en hij leidde mij langs alle hoeken en gaten van hemel en aarde om aan mij uit te leggen waarom hij ‘voor katholiek studeerde’. Hij had zich bekeerd en ging zich binnenkort laten dopen.

Hij keek zo blij dat ik op een rare manier jaloers werd. Raar omdat ik zelf al gedoopt ben, dus waarom zou ik jaloers zijn, maar ook raar omdat ik er zelf nooit zo’n lol aan beleefd heb. Ook geen chagrijn, trouwens. Ik ben gedoopt. Punt.

Ook de andere katholieke mijlpalen, mijn eerste en tweede (plechtige) communie, brachten weinig teweeg in mijn leven. Van de eerste herinner ik mij een feest waarop ik al vrij snel mijn nieuwe broek scheurde, wat een soort schaduw over de dag wierp omdat ik mij de hele tijd schuldig voelde, en van de tweede communie weet ik alleen nog dat ik in de kerk iets mocht voorlezen, ook al in een nieuwe broek, een nette, waar mijn moeder erg om moest lachen, omdat ik van tevoren op aandringen van de pastoor erg bij haar om die broek gezeurd had terwijl niemand hem kon zien toen ik eenmaal op de kansel stond.

Dat je om iets plechtigs ook schaamteloos en uitbundig kon lachen, was die dag eigenlijk de grootste openbaring voor mij. Leerzaam.

Goed. Allemaal gebeurtenissen waarvan ik niet wist dat ik ze onthouden had en die de man met zijn verhaal kennelijk bij mij opgerakeld had. Intussen was hij zelf verder gegaan met mij uit te leggen hoe het katholicisme in elkaar zat. Vooral de heiligen gaf hij veel aandacht. Hij kwam zelf namelijk uit een erg ver land met een heel ander geloof en daar hadden ze die niet.

Het katholieke geloof was een van de redenen waarom hij erg blij was dat hij nu in Nederland woonde. Zomaar kunnen geloven wat je wil, was al mooi, maar dan ook nog een heel regiment heiligen erbij! De een had nog beter geleefd had dan de ander.

‘En zij hadden wonderen gemaakt!’ riep hij.

Hoe mooi was dat?!

Zo had ik het nog nooit bekeken. Eigenlijk best wel een positieve religie, als je de juiste instelling hebt (en een hele hoop dingen in de doofpot stopt).

Maar dan nog, wonderen?

De man bekeek mij nog eens van top tot teen en zei toen: ‘Ja, altijd mooi. Uw kleren. Maar nu vaak een beetje somber. Alles zwart en grijs.’

Hij had mij kennelijk al een tijd in de gaten gehouden. En verdomd, ik was inderdaad wel een beetje aan het tobben geweest.

‘Ik heb iets voor jou. Om vrolijk te worden!‘ Hij sloeg de flap van zijn gigantische krantenfietstas open.

Veren!

‘Allemaal gevonden!’ zei hij.

Dat leek me sterk, want de ene was nog prachtiger en kleuriger dan de andere en ik had in Lombok nog nooit zulke bonte vogels zien vliegen (behalve dan die verschrikkelijk brutale halsbandparkieten). Maar daar ging ik niet over beginnen, want ik mocht er een uitkiezen. Een veer. Dat deed ik. Daarna moest ik knielen, zodat de man de veer achter het lint van mijn hoed kon steken.

Het had iets plechtigs. Mijn communies waren er niks bij.

Toen ik opstond was de man weg. Nergens meer te bekennen. Ik voelde aan mijn hoed. Niks geen veer. Laat staan een wonder.

Toch was ik een stuk vrolijker. Weer een verhaal af!

De foto is van Wikimedia Commons.

Herinneringen

‘Ik wil daar gewoon mooie herinneringen maken’, zei de vrouw tegen haar vriendin.

(Dit was ergens aan het einde van de zomer 2021, toen we nog met z’n allen buiten op elkaars lip mochten zitten en ik nog volop andermens’ gesprekken afluisterde en opschreef. Nou ja, flarden ervan. Ik kwam dit citaat vanmorgen tegen, terwijl ik alle andere half afgemaakte blogs aan het lezen was, om met hervonden inspiratie verder te gaan.)

Wel ja, dacht ik (toen, en nu weer), was het maar zo makkelijk! Dat je doodgewoon van te voren kon verzinnen en daarna uitvoeren waar je later met warme gevoelens aan terug zou denken. Een soort omgekeerde versie van Eternal Sunshine of the Spotless Mind.

Het leek ideaal. Maar goed, ik ben niet voor niets een zenuwlijder, dus ik zag binnen de kortste keren allerlei praktische bezwaren. Gedoe. Want zolang je alleen op de wereld bent, kun je bij wijze van spreken herinneringen maken wat je wilt, maar zodra er anderen bij komen kijken, gaat het al mis, want wat voor mij een sentimental journey zal zijn, is voor de ander een helletocht naar het verleden. En mijn trauma is misschien wel uw mooiste moment ooit. Kortom, als je een beetje aan je medemens wil denken, is herinneringen maken echt super ingewikkeld.

Niks voor mij, ik doe het wel gewoon met wat ik achteraf onthou.

Daar wilde die vrouw dus niet op vertrouwen. Ze was vastberaden om reuze mooie belevenissen in haar geheugen te griffen en had al van alles en nog wat uitgestippeld, zodat ze niets zou mislopen. Ik weersta hier de neiging om al haar aanstaande avonturen (inclusief de kant en klare herinneringen daaraan) op te sommen, omdat het er nogal veel waren en ik ze eigenlijk niet bijster origineel vond. Het leken wel tweedehandse herinneringen.

(Wat me doet denken aan een oud idee van me, namelijk een marktplaats voor herinneringen. Ik heb er echt een hele hoop en ik ben op veel ervan al lang uitgekeken, terwijl die, om in marktplaats-jargon te spreken ‘nog best een tweede ronde meekunnen’. Dus als u zich eens iets heel nieuws wilt herinneren, stuur maar een berichtje. Ruilen kan ook, maar ik ben wel kieskeurig, ik ga niet zomaar aan van alles terugdenken.)

Eh, waar was ik?

In Buenos Aires. Want daar ging de vrouw heen. Zonder haar vriend, want die had ze pas een maand en het plan voor haar reis had ze gemaakt vóór ze hem leerde kennen, dus ze voelde best wel een beetje twijfel over hoe dat herinneringen maken zou uitpakken met een relatieve vreemde erbij.

Ziet u wel: gedoe.

Inderdaad, dubbel gedoe zelfs, want zij had eigenlijk al in geen jaren verkering had gehad, en ze beschouwde die hele relatie dus nog als een soort experiment. Een wankel fundament voor een gedeeld geheugen, vond zij, ook al omdat zij het nog niet aan hem verteld had; dat ze nog aan het idee van een vaste vriend moest wennen, bedoelde ze.

Hm…

Haar vriendin vond het juist daarom verstandig dat ze in haar uppie herinneringen ging maken, want dan kon ze alles weglaten wat de vriend niet aanging en/of wat hun prille geluk in de weg stond. Wat de vrouw nu met hem had, was dan gewoon een soort ouverture, een aanloop naar het echte werk, dat pas voor menens zou beginnen als ze terug was uit Argentinië.

Nog eens hm…

Ik ben misschien geen deskundige, maar volgens mij kan er van een relatie weinig goeds komen als een van de twee al meteen bij aanvang begint met censureren. Voor een miniserie op Netflix is het een leuke premisse, iemand met geheimen en een verborgen verleden die dan van de ene ongemakkelijke en/of gewelddadige toestand in de andere rolt om dat allemaal te verbloemen, maar in het echte leven is het niks.

Gedoe.

De vrouw keek voor zich uit alsof ze dat opeens ook allemaal besefte ‘Weet je waar ik nou zo bang voor ben?‘ vroeg ze aan haar vriendin. ‘Dat ik straks als ik terugben niet meer weet waarom ik hem zo leuk vond.’

‘Maar je kunt nou toch ook herinneringen maken? Vóór je weggaat.’ zei de vriendin.

‘Bedoel je met hem erin?’

‘Ja! Die herinneringen blijven echt nog maanden goed hoor, soms wel jaren. Zeker als je ze op Instagram en Facebook post.’

De vrouw knikte. Daar had ze niet aan gedacht.

Ik ook niet. Er is al lang een marktplaats voor herinneringen! Ik ook altijd met mijn zogenaamde ideeën.

Nou ja, dan hou ik mijn herinneringen gewoon. Of ik maak er blogs van.

Duur

‘Wat denk je dat we kwijt waren, alle vier een pannenkoekje, de kinderen een flesje Ranja?’

De man keek de vrouw aan met de slimme blik van iemand die een geheim raadsel in de groep gooit (de groep: twee echtparen, mannen en vrouwen tegenover elkaar).

Vilein als een soort Repelsteeltje. De man bedoel ik; de vrouw schudde voorzichtig haar hoofd. Ze had geen flauw idee. Je kon wel aan haar zien dat ze hoog wilde inzetten. Maar hoe hoog, daar twijfelde ze nog over. Dat vond de man niks, hij verloor langzaamaan zijn geduld. Getreuzel, dat was niks voor hem, had-ie geen tijd voor. En hij was een beetje bang dat ze precies in de roos zou gissen.

Ik vroeg me intussen af of Ranja nog wel bestond. In welk vooroorlogs etablissement verkochten ze dat spul nog? Ik googelen, om erachter te komen dat ik de afgelopen halve eeuw natuurlijk weer niet had opgelet, want het bestaat al 100 jaar en is nooit weg geweest. Toch klonk het als iets dat in de vaart der volkeren gesneuveld was. Ik kan me niet herinneren dat mijn kinderen het ooit dronken. Maar misschien was het toen niet zo hip als nu.

Limonade bedoel ik. Want dat is super modern. Ieder zichzelf respecterend hipster café verkoopt tegenwoordig zelfgemaakte limonade (van zelf geteelde en herontdekte vruchten). En trouwens, ook zelf gebrouwen bier (van kokosmakronen en zelf gerookte hagelslag) en/of zelf gedroogde beef jerky (van zelf geschoten oerherten).

Misschien wilden mijn kinderen er niets van weten, van Ranja, en vonden ze het ook oubollig. Ik herinner mij icetea en cola. Vanaf dat ze konden praten tot ver in hun puberteit.

Maar goed, laat ik niet zo denigrerend over die hipsters doen, want het lijkt erop dat we door hun onverschrokken pogingen om alles zelf te doen nu eindelijk af zijn van het verschrikkelijke ‘huis gemaakte’, en daar ben ik hen eigenlijk wel dankbaar voor.

Eh… terug naar de man met zijn pannenkoekjes en Ranja. Of eigenlijk, naar de vrouw die naar de prijs ervan moest raden. Want ze gaf het op en onderging gelaten de man zijn glorieuze ‘een-en-vijftig-vijf-en-negentig!’ (€51,95!). Een bedrag dat hij als een troefkaart op tafel gooide.

Enigszins geïrriteerd, ten slotte.

De reactie van de vrouw viel hem namelijk tegen, ze was niet half zo verbaasd als hij (nog steeds) verontwaardigd. Nu was hij triomfantelijk voor niks. En hij kreeg nóg een teleurstelling te verwerken want zij wist iets anders dat ook heel erg duur was geworden (sinds weet ik veel wanneer).

Vakantiehuisjes!

Daar had de man niet van terug. Hij moest bovendien raden hoeveel het kostte om met de kinderen, klein kinderen, aanhang, en nog wat aanverwante mensen een midweek op Texel te bivakkeren. In het voorseizoen!

‘Vijfhonderd?’ vroeg hij. Ongeïnteresseerd.

De vrouw lachte schamper. ‘Het dubbele!’ De man knikte alsof hij dat al verwachtte.

Goed, dat ging zo een tijdje door. Om de beurt noemden ze een of andere onderneming of recente aanschaf waarvan de ander dan de prijs moest raden.

Ik onderdruk hier de neiging om alles inclusief de prijzen op te sommen. Hoewel ik ze vreemd genoeg nog wel allemaal kan reproduceren.

Ja, vreemd genoeg, want ik ben niet zo’n cijfermens. Maar nu had ik zonder al te veel moeite de volledige boekhouding van het gesprek tussen de twee man in de vrouw bijgehouden. Toen ze uiteindelijk moe gestreden zwegen en naar hun lege theeglazen keken, stond ik op en liep ik naar hen toe om de eindstand bekend te maken. Tot mijn vreugde had de vrouw gewonnen, ze had verreweg de beste schattingen gedaan. Ze glimlachte tevreden. De man ritste beteuterd zijn beige windjack dicht en zette zijn pet op.

‘Meneer!?‘ De serveerster stond naast mijn tafeltje.

Opeens!

‘U wilde betalen?’ Ik knikte en ging recht zitten om mijn pasje te pakken. ‘Eens even kijken: één imperial stout maple syrup on smoked rye en drie bitterballen van vergeten groenten, dat is dan achttien vijfenzeventig.’

Ik keek rond, maar de twee echtparen waren vertrokken. Toch zou ik gezworen hebben dat ik ergens in de verte die man hoorde lachen.

Satanisch, zoals dat heet.

De foto is van Wikimedia Commons

Gender

De vrouw die een tafeltje verderop met een kennelijke collega zat te praten (zo’n beetje hun hele team ging over de tong, ik kan iedereen zo uittekenen als het moet) verhief opeens haar stem en zei verontwaardigd: ‘Dus we krijgen alleen maar genderneutrale toiletten?!’

Dat vond ze dus maar niets. ‘Laten ze dan gewoon één derde vrouw, één derde man, en één derde neutraal doen!’

Hm. Waarom? wilde ik vragen, maar dat deed ik natuurlijk niet, want dan viel ik door de mand als luistervink (ja, mensen, ik heb een hoop fantasie, maar soms heb ik wel een aanleiding nodig, en die steel ik gewoon van anderen, zo rijk is mijn leven nou ook weer niet).

En waarom in die verhouding? wilde ik ook vragen. Het leek me sterk dat de genderverdeling zo evenredig was. Maar goed, welke verdeling dan? En bij nader inzien twijfel ik ook over de bruikbaarheid van de term genderneutraal. Ik vind het eigenlijk nooit een goed idee om mensen te classificeren, en al helemaal niet om hen te classificeren als mensen die ‘niet een van beiden’ zijn. Dat is namelijk de letterlijke betekenis van neutraal. De Amerikanen zeggen non-binair, ook geen fijne term, vind ik, want kennelijk is binair de regel en de rest uitzondering. Dan ben ik er altijd voor om de regel op te heffen. Iedereen hoort erbij, of iedereen is uitzondering, wat eigenlijk op het zelfde neer komt, want als iedereen een uitzondering is, hoort iedereen erbij. Mijn voorstel is ‘omnigender’ (o).

U bent dat ook!

Dus allemaal één toilet in plaats van iedereen een eigen. Dat lijkt me in ook efficiënter (geen argument dat ik vaak gebruik, maar ik zag opeens een hele gang met allerlei verschillende deuren voor iedere gender één en dat is natuurlijk reuze onhandig).

Wat kan er gebeuren als we met hun allen dezelfde toilet gebruiken? Als we allemaal gewoon netjes gaan zitten en de boel schoon achterlaten, is er toch niets aan de hand (ik kom daar op omdat ik vandaag in de trein naar de wc ging, al sinds jaar en dag omnigender, en ik zowat van mijn stokje ging vanwege de ravage die mijn voorgangers (m) daar hadden aangericht, ja ‘(m)’, ik hoefde geen forensisch detective te zijn om te zien welke gender er echt per se overal zijn sporen achter wilde laten).

Of gaat het niet om hygiëne? Hmm, maar waar gaat het dan om? Dat het verwarrend is? Maar dat is het juist niet. Neem nu mijn hypothetische gang met deuren van hierboven. Als er iets verwarrend is, dan dat wel. Het is de hel voor mensen als ik, die uit angst om zich te vergissen dan maar niet naar de wc zouden gaan. Die kunnen dan nooit meer ergens ontspannen een kopje thee drinken. Want ik ben namelijk nogal een dromer, of verstrooid, zoals een van mijn collega’s het vergoelijkend noemt, en niet zelden loop ik dus peinzend ergens binnen waar ik kennelijk niet thuishoor. Met allerlei ingewikkelde situaties tot gevolg.

Dus gewoon overal omnigender toiletten, dat lijkt me een uitkomst.

Daar was een vriendin van mij het niet mee eens. ‘Stel, je bent op een date, en je gaat even naar de toilet om je lippen te stiften. Dan wil je daar toch je date niet tegen het lijf lopen?’

Nee, dat wil je niet. Ik ga niet vaak op een date, maar ik kan mij voorstellen dat ik in zo’n situatie regelmatig naar de toiletten zou vluchten om mijn baard te kammen. Daar zou ik dan inderdaad geen pottenkijkers bij willen hebben, laat staan degene met wie ik een afspraakje heb (‘afspraakje’ is old speak voor date).

De oplossing daarvoor is ook nogal simpel, concludeerden we: gewoon op iedere toilet een eigen spiegel en een eigen wasbakje. Dan kun je je in afzondering vrijelijk optutten voor de volgende ronde. Weer een maatschappelijk probleem opgelost, zeiden we.

Maar zover was het natuurlijk nog niet…

Daar kwam ik achter toen ik twee weken later de vrouw van het tafeltje verderop plotseling via de spiegel in de ogen keek terwijl ik mijn baard stond te kammen en zij achter mij uit een toilet stapte… van de dames-w.c. op het conferentie-oord waar wij dezelfde cursus bleken te volgen.

Dat ik verstrooid was, vond ze niet half zo aandoenlijk als ik hoopte.