Categorie archief: Overleven

Gebed

eten2

In de AH was ik op zoek naar knoflookpasta, bij gebrek aan een pers en omdat ik nog even geen zin had om uit vinden hoe ik met één hand een teentje in stukjes kon snijden. Pick your battles heeft opeens een nieuwe betekenis. Of nou ja, ik heb er battles bijgekregen. Simpele en gewone dingen ontpoppen zich onverwacht als vijandelijkheden. Het hele bestaan is opeens tegen me.
Eh… nee, dat is te somber. Vergeet dat.
Maar koken kan zomaar een veldslag worden als ik niet uitkijk. Dus vandaar knoflookpasta. En gesneden wokgroenten. En blokjes kip.
Ik weet niet of mijn zielige arm er iets mee te maken had, maar er gingen twee jongens op pad om de pasta voor me te vinden, dat wil zeggen, de eerste, die niet wist waar het stond, sterker nog, die niet wist of het béstond, vroeg het aan een tweede, die het wel wist (dat het bestond en wáár het stond, ongeveer dan).
We liepen met z’n drieën door de winkel. Achter elkaar aan, de paden op, de lanen in. Ik kreeg zin om erbij te zingen. Het was absurd.
Maar niet half zo absurd als de scène waar een derde jongen me introk. Terwijl de twee AH-jongens en ik de rekken aftuurden (‘ongeveer’ kwam op zo’n 45 meter ‘schapruimte’ neer) sprak híj me aan om te vragen wat ik mankeerde. Hij wees naar mijn sling. (Dat laatste schrijf ik erbij om te voorkomen dat u denkt dat hij met dat mankeren op mijn zoektocht naar knoflookpasta doelde; had gekund, want ik had dat spul écht nodig, vond ik opeens, en misschien keek ik inmiddels wat koortsig uit m’n ogen.)
Eh… wat ik mankeerde… lang verhaal, dacht ik. Zeker om aan een volstrekte vreemde te vertellen. Ik kon natuurlijk gewoon zeggen dat ik mijn pink gekneusd had, maar dat vond ik niet eerlijk tegenover mijn arm. Ik kon niet zomaar zijn ongeluk te bagatelliseren.
Ja, dat vond ik… raar maar waar. Hij ziet me niet meer staan, maar diep in mijn hart hou ik toch van hem.
Enfin, ik vroeg de jongen waarom hij wilde weten wat er met mijn arm was gebeurd.
Omdat hij voor me wilde bidden.
Dat heb ik weer. Het kon nog raarder.
Hij had al een paar mensen met een gebed weten te genezen zei hij. Eén iemand had terstond zijn mitella afgedaan. En een ander was zonder krukken verder gelopen. Hij keek me aan om te zien wat ik daarvan vond. Hm, wonderbaarlijke genezingen zijn zelden wonderbaarlijk en meestal wetenschappelijk verklaarbaar, maar het leek me zinloos om daar met de jongen midden in de AH over te gaan redetwisten. In plaats darvan gaf ik hem een korte samenvatting van mijn ongeluk en letsels. De onomkeerbare beschadigingen aan mijn zenuwen gaf ik wat extra nadruk, om hem moed te ontnemen. Dat lukte niet. Hij knikte bij ieder detail alsof hij het alvast klaarzette voor zijn gebed; op een lijstje voor God.
Intussen zochten achter mij de twee AH-jongens nog steeds naar knoflookpasta.
’Nee, dat is sáús!’ riep de een naar de ander.
‘Ik snap het,’ zei de jonge gelovige. Dat ging over mijn aandoeningen. ‘Ik ben namelijk ook fysiotherapeut.’
Een beetje inconsequent leek me, maar een kniesoor die daar over begon. Hij leverde gewoon een soort totaalpakket, aardse en bovenaardse behandelingen.
‘Mag ik voor u bidden?’ vroeg hij.
Nu geloof ik niet, maar ik ben geen rabiate atheïst. Dus dat die jongen mij en mijn arm in zijn gedachten zou nemen om dan thuis voor een zelfgemaakt huisaltaar de Heer om mijn genezig te vragen, daar zat ik niet mee. De grote Volksschrijver Gerard Reve deed het ook (ik bedoel bidden voor een huisaltaar) en die kon prachtig schrijven.
Maar dat was niet de bedoeling. Nee, hij wilde God meteen ter plekke aanroepen. En mijn hand vasthouden. Mijn goede hand gelukkig, want om nou zomaar iemand mijn aangedane hand te geven, dat was me net even te intiem, het was allemaal toch al behoorlijk dicht op de huid, voor mijn doen. Maar ik vond het flauw om nu helemaal op mijn schreden terug te keren. Die jongen wachtte met zijn lijstje.
Dus daar stond ik even later, hand in hand met een volstrekte vreemde die God en detail uitlegde wat er aan mij kapot was en wat dus weer heel moest.
In de AH, voor de olieën en azijnen.
‘Ja! Hebbes!’
Dat was één van de twee AH-jongens.
Hoera! Knoflookpasta!
‘Amen.’ Het gebed was af en de jongen liet mijn hand los. Hij opende zijn ogen en keek hoopvol naar mijn andere hand. ‘Probeert u eens,’ zei hij.
Er zat nog steeds geen enkele beweging in.
‘Jammer’, vond hij.
Ik ook.
Maar ik vond het vóór het gebed ook al jammer. Nou hadden we er een teleurgestelde bij. Dat schoot niet op. Gelukkig waren de AH-jongens heel erg blij én met zijn tweeën, zodat het gelijkspel bleef, wat humeuren betreft.
En die avond heb ik voor het eerst in zeven weken weer eens mijn eigen eten bereid. Mét één hand, zónder jammer.
Drie – twee!
Hoera!

Mijn arm en ik

contact2

Kort na de operatie mocht ik helemaal niets met mijn arm. Ze hadden hem met een vernuftige draagband en veel klittenband aan mijn lijf geplakt (gefixeerd noemen ze dat, of nog eufemistischer: geïmobiliseerd, wat klinkt als een overheidsmaatregel in oorlogstijd), zodat hij geen kant op kon. Hij kon natuurlijk sowieso geen kant op, dat was de hele makke, maar dan nog moest-ie in bedwang gehouden worden, want van binnen hadden ze nog zo goed en zo kwaad als het kon een paar van mijn losgerukte zenuwen weten te redden – over vernuftig gesproken, dát is echt ongelooflijk – en dan moest ik natuurlijk niet onbedoeld met mijn arm gaan zwaaien want dan trok ik alles weer los.
Zodoende was mijn arm niet alleen gevoelloos maar ook onzichtbaar. Op een halve hand en mijn vingers na, die er samen uitzagen als een opgezwollen paarse bos wortels. Na één eerste blik keek ik daar ook niet meer naar om.
Durfde ik niet
Wilde ik niet.
Ik kon niet anders dan mijn eigen arm verloochenen. Ik voelde hem niet en voelde niets voor hem. Ik prevelde in die tijd zeker een paar keer per dag ‘stomme kut arm’ voor me uit.
Ja, harteloos.
En onbegrijpelijk (ik kon er tenminste met mijn verstand niet bij). Toch was het zo.
Maar ik kon die weerzin niet lang volhouden, want áls de doktoren iets hadden kunnen redden, dan had dat allean maar nut als mijn arm een beetje in conditie bleef, inclusief mijn hand en vingers. Ik bedoel dat alle gewrichten soepel moeten blijven werken, want een ledemaat dat niks doet, wordt stijf, en een ledemaat dat negen maanden niks doet (de tijd die mijn zenuwen minstens nodig zouden hebben om weer aan te groeien, ik schreef het al eerder, snelheid heeft in mijn leven afgedaan), wordt héél erg stijf. Nutteloos eigenlijk. Van een hand blijft dan niks anders over dan een akelig gekrompen klauw die nauwelijks iets kan, en je pols en elleboog verstarren zo dat je met die klauw niet eens op je kop kunt krabben.
Dus of ik nu van van mijn arm en hand hield of niet, ik moest hun aandacht geven.
Liefde.
Want toen de dokter na twee weken mijn arm c.s. bevrijdde en ze in een sling (een soort mitella) hing, kreeg ik meteen huiswerk. Ik moest vijf maal per dag (ja, vijf!, dat is om de haverklap!) op de rand van mijn bed gaan zitten en voorzichting mijn hand tevoorschijn halen, en die in mijn andere nemen om er vervolgens rondjes voor mijn buik mee te draaien. Vijf minuten rechtsom, vijf minuten linksom.
Het was alsof ik met mezelf danste. Wat niet half zo akelig zou zijn, misschien zelfs wel aandoenlijk, als mijn linkerhand even zacht en warm was als mijn rechter. Dat ze zelf niet bewoog was tot daar aan toe, maar dat ze dan ook nog hard en koud deed, dat haalde alle romantiek uit de oefening.
En in het begin stonk ze ook nog. Ja, dat is een van de nevenverschijnselen waar je van tevoren niet bij stilstaat (eh… rare constatering, waarom zou je überhaupt bij zoiets stilstaan?), maar als je arm twee weken onbeweeglijk aan je lichaam gezwachteld zit, gaat hij stinken. Om dit blog voor u een beetje aangenaam te houden, zal ik verder geen details geven. Denk aan zweetvoeten en tenenkaas. Op zich misschien draaglijk, maar als je hánd zo ruikt, wil je het liefst overgeven.
Dat deed ik niet. Nee, in plaats daarvan legde ik haar (ook op last van de dokter) na iedere dans voor mij op een kussen op mijn schoot, om één voor één mijn vingers en duim te masseren, ze op en neer te bewegen, te krommen en te strekken, te herinneren aan wat ze vroeger zelf konden.
Dat is ook voor mijzelf wel handig, trouwens. Want als iemand mij vraagt om eens te proberen zo’n vinger of duim te bewegen, weet ik letterlijk en figuurlijk niet waar ik het zoeken moet. Proberen gaat niet eens. Ik kan gewoon niet vinden waar ik moet beginnen om dat voor elkaar te krijgen.
Kijken naar wat je moet doen, helpt dan zeggen ze.
Om contact te maken.
Dat heb ik weer. Moet ik, tegen al hun koude en harde onverschilligheid in, toenadering met mijn arm, hand en vingers zoeken, en ze dan weer zien terug te laten komen.
Welja… verleiden, moet ik ze.
Niet mijn sterkste punt… contact maken, laat staan verleiden.
Maar goed, een week geleden kon ik mijn T-shirt nog niet eens zelf aantrekken.

Pijn

Pijn1

Vroeger had ik ook wel eens pijn. Ik stootte mijn hoofd of mijn knie of weet ik veel wat, riep ‘au!’ of iets ergers, deed er een pleister op of iets ergers en hield vol tot de wonden zich gesloten hadden en ik er niks meer van voelde. Andere pijnen bestreed ik met pillen. Niet te veel want volhouden tot het overging bleef het ideaal.
Pijn hoorde bij het leven en die droeg ik zoals het leven zelf.
Dapper.
En als ik u vertel dat toen ik op mijn zevende het lijdensverhaal van Jesus Christus voor het eerst hoorde dát mijn toetssteen voor leedverdragen werd, weet u dat de lat hoog lag, wat dapper zijn betreft.
Maar in de oudheid hadden ze geen motoren, laat staan frontale botsingen met die machines, dus na mijn ongeluk moest ik mijn pijnbeleving – ja, zo heet dat, lang leve de eufemismen – grondig herzien. (Hm, absurde redenatie, maar ik laat die hier staan omdat ze me toch wel logisch voorkomt, al weet ik niet waarom.)
Een andere reden voor die herziening was dat er meteen naast het eerste bed waar ik in lag iemand van ‘het pijnteam’ verscheen om vragen over mijn pijn te stellen.
Uh… pijnteam?
Ik zag een zestal veel te mooie Marvel-helden en -heldinnen met echt hele handige gaven ten strijde trekken tegen de lichamelijke pijn in de wereld en nu dus ook die in mijn aangedane arm (ik had intussen al een infuus met morfine in mijn goede arm steken, inclusief pomp met zelfbediening, dus mijn toch al levendige fantasie kon haar lol niet op).
Nee, dat was het niet. Het pijnteam was een mevrouw die me vroeg hoe erg mijn pijn was.
‘Nou, heel erg.’
Ze knikte. ‘Op een schaal van tien, waarbij nul geen pijn en tien ondraaglijk is, welk cijfer geeft u dan?’
‘Uh…’
Mijn arm die niks meer deed behalve pijn was intussen van gietijzer geworden, of van iets anders dat heel erg zwaar en levenloos was. Gewapend beton kon ook. Zoiets leek me strikt gesproken een nul, maar helemaal eerlijk vond ik dat niet, want het was dan misschien geen pijn, naar was het wel. En griezelig. Ik moest aan een verhaal van Mulisch denken, ‘Wat gebeurde er met sergeant Massuro’, die veranderde stukje bij beetje in graniet (de sergeant in het verhaal bedoel ik, niet Mulisch).
Was griezelig ’n één? Ik durfde het niet te vragen.
‘Wat voelt u precies?’ vroeg de vrouw van het pijnteam om mij te helpen.
‘Alsof ik mijn telefoonbotje heb gestoten. Of eigenlijk een paar telefoonbotjes. Een paar honderd. En dan telkens weer, allemaal tegelijk… en dat dan dus overal in mijn arm knetterende elektriciteit, nee knetterende kortsluiting, van mijn vingers naar mijn schouder raast en weer terug om onderweg te gloeien, branden en prikken en steken als de hel op aarde.’
De hel, dat is mijn arm.
Was de hel een tien? Leek me eigenlijk wel. Maar om nou meteen met een tien te beginnen…
Ik dacht aan al mijn vorige pijnen. Waarom had ik die geen cijfer gegeven? Waarom had mijn moeder me nooit naar iets tussen nul en tien gevraagd? Dan had ik nou tenminste een referentiekader gehad en een onderbouwde gooi kunnen doen. Ik zag haar opeens naast me staan (lang leve de morfine): ’Ach jongen toch, ben je gevallen? Doet het zeer? Ja, dat snap ik… Maar nou even niet meer huilen vent… hier, een zakdoek en dan even goed naar mama luisteren: op een schaal van nul tot tien, waarbij…’ Ik vroeg me af wat Jesus van een geschaafde knie zou vinden, of een kapotte arm…
‘Anderhalf,’ zei ik tegen de vrouw van het pijnteam.
‘Dus draaglijk?’
‘De lat ligt hoog,’ lachte ik, opeens nogal schel. Ze fronste haar wenkbrauwen.
‘En waar voelt u de pijn?’
’In mijn arm en mijn hand en mijn vingers!’ Ik wees de plekken aan.
Mis.
Daar was mijn arm helemaal niet, en dus de rest ook niet. De pijn wel. Hoe flauw was dat, ergens heel veel pijn waar helemaal niks was? Ik keek naar mijn arm cum suis. Die lagen een tiental centimeters verderop onschuldig niets te doen.
Ik probeerde met heen en weer staren van mijn pijn naar mijn arm de ergens losgeraakte draadjes weer aan elkaar te krijgen.
Tevergeefs. Mijn arm en hand en vingers bleven waar ze waren. De pijn ook, maar niet lang. Ik had mijn ogen nog niet afgewend of ze ging weer ergens anders liggen te branden, gloeien, prikken en steken (zodat ik even dacht dat mijn arm bewoog).
Eek! Pijn met een eigen leven!
Gekker moet het niet worden! Dát leven ga ik niet dragen hoor. Ik kan verdomme mijn dapperheid wel beter gebruiken. Voor mijn éígen leven bijvoorbeeld. Daar valt nog een hoop te doen.
‘Doet u toch maar een acht,’ zei ik terwijl ik mezelf nog wat morfine gaf.

Eén hand

Ik typ dit met één hand. Eén vínger eigenlijk, mijn wijsvinger.
Soms springt mijn pink of duim opeens bij zonder dat ik er erg in heb.
Maar daar heb ik het dan wel mee gehad, wat typen aangaat. Eén of twee vingers, meer niet.
Ongeluk, daar gaat dit blog over. Of over geluk. Dat is maar net hoe je het bekijkt.
‘Je bent er gelukkig nog,’ zei mijn moeder. Dat is waar. Ik ben er nog. Maar nog niet gelukkig.
Een mens kan niet alles hebben.
Frontale aanrijding, of nou ja, schuin van links. Ik besefte amper wat het nijdige geluid was dat verderop naderde en me passeerde (een motor), of ik werd van mijn lieve ‘Fondriest tf2, 1.0’ gestoten (door een tweede motor) en kwam weet ik veel waar terecht, ergens op een flank van de dijk bij Lexmond. Daar keek ik naar mijn arm alsof-ie een ergens anders lag. Dat was niet zo, hij lag naast mij. Levenloos.
Nog een geluk: mijn ene goede hand, ene vinger (soms pink of duim), is rechts, zijn rechts. Net als ik. Dus dat typen gaat goed. Niet zo snel, maar dat is ook goed. Opeens vind ik snelheid niks meer en zing ik de lof der traagheid.
Dat kan ik iedereen aanraden, trouwens. Doe meer met één hand, of gewoon bedachtzaam. Het loutert je enorm.
Het is maar net hoe je de dingen bekijkt.
Zoals ik mijzélf in de spiegel, met mijn ingepakte arm onder mijn t-shirt, waardoor ik opeens akelig veel op een schilderij van Francis Bacon lijk, een schilder waar ik al tijden fan van ben, wat ik opeens een bizar en nutteloos voorteken vind, zodat ik voor het eerst weer naar mezelf (en mijn arm) lach.
Het is maar net hoe je de dingen bekijkt, dus.
Hoewel, mijn lijst met letsels, daar heb ik heel vaak van alle kanten naar gekeken, maar daar werd-ie niet veel mooier van. En ik ben toch een grote liefhebber van lijstjes. Nee, deze opsomming bleef steeds weer tegenvallen, zelfs in het onbegrijpelijke jargon van de dokters, dat soms nog wel poëtisch kan zijn, maar waar ik toch weinig schoonheid in kon vinden toen ik eenmaal wist wat ze bedoelden en ik de hele tijd aan den lijve voelde wat er stond (no pun intended).
Ik ga hier dus al die akelige dingen niet onder elkaar opschrijven en hou het bij vermelding van die ene arm (links), die niks meer doet, behalve pijn. Ja, dat is een of andere cynische ironie van het menselijk lichaam, echt heel gemeen.

Twee ziekenhuizen, twee operaties, en twee weken later had mijn verstand god-mag-weten-waar-vandaan een ander lijstje bijeengezocht, van al mijn herinneringen aan éénarmigen, de drummer van Def Leppard voorop.
Ja, echt, de drummer! Na zijn auto-ongeluk (en geamputeerde arm) paste hij zijn drumkit aan en ging hij vrolijk verder met de band. Hoera voor hem, en voor Def Leppard! (Ook bizar en een beetje eng: dat ik dit verhaal meer dan 30 jaar geleden (in 1984!) heb gelezen en dat het kennelijk al die tijd heeft klaargestaan om me nu opeens bij de keel te grijpen.)
Het tweede verhaal gaat over Sam Baker, een singer-songwriter die op reis in Peru door een bomaanslag van Het Lichtend Pad (over poëzie gesproken) zijn linkerhand verbrijzelde (onder andere). Hij kon er nog wel zijn plectrum mee vasthouden, en was dus toen maar links gitaar gaan spelen, nog summierder dan hij al deed, maar des te mooier (geluk bij een ongeluk), luister maar eens naar dit liedje.
De rest van het lijstje met verhalen over gehavenden komt later wel een keer, want het gaat eigelijk niet om dat lijstje, maar om wat erachter stak. Het duurde even voor ik dat door had en ik zag wat mijn verstand met al die verhalen zeggen wilde. Ja… het lag er dik bovenop, zie ik nou ook wel, maar ik was toen godbeterhet net een beetje bij kennis aan het komen!
Ga gewoon door, was de boodschap. Veeg jezelf bij elkaar en ga verder. Volg je hart, dan moet je lijf vanzelf wel mee.
Kan zo op een tegeltje (en daar dan een foto van op LinkedIn), maar het is waar.
Dus vandaar dat ik dit typ.
Met één hand.
Eén vinger, soms m’n pink of duim.
En mijn linkerarm zwijgend aan mijn zij, zo jaloers op de rest dat het pijn doet.

Mogen

Wat is dat toch met ‘mogen’? Ik weet niet hoe het zit op andere socale media, maar op LinkedIn ben je echt heel sneu als je niets hebt gemogen. Het is de nieuwe graadmeter voor succes. Want dat mogen gaat altijd over een of andere gebeurtenis waar je lof voor hebt geoogst.
Maar dan en passant, bescheiden.
Of nee, váls bescheiden.
Want ronduit opscheppen over iets wat je hebt gedaan of meegemaakt, dat is dan kennelijk net weer té. Nee, pronken en toch nederig blijven, dat is veel chiquer. Zogenaamd nederig dan.
Alsof dat kan. Ik beweer van niet. Kapsones is kapsones, en al helemaal als je het verdoezelt.
Ik vraag me ook af waarom je die moeite zou doen. LinkedIn draait om netwerken en die uitbreiden, en dat lukt echt niet als je niks presteert. Ik moet de eerste juichende mededeling over een fiasco nog tegenkomen. Nee, je moet slagen. Dus ik zou zeggen, steek gerust een paar veren in je toges als je met de hele wereld wilt linken. Maar nee hoor, dat is eigendunk, dus je slaat je ogen neer (als het ware) en zegt: ‘Nee maar, kijk mij eens!?’
Ja, het beste is om te doen alsof je zelf nog het meest verbaasd bent over wat je overkomen is, zodat het net lijkt alsof anderen je op het schild gehesen hebben. Want dat ‘mogen’ veronderstelt iemand anders, en wel iemand die belangrijk genoeg is om je eer te gunnen. Vervolgens toon je deemoed en dankbaarheid om je triomf te oogsten.
Dus schrijf je bij een foto van een afgeladen congreszaal in Kuala Lumpur waarop je heel in de verte onherkenbaar in het licht van een beamer naar een scherm staat te wijzen: ‘Gisteren mocht ik hier aan de koning van Maleisië een presentatie geven over mijn nieuwe methodiek voor coachen met bonobo’s.’
Of je plaatst een groepsfoto van jezelf met nog een paar blakende en glimmende mensen met daarbij de mededeling: ‘Na drie dagen keihard zwoegen mijn diploma life saving techniques for koala’s in ontvangst mogen nemen!’
Twee vliegen in een klap, want een diploma, waarvoor ook maar, is de tweede graadmeter voor succes en dus zeker iets om over te snoeven. Dat wil zeggen, om verholen over te snoeven.
(Tussen twee haakjes, Koala’s doen niks anders dan slapen en eten, dus hoe moeilijk kan het zijn om hun leven te redden? Niet zo heel moeilijk, laat ze gewoon met rust en ze leven lang en gelukkig!)
Begrijp me goed, ik ben geen voorstander van grootspraak, maar ik zou het wel stoer en recht door zee vinden om als je denkt dat je succesvol bent, ronduit je overwinningen te vieren.
LinkedIn is immers hét platform om het motto van de makelaar Buddy Kane uit American Beauty in praktijk te brengen: “In order to be successful, one must project an image of success at all times”. Ja, een hele nare man in die film, maar daar kan ik niets aan doen. Hij krijgt trouwens ongelijk. De hoofdpersoon van de film logenstraft het motto door op een gegeven moment alles wat ook maar een beetje op succes lijkt af te wijzen en ten slotte min of meer roemloos te sterven, maar wel met opgeheven hoofd.
Integer.
Mislukken is eigenlijk heldhaftiger dan slagen. Niets willen bereiken is mooier dan ergens mogen komen.
Kan zo op een tegeltje (en daar dan een foto van op LinkedIn).

Ik had dit allemaal nog niet geschreven of ik las dit. Over een vaker voorkomend maar toch bizar fenomeen; een uitdrukking die in de loop der tijd diagonaal van betekenis verandert, in dit geval: zich op de borst kloppen. Vroeger een gebaar voor nederigheid, nu om op te scheppen. Noem me ouderwets, maar ik ga voor het eerste.

Vasthouden

gebroken theepot

In Nieuwpoort gaf de fotografe van een jong stelletje instructies voor een trouwfoto. Ze had bedacht dat het leuk zou zijn als de twee elkaar zouden omarmen op het smalle trappetje naar de knalrode voordeur van een overhellend huisje aan de rand van het stadsplein. Ik raasde op mijn racefiets het plaatsje binnen en zag ze al van verre met hun tweeën op de smalle treden wankelen. Een symbolisch begin van hun huwelijk, van ieder huwelijk volgens mij, maar dat weet ik niet zeker, want ik ben geen kenner. De bruid maakte het allemaal nog eens symbolischer door half geërgerd, half lacherig te roepen: ‘Ja, je moet me wel vasthouden!’

Ik wil wel bekennen dat ik her en der in deze blogs wel eens wat verzin, maar dit niet. Soms zijn de dingen zoals ze zijn. In dit geval symbolisch.
En nou ik toch aan het bekennen ben, ik wil wel kwijt dat de hele scène me erg ontroerde. Want in een tijd dat iedereen bij het minste of geringste roept dat we moeten ‘loslaten’, wat kennelijk een geweldige deugd is, drong opeens tot mij door dat het omgekeerde eigenlijk veel mooier is.
Hoewel de bruidegom een beetje ongelukkig keek en niet wist wat hij moest doen, onderdrukte ik de neiging om te remmen en namens hem de bruid in mijn armen te nemen. Ik heb een goed hart en altijd de beste bedoelingen, maar mensen begrijpen mij meestal verkeerd. En ik had echt geen zin om aan het matten te gaan in Nieuwpoort aan de Lek. Zeker niet met die jongen in zijn goeie goed en ik zelf in mijn rijwielkleding. Lekker om in te fietsen hoor, dat strakke spul, maar zodra je afstapt sta je voor schut en heb je iedere strijd al verloren voor je ook maar een vuist geheven hebt of één woord gezegd.
Vind ik.
Hoe dan ook, ik pleit dus voor vasthouden.
Hm… Dit had ik allemaal net opgeschreven (inclusief de titel van mijn verhaal) toen iemand op mijn LinkedIn feed juichte dat er een boek verschenen was met de titel ’Anders vasthouden’ (de R heel snaaks achterstevoren, je moet er maar opkomen). Zoals ik al schreef, ik verzin een hoop in mijn blogs, maar ook dit niet. Waarom zou ik? Het was echt irritant, want ik had pas de helft van mijn blog geschreven, om vanaf dat moment dus te riskeren dat u zo gaan denken dat ik die man van dat boek na-aap. En dat doe ik dus echt helemaal nooit… verzinnen wat een ander al heeft verzonnen, dat kan ik niet eens. Voor zover ik weet. Want ik heb dat boek niet gelezen, en het voorafgaande ook niet (’Verdraaide organisaties’; ook die R andersom). En ik gá ze ook niet lezen. Ik weet zo’n beetje waar ze over gaan en erger me dood aan alle mensen die zeggen dat het om ‘de bedoeling’ en ‘kantelen’ gaat, terwijl ze eigenlijk alleen hun woorden verdraaien (no pun intended). Ja, sorry, veel geblaat en weinig wol, daar kan ik niet tegen. De goeden te na gesproken, trouwens, want ik weet ook wel dat er her en der heus iets verandert. Maar dat is omdat die goeden anders dóén in plaats van anders praten. Of ten minste doen wat ze zeggen.
Enfin, ik ga toch maar verder met mijn verhaal, op het gevaar af dat ik onbewust en ongewild een samenvatting geef van dat nieuwe boek. Wat dan wel weer handig zou zijn, trouwens, want dan hoeft u het niet te lezen. Scheelt weer.
Ik wilde het (onder andere) over mijn moeder hebben. Die waren we (mijn vader, zusje, broertje en ik) eens kwijt geraakt in een warenhuis toen ze bij de gasfornuizen was blijven staan terwijl wij door waren gelopen (ja, de zestiger jaren van de vorige eeuw, vrouwen keken naar gasfornuizen en mannen naar auto’s, of zoiets).
Je moeder opeens weg, dat is verschrikkelijk. Ik heb daarna nog één keer iets dergelijks meegemaakt, toen mijn zoon zoek was (ook in een warenhuis, omdat ik bij de schoenen was blijven hangen terwijl hij doorliep naar de kookspullen, er verandert inderdaad af en toe wel íéts).
Hoop ik ook nooit meer mee te maken. Mijn moeder weet daar alles van, want sinds het voorval heb ik haar niet meer losgelaten. Waar we ook gingen, ik hield haar aan een slip van haar jas of jurk vast. En mijn zoon kreeg na zijn verdwijning alleen nog maar hoodies, zodat ik telkens stiekem mijn pink in zijn capuchon kon steken als we op pad waren.
Waarmee ik maar wil zeggen dat je iemand vasthoudt omdat je die niet kwijt wilt.
Ja, geen revolutionaire wijsheid, maar meer kan ik er niet van maken. Hoeft ook niet, het is zo al aangrijpend genoeg, vind ik. In de voorbeelden die ik persoonlijk meemaakte was het om misselijk van te worden, in mijn werk is het meestal minder heftig, maar wel net zo echt.
Ja, óók voor mij van beleid. De essentie van de reclassering is dat we niemand kwijt willen. Of andersom (no pun intended, gewone R): iedereen hoort erbij.
Iedereen. Ja, makkelijker gezegd dan gedaan, maar als het makkelijk was, dan kwam ik niet naar mijn werk. Makkelijk, daar is niks aan. Daarom ben ik ook tegen loslaten. Dat is niet moeilijk.
En ook nog eens dom.
De laatste keer dat ik iets losliet, viel het kapot. Flauw, maar waar. Het trouwservies van mijn ouders.
Nee, dat verzin ik.

Zoen

Vorige week maandag om zeven uur stonden een man en een vrouw midden in de stationshal van Utrecht elkaar te zoenen. Nadat ze zich hadden losgemaakt ging de vrouw voor de man staan en trok ze met duim en wijsvinger van beide handen haar onderlip omlaag om de man in haar mond te laten kijken. Ik ving haar blik toen ze over de schouder van haar man de ruimte in staarde.
Hm… Geen scene om de dag mee te beginnen. Ja mijn dag was al een tijdje bezig, maar hij begint eigenlijk pas echt als ik andere mensen ontmoet. Want dan wordt het ingewikkeld.
Zoals met dat stel.
Tot en met het zoenen begreep ik het allemaal nog wel, maar toen de man de binnenkant van de vrouw haar lip ging inspecteren, ontspoorde alles finaal.
In mijn hoofd.
Ik bedoel, twee pontificaal zoenende mensen op de kale vlakte van zo’n kathedrale hal, dat is al een behoorlijk indringende gebeurtenis, zeker zo vroeg op de dag (of laat in de nacht, dat was moeilijk in te schatten, hoewel ze er niet echt verfomfaaid of uitgewoond uitzagen, wat je wel zou verwachten na een nacht doorhalen), en dan ook nog eens meteen daarna een publiekelijk medisch onderzoek, dat is mij net even té.
Astrant.(Ik leg niet uit wat dat betekent. Of nou ja, voor de jonge lezers: in your face!)
Alleen al omdat ik er niet omheen kon en er dus over moest nadenken, en er zich veel te veel vragen aan mij opdrongen. Zat ik niet op te wachten, ik had al genoeg aan mijn kop, want ik moest naar Maastricht.
Ver weg.
Maar goed, ik hield die vragen niet tegen, dus ik liet ze maar komen. Kon ik meteen mijn hoofd een beetje opruimen.
Dus…
Om te beginnen wilde ik wel eens weten of de twee handelingen (zoen en inspectie) iets met elkaar te maken hadden. Leek me wel. Mijn eerste gedachte was dat de man iets in de mond van de vrouw had achtergelaten wat hij terug wilde hebben. Kauwgum zou kunnen, of een dropje – vond ik persoonlijk niet zo romantisch, maar goed, ik ben van een andere generatie dus wie weet is dat tegenwoordig heel gewoon.
Dacht ik.
Of misschien was hij de week daarvoor voor een kroon naar de tandarts geweest en had zij dat ding losgewoeld. Ja, geen alledaags voorval, laat staan kattenpis, maar liefde en hartstocht voeren een mens vaak naar grote hoogten, dus waarom niet. Misschien was ze uit een Marvel Comic weggelopen en waren superzoenen haar gave (afgaande op het Netflix-aanbod is het huidige percentage Marvel-personages ongeveer 5% van de bevolking, dus waarom zou er niet een staan te zoenen op het station van Utrecht?)
Intussen probeerde ik me ook nog eens te herinneren wat er uit de vrouw haar blik had gesproken toen we elkaar een halve seconde aan hadden gekeken. Mijn eerste gedachte: berusting. Ze had gelaten gekeken, alsof ze de man zijn gang liet gaan omdat hij nu eenmaal zijn zoenen niet anders kon afronden dan met een oraal onderzoekje naar de gevolgen ervan.
Hm… ik heb ook een paar neuroses, maar zo een gelukkig niet, want ’n dergelijke hebbelijkheid lijkt me een serieuze dealbreaker in beginnende liefdesrelaties.
Ik schudde onwillekeurig mijn hoofd (nog steeds in de stationshal, een paar meter van de twee vandaan)… ik heb een levendige en soms griezelige fantasie, maar zoiets was me écht te absurd.
Na dieper nadenken, besefte ik ten slotte dat de blik van de vrouw ook op die van een patiënt had geleken, ja ze had niet alleen gelaten maar ook bezorgd gekeken, alsof ze zich door de zoen opeens had herinnerd dat er al een tijdje iets raars aan de binnenkant van haar lip zat. Waarna ze de man had gevraagd om eens na te gaan of er iets te zien was. Dat lijkt misschien ook niet zo romantisch, zo plots na een zoen, maar op de keper beschouwd is het eigenljk een mooie vorm van vertrouwen. Je laat immers niet iedereen zomaar bij je naar binnen kijken. Letterlijk noch figuurlijk.
Goed, van die vragen dus.
Ik had geen zin om op de uitslag te wachten (no pun intended), ook al omdat ik schatte dat die ongewis zou blijven, althans voor mij, keerde om en liep naar mijn perron.
Toeval bestaat niet zeggen ze wel eens, maar ik hoop dat het niet betekent dat alles dan met een of andere bedoeling gebeurt, want ik zat nog niet in de trein of een vrouw tegenover mij (let wel, een andere vrouw) zei tegen iemand met wie ze aan het bellen was: ‘Ja, maar dan zou ik het nu ook moeten hebben, toch? En ik voel helemaal niks…’ Ze luisterde naar de ander. ‘Hè? Nee, ik heb niet gekeken. En ik ga hier echt niet naar zo’n vieze plee om… Hoezo een foto maken? Hoe moet ik dat doen, ik heb maar twee handen!’
Ze pulkte aan haar lip.
Staarde me aan.
Glimlachte.
Eek!

(Foto: Le baiser de l’Hotel de Ville 1950. © Robert Doisneau)

Waarvan

allesWaar zijn we van? dat hoor je ook vaak tegenwoordig. De vraag stellen, is hem beantwoorden, zou ik zeggen. Als je zoiets namelijk niet weet, kan je beter ophouden, want kennelijk heb je geen idéé van wat je aan het doen bent.
Toch?
Stelt u zich eens voor dat uw dokter zich dat afvraagt, terwijl zij een beetje vaag langs u heen staart. Dan gaat u naar een andere, toch? Zou ik tenminste doen. Ik ben dol op twijfelen, maar soms is kordaat zelfbewustzijn nodig.
En actie!
Vind ik.
Maar goed, ik ben iemand die alleen navelstaart als er iets te zien is. Zo’n geheimzinnig pluisje bijvoorbeeld. Da’s dan ook meteen het grootste mysterie dat ik in mijn hoofd toelaat. Of nee, het fenomeen dat aan het einde van een wasprogramma alles in je dekbedhoes is gekropen, vind ik ook wel raadselachtig.
Eh…
Maar de rest van het bestaan, dat is gewoon alles tussen hemel en aarde.
Daar zouden we van moeten zijn. Van alles. Of van overal (of andersom, overal van, dat weet ik niet, maar u begrijpt wat ik bedoel).
Da’s niet megalomaan, maar nieuwsgierig. En als het om mensen gaat: geïnteresseerd. Betrokken.
Ja, overal van zijn… da’s dus van alles en dat is veel, maar het omgekeerde, ‘ergens van zijn’, da’s dan weer erg weinig. Want ergens van zijn betekent stiekem vooral ergens níét van zijn. Let maar eens op, zodra iemand zich hardop afvraagt waar-ie van is, wil-ie eigenlijk weten wat de grenzen van dat ergens zijn, en waar ‘elders’, of misschien wel ‘nergens’ begint, zodat-ie weet wat hij dan niet hoeft te doen. En wat dus een ander maar moet doen.
Hoe sneu, maar ook irritant is dat? Lees dit onthutsende artikel voor een antwoord.
Of neem, alweer, uw dokter als voorbeeld. U hebt iets onder de leden en wilt daar vanaf. Dan gaat u toch snel op zoek naar een ander als zij begint met uitleggen wat zij níét zal doen? Ze moet juist iets doen! Om u te genezen. Ja, dat kan zij misschien niet alleen. Boeien. Dan roept ze er iemand bij. Dat is alleen maar verstandig. En u geneest! Daar zijn dokters van: genezen, beter maken.
Of nee, van u.
De patiënt.
Hoera!
Het antwoord op ’waar zijn we van?’ is vanzelf een beperking. Saai.
Overal van zijn, dat is veel leuker.
Maar leuk is kennelijk geen argument.
Doeltreffend is dat trouwens ook niet.
Want waarom gaan anders hele volksstammen bij elkaar zitten om eens uitgebreid en hardop na te denken over ‘waar ze van zijn’? En waarom is dat gewoon toegestaan en zelfs volstrekt gerechtvaardigd?
Ben ik nou de enige die zoiets absurd vind? Ik begrijp dat het goed is om, zoals de katholieken zeggen, te weten waartoe je op aarde bent. Maar zoiets stel je een keer vast en dan ga je aan de slag.
Ik haal dan altijd Aristoteles aan, niet om interessant te doen, maar omdat hij gelijk had: ‘Men stelt zich iets tot doel en onderzoekt dan hoe, met welke middelen men dit zal realiseren. En als blijkt dat er verschillende middelen zijn om dit doel te bereiken gaat men na welk middel zich daar het gemakkelijkst en het best toe leent.’
Ik kan het niet eenvoudiger zeggen.
Toch gebeurt meestal niet wat hij bijna 2,5 millennia (twee en een half duizend jaar!) geleden al opschreef. Dat komt doordat mensen doel en middelen door elkaar halen. Als ze zich afvragen waar ze van zijn, dan hebben ze het niet over hun doel, maar hun middelen. Da’s een vergissing en die levert dus alleen maar veel gepraat op. Wat raar is, want als het dan toch over middelen – iets doen! – moet gaan, gá dan ook iets doen, zou ik zeggen.
Maar als u ergens van wilt zijn, neem dan een doel.
Het is geweldig.
Mijn tip is: neem een simpel doel dat een flinke tijd meegaat. Dan hoeft u niet om de haverklap over iets nieuws na te denken. Hoe u dat doel kunt bereiken moet u ook simpel houden. Zie Aristoteles. Mijn stelling is dat de cliënt het allemaal (alles!) moet kunnen begrijpen. Lijkt nogal wiedes, maar pakt u voor de gein eens een procesbeschrijving van het een of ander erbij.
Die is heel errug ingewikkeld, wedden? Zoiets wilt u eigenlijk niet eens uitleggen.
Dus ik ga voor een simpel doel en een simpele manier om dat te bereiken. En dan aan de slag. Iets doen of tenminste proberen.
Dus niet ergens van, maar ergens héén.

Klantreis

wacht1

Ik zag flitsen.
Dat was niet goed.
Ik googelde het en kwam op akelige sites met akelige foto’s en onrustbarende adviezen: Ga onmiddellijk naar de dokter.
Dat deed ik en die belde waar ik bijzat meteen naar het ziekenhuis, om mij zonder problemen in de agenda van een oogarts te wurmen.
Tot zover alles goed. Gegeven de omstandigheden.
In het ziekenhuis moest ik bij route 80 zijn. Dat vond ik raar. Een route, dat is geen bestemming, dat is de weg erheen. Maar goed, ik ga daar niet over zeuren als ik onverwijld naar mijn ogen moet laten kijken. Bovendien zou ik niet weten bij wie ik zou moeten zijn met zo’n klacht. En dan nog, stel dat ik ergens gehoor vond, dan zouden ze heus die hele naamgeving niet gaan vervangen. Vertel mij wat, ik ben van beleid; ik heb zo vaak vaak gelijk zonder dat er iets verandert. Dus ik liet die routes voor wat ze waren.
‘Route 80’ hadden ze verstopt op het bordje ‘routes 10–100’! Echt gemeen, vond ik. Niks van aantrekken, zei ik tegen mijzelf, je oog staat op het spel, snel doorlopen.
Dat deed ik tot ik bij twee grote borden kwam, een waarop ‘71–79’ stond (naar links), en een met ‘81–89’ (naar rechts).
Huh? Waar was 80?
Het kon nog gemener: ze hadden het bordje voor ‘Route 80’ (dat dus naar de afdeling oogziekten leidt) heel klein gemaakt en lekker hoog opgehangen. Zoiets moest verboden worden. Maar alweer, ik had andere dingen aan mijn hoofd dan bewegwijzering.
Route 80 was een lange hal-schuine-streep-gang met aan weerszijden deuren.
Die bleken belangrijke bronnen van informatie. Iedere keer als er een openging, kwam er iemand tevoorschijn en als het een patient was (geen witte jas) kon je gaan zitten hopen dat jij naar binnen mocht.
Ik stelde me zo op dat ik de deuren goed in het oog kon houden. Niet dat ik daar iets mee opschoot, want na een kwartiertje opletten, concludeerde ik dat ze volgens een volstrekt ongeordend patroon open en dicht gingen, en dat er eigenlijk ook geen peil te trekken was op wie er dan tevoorschijn kwam en wat daar de gevolgen van waren. Er was met de beste wil van de wereld geen lijn in te brengen.
Terwijl er natuurlijk echt wel lijn in zat. Ik kon me tenminste niet voorstellen dat al die mensen in het wilde weg van de ene deur naar de andere werden gestuurd om ons een beetje te pesten.
Zo gemeen zou een ziekenhuis niet toch niet zijn?
Toch wel.
Eigenlijk.
Want als er een systeem achter die ogenschijnlijke wanorde stak, waarom lieten ze dat dan niet aan de patienten zien? Waarom maakten ze het juist ondoorgrondelijker? Dat was toch gemeen?
In de tijd dat ik zat te wachten, liepen er zeker drie mensen naar de balie om te vragen hoe het zat met dat wachten. Ik was zelf de vierde. De vrouwen achter de balie staarden telkens naar hun monitoren. Daar konden ze kennelijk zien wat… eh… wat ík graag wilde zien.
Hoe moeilijk is het om op een groot scherm (erg groot, want oogafdeling) te tonen waar alle wachtenden ergens in het het reilen en zeilen zitten en hoe lang het nog duurt voor ze aan de beurt zijn? Ik krijg g.v.d. over een gros kogellagers die ik in Oezbekistan heb besteld meer updates (op mijn iPhone notabene!) dan over mijzelf in de wachtkamer van een ziekenhuis.
Ze hadden dan wel alle bestemmingen routes genoemd, maar zonder te bedenken welk doel ze daarmee wilden bereiken. De patiënt in ieder geval niet. Ze hadden geen flauw idee van de barre reis die hij/zij moest doorstaan.
Of nou ja, reis… het was een en al stilstand. Erger (gemener): onverklaarbare stilstand.
Ik moest denken aan al die nieuwe verkeerslichten voor fietsers, die met verdwijnende puntjes laten zien hoe lang het nog duurt voor het groen wordt. Hele summiere informatie, maar genoeg om het wachten te verzachten.
En geloof het of niet, maar later op die dag stond ik elders een lift die me bij alles wat er gebeurde, vertelde wát er gebeurde. ‘Deze lift gaat nu omhoog,’ zei een digitale mevrouw. Of: ‘de deuren gaan nú open’. Misschien nét iets te overbodige informatie, behalve dan als je niks kunt zien.
Dat zou in het ziekenhuis wel handig zijn geweest, want de flitsen waren vals alarm gebleken, maar ik had zoveel pupilverwijdende en pijnstillende druppels gekregen dat ik op de tast de uitgang van het ziekenhuis moest zoeken.
Dat lukte ten slotte.
Via een vluchtroute.

Dalem

IMG_1727Op de dijk bij Dalem zat ik naar de overkant van de Waal te kijken (naar Woudrichem, alias Woerkum) terwijl er een vrouw uit een brandgang tussen de huisjes schuin achter mij verscheen om traag maar kordaat over een bestraat paadje de dijk te beklimmen, regelrecht naar het bankje waar ik op zat.
Welja.
Toen ze me op twee meter genaderd was, bleef ze staan en zei ze: ‘zo, nu even genieten’, op een soort dreigende toon, alsof ik het haar zou misgunnen, beletten, of zelfs verbieden. Ze liep door en ging pontificaal aan het andere eind van de bank zitten.
‘Hopla!’
Dat zei ze.
Triomfantelijk.
Echt!
Noem me paranoïde, maar zulke mensen wekken bij mij grote argwaan. Wie hardop mededeelt dat hij/zij gaat genieten kan ik al moeilijk serieus nemen, maar mensen die daar dan ook nog eens een punt van willen maken al helemaal.
Genieten, dat moet in stilte. Ja, ik weet ook wel dat er luidruchtig genot bestaat, maar ik bedoel ‘in stilte’ figuurlijk, als een ander woord voor introvert.
Of zoiets.
Genot, dat is een innerlijke bezigheid, wil ik maar zeggen. Een ander hoeft daar niets van te merken. Laat staan horen of zien.
Eek!
Als het aan mij lag, gebeurde een hele hoop dingen in stilte en verborgen, want iedereen deelt tegenwoordig alles maar en een mens kan tegenwoordig niks meer voor zijn eigen bewaren. En andersom kan ik nergens komen zonder dat ik de hele ziel en zaligheid van anderen moet dulden en zien te vergeten – wat moet ik er anders mee? Maar ik heb het niet voor het zeggen en mij vragen ze dus niks.
Eh… Voorlopig pleit ik voor geruisloos genieten. Sterker nog, ik vind dat iedere andere soort ‘genieten’ geen genieten mag heten.
Zo blijft het tenminste een beetje exclusief. Want toen die vrouw met al haar misbaar naast me kwam zitten, wás ik dus al aan het genieten. Alleen dat wist ik niet. Het gebeurde zonder dat ik er erg in had.
Beter kan niet.
Maar zodra die vrouw haar genieten zo publiekelijk aankondigde, besefte ik mijn eigen genot en was meteen de lol eraf. Als ik door heb dat ik geniet, verdampt mijn plezier waar ik bij sta/zit.
Ik had veel zin om haar van de bank te duwen en dan heel hard verder te fietsen, maar zoiets mislukt natuurlijk en ik had weinig zin in een jammerlijke aanslag op een wildvreemde vrouw en/of een hysterische fietstocht op de vlucht voor haar familie, die natuurlijk voor minstens de helft uit motorrijders zou blijken te bestaan.
Vertel mij wat.
Dus ik berustte in haar en haar verlekkerd aanschouwen van de uiterwaarden.
Dat hielp niet veel, want alsof het allemaal al niet erg genoeg was, moest ik nu ook aan mijn overbuurman denken, die na een uitgebreid verslag van een vakantie in Italië zijn verhaal had afgesloten met een likkebaardend ‘Ja, dat was wel even genieten!’
Dus niet, dacht ik, want als je het midden op straat zo luid moet omroepen, klinkt het vooral heel erg wanhopig en geloof ik er niks meer van. Ik snap het wel, je rijdt niet samen met je vrouw en kinderen in je Nissan Primera zonder airco helemaal voorbij Napels naar het godvergeten einde van de beschaving om dan na drie weken afzien aan je thuisgebleven en volstrekt uitgeruste buurman te moeten toegeven dat je iedere dag gek werd van de muggen en misselijk van het vele eten.
Dus je gilt dat je genoten hebt.
Hè, wat cynisch nou weer van mij.
Terug naar Dalem.
Waar mijn oog viel op de schoenen van de vrouw die opvallend bling bling waren, en die glommen, twinkelden en schitterden dat het een aard had, eigenlijk te veel en te erg, op het gevaarlijke af, ja, het zou me niet hebben verbaasd als de mensen in Woudrichem alias Woerkum gedesoriënteerd van de dijk rolden en de Waal in tuimelden, wat me dan weer geheel onverwacht aan de nieuwe minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport deed denken omdat die, zo schreven de kranten en toonden de nieuwsdiensten, eveneens opvallende schoenen droeg.
Ik zou zeggen: schreeuwerige.
‘Kijk ons eens!’ riepen ze. En zo keek de minister ook. Hij had een bij zijn schoeisel passende grijns getrokken en zijn neusgaten wijd opengesperd als een uitzinnig paard in het zonlicht van een zomermorgen.
Mijn hemel wat was die man aan het genieten.
‘Genieten’, bedoel ik.