Categorie archief: Werk

Rust

In de bossen bij Wolfheze kwam ik er weer eens achter dat de echte wereld zich niks aantrok van de wereld die mijn wandelapp me voorschotelde. Of andersom, dat die app een achterlijke voorstelling van de werkelijkheid had.

Hoe dan ook, toen er een lichtelijk bits ‘Sla rechtsaf’ op het scherm van mijn mobieltje verscheen — echt vriendelijk is navigatiesoftware nooit, daar blijf ik me over verbazen, want hoe moeilijk kan het zijn om mensen gewoon blijmoedig de weg te wijzen? — stootte ik op een soort slagboom waarnaast een bord stond: ‘Verboden toegang Rustgebied voor dieren’ Zonder punten, wat me tot mijn eigen verbazing meer verontrustte dan de verassende constatering dat de route die ik volgde kennelijk niet bestond.

En nu voel ik die onrust weer, terwijl ik de foto bekijk en dit opschrijf. Een zin zonder punt, hoe kort ook, dat is voor mij als een weg die zonder waarschuwing bij een afgrond eindigt. Eng!

De impact (om eens een modieus woord te gebruiken) van die onverwachte verboden toegang viel uiteindelijk wel mee en laat ik eerlijk zijn, dankzij de wandelapp, waarmee ik binnen de kortste keren een alternatief pad vond, om het rustgebied heen.

Wat me meteen aan het denken zette, omdat het een behoorlijke omweg was en ik al wandelend besefte wat voor een enorme oppervlakte dieren kennelijk nodig hebben om te rusten. Een bizarre oppervlakte, mag ik wel zeggen! En dat terwijl rusten doorgaans toch een behoorlijk statische activiteit is. Sterker nog, ik durf wel te beweren dat het helemaal geen activiteit is. Ik heb voor de zekerheid wat woordenboeken erop nageslagen en die wemelden van de synoniemen voor ‘activiteit’ die ‘rusten’ per definitie uitsloten. Ik ga ze hier niet allemaal opnoemen, want dat is saai.

Maar rusten stond er dus niet bij. Dat stond dan weer wel elders in die woordenboeken. Voor de zekerheid schrijf ik die hier wél op: het is de toestand waarin je verkeert als je niks doet.

(Een andere betekenis, die er hier helemaal niet toe doet maar die ik toch even citeer omdat ze echt te mooi is om hier niet te vermelden: ‘Klamp op het voeghout van de vang’. komt uit ‘het molenwoordenboek’. Ja, dat bestaat! Het is pure poëzie.)

Terug naar die rustende dieren. En de ruimte die ze daarvoor nodig hebben. Ik heb het even uitgerekend en kwam op zo’n negen vierkante kilometers. Dat zijn meer dan 1.800 voetbalvelden! Zonder dat er ook maar één dier gaat voetballen!

Dit slaat helemaal nergens op, natuurlijk gaan ze niet voetballen en er zijn in de bossen ook helemaal geen echte voetbalvelden, hoogstens hier en daar een weiland, weet ik ook wel, maar ik móést het opschrijven, vraag me niet waarom.

Wat ik maar wil zeggen is dat dieren onnoemelijk veel ruimte nodig hebben om totaal niks te doen.

Ik doe ook wel eens totaal niks. Of ik dan ook rust, weet ik niet goed, want ik dénk dan wel. Mijn hoofd, dat gaat maar door. Ik weet niet hoe ik dat moet stoppen. Maar goed, voor deze omstandigheid waarin ik me dan bevind, heb ik ongeveer anderhalve (1,5) vierkante meter nodig. Dat is de oppervlakte van mijn leunstoel in de meest horizontale stand (eigelijk in iedere stand, maar om een of andere reden vind ik dan ‘oppervlakte’ een rare eigenschap. Voor de volledigheid, er passen ongeveer 1.500 leunstoelen op een voetbalveld.

Eh… opeens zie ik (Christo indachtig) een weiland in een bos vol met uitgevouwen leunstoelen voor me. En vraag ik me af hoe ik zoiets in het echt zou kunnen realiseren. Ergens op een schitterend groene licht glooiende vlakte, waar dan alle dieren nieuwsgierig op afkomen om verbaasd aan de rand te gaan staan kijken. De stoelen staan niet strak tegen elkaar, maar met wat ruimte ertussen, zodat vogels die over het veld heenvliegen niet alleen de stoelen zien, maar ook mooie groene strepen. De stoelen zijn geel. Of oranje. Weet ik nog niet.

‘Hm. En nu?’

Dat was Koala.

Oja, dat moet ik even uitleggen. Mensen die mijn blogs vaker lezen, weten dat Cavia mij verlaten heeft. Echt iets voor mij, een alter ego dat er met een ander vandoor gaat. Maar intussen is daar dus Koala. Koala slaapt veel, en als die wakker is, dan vooral om te eten, maar ook om bijdehand te doen. Met moeilijke vragen:

‘Weet je wat je nu aan het doen bent?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Je bent om de hete brij aan het draaien.’

Hm. Dat was misschien waar. Opeens besefte ik dat ergens in mijn achterhoofd een heel legertje gedachten aan het werk was geweest om, geheel tegen mijn karakter in want zonder woorden, het begrip ‘rust’ gestalte te geven. En dat alle uitwijding hierboven niet meer dan gedraal was, tekstueel gelanterfant om nergens uit te komen, in ieder geval niet bij het onderwerp van dit verhaal: rust.

Niks doen. Dat wil zeggen: niet meer werken. Want ik ben met pensioen. Ze zeggen wel eens: ‘Partir c’est mourir un peu’ (weggaan dat is een beetje sterven), maar in mijn geval kun je die ‘peu’ (dat ‘beetje’) wel weglaten. In de laatste paar maanden ging ik elke dag wel een paar keer dood van de zenuwen als ik eraan dacht. Want verandering, da’s niks voor mij, zeker niet als die ongewis is.

Maar iedere keer overleefde ik zo’n zenuwinzinking. Ik heet niet voor niets René (Frans voor herboren), dacht ik. Een Koala werd ook steeds enthousiaster.

‘Je kan het!’ riep die telkens als de vertwijfeling weer toesloeg.

Dus ging ik door. Vorige week beleefde ik mijn laatste werkdag.

En wat ga je nou doen? Vraagt iedereen. Weet ik niet… of nou ja, ik blijf natuurlijk gewoon denken en opschrijven wat ik denk. Om mijn neurosen te bedwingen. Zoals nu:

Een zin zonder punt is niet eng

Maar eerst ga ik mooie wandelingen maken in de bossen. En op zoek naar een mooi groen en glooiend weiland waar minstens 1500 leunstoelen op passen.

Slang

Ik hoor vaak dat ik zo openhartig ben, dus ik zal meteen in deze eerste zin zonder omhaal maar toegeven dat dit geen fijn jaar was. Geen annus horribilis, maar het scheelde niet veel. ik was de helft van de tijd min of meer out of my comfortzone, sterker nog zónder comfortzone, of nog sterkerder: ik had geregeld geen flauw idee meer van waar die zone eigenlijk was. In ieder geval niet bij mij in de buurt.

Dus dat was even zoeken. Lieve help, u wilt niet weten waar ik allemaal geweest ben. In krochten waar ik het bestaan niet van vermoedde. Donkere kelders waar ik het licht niet durfde aan te doen omdat er overal spiegels hingen.

Eh… Nu maak ik het te erg, geloof ik. Vergeet de vorige alinea’s. Wat ik wilde opschrijven was dat het leven met één bruikbare arm/hand nóg ingewikkelder bleek dan ik al dacht en dat ik een paar dingen moest veranderen om het weer in de klauwen te krijgen (no pun intended).

En veranderingen, daar hou ik niet zo van. Zeker niet als ze onverwacht zijn.

Niets menselijks is mij vreemd.

Voor de minister-president die eigenlijk geen minister-president meer is, ligt dat anders. Zijn kijk op de dingen is veel simpeler; jezelf veranderen, dat kan gewoon niet. Tegen de Telegraaf vertelde hij dat zijn zelfkritiek grenzen heeft “Het is onmogelijk om jezelf opnieuw uit te vinden. Als een soort slang je huid afwerpen, daar geloof ik helemaal niet in.”

Voor iemand die van alle Nederlanders verwacht dat ze de ene na de andere ministeriële ingreep in hun levens zonder morren accepteren, is dat een nogal verassende stelling.

Hm, ik druk me te voorzichtig uit. Het is de neerbuigende belediging van een zelfvoldane en hooghartige machthebber.

Ja, ik voelde me beledigd toen ik dat las. Vooral plaatsvervangend beledigd. Ik moest namelijk aan mijn werk denken, aan alle mensen die om welke reden dan ook ‘bij de reclassering lopen’ en die, vaak tegen hun zin in, zichzelf wél opnieuw moeten uitvinden. Die hun hele leven moeten omgooien, die niet alleen als een slang hun huid moeten afwerpen, maar die bovendien hun hele ziel en zaligheid moeten blootleggen om die dan ook nog eens te veranderen. Met veel vallen en opstaan, maar die het toch doen.

En die nu in de krant lezen dat de minister-president die eigenlijk geen minister-president meer is, daar niet in gelooft. Jezelf opnieuw uitvinden, zegt hij, dat bestaat niet.

Lees: daar heb ik geen zin in.

Mijnheer Rutte, dan moet u maar zin maken!

Vind ik.

Ik heb het ook gedaan en nu heb ik dus een hele nieuwe comfortzone.

Hoera!

Ik ga niet vertellen waar die is, want hoewel hij veel ruimer is dan de vorige, wil ik niet mijn hand overspelen door iedereen die langskomt meteen binnen te laten. Waarmee ik niet bedoel dat u niet welkom bent. Dat is nou net het mooie van mijn nieuwe comfortzone, de hele wereld past erin. Uiteindelijk.

Iedereen.

Of nou ja, zelfvoldane en hooghartige machthebbers alleen als ze eerst naar de reclassering zijn geweest. Om te re-integreren.

De foto is van Wikimedia Commons

Achterzak

Wij van beleid hebben natuurlijk jargon, dat is een speciale taal die alleen wij begrijpen. Dat wil zeggen, ik meestal niet, wat het des te grappiger maakt om er over te schrijven. Al zeg ik het zelf.

Wij van beleid hebben ook speciaal gedrag, wat ik hier níét ga beschrijven, ook al zou dat ook echt wel grappig zijn. Dat doe ik niet omdat mijn collega’s en ik, net zoals u en uw collega’s, straks weer op elkaars lip zitten in een kantoortuin en ik wil voorkomen dat we dan heel ongemakkelijk en/of gênant gaan doen om dat gedrag te uit de weg te gaan. Wat waarschijnlijk opnieuw erg grappig zal zijn, maar zo blijf je bezig.

Wat ik wel kan (durf) te beschrijven is iets tussen taal en gedrag in, wat ik voor het gemak een gebruik noem. Een zo’n gebruik is (ik zet het even tussen aanhalingstekens, want anders staat het heel raar, vind ik) iemand (meestal een manager) ‘iets meegeven voor in zijn achterzak’. Daarmee bedoelen we een A4’tje waarop in het kort de grote lijn van een betoog staat, inclusief eventuele alternatieven voor het geval zo’n betoog verkeerd uitpakt. Soms staan er ook ‘cijfermatige onderbouwingen’ bij, dat zijn berekeningen van de kosten van het betoog, want gratis betogen bestaan niet. Soms zijn het (ook) statistieken, want kosten zonder prognoses bestaan ook niet.

Voordat ik hier verder over uitweid, wil ik eerst nog iets vertellen over ‘de tas’. Ja, dat lijkt een vreemde wending, en dat is het misschien ook, maar niet in míjn hoofd.

De tas, dat is de tas van een minister, of een staatssecretaris, of een ander hoog persoon op een ministerie, althans op het ministerie dat ik ken. Een gevleugelde vraag is daar (meestal op vrijdagmiddagen): ‘hoe laat gaat de […]tas van de [functie] dicht?’ Dat is belangrijk om te weten als je de grootvizier (of hoger) een notitie mee wil geven om te lezen. Niet zelden jutten de mensen elkaar dan ook op met de onheilspellende mededeling: ‘De […]tas van de [functie] gaat om 15.00 uur dicht!’

Eek!

Bij de puntjes moet je invullen om welke tas het gaat. Ja, het gaat weliswaar steeds om dezelfde tas, maar die heet telkens anders. Zo heet de tas die de [functie] voor de kerstvakantie mee naar huis neemt heel toepasselijk ‘de kersttas’. U kunt zelf wel verzinnen welke namen de tas nog meer kan krijgen. De geinigste vind ik altijd ‘de weekendtas’, omdat ik dan niet alleen te lezen documenten in die tas zie, maar ook schone sokken, ondergoed, een pyjama, tandenborstel et cetera. Ja, misschien kinderachtig, maar dat is mijn manier om een persoonlijk tintje aan die opgefokte deftigdoenerij te geven.

Pardon my French.

Bij ‘functie’ gaat het natuurlijk om van wie de tas is. Eerst hoorde je lange tijd alleen maar over tassen van de minister en van de staatssecretaris, maar in de loop der tijd kwamen daar andere hoge mensen bij. Mijn verklaring (psychologie van de koude grond) is dat zo’n tas status geeft, dus iedereen die aanzien wil, neemt ook zo’n tas. Wel sneu, wan die tas moet natuurlijk gevuld.

Wat er in een tas mag/moet, weet ik niet. Daar zijn vast regels voor, want anders propt iedereen zo’n tas vol met van alles en nog wat en moet iedere manager met zo’n golfkarretje naar de uitgang van het departement.

Terug naar de achterzak. Die is in tegenstelling tot de tas niet sekseneutraal, vind ik. Want hoewel vrouwen ook heus wel broeken dragen en ook heus wel broeken met achterzakken, zijn het toch vooral mannen die achterzakken hebben.

Ik heb lang nagedacht over een alternatief. Dat viel niet mee. Zoals mannen altijd een achterzak hebben, hebben vrouwen altijd een handtas, maar om één of andere reden, klinkt dat niet ernstig genoeg, ‘iets meegeven voor in haar handtas’. Het is een beetje geheim agent-achtig, alsof het om een handgranaat in de vorm van een flesje parfum gaat, of zoiets.

Een ander alternatief kwam van mijn achternicht uit Zwamfoort die me zei dat veel vrouwen iets wat zij mee moeten nemen onder het schouderbandje van hun bh schuiven. Hun mobieltje bijvoorbeeld. Nou, ik ga niet eens opschrijven wat je dan zou moeten zeggen, dus die optie verviel ook.

Goed, waar brengt ons dit? zou mijn goede vriend O. vragen. Ik weet het niet goed. Wat mij betreft schrappen we gewoon het hele gebruik. Er is toch niemand die nog papier gebruikt, dus waarom zouden we het nog over achterzakken of handtassen hebben? Misschien dat ik daar eens een notitie over moet schrijven. Een hele korte: ‘We schrijven voortaan gewoon op waaraan je aan moet denken tijdens een gesprek, en meer niet. Maar ook niet minder.’

Notitie? Misschien is een appje eigenlijk wel voldoende. En ik hoef niet te weten waar iemand zijn/haar mobieltje bewaart.

Uitleggen

moord-op-de-gebroeders-de-witt-1672-jan-luyken-1698-rijksmuseum-web2-zonderkader

Ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw was ik samen met Arie te gast bij ‘de 5 uur show’. Voor de jonge lezers, dat was een talkshow van RTL4. Denk aan Oprah, maar dan met een witte en minder scherpe presentatrice en een zaal vol Margrietlezeressen op een dagje uit. Ja, neerbuigende definitie, maar ik heb een dik uur in doodsangst tussen hen in gezeten waardoor ik na verloop van tijd iedere nuancering opgaf. Daarover straks meer. Lees vooral door.
Arie was een gewezen inbreker. Een van de vrijwilligers bij de stichting waarvan ik ‘landelijk koördinator’ was (dat is jaren-zeventigs voor directeur). Hij vertelde op scholen zijn levensverhaal om jongeren te waarschuwen voor het slechte pad. Een aansprekend concept dat niet effectief bleek; er was geen enkele jongere die zich af liet schrikken. Jammer. Want het waren wel allemaal mooie verhalen en die vrijwilligers konden allemaal prachtig vertellen. Misschien kwam het juist daardoor, denk ik nu.
We waren voor de show uitgenodigd om te praten over de stelling ‘iedereen verdient een tweede kans’. Mooie stelling, waar Arie het levende bewijs van was.
Die stelling kenden wíj wel, maar het publiek in de zaal niet. Dat was beter, had de redactie van de show gezegd, want dan begrepen de mensen thuis het ook. Wat wel een grappige theorie is: bij de een begrip kweken door de ander dom te houden. Of nee, het was gewoon iedereen dom houden. Ook een theorie, niet grappig, maar dom.
Hoe dan ook, de hele studio zinderde van nieuwsgierigheid, Arie zat op een podium te wachten met zijn verhaal, en ik probeerde zo te kijken dat ik geen vreemde eend in de bijt leek. Dat lukte niet. Dat lukt eigenlijk nooit.
En toen begon het!
Er kwam een meneer-met-een-microfoon uit de coulissen die iedereen welkom heette en meteen daarna het onderwerp aansneed met de hartelijke vraag of er iemand in de zaal zat bij wie wel eens was ingebroken.
Ja, natuurlijk.
Er stond een mevrouw op die beschreef wat er een week geleden uit haar huis was gehaald.
Ze huilde.
Ik zocht contact met Arie, die er met gebogen hoofd naar luisterde.
‘En wat vind u,’ vroeg de meneer-met-de-microfoon aan de mevrouw en haar omstanders, ’die dief, verdient die een tweede kans?’
Nee, natuurlijk niet.
De zaal schreeuwde het uit.
Ik begon te begrijpen hoe volkswoede ontstond en hoe die zomaar tot een zelfbedacht strafrecht en bijbehorend volksgericht kon leiden. ‘Vrees het volk dat zelf niet vreest,’ zei Spinoza (ongeveer). Dat deed ik.
De meneer-met-de-microfoon wachtte tot iedereen was bedaard. ‘Vanmiddag hebben we het over de stelling “iedereen verdient een tweede kans”. Catherine komt zo en dan praat zij met een paar gasten, waaronder Arie, die vroeger inbreker was.’
Arie werd in het licht gezet en alle mevrouwen deinsden achteruit. De paar schaapskleren die ik nog droeg, vielen af en de vrouwen naast mij deisden ook opzíj. Dat was pas grappig toen ik alweer veilig thuis was.
Vond ik.
Niet lang daarna verscheen inderdaad Catherine en begon de show echt. Ze voerde gesprekken over tasjesdieven en inbrekers met mevrouwen uit het publiek om, zoals afgesproken, bij mij te eindigen, zodat ik met mijn mening over de stelling een bruggetje naar Arie kon maken. Intussen gingen er vreemde mensen naast hem zitten. Ik had geen flauw idee wie het waren.
Arie ook niet.
Ik voelde zijn radeloze blik op me afkomen, haast in een wedstrijd met Catherine, die opeens tussen ons in ging staan en me een heel andere vraag stelde dan de redactie me had gemaild, om daarna midden in mijn héle andere (snedige) antwoord de microfoon mee te nemen naar het podium. Mijn zacht wegijlende stem was ook thuis pas grappig.
Vonden mijn kinderen.
Goed… de show ging door. De andere gasten bleken felle tegenstanders van tweede kansen en regelrechte belagers van Arie, die zij voor het gemak als vertegenwoordiger van alle Nederlandse criminelen beschouwden zodat ze hem voor van alles en nog wat konden uitmaken.
Hij huilde.
Toen kwam er reclame.
Ik vroeg me af of de mensen thuis het nog begrepen. Bij ons in de zaal heerste in ieder geval verwarring. Arie had toch een snaar geraakt. De mevrouwen hadden heimelijk te doen met hem, maar snapten niet goed waarom. Cognitieve dissonantie alom.
Op het podium gingen mannen in de weer met stoelen en microfoons. Catherine liet haar wenkbrauwen doen en zich bepoederen. Ze ging tegenover een meneer zitten. Een professor in de criminologie. Iemand die onderzoek had gedaan naar tweede kansen, en erover had nagedacht.
Ja, dat kan natuurlijk ook.
Toen de show verder ging legde hij uit waarom een tweede kans toch echt het beste was voor iedereen. Een inbraak is natuurlijk iets om boos en verdrietig van te worden, maar met z’n allen die inbreker dan voor de rest van zijn leven met de nek aankijken, dat werkt averechts. Want hoe kan die man dan een gewoon bestaan opbouwen? Dat lukt hem nooit. Hij gaat weer inbreken.
‘Wilt u dat?’ vroeg hij.
Nee, natuurlijk niet.
‘Dus toch een tweede kans?!’ vroeg Catherine.
Ja, natuurlijk.
Opluchting alom.
Hoera voor de professor!
Reclame.

Vrijheid en straf

Wolvenplein1

Op een maandagmorgen ergens in het voorjaar van 1986 kwam hij het huis van bewaring op het Wolvenplein binnen. Hij lachte, zong, en schreeuwde alles wat een ander gewoon zéi en dat dan een paar keer achter elkaar alsof hij telkens vergat wat hij lachte, zong, en schreeuwde. Het was dat jaar de derde keer dat hij zo het vlak op liep en iedereen die hem zag, lachte, zong en schreeuwde met hem mee, met de gek die zich telkens weer liet oppakken.
Hij was in zijn eentje een heel tijdperk avant la lettre. Een verwarde veelpleger met de problemen van tien andere. Maar niemand wist dat natuurlijk, dat hij een voorbode was. Dat niet, en al helemaal niet dat in de decennia daarna de criminaliteit zou groeien, en niet alleen in getal maar ook in de aandacht (de nieuwe commerciële zenders waren er dol op). En niemand kon voorzien dat het soms bijna lieflijke Wolvenplein een even naar gebouw zou worden als alle andere bajesen, die we bij zouden gaan bouwen alsof ons leven er vanaf hing (wat niet zo was). Laat staan dat iemand kon vermoeden dat die nieuwe bajesen tien jaar later gewoon weer leeg zouden staan.
Nee, niemand wist dat allemaal.
Nu wel. Nu weet iedereen dat.
Wij.
Hm… maar wat weten we dan precies? Om het ingewikkeld te maken, weten we wat we weten? En als we dát weten, gaan we het nou dan anders doen? In gewone-mensen-taal: hebben we er iets van geleerd?
Ik help het u hopen.
Want vrijheid, daar doet iedereen nog steeds heel ernstig en krampachtig over, alsof het een of ander onnoembaar heilig ding is. Het hoogste goed.
Vrijheid?
Ja.
Ik denk persoonlijk dat er echt nog wel andere kostbare dingen in het leven zijn, maar goed, iedereen is heel plechtig over vrijheid, zo plechtig dat we er ons hele strafrecht op hebben gebouwd. Letterlijk, zie de bajesen, en figuurlijk, straf is vrijheid afpakken. Dat laatste is theorie. En daar kun je over twisten. Al was het alleen al omdat het een theorie van meer dan twee honderd jaar oud is.
200!
Tijd voor een update.
Vind ik.
In ‘The Sinner’ (een Netflix-serie, ga kijken!) pleegt een op het oog volstrekt gelukkige vrouw een volstrekt onbegrijpelijke moord. Terwijl een hardnekkige detective er alles aan doet om het toch te begrijpen, zit zij in de gevangenis. Stukje bij beetje komt de waarheid boven water (dat is zijzelf) en op een dag krijgt ze in de gevangenis bezoek van haar moeder. Ze krijgen ruzie en ze bijt haar moeder toe: ‘ik ben hier vrijer dan ik ooit bij jou was’.
Geen fijne jeugd.
Waarmee ik maar wil zeggen dat vrijheid ingewikkelder is dan we denken. En vrijheidsbeneming dus ook, die is lang niet zo geschikt om te straffen als we twee eeuwen geleden dachten.
Het leek heel beschaafd (in ieder geval beschaafder dan iemand vierendelen), want mensen opsluiten is iets afpakken waar iedereen evenveel van heeft en waar ook nog eens mee te rekenen is. Een misdaad kost dagen, weken, maanden of jaren vrijheid. Kwaad vergelden met het hoogste goed. Hoe eerlijk en humaan is dat?
Hm… valt tegen.
Ook op Netflix: een mooie persoonlijke documentaire van Francesco Carrozzini over zijn moeder Franca Sozzani, die jarenlang de hoofdredacteur van de Italiaanse Vogue was en die haar hele leven heilige huisjes omver schopte (Chaos and creation heet de documentaire, in 2008 bracht ze bijvoorbeeld een revolutionair All Black nummer van de Italiaanse Vogue uit). Francesco vraagt aan een van zijn moeders fotografen: ‘waarom gaf ze je zoveel vrijheid?’ En die fotograaf antwoordt: ‘ze gaf geen vrijheid maar vertrouwen’.
Vertrouwen! Over andere kostbare dingen gesproken.
Maar als vrijheid eigenlijk om vertrouwen gaat, wat is vrijheidsbeneming dan?
Vertrouwen opzeggen.
Eh… Hoe dom is dat?
In de meeste gevallen erg dom. Of nou ja, er zijn natuurlijk mensen die niet te vertrouwen zijn, gevaarlijk bedoel ik, en dat we die niet zomaar rond laten lopen, snap ik ook wel. Maar dan gaat het om veiligheid (nog zo’n kostbaar ding).
In alle andere gevallen vind ik het erg dom om het vertrouwen in mensen op te zeggen (ja, understatement). Want hoe gaan we hun vertrouwen dan weer terugwinnen? Of andersom, hoe geven wij hun de kans om dat te doen? Niet door hen op te sluiten. Een fout goedmaken is een beetje lastig als je vastzit, en al helemaal als niemand je vertrouwt.
Ligt het nou aan mij of is dit dus niet alleen dom, maar ook nogal omslachtig? Eerst mensen uitsluiten en dan proberen om ze er weer bij te krijgen, dat is toch behoorlijk ingewikkeld.
Gedoe.
Om met Edison te spreken: ‘There is a better way to do it. Find it!’.
Laten we dat doen.
Morgen meteen mee beginnen. (Denk alvast na over de inmiddels bijna barbaars ouderwetse vergelding, want dat begrip zit volgens mij in de weg, en al langer dan twee eeuwen.)
Overigens kreeg de verwarde persoon avant la lettre wel vertrouwen (binnen de muren van het Wolvenplein dan). Maar of hij dat zo begreep, wisten we niet. Hoe dan ook, hij mocht de luchtplaats schoonmaken, het mos van de straattegels krabben – de tegels waar niemand over liep – en kreeg hij een ladder mee om ook de muur eens goed onder handen te nemen. Echt!
Hij zwaaide hij naar de mensen die aan de andere kant van de gracht langsfietsten.
‘Ze zwaaien terug!’ riep hij.
Wat iedereen erg mooi vond, of het nu waar was of niet.
Alleen de gedachte al.

p.s.1: Het HvB ‘Wolvenplein is weer even lieflijk als voorheen, want geen bajes meer. Zie hier. Hoera!

p.s.2: Of het met vertrouwen nog goed komt, weet ik niet. Ik heb geen tv en ben dus zeker in de minderheid, want meer dan drie miljoen mensen keken naar de laatste aflevering van ‘Wie is de mol?’ Even opgezocht wat dat is. Hm… iedereen bedriegt iedereen en dat is leuk? Boeh!

Nul

Epic win

Toen ik pas bij de reclassering werkte (in negentiennegenennegentig! eh… 1999!), kreeg ik op een dag een telefoontje van een jongen die voor school een werkstuk ging schrijven over criminaliteit.
Of hij mij een paar vragen mocht stellen. De eerste was: ‘Hoe veel is de recidive?’
Goeie vraag. Maar een antwoord?
Moeilijk, moeilijk, moeilijk…
‘Wat voor een recidive, bedoel je precies?’ vroeg ik terug. Stilte. Want je hebt recidive en recidive, legde ik uit. Ik gaf een paar voorbeelden. Die herhaal ik hier niet, want hoewel ik er nooit een punt van maak om mijn fouten toe te geven, en ik mijzelf nog levendig voor de geest kan halen met mijn mooie genuanceerde verhaal over speciale, specifieke, algemene, ernstige en weet ik veel welke recidive nog meer (hoogpolige, waarschijnlijk ook), verdring ik de hele scène liever. Dat ik er hier over ben begonnen is alleen omdat ik naar iets mooiers toe wil. Lees dus vooral door. (wie per se in het bos van de recidive wil verdwalen, zie hier)
Hoe dan ook, het viel de jongen allemaal ook wel wat tegen, geloofde ik, want het bleef daarna lange tijd stil aan de andere kant.
‘Hallo?’
Hij was aan het schrijven. En ik zag dat voor me. Een beleidsmedewerker in spe. Telkens als dat beeld mijn gedachten weer binnenkomt, grijpt wroeging me bij de keel. Ik hoop echt van harte dat hij later iets anders geworden is. Of dat hij in ieder geval eerder dan ik begrepen heeft dat je juist moeilijke dingen makkelijk moet maken in plaats van andersom.
Hij duwde een paar keer op het knopje van zijn pen voor hij de volgende vraag stelde: ‘En hoe laag kan de recidive worden?’
Eh…
Dacht ik.
‘Wat bedoel je?’
Vroeg ik.
‘Kan de recidive ook nul worden?’
Vroeg hij.
Geritsel. Hij pakte zijn papieren erbij: ‘En zo ja, hoe?’
‘Fijne duidelijke en korte vragen.’
Zei ik.
Maar ik had geen antwoord.
Want: moeilijk, moeilijk, moeilijk…
Of nou ja, ik wist het gewoon niet. Er was recidive en er zou recidive blijven. Dat wilde niemand en ik natuurlijk ook niet, maar ja, ik wilde zoveel niet. Of juist wel, dat was maar net hoe ik het bekeek.
Dat deed ik erg veel. Bekijken. Er naast staan en er naar kijken.
Analyseren heet dat. Dat kan ik goed. Vaak is dat handig, net zo vaak moeilijk (x 3).
Ik weet niet meer wat ik de jongen heb geantwoord. Dat heb ik écht verdrongen. Maar hij was blij met het antwoord, kan ik me herinneren. En ik heb daar tot de dag van vandaag spijt van gehad. Want het was natuurlijk een kluitje in het riet. En nog erger, een kluitje waar ik mijzelf ook mee het riet instuurde.
Daar bleef ik zeker een paar jaar. In ieder geval tot minister Donner in 2002 opschreef dat ze omlaag moest, die recidive (in zijn de nota Naar een veiliger samenleving). Mooi streven, maar de ene helft van de mensen vond dat hij nogal moeilijk (x 3) deed over hoe laag dan precies (“indicatief – circa 20% tot 25% vanaf 2006 in het vizier”, schreef hij) en de andere helft zei dat het nooit zou lukken.
Want er was nou eenmaal recidive en die zou er altijd blijven.
Ik hoorde trouwens bij de eerste groep. En eigenlijk vind het nog steeds een vaag doel. Heb ik al eerder over geschreven (hier).
Maar vaag of niet, het lukte wel. Kijk maar rond: dalende criminaliteit en minder mensen die zich onveilig voelen. Op het lijstje van onderwerpen die de nieuwe regering volgens Nederlanders moet aanpakken is veiligheid uit de top drie getuimeld.
Hoera!
Hoera?
Nee, dat is niet genoeg.
Denkt u, net als ik tegenwoordig vaak doe, nog eens terug aan de jongen die mij in 1999 opbelde. En kijk dan weer eens om u heen. Dit is de tijd van epic wins.
Huh?
Een Epic win is een term van gamers. “It is an outcome so extraordinary positive, you had no idea it was possible until you achieved it. It was almost beyond the threshold of imagination and when you get there, you’re shocked to dicover what you’re truly capable of.”
En dit is een citaat van Jane McGonigal. In een van haar Tedtalks legt ze uit hoe we met gamen de wereld kunnen veranderen.
Over epic win gesproken
Ik wil ook een epic win.
Ja, dit is de tijd waarin mijn moeder eindelijk gelijk krijgt: ‘kan niet’ ligt op het kerkhof en ‘wil niet’ ligt ernaast. Mijn moeder is en was altijd een gamer, besef ik nu, want “gamers always believe that an epic win is possible and that it’s always worth trying and trying nów.” (Die is weer van Jane.)
Dus ik zou zeggen, we gaan voor de nul. Niet indicatief, circa of in het vizier, maar doodgewoon nul (0!).
Hoe makkelijk wil u het hebben?

(De foto bij dit blog is van Phillip Toledano)

Lean

minitomaatjes

Iedere zaterdagmorgen ga ik naar een winkel in de Kanaalstraat om groenten en fruit te kopen. Ik schrijf ‘winkel’ en geen gróéntewinkel omdat ze veel meer dan groenten en fruit verkopen. Eigenlijk verkopen ze zo’n beetje alles wat er op de wereld te eten of te drinken is. Ja, op de wereld, want het is de Kanaalstraat in Utrecht, Lombok; daar woont de hele wereld.
En zo’n winkel vind ik geweldig. Ik stap regelmatig naar binnen in de verwachting dat ik om iets volslagen absurds ga vragen om dan vervolgens achter een vrolijke medewerker aan te lopen die me een plankje wijst waar ik uit vier soorten van dat volslagen absurde kan kiezen.
Ze hebben dus alles.
Maar daar gaat dit blog niet over (sorry voor de verwarring).
Wel over hun totaal ontspannen kijk op hoe je een winkel runt. Ik heb eens naast een vrouw gestaan die kwam reclameren over een kilo perzikken die ze drie weken daarvoor had gekocht, en waarvan er, toen ze die ochtend eindelijk aan de consumptie ervan was toegekomen, twee rot van binnen bleken.
Kreeg ze een nieuw kilo.
Over volsagen absurd gesproken.
Nee, ontspannen.
Zoals alles daar. Zonder gedoe.
Neem bijvoorbeeld het afrekenen
Als je wilt afrekenen zet je je mandje neer, haal je je spullen eruit en schuif je rustig een voor een de dingen naar de jongen of het meisje achter de kassa. Geen lopende band dus, alles in je eigen tempo. De dingen met een barcode halen ze langs een scanner, de andere dingen wegen ze en slaan ze aan op de kassa. Zes losse peren bijvoorbeeld. Of diezelfde peren in een papieren zak. Van die fijne bruine papieren zakken met een plaatje van fruit erop (waar ik dan heel stoer ook groente in doe). Als je nog weet wat je erin hebt gedaan, zeg je dat, zo niet, dan kijkt de kassajongen of het kassameisje wat erin zit. Of je probeert op de tast ernaar te raden en dan kijkt de ander of je het goed hebt.
Ja, dat is zo’n beetje de spanning die ik kan hebben op een zaterdagmorgen. En de bijbehorende verrassing als ik het mis heb, trek ik ook nog wel – jeetje, echt, spruiten? Ik dacht kastanjes!
Ja, ik hoor u zuchten, maar hé, dít is mijn zaterdagmorgen.
Over zuchten gesproken, vorige week stond er een man achter mij met een uitpuilende zak minitomaten zich enorm en hoorbaar op te winden over de gang van zaken.
Het proces.
Dat kwam goed uit, omdat boodschappen doen voor mij een oefening is in druk van anderen weerstaan. Een soort therapie. Want hoewel er nooit iemand achter mij in de rij ook maar enig teken van ongeduld vertoont (iedereen in Lombok is ontspannen), moet ik toch heel erg mijn best doen om me niet op te laten jagen.
Dat is een ziekte.
En de man zijn onverholen ergernis was een mooie test. Kon ik hem weerstaan?
Ja, dat lukte.
Hoera!
Tot hij mij en het meisje achter de kassa fijntjes ging uitleggen hoe we het allemaal veel efficienter konden aanpakken.
O.M.G.!
De man was een black belt.
Of een green belt.
Of weet ik wat voor een belt.
Ik ontwijk hier een woordspeling met vuilnisbelt.
Maar ik weiger om het verschil tussen al die belts te begrijpen. Wat ze gemeen hebben is dat ze niet aan zaterdagmorgens doen. Want die zijn niet lean. God verhoede, zou ik zeggen, maar dat zag die man anders.
Ik zal u niet vermoeien met de ‘procesverbeteringen’, die hij voorstelde – echt waar, dat deed-ie! – om onze ‘doorlooptijden’ te optimaliseren.
En dus onze zaterdagmorgen te verpesten.
In plaats daarvan zal ik u vertellen waar ik toen opeens aan moest denken. Ja, ik wist eerst niet waarom, maar dat wijt ik ook maar aan de zaterdagmorgen. Hoe dan ook, ik dacht eraan en neem van me aan dat ik gek word als ik dat dan niet in deze blog opschrijf. Ik had het ook aan de man kunnen vertellen, maar dat leek me te assertief. Ik ken mezelf, het was allemaal al ingewikkeld genoeg en voor ik het weet sta ik heel bijdehand die man te beledigen.
Eh… waar ik dus aan dacht…
In de jaren 60 (ik heb het nu over de vorige eeuw) was het super hip om klassieke muziek door computers op synthesizers te laten spelen. Bijvoorbeeld de Brandenburgse Concerten van J.S. Bach op een Moog. Je moet ervan houden…
Een onverklaarbaar fenomeen bij de eerste probeersels bleef wel dat de stukken allemaal opeens korter duurden.
Rarara hoe kon dat?
Doordat ze er geen rekening mee hadden gehouden dat mensen (zeker de blazers), in het echt tussendoor af en toe adem haalden.
Muziek maken is ook niet lean.
Sterker nog, ik durf de stelling wel aan dat alles van waarde niet lean is.
Laat staan moet zijn.
Maar goed, het kassameisje en ik hebben met blikken van verstandhouding, vrolijk schouderophalen en nog wat capriolen uit de situatie gehaald wat erin zat, dus dat was ook wel een fijne stap op weg naar mijn genezing. Vooral haar geniale idee om tegen de man te zeggen dat de minitomaatjes per stuk gingen, hielp enorm.
Een rust en schoonheid dat daar vanuitgaat, één voor één die lieve tomaatjes over de toonbank…
Lang leve de zaterdagmorgen!

Lef

down the rabbit hole

Lef, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Te veel, als u het mij vraagt, want als iedereen bij het minste of geringste om lef roept, wordt bij mij ergens in mijn achterhoofd de argwaan wakker. Ik heb eens een hoge ome tegen een hele zaal vol ondergeschikten horen juichen dat er meer lef nodig was. Ja, dat was zo. Je had al heel wat nodig om zijn kamer binnen te stappen.
Ik bedoel maar, de een z’n lef is de ander z’n schroom.
Toen ik eindexamen deed, ging het verhaal dat ooit de opdracht voor het essay (onderdeel van Nederlands) was: schrijf een verhandeling met als titel ‘Wat is lef?’ en dat iemand een tien had gekregen voor een opstel van één zin: ‘Dit is lef’.
Het was misschien een broodje aap, maar dat doet er niet toe, want de crux van het verhaal is dat verandering niet om lef gaat, of om durf, moed, of – mooi romantisch woord – over vermetelheid, maar om verrassing. Lef en soortgelijke eigenschappen helpen wel, maar alleen om iets te doen wat niemand verwacht. Lef zonder een daarop volgende verrassing is gewoon stoer. In een bak met ijs zitten is stoer, maar niet meer dan dat (ja, nutteloos, maar dat is mijn mening).
Ik pleit daarom voor out of the blue in plaats van out of the box, want out of the box is meestal gewoon into another box. Da’s eventjes hip, maar al snel gewoon.
Out of the blue is nooit gewoon. En dat is goed.
Beter.
Wat voor out of the box geldt, gaat ook op voor ‘buiten de gebaande paden treden’, daar hoor je ook iedereen over. Klinkt ook heel dapper, maar als je ergens naast gaat lopen, blijf je toch rommelen in de marge. Dan ben je nog steeds bang om te verdwalen, om ergens te komen waar je nog nooit bent geweest. Olifantenpaadjes, ook vaak genoemd, zijn leuk om de weg af te steken, maar ze brengen je niet verder. Laat staan elders.
Trouwens, als ik een olifant was, liep ik gewoon waar ik maar wilde. Want wie gaat je opzij duwen? Olifanten hebben geen lef nodig. Die hebben gewicht. Ja, niet zo subtiel, laat staan weloverwogen, maar meestal gaat een idee voor iets nieuws aan genuanceerd denken ten onder, dus laat zo’n beest zijn gang eens gaan. Een porseleinkast staat vaak alleen maar in de weg.
Hm, nog een laatste metafoor en dan ga ik verder: buiten de lijntjes kleuren. ‘We zoeken mensen die buiten de lijntjes kleuren,’ hoorde ik laatst iemand op de tv zeggen. Pfoe, living on the edge! Maar waarom niet meteen van het papier af? Met je potloden de wereld in en kijken wat er wel een kleurtje kan gebruiken? ’You’ll find the future where ever people are having the most fun.’ Kan zo op een tegeltje, maar dat hoeft niet want er is al een mooie Tedtalk over, kijk maar. Wie speelt, vindt vaak ook iets uit.
Eh, waar was ik? O ja, lef.
Dat is dus niet genoeg. Ik las een interview over bestuurders die lef moesten hebben. Het begon mooi met een oproep om vaker blind in het diepe te springen en maar te zien waar je uitkomt (Alice in Wonderland!), maar al snel verpestte de interviewer (v) het door allemaal ‘ja maar-vragen’ te stellen. Ze haalde de raad van toezicht erbij, en stakeholders en wetten en praktische bezwaren. Het woord transitie viel. Als er iets fnuikend is voor innovatie, dan dat wel; transitie, dat is iets nieuws wat je aan ziet komen. Zoiets is al bij het oude ingelijfd voor je eraan gewend bent. Aan het eind van het interview zaten we weer in a box, nou vooruit, misschien in an other box, op een olifantenpaadje, buiten de lijntjes, maar in het kleurboek.
Jammer.
Dus, ik stel voor dat we verrassingen gaan zoeken. Laten we doen zoals Alice, gewoon nieuwsgierig achter dat konijn aan en de diepte in. Daarna zien we wel.
(Geloof me, ik weet waar ik het over heb, ik ben een zenuwlijder, ik word al gek als ik mijn fruit in de verkeerde volgorde eet, en ik dacht dat verassingen mijn dood nog eens zouden worden, tot ik besefte dat de enige manier om dat te voorkomen een roekeloos leven was. Living óver the edge. Of nou ja, ik spring niet meteen een ravijn in, maar af en toe down the rabbit hole, je moet ergens beginnen.)

Vakantie

Op de Lekdijk bij Lexmond moest ik wachten op een kudde koeien die overstak van de boerderij naar de wei in de uiterwaard. Nu staan racefietsers erom bekend dat ze altijd haast hebben, en meestal vind ik ieder oponthoud inderdaad nogal irritant, maar zo’n optocht kuierend vee brengt je op andere gedachten. Dwíngt je tot andere gedachten, want regelmatig blijft een van de beesten staan om je eens nauwkeurig te bekijken, met een soort onverholen minachting die je van zo’n dier niet verwacht en die je dan ook volslagen uit evenwicht brengt, want je bent niet op zondagmorgen in alle vroegte van huis vertrokken om je ten overstaan van 83 koeien opeens zo futiel te voelen als een stofje in het zonlicht.
Of zoiets.
Waarom ik wel was vertrokken, wist ik niet meer. Dat wil zeggen, ik kon geen goede reden bedenken. Behalve dan dat ik graag heel hard over dijken fiets, maakt me niet uit waarheen.
‘Doe je dat iedere dag?’ vroeg ik aan de jongen die her en der een koe op haar rug klopte en bemoedigend toesprak (‘Goed zo, loop maar door!’).
‘Nee, want ik werk alleen op zondag,’ antwoordde hij.
Goed antwoord!
Nog een vraag: ‘Maar gebeurt het wel iedere dag?’
’Ja, het gebeurt wel iedere dag. ’s morgens gaan ze naar de wei en ‘s avonds weer terug naar huis, om gemolken te worden.’ Hij wees naar een weitje achter de boerderij. ‘En daar slapen ze.’
Veel gedoe en toch saai, wilde ik denken, cynisch als ik ben, maar ik was nog maar kort daarvoor door een zwartbonte Holstein klein gestaard tot iets wat mensen gedachteloos van hun revers vegen, dus ik verdrong het. Bovendien lachte de jongen alsof het allemaal de vondst van de eeuw was.
Ja, de vorige eeuw, dacht ik… toch nog (het is een ziekte).
De kudde was overgestoken en de laatste koe keek nog even om. Nee, jij met je racefiets, zag je haar denken, om zeven uur het huis uit, zo snel mogelijk het halve land door fietsen en dan weer naar huis… dat is zeker geen gedoe? En niet saai?
‘Nee,’ zei ik (ja, hardop!), ‘dat is vakantie.’
‘Nou, veel plezier dan maar!’ zei de jongen.

Strrrijdlustig

silos1

Lang geleden moest ik eens naar een vergadering op het ministerie van Justitie (‘veiligheid’ kwam later pas). De zaal waar ik heen was gezonden (de ‘Moddermanzaal’) was een soort collegezaal. In een van de voorste stoelen zat een man met een rood gezicht dat glansde in de schemer van het groene ’uit’-lampje bij de nooduitgang.
‘Nou,’ begon hij zonder inleiding, ‘dit is kennelijk symbolisch voor het soort overleg dat het departement wil voeren.’ Hij wees naar het spreekgestoelte en toen naar de rijen met banken. We kwamen alleen om te luisteren, bedoelde hij. Hij keek mij nog eens indringend aan.
‘Ik ben in een strrrijdlustige stemming,’ zei hij. Zijn ‘r’ rolde subversief de ruimte in. ‘Vanwege dit!’ Hij hield een stapeltje papieren omhoog. Het stuk dat wij zouden gaan bespreken. De instelling die hij vertegenwoordigde bleek er nauwelijks in genoemd en dan ook nog eens onjuist.
‘Strrrijdlustig,’ herhaalde hij.
Intussen was er nog iemand binnengekomen. Een man van een jaar of dertig wiens haar kortgeleden door zijn vriendin geknipt was. Hij leek op kabouter Plop, maar dan zonder muts. De boze man begon tegen hem weer over de zaal en het stuk. De papieren gingen weer omhoog. Plop gaf hem gelijk, want ook zíjn organisatie was er in het document maar bekaaid afgekomen. Hij beloofde meteen een concept brief aan de staatssecretaris uit zijn tas op te diepen waarin hij maar liefst achttien argumenten had opgesomd die bij elkaar genomen van het stuk niets heel zouden laten.
Het was een lichtbruine schoudertas van zadelleer.
Plop stond al snel uit de brief te declameren. Ik zag speeksel van zijn lippen spatten. De andere man ging met de papieren onder zijn arm naast hem staan om het ermee eens te zijn. Het was alsof zij een lied zongen.
Na het achtste punt van verweer verscheen achter hen een man die beleefd wachtte tot Plops rede af was om vervolgens mede te delen dat we elders moesten zijn. De mannen schrokken en probeerden met onhandige mimiek hun halve samenzwering een draai te geven.
Dat lukte niet.
Ik liep de zaal uit. Op weg naar de andere besloot ik om eens te proberen in de vergadering helemaal niets te zeggen. Het leek het me wel een mooie missie om geen ruzie te zoeken. Strijd was nergens goed voor. En strrrijd al helemaal niet.
Eh… dat staat hier politiek correcter dan ik het toen bedoelde. Ik wilde eigenlijk gewoon eens zien of het me zou lukken.
Ja. Ik kon zonder problemen het hele stuk bespreken door veelbetekenend te knikken of mijn wenkbrauwen te fronsen. Plop raakte ondanks zijn oefening in de verkeerde zaal verstrikt in zijn opsomming en staarde bij zo’n beetje alle komma’s en punten van het document zijn medestander in verwarring aan. Maar die wist het ook niet meer. Dat al hun tegenwerpingen in een of ander zwijgen vielen (ook de andere aanwezigen waren van lieverlede stilgevallen), beviel hen helemaal niet, maar ze wisten ook weer niet wat ze ermee aan moesten.
Dit was het eerste en meteen overtuigendste voorbeeld van silo-denken dat ik ooit zag.
Silo-denken?
Ja, dat is de moderne term voor verzuiling. Vergelijk het met een vergadering van de dieren in een kinderboerderij over hun gezamenlijk doel. komt niks van terecht. Het varken wil modder, de schapen gras, en de konijnen voldoende ruimte om nog meer konijnen te maken (zie voor een verslag van die vergadering dit blog).
Silo’s hebben geen glazen plafond maar een glazen muur (of misschien toch ook zo’n plafond, dat weet ik eigenlijk niet). Plop en zijn maat stonden daarachter en konden geen kant op. Maar dat wisten ze niet. Wij trouwens ook niet. Want wij stonden in onze eigen silo’s.
Daar kwamen we pas achter toen er van alles misging.
Ga ik het nou niet over hebben.
Want die silo’s zijn binnen een paar jaar rechts en links ingehaald door het grenzenloze internet en weldenkende mensen. Wat ik u brom. Maar mocht u er een zien, duw hem om. Maakt een prachtig geluid!
De vergadering eindigde met een amendement van de mannen, die hadden geëist dat we in de notitie het woord ‘fiets’ overal door ‘rijwiel’ zouden vervangen (ik verzin dit, het ging om andere woorden, maar als ik die noem, weet u meteen waar die mannen werkten en dat doet er nu niet toe). Bovendien bedongen zij een voetnoot waarin de afkortingen waarmee hun organisaties aangeduid waren voluit werden geschreven.
Toen ik buiten even bleef staan om een sigaar aan te steken (goh, ja, toen rookte ik nog!), kwamen ze ferm uit de draaideur gestapt. De een zei iets tegen de ander en ze lachten. Ik zag de vullingen in hun kiezen. Hun geschater kaatste tussen de gebouwen (=silo’s) omhoog.
Triomfantelijk.
Trrrriomfantelijk.