Categorie archief: Werk

Het tafel en de vloerkleed

salontafel

Verreweg de aandoenlijkste taalfout die ik ken is het verkeerde lidwoord. Ik had ooit een collega die toen de bel eens kapot was een briefje op het raam plakte met de tekst ’kloppen op de raam’. Ik had haar bijna ten huwelijk gevraagd, zo lief stond dat daar. Ze was twee jaar daarvoor hals over kop haar overspelige vriend achterna gereisd naar Spanje, eerst doodgewoon om hem te stalken onder het motto van het vileine lied ‘I wanna be around’ (to pick up the pieces when somebody breaks your heart; luister naar de versie van Frank Sinatra, grimmig maar toch een beetje verdrietig, hoewel de uitvoering van Eydie Gorme – een vrouw – beter bij dit verhaal past), daarna, toen daarop (een gebroken hart) wachten zinloos bleek, om hem tot inkeer te brengen en weer voor zich te winnen, wat uiteindelijk lukte, maar niet zomaar, laat staan meteen, nee, pas na twee jaar dus, een eindeloze tijd waarin ze haar liefde weliswaar terugvond, maar alle dagelijkse kennis van het Nederlands kwijtraakte, en vooral haar gevoel voor lidwoorden.
De, het, een, ze haalde ze allemaal door elkaar. Hetzelfde met aanwijzende voornaamwoorden. Die, dat, deze, en dit stonden altijd heel schattig te lonken naar de verkeerde zelfstandige naamwoorden, of andersom, dat weet ik niet. Begrijp mij niet verkeerd, zulke vergissingen ontroeren me niet zoals kindertaal wel kan vertederen omdat kinderen zo schattig zijn. Nee, als ik ‘die brood’ lees, krijg ik gewoon een brok in mijn keel. Ik weet niet waarom. Zoiets is je reinste poëzie. Het gaat me dus niet om de mensen die dat schrijven. Ik zeg het maar even, want straks denkt u weer dat ik medemensen uitlach om hun povere kennis van het Nederlands.
Dat ik haar ten huwelijk wilde vragen om haar taalfouten was trouwens niet waar. Ik zou dat eerder hebben gedaan omdat ze verschrikkelijk mooi was. Zo mooi dat ik haar soms niet aan durfde kijken. Ben ik toch al niet zo goed in, oogcontact, maar bij haar had ik het na een kwartier al opgegeven voor de rest van mijn leven.
Echt waar.
Geen goede basis voor een huwelijk, trouwens.
Haar vriend stond dat ook in de weg natuurlijk, want die was na zijn/hun avontuur in Spanje zo verkikkerd op haar geworden dat hij haar toen ze weer in Nederland waren en hun nieuwe huis betraden meteen had gevraagd met hem te trouwen. En zij had natuurlijk ja gezegd.
Aan dit alles herinnerde ze me iedere dag door in elk verloren moment omstandig de catalogus van Brabantia door te bladeren of mij stalen van haar eventuele gordijnen te tonen. Ik moest haar zelfs raad geven over de combinaties van die stoffen met het aanstaande behang. We bladerden naast elkaar gezeten zo’n bijbels dik boek door met achterop de bladzijden de naar elders hunkerende namen van de dessins (ik herinner mij ‘Capri’).
Tja, dat waren geen eenvoudige tijden.
Terug naar die lidwoorden. De moderne oplossing voor die lidwoorden is ze gewoon weglaten. Tegenwoordig zit bijvoorbeeld iedereen ‘om tafel’. Niet om dé tafel, nee, om tafel.
Zonder zitten zelfs. ‘We moeten even om tafel,’ zei laatst iemand tegen me. Dat is dus dat je met elkaar gaat praten. Kan ook met zijn tweeën op een bankje in het park, maar dat is dan weer half en half romantisch of anderszins relationeel, vind ik. Je gaat niet met iedereen op een bankje zitten.
Toch?
Eh.. ‘even om tafel’ kan ook zonder tafel. En al helemaal zonder bankje. Uitvinding van de eeuw. Of, wacht, nu we het toch over tafels hebben… ik weet niet waar u werkt, maar ik kom tegenwoordig overal tafels tegen. Ieder project of programma heeft er tegenwoordig een. Wist u dat? Eerst was er de ZSM-tafel. Ik leg niet uit wat dat is. Maar dat was nog een echte tafel, met de politie, het openbaar ministerie en de reclassering op stoelen er omheen en casussen erop. Maar binnen de kortste keren kwamen er ook tafels die helemaal geen tafel waren, maar gewoon een stel mensen bij elkaar om ergens over te praten. Ja, waarschijnlijk aan een echte tafel, maar dat hoefde dus niet, want tafel werd opeens een ander woord voor werkgroep/overleg/commissie/etc.
Iedereen wilde een tafel, want dat was hip.
Ik schrijf wilde. Verleden tijd. Want het is alweer uit, geloof ik. Die tafels worden ook te klein. De halve wereld schuift aan. Zo zit je aan een tafel (echt of niet) en zo ben je van een netwerk.
Omgeving is de nieuwe term. Een collega van mij zit in/op/bij een ‘verdiepingsomgeving’. Ik zie zoiets dan voor me. Een of ander landschap met een paar teletubbieheuvels waar dan beleidsadviseurs in ronddrentelen of bij elkaar staan. Ja, dat laatste is de super modernste manier van vergaderen, écht zonder tafel. Bij elkaar stáán en dan dingen bespreken. Gaat veel sneller, want iedereen krijgt platvoeten en pijn aan zijn rug of schiet wortel en wil dus snel afronden.
Hoe dan ook, of een tafel nou hip is of niet, mijn toenmalige collega wilde er zeker een, ze kon alleen niet beslissen wat voor een, een ronde, ovale of vierkante. Een salontafel, wel te verstaan. Het burgerlijkste meubelstuk ooit, vond ik toen, maar dronken van haar schoonheid, brak ik samen met haar mijn hoofd over wat het beste zou uitkomen in haar huiskamer. ‘Neem dezelfde vorm als je vloerkleed,’ zei ik. Dat vond ze een goed idee. ‘De vloerkleed is vierant,’ dacht ze hardop, met een hartverscheurende rimpel boven haar rechteroog en een wijsvinger tegen haar onderlip. Toen heb ik haar toch gevraagd of ze met me wilde trouwen.
Nee, heb je…
Maar zo behendig als ik schrijf, zo stuntelig kom ik uit mijn woorden. Zeker als het om de liefde gaat. Dus ik mocht het aanzoek eerst aan mijn baas, en daarna aan haar man uitleggen.
’Nog een keer en ik geef je een klap op de hoofd,’ zei hij.
Ah…
Maar om hém nou ook te vragen…

Informatie

ADN-ZB/Dewag/25.11.1985 Günter Schabowski, Mitglied des Politbüros des ZK der SED und 1. Sekretär der Bezirksleitung Berlin der SED Aufnahme: 4.5.1982
Informatie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. De een heeft het, de ander niet en voor je het weet, schrijf je in de warboel daartussen geschiedenis. Zoals Günther Schabowski, gisteren overleden, die in 1989 in een persconferentie zei dat DDR-burgers voortaan makkelijker de grens over konden en op de vraag vanaf wannneer, antwoordde ‘voor zover ik weet… vanaf nu’.
Sofort.
Unverzüglich.
Fijne informatie!
Vond iedereen.
Met een spontane bestorming van de grensposten als gevolg. Overdonderde douaniers die niet meer durfden schieten. Mensen met pikhouwelen op de muur. Opheffing van een land.
Maar het was een misverstand, bleek later.
Te laat.
Kwestie van suffen tijdens een vergadering en gebrekkige aantekeningen. Later gaf hij toe dat het zo’n beetje de enige vergissing was waar hij géén spijt van had. Alle andere betreurde hij.
Vanmorgen op de fiets naar het station, dacht ik daar nog eens over na omdat ik ook een vergadering had en verantwoordelijk was voor een ‘punt dat uit de voorgaande vergadering gekomen was’. Ik druk me vaag uit, maar niet vager dan de collega die me er op gewezen had, en die net als ik ook niet meer wist wat het precies behelsde, met dit verschil dat mijn naam er tussen haakjes achter stond en de zijne niet.
Fijne informatie.
Niemand van de mensen die ik gebeld en gemaild had, kon zich te binnen brengen waar het over ging, en ik daardoor al helemaal niet, want in plaats van één mogelijke lezing van de notulen en de daarmede samenhangende agenda voor de volgende vergadering had ik er nu een stuk of vijf.
Uiteenlopende.
De secretaris van het project die het verslag gemaakt had, was tot de dag vóór de vergadering op vakantie in Oezbekistan om daar een deel van de zijderoute na te wandelen. Of hoe noem je zoiets. Maakt niet uit. Hij was onbereikbaar.
‘Analyse realisatie,’ had hij bij punt drie van de agenda opgeschreven. Mijn naam er dus achter, en daar weer achter: ‘stukken volgen’. Wat hij er in de notulen over had vermeld, was zo mogelijk nog schimmiger en in mijn aantekeningen stond niets wat me verder hielp. Als het andersom was geweest had ik het trouwens ook meteen geloofd. Realisatie analyse, klonk even plausibel, vond ik.
Iedereen die ik om hulp gevraagd had ook.
Plausibel.
Punt.
Verder bleef het onbegrijpelijk.
Was ik geschiedenis aan het schrijven?
Leek me sterk.
Bij het station was alles anders dan normaal. Daar houd ik helemaal niet van. Waarom zeggen ze dat niet van tevoren? Overal staan tegenwoordig van die gele borden langs de weg waarop staat: ‘Let op! Situatie gewijzigd!’ Dat is tenminste iets.
Alhoewel, ik denk dan altijd: welke situatie? Ik bedoel, laatst was ik in Daarle en daar stond ook zo’n bord…
Ja, Daarle. Het ene moment weet je niet eens dat er mensen wonen en het andere moment lees je dat de situatie is gewijzigd.
Fijne informatie.
Maar goed, op het station was dus ook een gewijzigde situatie en ik wist van niks. Ik had vast en zeker een of andere flyer gemist (die delen ze daar om de haverklap uit, maar ik denk altijd dat het voor gratis koffie bij McDonalds is).
Mijn favoriete stalplek foetsie. En overal waren mannen bezig fietsen op vrachtwagens te tillen. Geen goed teken.
Dan maar naar de bewaakte stalling. Daar was niemand. Dat wil zeggen, er was wel iemand, maar die stond af te wassen. ik hoorde water klotsen en serviesgoed tegen elkaar tikken. Theelepeltjes op de bodem van een stalen spoelbak.
Ook handig, spitsuur op het station, vliegende haast alom en de fietsenbewaker haalt zijn koffieboel even door het sop.
Ik kuchte. Dat klonk als in een slecht hoorspel. En ook veel te indringend.
‘Ik weet dat u er bent hoor,’ zei de stallingman tegen mij terwijl hij met een theedoek in zijn zijn handen tevoorschijn kwam. ‘Er gaat hier een belletje als er iemand binnenkomt.’
Ah. Fijne informatie.
Ik zei niet wat u nu denkt. In plaats daarvan keek ik heel erg niet naar zijn vuile theedoek en zei ik bedeesd dat ik haast had. Ik bood daar mijn excuses voor aan. Vraag me niet waarom. Hij niette een kaartje aan mijn fiets. Ik gaf hem een tientje.
‘Het is hier gepast betalen,’ zei hij zonder op te kijken.
Dat was zijn wraak.
Hele zoete.
Want toen ik zei dat hij dan het kaartje er maar weer af moest halen, begon hij nauwgezet met zijn dikke nagelloze vingers het nietje los te peuteren.
Dat beeld bleef bij me tot ik eindelijk in de trein zat en mijzelf tot bedaren probeerde te brengen met de stukken voor de vergadering.
Analyse realisatie! Ik las de passage uit het verslag van de vorige vergadering nog eens (drie staccato zinnen met de ambitie van een gedicht), liet alle uitleg weer door mijn hoofd gaan en tuurde naar de oneindige excelsheets die ik had had uitgedraaid, de feestelijk gekleurde staafdiagrammen die ik daarvan gemaakt had, en herhaalde in mijn hoofd de verklaring die ik erbij had verzonnen. Die werd steeds logischer vond ik.
Fijne informatie!
Dat vond de voorzitter van de vergadering niet. Hij gaf me niet eens het woord. Hij begreep namelijk niet wat het punt op de agenda deed, want hij kon zich duidelijk herinneren dat de kwestie in de rondvraag weer van tafel geveegd was omdat het veel te vroeg was voor zo’n analyse.
Of realisatie, dat wist hij ook niet meer.
Let op! gewijzigde situatie!
Zijn ondergeschikten (die ik allemaal een paar keer aan de lijn had gehad) knikten alsof zij dat altijd al geweten hadden. De anderen bogen zich over het verslag. Waarin de rondvraag ontbrak. De notulist bloosde en mompelde hij op vakantie was geweest en dat… nou ja, zo’n zijderoute gaat je niet in je koude kleren zitten. Hij was echt weggeweest.
Nou, dat wilden we wel geloven.
Stilte.
Ik schoof mijn papieren bijeen en pulkte de nietjes eruit.
De rest is geschiedenis.
Een hele kleine geschiedenis.

Toeval bestaat niet

Tafel

Toeval bestaat niet, zeggen ze wel eens, maar dat kan natuurlijk niet. Waarom is er dan een woord voor? Ja, oude filosofische kwestie, iets kan ook bestaan als er geen woord voor is, maar andersom vind ik lastiger. Als er een woord is, moet er ook een ding zijn dat er bijhoort..
Dat toeval niet bestaat zeggen de mensen alleen maar omdat ze per se ergens iets achter willen zoeken. Hogere machten. Kharma. Lotsbestemming.
Dat soort dingen.
Moet er niet aan denken.
Dus toeval bestaat.
Ik zeg het maar even.
Zo ook het toeval waar ik in terechtkwam. Niks geen geheime agenda van de kosmos.
Maar goed ook, want ik ben al neurotisch genoeg. Argwaan erbij, dat zou me langzaam opvreten van binnen.
Goed, ik ging naar een congres ter meerdere eer en glorie en uitleg van een convenant. Ik ga niet uitleggen waar dat over ging. Of nou ja, over samenwerking. Onderwerp en partijen doen er niet toe. Of nou ja, het speelde zich in en om de strafrechtsketen af. Moet ik uitleggen wat dat is?
Eh, heb ik geen zin in.
Maar weet wel dat het werk van die keten zich steeds vaker afspeelt aan tafels. Letterlijk en figuurlijk. In dat laatste geval is tafel een ander woordt voor overleg. Je zit aan een tafel en je neemt er aan deel. Bizarre taal, maar het bestaat.
Hoe dan ook, tafels.
Onthou dat woord.
En samenwerking. Onthou dat ook. Dat is in de wereld van beleid (mijn werk) eigenlijk een ander woord voor proces. Wie doet wat wanneer met wie, en vooral, wie informeert wie. En daar dan gedoe over. Gehannes met taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
Dat leg ik écht niet uit.
Want dat deed de vrouw van het café waar ik een dubbele espresso wilde bestellen. Illustreerde ze, eigenlijk. Dat wist ze zelf niet en dat heb ik haar ook niet verteld.
Het leven is al ingewikkeld genoeg.
Eh…
Deze inleiding is te lang.
Ik stapte binnen en vroeg om een dubbele espresso om mee te nemen.
‘Dan moet u bij het buitenloket zijn.’ Ze wees waar het was. Anderhalve meter verderop, achter een muurtje dat net te hoog was om over heen te klimmen zonder jezelf belachelijk te maken.
Ik weer naar buiten, over het terras, naar het buitenloket. Onderweg ontdekte ik verderop een collega die daar naar de lege stoelen keek om er een uit te kiezen.
‘Ik hoef niks. Wacht hier wel!’ riep ze.
De vrouw van het café had zich inmiddels negentig graden gedraaid om me nog eens te vragen wat ik wilde hebben, maar dan aan het buitenloket.
‘Een dubbele espresso om mee te nemen.’
Ik moest aan mijn zus denken, die als ze winkeltje wilde spelen me ook altijd dingen liet vragen die nogal wiedus en daarom absurd waren, namelijk de dingen die ze in haar winkeltje had, als ik iets anders vroeg werd ze boos. Leuke metafoor over aanbod gericht werken, maar daar gaat deze blog nu niet over.
Wat ik bij destijds mijn zus deed, kon ik nu ook.
Meespelen.
Terwijl ik wachtte verscheen er achter mij een andere vrouw van het café, die vroeg: ‘Hoort u bij die mevrouw?’ Mijn collega zwaaide me vrolijk toe. Ik knikte. ‘Gaat u ook bij haar zitten?’
‘Nee.’
‘Oh. Ze zei dat ze op u wachtte.’
‘Dat is wat anders.’
‘Ja, eh, maar als u bij haar gaat zitten, moet u bij mij bestellen.’ Ik keek haar glazig aan. ‘Want ik doe het terras.’
Ah.
‘Ik neem mijn dubbele espresso mee,’ verklaarde ik, ‘maar naar de overkant.’ Ik gebaarde naar het zalencentrum aldaar.
De vrouw van het terras knikte.
Argwanend.
(Ik zag nu ook opeens de ijswinkels van Australian voor me. Daar moet je bij de eerste grote puber je bestelling doen om een briefje te krijgen dat je aan de tweede grote puber geeft om je ijsje te krijgen, waarna je bij een derde grote puber met een inmiddels bestempeld briefje moet afrekenen; als een van de drie ziek wordt, doen ze in paniek de winkel op slot).
In het zalencentrum, luisterden we naar sprekers, bestudeerden we schema’s met vierkantjes en wiebertjes en pijlen, en keken we naar de plechtige ondertekening van het convenant (het moet gebeuren en zo’n moment moet in de krant, dat snap ik allemaal ook wel, maar het is een zot toneelstukje, drie volwassen mensen die hun poot op een papier zetten), om ten slotte na de pauze met elkaar in discussie te gaan.
‘Aan de hand van stellingen.’
Die ga ik hier niet citeren.
Omdat ik ze vergeten ben.
Want de organisatie van het congres had bedacht dat we de discussie gewoon in de zaal moesten voeren, niet met z’n allen tegelijk, maar in groepjes aan tafels.
Tafels!
Zoiets verzin je niet.
Zij wel.
Maar de volstrekt onnavolgbare kakafonie die erbij hoorde waarschijnlijk niet.
Laat staan het toeval.
Dat bestond gewoon.

Stip (2, dus eerst 1 lezen, hieronder)

Stip2
Cavia had een vergadering op de kinderboerderij. Er kwam een meneer van het adviesbureau Hungerdunger, Hungerdunger, Hungerdunger, and McCormick (H3M, voor ingewijden), die namens de gemeente de strategische visie voor de komende vier jaar moest ontwikkelen. Ja, mensen, zomaar een paar dieren bij elkaar en die in het wilde weg laten aaien en/of optillen door kinderen, dat is echt niet meer van deze tijd.
Hij hield een presentatie en toen het licht weer aanging vroeg hij: ‘Wat is de stip aan de horizon?
‘Een vos!! riepen de kippen schril.
’Nee, een wolf!’ riep Schaap nog schriller.
‘Nee, niet in bedreigingen denken,’ adviseerde de meneer. ‘Denk in kansen. Waar willen jullie over twee jaar staan?’
‘Buiten in de modder,’ zei het hangbuikzwijn, maar die begreep het ook niet zo goed.
‘Het gaat om de ambitie die jullie in gezamenlijkheid hebben, een streven dat jullie naar elkaar verbindt.’
‘Voer,’ vonden de geiten, ‘dat willen we allemaal.’ Inderdaad, dat was waar, maar eh, te operationeel meende de meneer, om niet te zeggen: te plat.
‘Dan valt neuken zeker ook af,’ vermoedde het konijn. De man knikte. ‘Dus die heen en weer pijltjes in uw presentatie betekenden iets anders?’
Zijn vrouw fronste haar wenkbrouwen. ‘Iets anders?’
De man zuchtte. ‘Daarmee gaf ik wisselwerking aan. Wederkerige afstemming ten opzicht van elkaar.’
‘Hm, bij ons is dat toch gewoon…’
‘Ik zoek het een abstractieniveau hoger. Welke resultaten willen jullie behalen? Waarvoor zijn jullie hier?’
Eend kuchte. ‘Een vijver. Ik wil helemaal nergens staan over twee jaar. Ik wil drijven, en een heel eind. Het watertje dat we nu hebben, is niks. Gekortwiekt voel ik me toch al zo beperkt.’
‘Ik vind staan best,’ mopperde de ezel. ‘Zodra ik ga lopen, stoot ik me ergens aan.’
‘Kansen, mensen, blijf weg van de bedreigingen.’
‘Geen vijver maar een grasveld,’ zei Schaap, ‘Als je het nou over een kans wilt hebben… dempen die plas en een mooie weide eroverheen. Lekker mals gras.’
‘Ik zei het toch,’ zei Geit, ‘voer, daar draait het om!’
‘Nou, wacht even,’ zei Konijn, ‘gras is best, als het maar op een heuvel is. Er moet wel iets te graven zijn. Wij willen een echt hol.’
‘En een paar bosjes’, vulde zijn vrouw aan.
‘Bosjes?’
Ze bloosde.
‘O ja, hè, hè.’
Hamster was het eens met de heuvel, maar dan wel als de hamsters er ook een kregen, want samen met de konijnen één heuvel, dat was geen doen. ‘Wij graven heel anders en hun holen sluiten dus ook niet aan op die van ons.’
Dat hadden ze al meerdere keren laten weten.
Paard had zich nog niet in het gesprek gemengd, maar nu hinnikte hij luid tegen het gras. ‘Dat loopt heel naar,’ zei hij. ‘vooral als het geregend heeft. Je zakt erin weg en je hoeven worden vies. Dus ik zou zeggen, zand. Een flinke bak zand.’
‘Nee!’ De meneer verloor zijn geduld. Hij greep naar zijn hoofd. ‘Het moet over visie gaan! Jullie kijk op de educatieve functie van de boerderij.’ Hij haalde het beleidsplan van de gemeente erbij en las eruit voor.
Er was niemand die het begreep en allen waren het er over eens dat er echt heel weinig over voer in stond, terwijl het uitgangspunt dat “op de kinderboerderij geen fokprogramma wordt gerealiseerd” niet alleen de konijnen in het verkeerde keelgat schoot.
‘I rest my case,’ zei Geit plechtig. En daarna stelde hij voor om in de visie niet alleen op te nemen waar iedereen in de komende jaren wilde staan, maar ook expliciet te vermelden wat iedereen wilde eten. Alle dieren stemden daarmee in.
Konijn sprak vervolgens het vermoeden uit dat hij de mening van allen vertolkte als hij schrapping van de alinea over het fokprogramma bepleitte. Dat was zo. De hele vergadering klapte en zijn vrouw vloog hem om de hals.
En tot slot namen alle aanwezigen het punt van de kippen aan: de stip aan de hiorizon mocht geen vos of wolf  zijn, noch enig ander dier dat boerderijdieren vijandig gezind was.
De meneer van het adviesbureau verliet in verwarde staat de stallen.
Cavia kwam uitgelaten thuis. ‘Als we hier boven de bank nu eens een stip tekenen?’ zei hij. ‘Lekker dichtbij!’

Stip (1)

Stip2

Het lievelingsboek van Cavia is Alice in wonderland / Through the Looking glass, hoewel het hem wel erg spijt dat er geen guinea pigs in voorkomen. Het boek bevat een citaat dat hij mij iedere keer voor de voeten werpt als hij een beleidsplan leest. Nee, een ‘visiestuk’ zegt hij altijd, een woord dat hij zo uitspreekt dat je alleen maar ‘vies’ hoort.
Het is een gave.
Maar goed, dat citaat. De situatie is dat de witte koning zijn twee lopers naar de stad heeft gestuurd om poolshoogte te nemen en aan Alice vraagt om te kijken of ze er al weer aankomen.
‘Just look along the road, and tell me if you can see either of them.’
‘I see nobody on the road,’ said Alice.
‘I only wish I had such eyes,’ the King remarked in a fretful tone. ‘To be able to see Nobody! And at that distance too!’

Plannen maken is in de toekomst kijken en dat is nogal lastig (ik ga hier niet dat uitgekauwde citaat van weet ik veel wie, een of andere quantumfysicus, maar niet Einstein – Niels Bohr, zeggen ze – optypen, want dat is te flauw hoor, zoek het zelf maar op).
Maar goed, wat zie je als je in de toekomst kijkt? Net zoveel als Alice: niets. De meeste mensen, zeker mensen die de dienst uit willen maken, vinden dat onvoldoende. Regeren is vooruitzien en er zijn maar weinig koningen die zo gauw tevreden zijn als de koning hierboven. De meesten willen iets om over te besluiten. Hoe schrijven wij dus op dat de toekomst nogal schimmig is en we eigenlijk geen flauw idee hebben van wat ons te wachten staat, terwijl we toch een kordate indruk willen maken? We houden het vaag, doen deftig, maken alles ingewikkeld.
Kortom, beleid maken voor gevorderden.
Maar goed, dan zijn we er nog niet. Want Cavia bijvoorbeeld, die door eindeloze exegese van Alice een behoorlijk doorgewinterde lezer is geworden, haalt altijd meteen alle rim-ram uit mijn teksten en vraagt dan: waar gaat het eigenlijk over?’
‘Een stip aan de horizon.’
‘Hm. Ik zie niets.’
‘Jawel kijk maar, daar.’
‘Maar wat is het? Het lijkt op een van mijn keutels. Als we erheen lopen, wat zien we dan?’
Goeie vraag. Laat ik het nu maar verklappen, wij van beleid hebben niet de brutaliteit van Alice, niet haar unverfroren eerlijkheid. Als we ‘niets’ zien, schrijven we toch ‘iets’ op.
Ook een gave.
Hoe? We maken bijvoorbeeld een houtskoolschets. Vaagheid doet ook aan mode, dus wat nu een stip aan de horizon is, was vroeger een houtskoolschets. Heeft u wel eens zo’n schets in het echt gezien? Ook van dichtbij? Zoiets blíjft vaag. En als je niest, heb je nog maar de helft over. Want zoiets fixeren, dat is griezelig natuurlijk. Veel te definitief. Dus bij het minste of geringste heb je alleen de contouren nog maar.
Ook zo’n fijn begrip om van niets iets te maken. Letterlijk en figuurlijk zonder inhoud. De omtrek, punt. Outline, hoor je ook wel eens. Als je het helemaal niet meer weet, vertaal je alles gewoon in het Engels. Da’s ook een soort deftig doen, acting posh.
De beroemdste stip aan de horizon die ik ooit in mijn werk ben tegengekomen, is een belofte van oud minister Donner uit oktober 2002.
Ja, kinderen, zo lang ben ik al beleidsmedewerker!
In zijn nota Naar een veiliger samenleving zegde mijnheer Donner een vermindering van criminaliteit en overlast in de publieke ruimte toe. Dat is mooi, vooral omdat hij daar cijfers aan verbond.
Stoer!
Wat schreef hij? Dat die vermindering met – indicatief – circa 20% tot 25% vanaf 2006 in het vizier moest komen.
Eh, stoer? Nee, vaag. Indicatief en circa en iets tussen 20 en 25 procent en dan vanaf 2006 in het vizier. Wie dus vier jaar daarna zijn verrekijkertje zou pakken, zou aan de einder de criminaliteit zien slinken, god mag weten met hoeveel procenten, maar toch ongeveer wel in de richting van behoorlijk wat.
Of zo.
Dat was geen stip, nee, dat was een houtskoolschets van contouren aan de horizon.
Inmiddels sterft het van de stippen aan de horizon. Het is een openbaar toilet voor cavia’s. Een pointillistisch universum van vaagheden voor bijziende politici. Want, eh… waar ging dat voorbeeld ook alweer over? Over een belofte van een minister aan de tweede kamer. Honderdvijftig grote mensen hebben dit gelezen en net als de witte koning uit Alice hun bewondering uitgesproken over de minister zijn goede ogen. Maar dan zonder de venijnige ironie van Lewis Carroll.

P.S. Ik moet opeens aan Steve Jobs denken, die in 2005 aan de Stanford University zijn commencement adress hield over connecting the dots. Zijn vertoog was simpel: ‘You can’t connect the dots looking forward and you have to trust that the dots will somehow connect in the future.’
Tja, vertrouwen. Dat is ook een heel gedoe, zie hier.