Mûr de Bretagne

mur3

Mûr de Bretagne, dat is natuurlijk een geweldige naam voor wat ook maar. Als ik niet beter wist zou ik het zo bestellen in een restaurant; een legendarisch gerecht van de streek, ooit bedacht om de lange winters te overleven, nu alleen nog gemaakt voor fijnproevers omdat er veel zeldzame ingredienten ingaan, zoals wilde Berklijsters en het buikvet van Truffelzwijnen.
Maar dat is het dus niet. Wat het wel is, nou daar kunnen de twee jongens van de NOS uren lang op hun eigen subtiele manier over redetwisten. En dat doen ze ook. Want daarvoor zitten ze kennelijk achter de microfoon, om elkaar ingehouden lacherig, maar ononderbroken vliegen af te vangen. Ze hebben over van alles onenigheidjes, die ze vilein tussen de regels van hun commentaar weven.
Ik snap dat wel, hoe zouden ze zich anders overeind houden in die ellenlange sessies van  zomaar drie of vier uur waarin tachtig procent van de tijd niks gebeurt. Ze kunnen moeilijk ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’ gaan doen, zoals ik vroeger met broer, zus en ouders deed als we in de file stonden.
In Frankrijk.
Ieder zijn eigen Tour de France.
Waar was ik? O ja, de kift tussen die twee jongens van de NOS.
‘Kijk daar gaat Bardet, precies op het goede moment,’ zegt de een.
’Nou het zal mij benieuwen hoe lang hij dit volhoudt,’ zegt de ander.
‘Ah, Kruiswijk rijdt naar voren,’ zegt de een.
‘Ja, dat is alleen om positie te kiezen,’ zegt de ander.
Et cetera.
Waarom doen ze dat? Wat heeft de kijker aan al die speldenprikjes over en weer?
Niets!
De kijker – ik! – wil nuttige informatie. Geen dispuutjes tussen de ene commentator met een theorietje en de andere commentator met een ander theorietje. Ik wil geen theorietjes met elkaar hoeven te vergelijken.
Ik wil eigenlijk helemaal geen theorietjes.
Ja, misschien mag ik daar ook even kort iets over zeggen. Waarom hebben sportcommentatoren altijd theorietjes? Ja, theorietjés. Dat bedoel ik niet laatdunkend. Nee, het zijn gewoon hele kleine theorieën. ‘Ah, ik zie aan het gezicht van Martínez dat hij het anders gaat aanpakken’ is zo’n theorietje. Wat moet ik daarmee? Het houdt me van het voetbal af, want ik ga daar dan over nadenken. Hoe kan je zoiets aan iemands gezicht zien? En wat is ‘anders aanpakken’? Gaat Martínez een basketballer inzetten? Of een kudde dromedarissen? Ik heb geen flauw idee, maar ik ga wel proberen om de stelling te toetsen. Ook al heb ik geen idee waar ik moet beginnen.
Dus als iemand van de commentatorenschool dit toevallig leest: leer die jongens dat af en verbied theorietjes (dit is geen sexisme, alleen jongens hebben theorietjes).
Eh… Mûr de Bretagne. Dat dakje op de u is eigenlijk al geheimzinnig genoeg – ik kon gvd eerst niet eens vinden hoe je ’t kunt typen – maar de jongens van de NOS vinden dat het best nog wel geheimzinniger kan. Eerst gaat de een ons uitleggen dat het dus niet echt een muur is in de zin van een muur, maar dat het dus best wel een steile klim is. Dan vult de ander eigenwijs aan dat Mûr de Bretagne dus eigenlijk de naam van het dorpje aan de voet van de berg is, maar dat het is samengegaan met de naburige gemeente Saint-Guen.
‘Ja, daar rijden we ook doorheen, ik bedoel dus het dorp Mûr de Bretagne’ zegt de eerste weer, ‘maar de klim begint pas buiten het dorp. We gaan na de rotonde rechts, dan scherp links en dan meteen met zeven procent omhoog.’
’Nou, was er niet ook een paar honderd meter vals plat?’
‘Ja, klopt, maar dat is bij de tweede doorgang, na zo’n acht honderd meter, net buiten het bos, waar de weg wat smaller wordt.’
‘Dat bedoel ik, als we langs de oostzijde de Mûr nog eens nemen.’
‘Het is inderdaad voor de kijkers goed om te weten dat we dus twee keer dezelfde berg opgaan, eerst langs de westelijke kant en dan…’
Het is om gek van te worden! En de details! Is TomTom een sponsor of zo? Of Wikipedia?
En als als dat gekissebis nou ergens toe leidde! Welnee! De kijker verdwaalt en alle kift tussen de jongens van de NOS inclusief hun bijbehorende theorietjes verdampen spontaan als zij in de laatste kilometers van de spanning geen zinnig woord meer uit weten brengen en ze ten slotte allebei hijgend de uitslag omroepen om daarin meteen triomfantelijk hun gelijk te vinden.
‘Ik zei dat het bláúw was.’
‘Die hoed van die meneer was ook bláúw.’
‘Welke meneer?’
‘Daar in de verte, met die wandelstok. Ik heb het geráááden! Nou mag ik… ik zie, ik zie wat jij niet ziet en het is beige.’
‘Dat is geen kleur, bijsje, mama dat is geen kleur, toch?’
Et cetera.

Een vergadering, slot

vergaderzaal4

Voorzitter: Nou, fijn dat we toch nog een datum hebben kunnen vinden. Ik denk dat als we in oktober dat uur flink doorwerken dat we dan een heel eind op streek zijn. Ik stel voor dat we de tijd die we overhebben, besteden aan een korte uitleg van het wetsvoorstel Tersluiks. Eh, ik ben even je naam kwijt… maar jij had daar een vraag over?
Onbekende: Esther Hommeles en ik ben…
Voorzitter: sorry, maar met het oog op de tijd alleen even je naam. Kun je beknopt uitleggen wat je vraag is.
Esther: eh, okay. Waar het mij dus om gaat is de relatie tussen de wet Tersluiks en het amendement Verberg.
Voorzitter: wat is daarmee?
Esther Hommeles: uhm… ik vroeg me dus af…
Voorzitter: was er niet iets geregeld in de maatregel van bestuur?
Esther Hommeles: nou, nee, volgens mij…
Frank: voorzitter, misschien dat ik een licht op de kwestie mag werpen?
Voorzitter: graag.
Frank: of nou ja, een licht, mogelijk maak ik het alleen ingewikkelder, ha ha, maar goed, ik noem het toch maar even… ik doel op de motie Steels, en dan eigenlijk de bestemming voor de 116 miljoen.
Voorzitter: ja?
Frank: ik denk dat we daar niet omheen kunnen.
Voorzitter: nee, maar dat zei ik toch niet?
Liselotte: oh! Ik kreeg uit wat jij eerder zei het idee dat die niet in onze scope zat… maar als de 116 dan toch op tafel komt, dan moeten we het frictiebudget uit het Pinksterberaad ook meenemen.
Esther: wacht even, het Pinksterberaad? Ik dacht dat de gelden daarvoor gerealloceerd waren richting Verberg?
Overbuurman van Siegfried: voorzitter, ik hoor wat er gezegd wordt, en met alle respect hoor, maar ik constateer dat als het deze kant opgaat, het me toch wijs lijkt om Siegfried er in oktober wel bij te vragen, want hij is ook trekker van het brede initiatief ‘Scherper Geheimhouden’. Volgens de DG is een deel van de begroting van de wet Tersluiks, waaronder dus de zes procent van het voorstel Verberg, hiernaar overgeheveld.
Voorzitter: de zes procent?
Overbuurman van Siegfried: dat is de 116.
Liselotte: o, maar sinds wanneer is dat? Die overheveling?
Overbuurman van Siegfried: de DG zei vanmorgen dat zij gisterenavond een Whatsapp van de staats had gekregen.
Voorzitter: dit is toch wel raar. Mijn opdracht is om voor het Algemeen Overleg in februari een blauwdruk van het eerste concept voorstel op te leveren en…
Adriaan: sorry voorzitter, ik moet nu dus weg, maar wil nog wel kwijt dat ik vorige week de burgemeester van Schapendeel sprak, Joris de Beer, die zoals jullie weten namens de risicodriehoek lid is van de interregionale klankbordgroep Subjectieve Dreiging, en die zei me dat volgens hem de 116 al lang op is.
Allen: WAT?!
Adriaan: nou ja, niet óp-óp, in de zin van uitgegeven, maar dus in het kader van de provinciale herbesteding verkaveld naar de grote steden, om in te zetten voor de aanschaf van de 34 experimentele mobile units. De ketenverkenners van de conglomeraten gaan daarmee de straat op als dedicated dragers van het nieuwe verhaalbeleid ‘innen is pinnen’.
Frank: dat is dus wat ik zojuist ook bedoelde, volgens mij kunnen we daar niet omheen.
Adriaan: precies.
Voorzitter: eh…
Overbuurman van Siegfried: zal ik voor de zekerheid Siegfried dan maar even bellen om te vragen of hij de zestiende oktober kan?
Voorzitter: ja, doe maar… En vraag hem dan meteen of hij weet welke bestemming nu voor de 116 geldt.
Overbuurman van Siegfried: Ja, Sieg, Ferdinand hier. Hè? Férdinand! Ja… zeg wij zitten hier nog steeds in de Nabuccozaal en nou kwam toch weer de 116 op tafel… wij zijn aan het rechercheren waarvoor die nu precies geoormerkt is. Hè? De 116! Hoezo teruggevloeid? O. En weet de DG dat al? O, sinds wanneer? O… Okay. Ja, doe ik. Is goed.
Voorzitter: en?
Ferdinand: nou het schijnt dat de minister naar aanleiding van zijn werkbezoek aan de pilot ‘insluipersbeheer’ de bestuursraad een uur geleden ervan overtuigd heeft dat de 116 toch geïntegreerd moet worden in de gelden voor de ramen-dicht!-campagne. Ze verwachten daar nogal veel van.
Liselotte: ik denk dat het dan weinig zin heeft om in oktober nog bij elkaar te komen. Na de zomer is natuurlijk alles op.
Voorzitter: nee… ja… dat lijkt me…
Piiiiep! (deur gaat open).
Phileine Vachequirit: o, eh, is dit de Verdizaal?

Een vergadering, deel 2

vergaderzaal1

Adriaan: voorzitter, sorry dat ik er even tussenkom, ik was vergeten te zeggen dat ik helaas eerder wegmoet voor een vergadering van het interdepartementaal schijnberaad, dus misschien kunnen we nu alvast een vervolgafspraak plannen?
Voorzitter: jammer, maar kan gebeuren. Ja, misschien wel een idee om nu een nieuwe afspraak te maken, dan gaan we straks verder met het voorstellingsrondje… Okay, eh, even over de termijn dan… Onze deadline voor de business case is april volgend jaar… Ja ik weet het, dat is heel erg snel, maar de Kamer heeft uitdrukkelijk gevraagd om spoed achter deze zaak te zetten, want ze willen het meenemen in de tweede ronde van de lentesessies over de wet Tersluiks.
Onbekende: ik dacht dat de wet Tersluiks was uitgesteld vanwege het amendement Verberg?
Voorzitter: ja, nee, ehm… en jij bent?
Onbekende: we zouden toch later verder gaan met het voorstelrondje?
Voorzitter: eens, maar… Hm, als je het goed vindt, dan kom ik ná het voorstelrondje terug op het amendement Verberg, ik wil nu toch echt eerst een nieuwe afspraak… Goed, ik stel voor dat we iets plannen voor over zes weken. Even kijken, dan zitten we ergens eind Mei.
Liselotte: oh… dat is erg ongunstig want dan zijn er vakanties geloof ik.
Frank: ja, in week 21en 22 zijn de meivakanties.
Onbekende: dan vallen beide weken voor mij uit, want ik woon zelf in midden, maar mijn vriend in Noord, en die regio’s lopen dit jaar echt helemáál niet parallel.
Voorzitter: goed, dan gaan we naar Juni. Al die vakanties zijn sowieso niet handig. Misschien is het goed om eerst te inventariseren welke dagen het beste uitkomen voor iedereen. Wie heeft dagen waarop hij echt niet kan?
Overbuurman van Siegfried (die inmiddels naar de Kamer is): ik kan zelf het beste op dinsdag en donderdagen, maar ik weet dat Siegfried pertinent niet op woensmiddagen kan want dan heeft hij zijn papadagdeel.
Voorzitter: maar Siegfried kon toch sowieso de komende twee maanden niet?
Overbuurman van Siegfried: o ja, dat is waar ook. Ik kan trouwens dus wel op de dagen die ik net noemde, behalve in juni, want dan vervang ik Karin Vlieg in het project Beter Loslaten.
Voorzitter: goed dat je dat even laat weten. Hebben anderen nog voorkeursdagen of dagen die echt niet gaan?
Frank: het maakt mij eigenlijk niet uit, behalve dan dat ik op woensdagen nooit na drieën kan omdat ik dan naar triangelles moet. En op dinsdagen en donderdagen kan ik niet vóór elf uur, want dan breng ik altijd eerst de cavia naar de kinderboerderij.
Voorzitter: begrijp ik.
Frank: en vrijdagmiddagen zijn altijd lastig omdat ik dan de planten water geef bij mijn oudoom.
Voorzitter: Okay, waar komen we dan op uit?
Adriaan: maandag.
Voorzitter: o, eh, haha, dat was ik vergeten te zeggen, op maandag ben ik altijd vrij.
Liselotte: uh, je had mij nog niets gevraagd.
Voorzitter: niet?
Liselotte: ik kan ook nooit op maandagen, want dan is mijn ex…
Voorzitter: net als ik dus… Eens even kijken, wat hebben we nu over, uh, maandag niet, dinsdag niet, woensdag in de ochtend zou kunnen als Siegfried voor vervanging kan zorgen!
Adriaan: zou me verbazen.
Voorzitter: ja, maar dat is toch absurd, íemand van zijn afdeling moet toch kunnen?
Adriaan: welke afdeling? Iedereen is daar ziek of onderweg. Hebben we die club echt nodig?
Liselotte: ik zou anders wel een keer kunnen schuiven, als ik het ver van tevoren weet, kan ik mijn ex wel vragen of hij…
Voorzitter: dat is wel een idee Adriaan, we skippen Siegfrieds afdeling. Ik sluit dat wel even kort met de staats. Goed, woensdagochtend. Wat vinden jullie van de vierde?
Onbekende: vier Juli is een vrijdag.
Voorzitter: nee! Juni! met een N! Nico!
Onbekende: o, dan kan ik niet.

Vergadering, deel 1

vergaderzaal3

Voorzitter: Goedemiddag allemaal, fijn dat jullie op z’n korte termijn en dit late tijdstip nog konden aanschuiven voor deze eerste sessie van de netwerkbrede interdepartementale commissie Verbetering Gevaarsketen. Ik kijk even op de klok en zie dat we door de verwarring over de zalen nog maar een kleine drie kwartier over hebben, vandaar dat ik voorstel dat we wél even een rondje doen, want volgens mij kent niet iedereen elkaar, maar dan wel heel kort, alleen je naam, van welke organisatie je bent en wat je daar doet. Ik begin rechts van mij, Hans geloof ik, wie ben jij?
Hans: Frank… Frank Ottersloot. Hans is mijn collega, Hans Vogelzang. Hij kon helaas niet omdat hij naar een ingelaste bijeenkomst van het Team Ongemakken moest vanwege kamervragen over Beesterzwaag…
Voorzitter: fijn dat nog vervanging geregeld kon worden.
Frank: Ja… ik ben dus Frank Ottersloot, DR&B, en projectleider Vreemde Zaken.
Voorzitter: DR&B?
Frank: O, sorry, Directie Risico en Bedreiging. Dat is een onderdeel van de NCOV.
Voorzitter: NCOV?
Frank: Nationaal Coördinator Onraad en Vrees
Voorzitter: dank je wel Hans. Gaan we snel door naar je buurvrouw.
Buurvrouw: Hallo, mijn naam is Liselotte Kraaiweg en ik ben bij de Nationale Politie waarnemend Regisseur Tegenslag. Ik zit hier met name omdat wij, en dan doel ik specifiek op de onlangs door de raad van commissarissen ingestelde risicotafel, erg bezorgd zijn over de afstemming met de werkgroep Scheilijster…
Voorzitter: ik denk dat je even moet uitleggen wat de werkgroep Scheilijster doet.
Liselotte: Oh? Hm… okay. Dat is een comité onder leiding van Dirk Scheilijster, dat zich bezig houdt met, ja Dirk natuurlijk ook, en…
Voorzitter: is die werkgroep niet het clubje dat op verzoek van de kamer de impactanalyse voor het kabinetsmemo ‘Terechte Paniek?’ maakt?
Liselotte: inderdaad, nou ja een herziening daarvan dus en ik wil graag…
Voorzitter: sorry, gelet op de tijd wil ik het hier graag bij laten… hoop dat je dat begrijpt… gaan we naar je buurman.
Buurman van Liselotte: voorzitter dank u wel. Adriaan van den Kippenslag, Dienst List en Bedrog, programmaleider Virtuele Interventies, ofte wel Chef Nep.
Voorzitter: hahaha. Dankjewel voor deze bondige introductie. Volgende. Wie is jouw buurman?
Adriaan: dat weet ik niet.
Voorzitter: hahaha, dat was eigenlijk een vraag voor jouw buurman dus…
Buurman van Adriaan: …
Overbuurman van de buurman van Adriaan: Siegfried!
Siegfried: Eh, ja neem mij niet kwalijk. Ik krijg zojuist een sms’je van de staats die naar de kamer geroepen is. Ik moet helaas weg. Siegfried Bienenwachser, trouwens. Ik weet niet of er nog volgende sessies van deze commissie komen, maar vanaf volgende week ben ik voor een maand naar Bonaire om het bezoek van de minister voor te bereiden. En daarna ga ik drie weken op vakantie.
Voorzitter: goed dat je dat even zegt, we zullen kijken of we daar rekening mee kunnen houden. Is er misschien iemand die jou kan vervangen?
Siegfried: lastig. Esther Mees, coördinator Verdenking bij onze directie, die dus eigenlijk naar deze vergadering zou komen, is vanaf morgen met zwangerschapsverlof en haar collega, Remy Hazevriend, volgt momenteel een training Scope Creep en is bezig met de concept business case ’Niet schrikken’, tweede tranche.
Voorzitter: okay, duidelijk. Als je het niet erg vindt, dan…
Buurvrouw van Siegfried: zal ik dan maar iets over mijzelf vertellen?
Voorzitter: kort graag.
Buurvrouw van Siegfried: Goed, ik ben Phileine Vachequirit en ik ben sinds eergisteren gedelegeerd commissaris voor de stelseltransitie Roofdierenzorg. Voor 14 uur per week. Daarnaast ben ik voor 6 uur speciaal raadsvrouw herplaatsing Cavia’s op het Ministerie van Economische zaken, Directie Dierenwelzijn.
Voorzitter: mmm… hoe was je naam, zei je?
Phileine: Phileine Vachequirit.
Voorzitter: van EZ?
Phileine: ja, dierenwelzijn… eh… dit is toch de Verdizaal?
Voorzitter: nee, de Nabuccozaal.
Phileine: Nabucco is toch van Verdi?
Frank: ja, eh… toch zijn de componistenzalen in het andere gebouw.
Adriaan: op de 36ste. Naast de filosofen.
Phileine: oh, jeetje. Nou, daar zullen ze dan wel op mij zitten te wachten. Raar dat niemand mij gebeld heeft…
Voorzitter: Okay, ik kijk even naar de klok, eh, waar waren we?

Wordt vervolgd…

Uitleggen

moord-op-de-gebroeders-de-witt-1672-jan-luyken-1698-rijksmuseum-web2-zonderkader

Ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw was ik samen met Arie te gast bij ‘de 5 uur show’. Voor de jonge lezers, dat was een talkshow van RTL4. Denk aan Oprah, maar dan met een witte en minder scherpe presentatrice en een zaal vol Margrietlezeressen op een dagje uit. Ja, neerbuigende definitie, maar ik heb een dik uur in doodsangst tussen hen in gezeten waardoor ik na verloop van tijd iedere nuancering opgaf. Daarover straks meer. Lees vooral door.
Arie was een gewezen inbreker. Een van de vrijwilligers bij de stichting waarvan ik ‘landelijk koördinator’ was (dat is jaren-zeventigs voor directeur). Hij vertelde op scholen zijn levensverhaal om jongeren te waarschuwen voor het slechte pad. Een aansprekend concept dat niet effectief bleek; er was geen enkele jongere die zich af liet schrikken. Jammer. Want het waren wel allemaal mooie verhalen en die vrijwilligers konden allemaal prachtig vertellen. Misschien kwam het juist daardoor, denk ik nu.
We waren voor de show uitgenodigd om te praten over de stelling ‘iedereen verdient een tweede kans’. Mooie stelling, waar Arie het levende bewijs van was.
Die stelling kenden wíj wel, maar het publiek in de zaal niet. Dat was beter, had de redactie van de show gezegd, want dan begrepen de mensen thuis het ook. Wat wel een grappige theorie is: bij de een begrip kweken door de ander dom te houden. Of nee, het was gewoon iedereen dom houden. Ook een theorie, niet grappig, maar dom.
Hoe dan ook, de hele studio zinderde van nieuwsgierigheid, Arie zat op een podium te wachten met zijn verhaal, en ik probeerde zo te kijken dat ik geen vreemde eend in de bijt leek. Dat lukte niet. Dat lukt eigenlijk nooit.
En toen begon het!
Er kwam een meneer-met-een-microfoon uit de coulissen die iedereen welkom heette en meteen daarna het onderwerp aansneed met de hartelijke vraag of er iemand in de zaal zat bij wie wel eens was ingebroken.
Ja, natuurlijk.
Er stond een mevrouw op die beschreef wat er een week geleden uit haar huis was gehaald.
Ze huilde.
Ik zocht contact met Arie, die er met gebogen hoofd naar luisterde.
‘En wat vind u,’ vroeg de meneer-met-de-microfoon aan de mevrouw en haar omstanders, ’die dief, verdient die een tweede kans?’
Nee, natuurlijk niet.
De zaal schreeuwde het uit.
Ik begon te begrijpen hoe volkswoede ontstond en hoe die zomaar tot een zelfbedacht strafrecht en bijbehorend volksgericht kon leiden. ‘Vrees het volk dat zelf niet vreest,’ zei Spinoza (ongeveer). Dat deed ik.
De meneer-met-de-microfoon wachtte tot iedereen was bedaard. ‘Vanmiddag hebben we het over de stelling “iedereen verdient een tweede kans”. Catherine komt zo en dan praat zij met een paar gasten, waaronder Arie, die vroeger inbreker was.’
Arie werd in het licht gezet en alle mevrouwen deinsden achteruit. De paar schaapskleren die ik nog droeg, vielen af en de vrouwen naast mij deisden ook opzíj. Dat was pas grappig toen ik alweer veilig thuis was.
Vond ik.
Niet lang daarna verscheen inderdaad Catherine en begon de show echt. Ze voerde gesprekken over tasjesdieven en inbrekers met mevrouwen uit het publiek om, zoals afgesproken, bij mij te eindigen, zodat ik met mijn mening over de stelling een bruggetje naar Arie kon maken. Intussen gingen er vreemde mensen naast hem zitten. Ik had geen flauw idee wie het waren.
Arie ook niet.
Ik voelde zijn radeloze blik op me afkomen, haast in een wedstrijd met Catherine, die opeens tussen ons in ging staan en me een heel andere vraag stelde dan de redactie me had gemaild, om daarna midden in mijn héle andere (snedige) antwoord de microfoon mee te nemen naar het podium. Mijn zacht wegijlende stem was ook thuis pas grappig.
Vonden mijn kinderen.
Goed… de show ging door. De andere gasten bleken felle tegenstanders van tweede kansen en regelrechte belagers van Arie, die zij voor het gemak als vertegenwoordiger van alle Nederlandse criminelen beschouwden zodat ze hem voor van alles en nog wat konden uitmaken.
Hij huilde.
Toen kwam er reclame.
Ik vroeg me af of de mensen thuis het nog begrepen. Bij ons in de zaal heerste in ieder geval verwarring. Arie had toch een snaar geraakt. De mevrouwen hadden heimelijk te doen met hem, maar snapten niet goed waarom. Cognitieve dissonantie alom.
Op het podium gingen mannen in de weer met stoelen en microfoons. Catherine liet haar wenkbrauwen doen en zich bepoederen. Ze ging tegenover een meneer zitten. Een professor in de criminologie. Iemand die onderzoek had gedaan naar tweede kansen, en erover had nagedacht.
Ja, dat kan natuurlijk ook.
Toen de show verder ging legde hij uit waarom een tweede kans toch echt het beste was voor iedereen. Een inbraak is natuurlijk iets om boos en verdrietig van te worden, maar met z’n allen die inbreker dan voor de rest van zijn leven met de nek aankijken, dat werkt averechts. Want hoe kan die man dan een gewoon bestaan opbouwen? Dat lukt hem nooit. Hij gaat weer inbreken.
‘Wilt u dat?’ vroeg hij.
Nee, natuurlijk niet.
‘Dus toch een tweede kans?!’ vroeg Catherine.
Ja, natuurlijk.
Opluchting alom.
Hoera voor de professor!
Reclame.

Thuis

IMG_2230 (1)

Zeven weken geleden (om precies te zijn: op acht april) opende ik mijn voordeur om mijn racefiets naar buiten te dragen. Ik tilde hem van de beugel in het trapgat, zette hem tegen de gevel, pompte de banden op. Daarna trok ik mijn schoenen aan en stak ik m’n drinkflessen in de houders. Ik gespte mijn helm nog wat strakker. Checkte of ik mijn sleutels bij me had.
Onder andere.
Enzovoorts.
De oude Romeinen keerden op hun schreden terug om hun reis opnieuw te beginnen als zij hun voet stootten bij het verlaten van hun huis, want zoiets was een slecht voorteken en gegarandeerde pech onderweg. Ik heb dat bijgeloof gedurende mijn leven uitgebreid met een hele verzameling van handelingen die ik allemaal netjes moet afwerken als ik op pad ga. Je bent een zenuwlijder of niet. Gaat u er dus maar vanuit dat het lijstje in de eerste zinnen van deze blog veel langer is.
Tergend lang, eigenlijk.
Irritant zelfs.
Ik onderdruk mijn liefde voor lijstjes en ga u daar niet mee vermoeien. Alleen mijzelf. Als ik aan dat ritueel terugdenk, lach ik mijzelf hartelijk uit. Wat dacht ik er eigenlijk mee te bezweren?
Geen ongevallen, dat is wel duidelijk. Sterker nog, als ik toen niet zo had getreuzeld en eerder was vertrokken was alles anders afgelopen… tot zover het nut van dwangneurosen. Ook om te lachen: dat ik daardoor nu pas echt een zenuwlijder ben (ja, pun intended).
Eh… hoe dan ook, die bewuste dag zat ik op een gegeven moment toch eindelijk op de fiets om mijzelf de straat uit te trappen en niets vermoedend mijn huis achter te laten.
Toen ik vorige week thuiskwam, was mijn grootste angst dat ik sporen van dat niets vermoeden zou aantreffen. Ja, daar zag ik tegenop, mijn huis waarin helemaal niets van het noodlot te vinden zou zijn, geen enkel voorteken of verwijzing, nee integendeel, waarin alleen gewone dingen zouden zijn, de dingen van mijn gewone leven, die ik gewoon had achtergelaten om daar op me te wachtten, omdat ik er gewoon vanuit was gegaan dat ik ze weer zou aanraken, oppakken, gebruiken. Dat voetstootse vertrouwen in de rest van mijn leven wilde ik niet tegenkomen.
Maar ik was vergeten dat vrienden, familie en buren bij mij thuis kleren voor me hadden gehaald, spullen hadden gezocht, planten water hadden gegeven… en dat zij zodoende stukje bij beetje mijn niets vermoeden overhoop hadden gehaald. M’n huis was geen time capsule geweest, anderen hadden mijn leven op een of andere manier voortgezet.
Blij toe.
Halverwege de trap besefte ik al dat ik niet bang hoefde te zijn. Mijn huis rook niet zoals het altijd geroken had. Dat was goed. Op de tafel in de huiskamer lag post, in de keuken had iemand opgeruimd, de afwas gedaan. Beter. Het was alsof ik op vakantie was geweest. Weg.
Geweldig.
Niks aan de hand.
Ik ging in mijn leunstoel zitten en keek rond (letterlijk, het is een draaistoel): een flesje smeerolie op het dressoir, een imbussleutel naast een stoelpoot, kettingpons op de leuning van de bank, twee geplakte banden aan de kruk van de kastdeur.
Fiets!
F*ck! Óveral was fiets!
Geen paniek, dat was niet erg want ergens in de vorige weken had mijn verstand alles wat naar herinneringen aan mijn fiets kon leiden met rood-witte linten afgezet. Verboden toegang. We don’t go there.
Blij toe.
Ik haalde mijn gereedschapskist en liep door mijn huis om alle spullen bijeen te zoeken. Pikte en passant een paar sokken, een ondershirt, en mijn regenjackje van de trap.
Niks aan de hand.
Op die vieze vingerafdruk na.
F*ck! Míjn vieze vingerafdruk! Op het lichtknopje!
Op de zevende April had ik tot ver na zonsondergang aan m’n fiets gesleuteld. Ik zag mezelf weer bezig.
Ja, niets vermoedend.

Gebed

eten2

In de AH was ik op zoek naar knoflookpasta, bij gebrek aan een pers en omdat ik nog even geen zin had om uit vinden hoe ik met één hand een teentje in stukjes kon snijden. Pick your battles heeft opeens een nieuwe betekenis. Of nou ja, ik heb er battles bijgekregen. Simpele en gewone dingen ontpoppen zich onverwacht als vijandelijkheden. Het hele bestaan is opeens tegen me.
Eh… nee, dat is te somber. Vergeet dat.
Maar koken kan zomaar een veldslag worden als ik niet uitkijk. Dus vandaar knoflookpasta. En gesneden wokgroenten. En blokjes kip.
Ik weet niet of mijn zielige arm er iets mee te maken had, maar er gingen twee jongens op pad om de pasta voor me te vinden, dat wil zeggen, de eerste, die niet wist waar het stond, sterker nog, die niet wist of het béstond, vroeg het aan een tweede, die het wel wist (dat het bestond en wáár het stond, ongeveer dan).
We liepen met z’n drieën door de winkel. Achter elkaar aan, de paden op, de lanen in. Ik kreeg zin om erbij te zingen. Het was absurd.
Maar niet half zo absurd als de scène waar een derde jongen me introk. Terwijl de twee AH-jongens en ik de rekken aftuurden (‘ongeveer’ kwam op zo’n 45 meter ‘schapruimte’ neer) sprak híj me aan om te vragen wat ik mankeerde. Hij wees naar mijn sling. (Dat laatste schrijf ik erbij om te voorkomen dat u denkt dat hij met dat mankeren op mijn zoektocht naar knoflookpasta doelde; had gekund, want ik had dat spul écht nodig, vond ik opeens, en misschien keek ik inmiddels wat koortsig uit m’n ogen.)
Eh… wat ik mankeerde… lang verhaal, dacht ik. Zeker om aan een volstrekte vreemde te vertellen. Ik kon natuurlijk gewoon zeggen dat ik mijn pink gekneusd had, maar dat vond ik niet eerlijk tegenover mijn arm. Ik kon niet zomaar zijn ongeluk te bagatelliseren.
Ja, dat vond ik… raar maar waar. Hij ziet me niet meer staan, maar diep in mijn hart hou ik toch van hem.
Enfin, ik vroeg de jongen waarom hij wilde weten wat er met mijn arm was gebeurd.
Omdat hij voor me wilde bidden.
Dat heb ik weer. Het kon nog raarder.
Hij had al een paar mensen met een gebed weten te genezen zei hij. Eén iemand had terstond zijn mitella afgedaan. En een ander was zonder krukken verder gelopen. Hij keek me aan om te zien wat ik daarvan vond. Hm, wonderbaarlijke genezingen zijn zelden wonderbaarlijk en meestal wetenschappelijk verklaarbaar, maar het leek me zinloos om daar met de jongen midden in de AH over te gaan redetwisten. In plaats darvan gaf ik hem een korte samenvatting van mijn ongeluk en letsels. De onomkeerbare beschadigingen aan mijn zenuwen gaf ik wat extra nadruk, om hem moed te ontnemen. Dat lukte niet. Hij knikte bij ieder detail alsof hij het alvast klaarzette voor zijn gebed; op een lijstje voor God.
Intussen zochten achter mij de twee AH-jongens nog steeds naar knoflookpasta.
’Nee, dat is sáús!’ riep de een naar de ander.
‘Ik snap het,’ zei de jonge gelovige. Dat ging over mijn aandoeningen. ‘Ik ben namelijk ook fysiotherapeut.’
Een beetje inconsequent leek me, maar een kniesoor die daar over begon. Hij leverde gewoon een soort totaalpakket, aardse en bovenaardse behandelingen.
‘Mag ik voor u bidden?’ vroeg hij.
Nu geloof ik niet, maar ik ben geen rabiate atheïst. Dus dat die jongen mij en mijn arm in zijn gedachten zou nemen om dan thuis voor een zelfgemaakt huisaltaar de Heer om mijn genezig te vragen, daar zat ik niet mee. De grote Volksschrijver Gerard Reve deed het ook (ik bedoel bidden voor een huisaltaar) en die kon prachtig schrijven.
Maar dat was niet de bedoeling. Nee, hij wilde God meteen ter plekke aanroepen. En mijn hand vasthouden. Mijn goede hand gelukkig, want om nou zomaar iemand mijn aangedane hand te geven, dat was me net even te intiem, het was allemaal toch al behoorlijk dicht op de huid, voor mijn doen. Maar ik vond het flauw om nu helemaal op mijn schreden terug te keren. Die jongen wachtte met zijn lijstje.
Dus daar stond ik even later, hand in hand met een volstrekte vreemde die God en detail uitlegde wat er aan mij kapot was en wat dus weer heel moest.
In de AH, voor de olieën en azijnen.
‘Ja! Hebbes!’
Dat was één van de twee AH-jongens.
Hoera! Knoflookpasta!
‘Amen.’ Het gebed was af en de jongen liet mijn hand los. Hij opende zijn ogen en keek hoopvol naar mijn andere hand. ‘Probeert u eens,’ zei hij.
Er zat nog steeds geen enkele beweging in.
‘Jammer’, vond hij.
Ik ook.
Maar ik vond het vóór het gebed ook al jammer. Nou hadden we er een teleurgestelde bij. Dat schoot niet op. Gelukkig waren de AH-jongens heel erg blij én met zijn tweeën, zodat het gelijkspel bleef, wat humeuren betreft.
En die avond heb ik voor het eerst in zeven weken weer eens mijn eigen eten bereid. Mét één hand, zónder jammer.
Drie – twee!
Hoera!

Mijn arm en ik

contact2

Kort na de operatie mocht ik helemaal niets met mijn arm. Ze hadden hem met een vernuftige draagband en veel klittenband aan mijn lijf geplakt (gefixeerd noemen ze dat, of nog eufemistischer: geïmobiliseerd, wat klinkt als een overheidsmaatregel in oorlogstijd), zodat hij geen kant op kon. Hij kon natuurlijk sowieso geen kant op, dat was de hele makke, maar dan nog moest-ie in bedwang gehouden worden, want van binnen hadden ze nog zo goed en zo kwaad als het kon een paar van mijn losgerukte zenuwen weten te redden – over vernuftig gesproken, dát is echt ongelooflijk – en dan moest ik natuurlijk niet onbedoeld met mijn arm gaan zwaaien want dan trok ik alles weer los.
Zodoende was mijn arm niet alleen gevoelloos maar ook onzichtbaar. Op een halve hand en mijn vingers na, die er samen uitzagen als een opgezwollen paarse bos wortels. Na één eerste blik keek ik daar ook niet meer naar om.
Durfde ik niet
Wilde ik niet.
Ik kon niet anders dan mijn eigen arm verloochenen. Ik voelde hem niet en voelde niets voor hem. Ik prevelde in die tijd zeker een paar keer per dag ‘stomme kut arm’ voor me uit.
Ja, harteloos.
En onbegrijpelijk (ik kon er tenminste met mijn verstand niet bij). Toch was het zo.
Maar ik kon die weerzin niet lang volhouden, want áls de doktoren iets hadden kunnen redden, dan had dat allean maar nut als mijn arm een beetje in conditie bleef, inclusief mijn hand en vingers. Ik bedoel dat alle gewrichten soepel moeten blijven werken, want een ledemaat dat niks doet, wordt stijf, en een ledemaat dat negen maanden niks doet (de tijd die mijn zenuwen minstens nodig zouden hebben om weer aan te groeien, ik schreef het al eerder, snelheid heeft in mijn leven afgedaan), wordt héél erg stijf. Nutteloos eigenlijk. Van een hand blijft dan niks anders over dan een akelig gekrompen klauw die nauwelijks iets kan, en je pols en elleboog verstarren zo dat je met die klauw niet eens op je kop kunt krabben.
Dus of ik nu van van mijn arm en hand hield of niet, ik moest hun aandacht geven.
Liefde.
Want toen de dokter na twee weken mijn arm c.s. bevrijdde en ze in een sling (een soort mitella) hing, kreeg ik meteen huiswerk. Ik moest vijf maal per dag (ja, vijf!, dat is om de haverklap!) op de rand van mijn bed gaan zitten en voorzichting mijn hand tevoorschijn halen, en die in mijn andere nemen om er vervolgens rondjes voor mijn buik mee te draaien. Vijf minuten rechtsom, vijf minuten linksom.
Het was alsof ik met mezelf danste. Wat niet half zo akelig zou zijn, misschien zelfs wel aandoenlijk, als mijn linkerhand even zacht en warm was als mijn rechter. Dat ze zelf niet bewoog was tot daar aan toe, maar dat ze dan ook nog hard en koud deed, dat haalde alle romantiek uit de oefening.
En in het begin stonk ze ook nog. Ja, dat is een van de nevenverschijnselen waar je van tevoren niet bij stilstaat (eh… rare constatering, waarom zou je überhaupt bij zoiets stilstaan?), maar als je arm twee weken onbeweeglijk aan je lichaam gezwachteld zit, gaat hij stinken. Om dit blog voor u een beetje aangenaam te houden, zal ik verder geen details geven. Denk aan zweetvoeten en tenenkaas. Op zich misschien draaglijk, maar als je hánd zo ruikt, wil je het liefst overgeven.
Dat deed ik niet. Nee, in plaats daarvan legde ik haar (ook op last van de dokter) na iedere dans voor mij op een kussen op mijn schoot, om één voor één mijn vingers en duim te masseren, ze op en neer te bewegen, te krommen en te strekken, te herinneren aan wat ze vroeger zelf konden.
Dat is ook voor mijzelf wel handig, trouwens. Want als iemand mij vraagt om eens te proberen zo’n vinger of duim te bewegen, weet ik letterlijk en figuurlijk niet waar ik het zoeken moet. Proberen gaat niet eens. Ik kan gewoon niet vinden waar ik moet beginnen om dat voor elkaar te krijgen.
Kijken naar wat je moet doen, helpt dan zeggen ze.
Om contact te maken.
Dat heb ik weer. Moet ik, tegen al hun koude en harde onverschilligheid in, toenadering met mijn arm, hand en vingers zoeken, en ze dan weer zien terug te laten komen.
Welja… verleiden, moet ik ze.
Niet mijn sterkste punt… contact maken, laat staan verleiden.
Maar goed, een week geleden kon ik mijn T-shirt nog niet eens zelf aantrekken.

Pijn

Pijn1

Vroeger had ik ook wel eens pijn. Ik stootte mijn hoofd of mijn knie of weet ik veel wat, riep ‘au!’ of iets ergers, deed er een pleister op of iets ergers en hield vol tot de wonden zich gesloten hadden en ik er niks meer van voelde. Andere pijnen bestreed ik met pillen. Niet te veel want volhouden tot het overging bleef het ideaal.
Pijn hoorde bij het leven en die droeg ik zoals het leven zelf.
Dapper.
En als ik u vertel dat toen ik op mijn zevende het lijdensverhaal van Jesus Christus voor het eerst hoorde dát mijn toetssteen voor leedverdragen werd, weet u dat de lat hoog lag, wat dapper zijn betreft.
Maar in de oudheid hadden ze geen motoren, laat staan frontale botsingen met die machines, dus na mijn ongeluk moest ik mijn pijnbeleving – ja, zo heet dat, lang leve de eufemismen – grondig herzien. (Hm, absurde redenatie, maar ik laat die hier staan omdat ze me toch wel logisch voorkomt, al weet ik niet waarom.)
Een andere reden voor die herziening was dat er meteen naast het eerste bed waar ik in lag iemand van ‘het pijnteam’ verscheen om vragen over mijn pijn te stellen.
Uh… pijnteam?
Ik zag een zestal veel te mooie Marvel-helden en -heldinnen met echt hele handige gaven ten strijde trekken tegen de lichamelijke pijn in de wereld en nu dus ook die in mijn aangedane arm (ik had intussen al een infuus met morfine in mijn goede arm steken, inclusief pomp met zelfbediening, dus mijn toch al levendige fantasie kon haar lol niet op).
Nee, dat was het niet. Het pijnteam was een mevrouw die me vroeg hoe erg mijn pijn was.
‘Nou, heel erg.’
Ze knikte. ‘Op een schaal van tien, waarbij nul geen pijn en tien ondraaglijk is, welk cijfer geeft u dan?’
‘Uh…’
Mijn arm die niks meer deed behalve pijn was intussen van gietijzer geworden, of van iets anders dat heel erg zwaar en levenloos was. Gewapend beton kon ook. Zoiets leek me strikt gesproken een nul, maar helemaal eerlijk vond ik dat niet, want het was dan misschien geen pijn, naar was het wel. En griezelig. Ik moest aan een verhaal van Mulisch denken, ‘Wat gebeurde er met sergeant Massuro’, die veranderde stukje bij beetje in graniet (de sergeant in het verhaal bedoel ik, niet Mulisch).
Was griezelig ’n één? Ik durfde het niet te vragen.
‘Wat voelt u precies?’ vroeg de vrouw van het pijnteam om mij te helpen.
‘Alsof ik mijn telefoonbotje heb gestoten. Of eigenlijk een paar telefoonbotjes. Een paar honderd. En dan telkens weer, allemaal tegelijk… en dat dan dus overal in mijn arm knetterende elektriciteit, nee knetterende kortsluiting, van mijn vingers naar mijn schouder raast en weer terug om onderweg te gloeien, branden en prikken en steken als de hel op aarde.’
De hel, dat is mijn arm.
Was de hel een tien? Leek me eigenlijk wel. Maar om nou meteen met een tien te beginnen…
Ik dacht aan al mijn vorige pijnen. Waarom had ik die geen cijfer gegeven? Waarom had mijn moeder me nooit naar iets tussen nul en tien gevraagd? Dan had ik nou tenminste een referentiekader gehad en een onderbouwde gooi kunnen doen. Ik zag haar opeens naast me staan (lang leve de morfine): ’Ach jongen toch, ben je gevallen? Doet het zeer? Ja, dat snap ik… Maar nou even niet meer huilen vent… hier, een zakdoek en dan even goed naar mama luisteren: op een schaal van nul tot tien, waarbij…’ Ik vroeg me af wat Jesus van een geschaafde knie zou vinden, of een kapotte arm…
‘Anderhalf,’ zei ik tegen de vrouw van het pijnteam.
‘Dus draaglijk?’
‘De lat ligt hoog,’ lachte ik, opeens nogal schel. Ze fronste haar wenkbrauwen.
‘En waar voelt u de pijn?’
’In mijn arm en mijn hand en mijn vingers!’ Ik wees de plekken aan.
Mis.
Daar was mijn arm helemaal niet, en dus de rest ook niet. De pijn wel. Hoe flauw was dat, ergens heel veel pijn waar helemaal niks was? Ik keek naar mijn arm cum suis. Die lagen een tiental centimeters verderop onschuldig niets te doen.
Ik probeerde met heen en weer staren van mijn pijn naar mijn arm de ergens losgeraakte draadjes weer aan elkaar te krijgen.
Tevergeefs. Mijn arm en hand en vingers bleven waar ze waren. De pijn ook, maar niet lang. Ik had mijn ogen nog niet afgewend of ze ging weer ergens anders liggen te branden, gloeien, prikken en steken (zodat ik even dacht dat mijn arm bewoog).
Eek! Pijn met een eigen leven!
Gekker moet het niet worden! Dát leven ga ik niet dragen hoor. Ik kan verdomme mijn dapperheid wel beter gebruiken. Voor mijn éígen leven bijvoorbeeld. Daar valt nog een hoop te doen.
‘Doet u toch maar een acht,’ zei ik terwijl ik mezelf nog wat morfine gaf.

Eén hand

Ik typ dit met één hand. Eén vínger eigenlijk, mijn wijsvinger.
Soms springt mijn pink of duim opeens bij zonder dat ik er erg in heb.
Maar daar heb ik het dan wel mee gehad, wat typen aangaat. Eén of twee vingers, meer niet.
Ongeluk, daar gaat dit blog over. Of over geluk. Dat is maar net hoe je het bekijkt.
‘Je bent er gelukkig nog,’ zei mijn moeder. Dat is waar. Ik ben er nog. Maar nog niet gelukkig.
Een mens kan niet alles hebben.
Frontale aanrijding, of nou ja, schuin van links. Ik besefte amper wat het nijdige geluid was dat verderop naderde en me passeerde (een motor), of ik werd van mijn lieve ‘Fondriest tf2, 1.0’ gestoten (door een tweede motor) en kwam weet ik veel waar terecht, ergens op een flank van de dijk bij Lexmond. Daar keek ik naar mijn arm alsof-ie een ergens anders lag. Dat was niet zo, hij lag naast mij. Levenloos.
Nog een geluk: mijn ene goede hand, ene vinger (soms pink of duim), is rechts, zijn rechts. Net als ik. Dus dat typen gaat goed. Niet zo snel, maar dat is ook goed. Opeens vind ik snelheid niks meer en zing ik de lof der traagheid.
Dat kan ik iedereen aanraden, trouwens. Doe meer met één hand, of gewoon bedachtzaam. Het loutert je enorm.
Het is maar net hoe je de dingen bekijkt.
Zoals ik mijzélf in de spiegel, met mijn ingepakte arm onder mijn t-shirt, waardoor ik opeens akelig veel op een schilderij van Francis Bacon lijk, een schilder waar ik al tijden fan van ben, wat ik opeens een bizar en nutteloos voorteken vind, zodat ik voor het eerst weer naar mezelf (en mijn arm) lach.
Het is maar net hoe je de dingen bekijkt, dus.
Hoewel, mijn lijst met letsels, daar heb ik heel vaak van alle kanten naar gekeken, maar daar werd-ie niet veel mooier van. En ik ben toch een grote liefhebber van lijstjes. Nee, deze opsomming bleef steeds weer tegenvallen, zelfs in het onbegrijpelijke jargon van de dokters, dat soms nog wel poëtisch kan zijn, maar waar ik toch weinig schoonheid in kon vinden toen ik eenmaal wist wat ze bedoelden en ik de hele tijd aan den lijve voelde wat er stond (no pun intended).
Ik ga hier dus al die akelige dingen niet onder elkaar opschrijven en hou het bij vermelding van die ene arm (links), die niks meer doet, behalve pijn. Ja, dat is een of andere cynische ironie van het menselijk lichaam, echt heel gemeen.

Twee ziekenhuizen, twee operaties, en twee weken later had mijn verstand god-mag-weten-waar-vandaan een ander lijstje bijeengezocht, van al mijn herinneringen aan éénarmigen, de drummer van Def Leppard voorop.
Ja, echt, de drummer! Na zijn auto-ongeluk (en geamputeerde arm) paste hij zijn drumkit aan en ging hij vrolijk verder met de band. Hoera voor hem, en voor Def Leppard! (Ook bizar en een beetje eng: dat ik dit verhaal meer dan 30 jaar geleden (in 1984!) heb gelezen en dat het kennelijk al die tijd heeft klaargestaan om me nu opeens bij de keel te grijpen.)
Het tweede verhaal gaat over Sam Baker, een singer-songwriter die op reis in Peru door een bomaanslag van Het Lichtend Pad (over poëzie gesproken) zijn linkerhand verbrijzelde (onder andere). Hij kon er nog wel zijn plectrum mee vasthouden, en was dus toen maar links gitaar gaan spelen, nog summierder dan hij al deed, maar des te mooier (geluk bij een ongeluk), luister maar eens naar dit liedje.
De rest van het lijstje met verhalen over gehavenden komt later wel een keer, want het gaat eigelijk niet om dat lijstje, maar om wat erachter stak. Het duurde even voor ik dat door had en ik zag wat mijn verstand met al die verhalen zeggen wilde. Ja… het lag er dik bovenop, zie ik nou ook wel, maar ik was toen godbeterhet net een beetje bij kennis aan het komen!
Ga gewoon door, was de boodschap. Veeg jezelf bij elkaar en ga verder. Volg je hart, dan moet je lijf vanzelf wel mee.
Kan zo op een tegeltje (en daar dan een foto van op LinkedIn), maar het is waar.
Dus vandaar dat ik dit typ.
Met één hand.
Eén vinger, soms m’n pink of duim.
En mijn linkerarm zwijgend aan mijn zij, zo jaloers op de rest dat het pijn doet.