Mogen

Wat is dat toch met ‘mogen’? Ik weet niet hoe het zit op andere socale media, maar op LinkedIn ben je echt heel sneu als je niets hebt gemogen. Het is de nieuwe graadmeter voor succes. Want dat mogen gaat altijd over een of andere gebeurtenis waar je lof voor hebt geoogst.
Maar dan en passant, bescheiden.
Of nee, váls bescheiden.
Want ronduit opscheppen over iets wat je hebt gedaan of meegemaakt, dat is dan kennelijk net weer té. Nee, pronken en toch nederig blijven, dat is veel chiquer. Zogenaamd nederig dan.
Alsof dat kan. Ik beweer van niet. Kapsones is kapsones, en al helemaal als je het verdoezelt.
Ik vraag me ook af waarom je die moeite zou doen. LinkedIn draait om netwerken en die uitbreiden, en dat lukt echt niet als je niks presteert. Ik moet de eerste juichende mededeling over een fiasco nog tegenkomen. Nee, je moet slagen. Dus ik zou zeggen, steek gerust een paar veren in je toges als je met de hele wereld wilt linken. Maar nee hoor, dat is eigendunk, dus je slaat je ogen neer (als het ware) en zegt: ‘Nee maar, kijk mij eens!?’
Ja, het beste is om te doen alsof je zelf nog het meest verbaasd bent over wat je overkomen is, zodat het net lijkt alsof anderen je op het schild gehesen hebben. Want dat ‘mogen’ veronderstelt iemand anders, en wel iemand die belangrijk genoeg is om je eer te gunnen. Vervolgens toon je deemoed en dankbaarheid om je triomf te oogsten.
Dus schrijf je bij een foto van een afgeladen congreszaal in Kuala Lumpur waarop je heel in de verte onherkenbaar in het licht van een beamer naar een scherm staat te wijzen: ‘Gisteren mocht ik hier aan de koning van Maleisië een presentatie geven over mijn nieuwe methodiek voor coachen met bonobo’s.’
Of je plaatst een groepsfoto van jezelf met nog een paar blakende en glimmende mensen met daarbij de mededeling: ‘Na drie dagen keihard zwoegen mijn diploma life saving techniques for koala’s in ontvangst mogen nemen!’
Twee vliegen in een klap, want een diploma, waarvoor ook maar, is de tweede graadmeter voor succes en dus zeker iets om over te snoeven. Dat wil zeggen, om verholen over te snoeven.
(Tussen twee haakjes, Koala’s doen niks anders dan slapen en eten, dus hoe moeilijk kan het zijn om hun leven te redden? Niet zo heel moeilijk, laat ze gewoon met rust en ze leven lang en gelukkig!)
Begrijp me goed, ik ben geen voorstander van grootspraak, maar ik zou het wel stoer en recht door zee vinden om als je denkt dat je succesvol bent, ronduit je overwinningen te vieren.
LinkedIn is immers hét platform om het motto van de makelaar Buddy Kane uit American Beauty in praktijk te brengen: “In order to be successful, one must project an image of success at all times”. Ja, een hele nare man in die film, maar daar kan ik niets aan doen. Hij krijgt trouwens ongelijk. De hoofdpersoon van de film logenstraft het motto door op een gegeven moment alles wat ook maar een beetje op succes lijkt af te wijzen en ten slotte min of meer roemloos te sterven, maar wel met opgeheven hoofd.
Integer.
Mislukken is eigenlijk heldhaftiger dan slagen. Niets willen bereiken is mooier dan ergens mogen komen.
Kan zo op een tegeltje (en daar dan een foto van op LinkedIn).

Ik had dit allemaal nog niet geschreven of ik las dit. Over een vaker voorkomend maar toch bizar fenomeen; een uitdrukking die in de loop der tijd diagonaal van betekenis verandert, in dit geval: zich op de borst kloppen. Vroeger een gebaar voor nederigheid, nu om op te scheppen. Noem me ouderwets, maar ik ga voor het eerste.

Vrijheid en straf

Wolvenplein1

Op een maandagmorgen ergens in het voorjaar van 1986 kwam hij het huis van bewaring op het Wolvenplein binnen. Hij lachte, zong, en schreeuwde alles wat een ander gewoon zéi en dat dan een paar keer achter elkaar alsof hij telkens vergat wat hij lachte, zong, en schreeuwde. Het was dat jaar de derde keer dat hij zo het vlak op liep en iedereen die hem zag, lachte, zong en schreeuwde met hem mee, met de gek die zich telkens weer liet oppakken.
Hij was in zijn eentje een heel tijdperk avant la lettre. Een verwarde veelpleger met de problemen van tien andere. Maar niemand wist dat natuurlijk, dat hij een voorbode was. Dat niet, en al helemaal niet dat in de decennia daarna de criminaliteit zou groeien, en niet alleen in getal maar ook in de aandacht (de nieuwe commerciële zenders waren er dol op). En niemand kon voorzien dat het soms bijna lieflijke Wolvenplein een even naar gebouw zou worden als alle andere bajesen, die we bij zouden gaan bouwen alsof ons leven er vanaf hing (wat niet zo was). Laat staan dat iemand kon vermoeden dat die nieuwe bajesen tien jaar later gewoon weer leeg zouden staan.
Nee, niemand wist dat allemaal.
Nu wel. Nu weet iedereen dat.
Wij.
Hm… maar wat weten we dan precies? Om het ingewikkeld te maken, weten we wat we weten? En als we dát weten, gaan we het nou dan anders doen? In gewone-mensen-taal: hebben we er iets van geleerd?
Ik help het u hopen.
Want vrijheid, daar doet iedereen nog steeds heel ernstig en krampachtig over, alsof het een of ander onnoembaar heilig ding is. Het hoogste goed.
Vrijheid?
Ja.
Ik denk persoonlijk dat er echt nog wel andere kostbare dingen in het leven zijn, maar goed, iedereen is heel plechtig over vrijheid, zo plechtig dat we er ons hele strafrecht op hebben gebouwd. Letterlijk, zie de bajesen, en figuurlijk, straf is vrijheid afpakken. Dat laatste is theorie. En daar kun je over twisten. Al was het alleen al omdat het een theorie van meer dan twee honderd jaar oud is.
200!
Tijd voor een update.
Vind ik.
In ‘The Sinner’ (een Netflix-serie, ga kijken!) pleegt een op het oog volstrekt gelukkige vrouw een volstrekt onbegrijpelijke moord. Terwijl een hardnekkige detective er alles aan doet om het toch te begrijpen, zit zij in de gevangenis. Stukje bij beetje komt de waarheid boven water (dat is zijzelf) en op een dag krijgt ze in de gevangenis bezoek van haar moeder. Ze krijgen ruzie en ze bijt haar moeder toe: ‘ik ben hier vrijer dan ik ooit bij jou was’.
Geen fijne jeugd.
Waarmee ik maar wil zeggen dat vrijheid ingewikkelder is dan we denken. En vrijheidsbeneming dus ook, die is lang niet zo geschikt om te straffen als we twee eeuwen geleden dachten.
Het leek heel beschaafd (in ieder geval beschaafder dan iemand vierendelen), want mensen opsluiten is iets afpakken waar iedereen evenveel van heeft en waar ook nog eens mee te rekenen is. Een misdaad kost dagen, weken, maanden of jaren vrijheid. Kwaad vergelden met het hoogste goed. Hoe eerlijk en humaan is dat?
Hm… valt tegen.
Ook op Netflix: een mooie persoonlijke documentaire van Francesco Carrozzini over zijn moeder Franca Sozzani, die jarenlang de hoofdredacteur van de Italiaanse Vogue was en die haar hele leven heilige huisjes omver schopte (Chaos and creation heet de documentaire, in 2008 bracht ze bijvoorbeeld een revolutionair All Black nummer van de Italiaanse Vogue uit). Francesco vraagt aan een van zijn moeders fotografen: ‘waarom gaf ze je zoveel vrijheid?’ En die fotograaf antwoordt: ‘ze gaf geen vrijheid maar vertrouwen’.
Vertrouwen! Over andere kostbare dingen gesproken.
Maar als vrijheid eigenlijk om vertrouwen gaat, wat is vrijheidsbeneming dan?
Vertrouwen opzeggen.
Eh… Hoe dom is dat?
In de meeste gevallen erg dom. Of nou ja, er zijn natuurlijk mensen die niet te vertrouwen zijn, gevaarlijk bedoel ik, en dat we die niet zomaar rond laten lopen, snap ik ook wel. Maar dan gaat het om veiligheid (nog zo’n kostbaar ding).
In alle andere gevallen vind ik het erg dom om het vertrouwen in mensen op te zeggen (ja, understatement). Want hoe gaan we hun vertrouwen dan weer terugwinnen? Of andersom, hoe geven wij hun de kans om dat te doen? Niet door hen op te sluiten. Een fout goedmaken is een beetje lastig als je vastzit, en al helemaal als niemand je vertrouwt.
Ligt het nou aan mij of is dit dus niet alleen dom, maar ook nogal omslachtig? Eerst mensen uitsluiten en dan proberen om ze er weer bij te krijgen, dat is toch behoorlijk ingewikkeld.
Gedoe.
Om met Edison te spreken: ‘There is a better way to do it. Find it!’.
Laten we dat doen.
Morgen meteen mee beginnen. (Denk alvast na over de inmiddels bijna barbaars ouderwetse vergelding, want dat begrip zit volgens mij in de weg, en al langer dan twee eeuwen.)
Overigens kreeg de verwarde persoon avant la lettre wel vertrouwen (binnen de muren van het Wolvenplein dan). Maar of hij dat zo begreep, wisten we niet. Hoe dan ook, hij mocht de luchtplaats schoonmaken, het mos van de straattegels krabben – de tegels waar niemand over liep – en kreeg hij een ladder mee om ook de muur eens goed onder handen te nemen. Echt!
Hij zwaaide hij naar de mensen die aan de andere kant van de gracht langsfietsten.
‘Ze zwaaien terug!’ riep hij.
Wat iedereen erg mooi vond, of het nu waar was of niet.
Alleen de gedachte al.

p.s.1: Het HvB ‘Wolvenplein is weer even lieflijk als voorheen, want geen bajes meer. Zie hier. Hoera!

p.s.2: Of het met vertrouwen nog goed komt, weet ik niet. Ik heb geen tv en ben dus zeker in de minderheid, want meer dan drie miljoen mensen keken naar de laatste aflevering van ‘Wie is de mol?’ Even opgezocht wat dat is. Hm… iedereen bedriegt iedereen en dat is leuk? Boeh!

Vasthouden

gebroken theepot

In Nieuwpoort gaf de fotografe van een jong stelletje instructies voor een trouwfoto. Ze had bedacht dat het leuk zou zijn als de twee elkaar zouden omarmen op het smalle trappetje naar de knalrode voordeur van een overhellend huisje aan de rand van het stadsplein. Ik raasde op mijn racefiets het plaatsje binnen en zag ze al van verre met hun tweeën op de smalle treden wankelen. Een symbolisch begin van hun huwelijk, van ieder huwelijk volgens mij, maar dat weet ik niet zeker, want ik ben geen kenner. De bruid maakte het allemaal nog eens symbolischer door half geërgerd, half lacherig te roepen: ‘Ja, je moet me wel vasthouden!’

Ik wil wel bekennen dat ik her en der in deze blogs wel eens wat verzin, maar dit niet. Soms zijn de dingen zoals ze zijn. In dit geval symbolisch.
En nou ik toch aan het bekennen ben, ik wil wel kwijt dat de hele scène me erg ontroerde. Want in een tijd dat iedereen bij het minste of geringste roept dat we moeten ‘loslaten’, wat kennelijk een geweldige deugd is, drong opeens tot mij door dat het omgekeerde eigenlijk veel mooier is.
Hoewel de bruidegom een beetje ongelukkig keek en niet wist wat hij moest doen, onderdrukte ik de neiging om te remmen en namens hem de bruid in mijn armen te nemen. Ik heb een goed hart en altijd de beste bedoelingen, maar mensen begrijpen mij meestal verkeerd. En ik had echt geen zin om aan het matten te gaan in Nieuwpoort aan de Lek. Zeker niet met die jongen in zijn goeie goed en ik zelf in mijn rijwielkleding. Lekker om in te fietsen hoor, dat strakke spul, maar zodra je afstapt sta je voor schut en heb je iedere strijd al verloren voor je ook maar een vuist geheven hebt of één woord gezegd.
Vind ik.
Hoe dan ook, ik pleit dus voor vasthouden.
Hm… Dit had ik allemaal net opgeschreven (inclusief de titel van mijn verhaal) toen iemand op mijn LinkedIn feed juichte dat er een boek verschenen was met de titel ’Anders vasthouden’ (de R heel snaaks achterstevoren, je moet er maar opkomen). Zoals ik al schreef, ik verzin een hoop in mijn blogs, maar ook dit niet. Waarom zou ik? Het was echt irritant, want ik had pas de helft van mijn blog geschreven, om vanaf dat moment dus te riskeren dat u zo gaan denken dat ik die man van dat boek na-aap. En dat doe ik dus echt helemaal nooit… verzinnen wat een ander al heeft verzonnen, dat kan ik niet eens. Voor zover ik weet. Want ik heb dat boek niet gelezen, en het voorafgaande ook niet (’Verdraaide organisaties’; ook die R andersom). En ik gá ze ook niet lezen. Ik weet zo’n beetje waar ze over gaan en erger me dood aan alle mensen die zeggen dat het om ‘de bedoeling’ en ‘kantelen’ gaat, terwijl ze eigenlijk alleen hun woorden verdraaien (no pun intended). Ja, sorry, veel geblaat en weinig wol, daar kan ik niet tegen. De goeden te na gesproken, trouwens, want ik weet ook wel dat er her en der heus iets verandert. Maar dat is omdat die goeden anders dóén in plaats van anders praten. Of ten minste doen wat ze zeggen.
Enfin, ik ga toch maar verder met mijn verhaal, op het gevaar af dat ik onbewust en ongewild een samenvatting geef van dat nieuwe boek. Wat dan wel weer handig zou zijn, trouwens, want dan hoeft u het niet te lezen. Scheelt weer.
Ik wilde het (onder andere) over mijn moeder hebben. Die waren we (mijn vader, zusje, broertje en ik) eens kwijt geraakt in een warenhuis toen ze bij de gasfornuizen was blijven staan terwijl wij door waren gelopen (ja, de zestiger jaren van de vorige eeuw, vrouwen keken naar gasfornuizen en mannen naar auto’s, of zoiets).
Je moeder opeens weg, dat is verschrikkelijk. Ik heb daarna nog één keer iets dergelijks meegemaakt, toen mijn zoon zoek was (ook in een warenhuis, omdat ik bij de schoenen was blijven hangen terwijl hij doorliep naar de kookspullen, er verandert inderdaad af en toe wel íéts).
Hoop ik ook nooit meer mee te maken. Mijn moeder weet daar alles van, want sinds het voorval heb ik haar niet meer losgelaten. Waar we ook gingen, ik hield haar aan een slip van haar jas of jurk vast. En mijn zoon kreeg na zijn verdwijning alleen nog maar hoodies, zodat ik telkens stiekem mijn pink in zijn capuchon kon steken als we op pad waren.
Waarmee ik maar wil zeggen dat je iemand vasthoudt omdat je die niet kwijt wilt.
Ja, geen revolutionaire wijsheid, maar meer kan ik er niet van maken. Hoeft ook niet, het is zo al aangrijpend genoeg, vind ik. In de voorbeelden die ik persoonlijk meemaakte was het om misselijk van te worden, in mijn werk is het meestal minder heftig, maar wel net zo echt.
Ja, óók voor mij van beleid. De essentie van de reclassering is dat we niemand kwijt willen. Of andersom (no pun intended, gewone R): iedereen hoort erbij.
Iedereen. Ja, makkelijker gezegd dan gedaan, maar als het makkelijk was, dan kwam ik niet naar mijn werk. Makkelijk, daar is niks aan. Daarom ben ik ook tegen loslaten. Dat is niet moeilijk.
En ook nog eens dom.
De laatste keer dat ik iets losliet, viel het kapot. Flauw, maar waar. Het trouwservies van mijn ouders.
Nee, dat verzin ik.

Zoen

Vorige week maandag om zeven uur stonden een man en een vrouw midden in de stationshal van Utrecht elkaar te zoenen. Nadat ze zich hadden losgemaakt ging de vrouw voor de man staan en trok ze met duim en wijsvinger van beide handen haar onderlip omlaag om de man in haar mond te laten kijken. Ik ving haar blik toen ze over de schouder van haar man de ruimte in staarde.
Hm… Geen scene om de dag mee te beginnen. Ja mijn dag was al een tijdje bezig, maar hij begint eigenlijk pas echt als ik andere mensen ontmoet. Want dan wordt het ingewikkeld.
Zoals met dat stel.
Tot en met het zoenen begreep ik het allemaal nog wel, maar toen de man de binnenkant van de vrouw haar lip ging inspecteren, ontspoorde alles finaal.
In mijn hoofd.
Ik bedoel, twee pontificaal zoenende mensen op de kale vlakte van zo’n kathedrale hal, dat is al een behoorlijk indringende gebeurtenis, zeker zo vroeg op de dag (of laat in de nacht, dat was moeilijk in te schatten, hoewel ze er niet echt verfomfaaid of uitgewoond uitzagen, wat je wel zou verwachten na een nacht doorhalen), en dan ook nog eens meteen daarna een publiekelijk medisch onderzoek, dat is mij net even té.
Astrant.(Ik leg niet uit wat dat betekent. Of nou ja, voor de jonge lezers: in your face!)
Alleen al omdat ik er niet omheen kon en er dus over moest nadenken, en er zich veel te veel vragen aan mij opdrongen. Zat ik niet op te wachten, ik had al genoeg aan mijn kop, want ik moest naar Maastricht.
Ver weg.
Maar goed, ik hield die vragen niet tegen, dus ik liet ze maar komen. Kon ik meteen mijn hoofd een beetje opruimen.
Dus…
Om te beginnen wilde ik wel eens weten of de twee handelingen (zoen en inspectie) iets met elkaar te maken hadden. Leek me wel. Mijn eerste gedachte was dat de man iets in de mond van de vrouw had achtergelaten wat hij terug wilde hebben. Kauwgum zou kunnen, of een dropje – vond ik persoonlijk niet zo romantisch, maar goed, ik ben van een andere generatie dus wie weet is dat tegenwoordig heel gewoon.
Dacht ik.
Of misschien was hij de week daarvoor voor een kroon naar de tandarts geweest en had zij dat ding losgewoeld. Ja, geen alledaags voorval, laat staan kattenpis, maar liefde en hartstocht voeren een mens vaak naar grote hoogten, dus waarom niet. Misschien was ze uit een Marvel Comic weggelopen en waren superzoenen haar gave (afgaande op het Netflix-aanbod is het huidige percentage Marvel-personages ongeveer 5% van de bevolking, dus waarom zou er niet een staan te zoenen op het station van Utrecht?)
Intussen probeerde ik me ook nog eens te herinneren wat er uit de vrouw haar blik had gesproken toen we elkaar een halve seconde aan hadden gekeken. Mijn eerste gedachte: berusting. Ze had gelaten gekeken, alsof ze de man zijn gang liet gaan omdat hij nu eenmaal zijn zoenen niet anders kon afronden dan met een oraal onderzoekje naar de gevolgen ervan.
Hm… ik heb ook een paar neuroses, maar zo een gelukkig niet, want ’n dergelijke hebbelijkheid lijkt me een serieuze dealbreaker in beginnende liefdesrelaties.
Ik schudde onwillekeurig mijn hoofd (nog steeds in de stationshal, een paar meter van de twee vandaan)… ik heb een levendige en soms griezelige fantasie, maar zoiets was me écht te absurd.
Na dieper nadenken, besefte ik ten slotte dat de blik van de vrouw ook op die van een patiënt had geleken, ja ze had niet alleen gelaten maar ook bezorgd gekeken, alsof ze zich door de zoen opeens had herinnerd dat er al een tijdje iets raars aan de binnenkant van haar lip zat. Waarna ze de man had gevraagd om eens na te gaan of er iets te zien was. Dat lijkt misschien ook niet zo romantisch, zo plots na een zoen, maar op de keper beschouwd is het eigenljk een mooie vorm van vertrouwen. Je laat immers niet iedereen zomaar bij je naar binnen kijken. Letterlijk noch figuurlijk.
Goed, van die vragen dus.
Ik had geen zin om op de uitslag te wachten (no pun intended), ook al omdat ik schatte dat die ongewis zou blijven, althans voor mij, keerde om en liep naar mijn perron.
Toeval bestaat niet zeggen ze wel eens, maar ik hoop dat het niet betekent dat alles dan met een of andere bedoeling gebeurt, want ik zat nog niet in de trein of een vrouw tegenover mij (let wel, een andere vrouw) zei tegen iemand met wie ze aan het bellen was: ‘Ja, maar dan zou ik het nu ook moeten hebben, toch? En ik voel helemaal niks…’ Ze luisterde naar de ander. ‘Hè? Nee, ik heb niet gekeken. En ik ga hier echt niet naar zo’n vieze plee om… Hoezo een foto maken? Hoe moet ik dat doen, ik heb maar twee handen!’
Ze pulkte aan haar lip.
Staarde me aan.
Glimlachte.
Eek!

(Foto: Le baiser de l’Hotel de Ville 1950. © Robert Doisneau)

Waarvan

allesWaar zijn we van? dat hoor je ook vaak tegenwoordig. De vraag stellen, is hem beantwoorden, zou ik zeggen. Als je zoiets namelijk niet weet, kan je beter ophouden, want kennelijk heb je geen idéé van wat je aan het doen bent.
Toch?
Stelt u zich eens voor dat uw dokter zich dat afvraagt, terwijl zij een beetje vaag langs u heen staart. Dan gaat u naar een andere, toch? Zou ik tenminste doen. Ik ben dol op twijfelen, maar soms is kordaat zelfbewustzijn nodig.
En actie!
Vind ik.
Maar goed, ik ben iemand die alleen navelstaart als er iets te zien is. Zo’n geheimzinnig pluisje bijvoorbeeld. Da’s dan ook meteen het grootste mysterie dat ik in mijn hoofd toelaat. Of nee, het fenomeen dat aan het einde van een wasprogramma alles in je dekbedhoes is gekropen, vind ik ook wel raadselachtig.
Eh…
Maar de rest van het bestaan, dat is gewoon alles tussen hemel en aarde.
Daar zouden we van moeten zijn. Van alles. Of van overal (of andersom, overal van, dat weet ik niet, maar u begrijpt wat ik bedoel).
Da’s niet megalomaan, maar nieuwsgierig. En als het om mensen gaat: geïnteresseerd. Betrokken.
Ja, overal van zijn… da’s dus van alles en dat is veel, maar het omgekeerde, ‘ergens van zijn’, da’s dan weer erg weinig. Want ergens van zijn betekent stiekem vooral ergens níét van zijn. Let maar eens op, zodra iemand zich hardop afvraagt waar-ie van is, wil-ie eigenlijk weten wat de grenzen van dat ergens zijn, en waar ‘elders’, of misschien wel ‘nergens’ begint, zodat-ie weet wat hij dan niet hoeft te doen. En wat dus een ander maar moet doen.
Hoe sneu, maar ook irritant is dat? Lees dit onthutsende artikel voor een antwoord.
Of neem, alweer, uw dokter als voorbeeld. U hebt iets onder de leden en wilt daar vanaf. Dan gaat u toch snel op zoek naar een ander als zij begint met uitleggen wat zij níét zal doen? Ze moet juist iets doen! Om u te genezen. Ja, dat kan zij misschien niet alleen. Boeien. Dan roept ze er iemand bij. Dat is alleen maar verstandig. En u geneest! Daar zijn dokters van: genezen, beter maken.
Of nee, van u.
De patiënt.
Hoera!
Het antwoord op ’waar zijn we van?’ is vanzelf een beperking. Saai.
Overal van zijn, dat is veel leuker.
Maar leuk is kennelijk geen argument.
Doeltreffend is dat trouwens ook niet.
Want waarom gaan anders hele volksstammen bij elkaar zitten om eens uitgebreid en hardop na te denken over ‘waar ze van zijn’? En waarom is dat gewoon toegestaan en zelfs volstrekt gerechtvaardigd?
Ben ik nou de enige die zoiets absurd vind? Ik begrijp dat het goed is om, zoals de katholieken zeggen, te weten waartoe je op aarde bent. Maar zoiets stel je een keer vast en dan ga je aan de slag.
Ik haal dan altijd Aristoteles aan, niet om interessant te doen, maar omdat hij gelijk had: ‘Men stelt zich iets tot doel en onderzoekt dan hoe, met welke middelen men dit zal realiseren. En als blijkt dat er verschillende middelen zijn om dit doel te bereiken gaat men na welk middel zich daar het gemakkelijkst en het best toe leent.’
Ik kan het niet eenvoudiger zeggen.
Toch gebeurt meestal niet wat hij bijna 2,5 millennia (twee en een half duizend jaar!) geleden al opschreef. Dat komt doordat mensen doel en middelen door elkaar halen. Als ze zich afvragen waar ze van zijn, dan hebben ze het niet over hun doel, maar hun middelen. Da’s een vergissing en die levert dus alleen maar veel gepraat op. Wat raar is, want als het dan toch over middelen – iets doen! – moet gaan, gá dan ook iets doen, zou ik zeggen.
Maar als u ergens van wilt zijn, neem dan een doel.
Het is geweldig.
Mijn tip is: neem een simpel doel dat een flinke tijd meegaat. Dan hoeft u niet om de haverklap over iets nieuws na te denken. Hoe u dat doel kunt bereiken moet u ook simpel houden. Zie Aristoteles. Mijn stelling is dat de cliënt het allemaal (alles!) moet kunnen begrijpen. Lijkt nogal wiedes, maar pakt u voor de gein eens een procesbeschrijving van het een of ander erbij.
Die is heel errug ingewikkeld, wedden? Zoiets wilt u eigenlijk niet eens uitleggen.
Dus ik ga voor een simpel doel en een simpele manier om dat te bereiken. En dan aan de slag. Iets doen of tenminste proberen.
Dus niet ergens van, maar ergens héén.

Klantreis

wacht1

Ik zag flitsen.
Dat was niet goed.
Ik googelde het en kwam op akelige sites met akelige foto’s en onrustbarende adviezen: Ga onmiddellijk naar de dokter.
Dat deed ik en die belde waar ik bijzat meteen naar het ziekenhuis, om mij zonder problemen in de agenda van een oogarts te wurmen.
Tot zover alles goed. Gegeven de omstandigheden.
In het ziekenhuis moest ik bij route 80 zijn. Dat vond ik raar. Een route, dat is geen bestemming, dat is de weg erheen. Maar goed, ik ga daar niet over zeuren als ik onverwijld naar mijn ogen moet laten kijken. Bovendien zou ik niet weten bij wie ik zou moeten zijn met zo’n klacht. En dan nog, stel dat ik ergens gehoor vond, dan zouden ze heus die hele naamgeving niet gaan vervangen. Vertel mij wat, ik ben van beleid; ik heb zo vaak vaak gelijk zonder dat er iets verandert. Dus ik liet die routes voor wat ze waren.
‘Route 80’ hadden ze verstopt op het bordje ‘routes 10–100’! Echt gemeen, vond ik. Niks van aantrekken, zei ik tegen mijzelf, je oog staat op het spel, snel doorlopen.
Dat deed ik tot ik bij twee grote borden kwam, een waarop ‘71–79’ stond (naar links), en een met ‘81–89’ (naar rechts).
Huh? Waar was 80?
Het kon nog gemener: ze hadden het bordje voor ‘Route 80’ (dat dus naar de afdeling oogziekten leidt) heel klein gemaakt en lekker hoog opgehangen. Zoiets moest verboden worden. Maar alweer, ik had andere dingen aan mijn hoofd dan bewegwijzering.
Route 80 was een lange hal-schuine-streep-gang met aan weerszijden deuren.
Die bleken belangrijke bronnen van informatie. Iedere keer als er een openging, kwam er iemand tevoorschijn en als het een patient was (geen witte jas) kon je gaan zitten hopen dat jij naar binnen mocht.
Ik stelde me zo op dat ik de deuren goed in het oog kon houden. Niet dat ik daar iets mee opschoot, want na een kwartiertje opletten, concludeerde ik dat ze volgens een volstrekt ongeordend patroon open en dicht gingen, en dat er eigenlijk ook geen peil te trekken was op wie er dan tevoorschijn kwam en wat daar de gevolgen van waren. Er was met de beste wil van de wereld geen lijn in te brengen.
Terwijl er natuurlijk echt wel lijn in zat. Ik kon me tenminste niet voorstellen dat al die mensen in het wilde weg van de ene deur naar de andere werden gestuurd om ons een beetje te pesten.
Zo gemeen zou een ziekenhuis niet toch niet zijn?
Toch wel.
Eigenlijk.
Want als er een systeem achter die ogenschijnlijke wanorde stak, waarom lieten ze dat dan niet aan de patienten zien? Waarom maakten ze het juist ondoorgrondelijker? Dat was toch gemeen?
In de tijd dat ik zat te wachten, liepen er zeker drie mensen naar de balie om te vragen hoe het zat met dat wachten. Ik was zelf de vierde. De vrouwen achter de balie staarden telkens naar hun monitoren. Daar konden ze kennelijk zien wat… eh… wat ík graag wilde zien.
Hoe moeilijk is het om op een groot scherm (erg groot, want oogafdeling) te tonen waar alle wachtenden ergens in het het reilen en zeilen zitten en hoe lang het nog duurt voor ze aan de beurt zijn? Ik krijg g.v.d. over een gros kogellagers die ik in Oezbekistan heb besteld meer updates (op mijn iPhone notabene!) dan over mijzelf in de wachtkamer van een ziekenhuis.
Ze hadden dan wel alle bestemmingen routes genoemd, maar zonder te bedenken welk doel ze daarmee wilden bereiken. De patiënt in ieder geval niet. Ze hadden geen flauw idee van de barre reis die hij/zij moest doorstaan.
Of nou ja, reis… het was een en al stilstand. Erger (gemener): onverklaarbare stilstand.
Ik moest denken aan al die nieuwe verkeerslichten voor fietsers, die met verdwijnende puntjes laten zien hoe lang het nog duurt voor het groen wordt. Hele summiere informatie, maar genoeg om het wachten te verzachten.
En geloof het of niet, maar later op die dag stond ik elders een lift die me bij alles wat er gebeurde, vertelde wát er gebeurde. ‘Deze lift gaat nu omhoog,’ zei een digitale mevrouw. Of: ‘de deuren gaan nú open’. Misschien nét iets te overbodige informatie, behalve dan als je niks kunt zien.
Dat zou in het ziekenhuis wel handig zijn geweest, want de flitsen waren vals alarm gebleken, maar ik had zoveel pupilverwijdende en pijnstillende druppels gekregen dat ik op de tast de uitgang van het ziekenhuis moest zoeken.
Dat lukte ten slotte.
Via een vluchtroute.

Dalem

IMG_1727Op de dijk bij Dalem zat ik naar de overkant van de Waal te kijken (naar Woudrichem, alias Woerkum) terwijl er een vrouw uit een brandgang tussen de huisjes schuin achter mij verscheen om traag maar kordaat over een bestraat paadje de dijk te beklimmen, regelrecht naar het bankje waar ik op zat.
Welja.
Toen ze me op twee meter genaderd was, bleef ze staan en zei ze: ‘zo, nu even genieten’, op een soort dreigende toon, alsof ik het haar zou misgunnen, beletten, of zelfs verbieden. Ze liep door en ging pontificaal aan het andere eind van de bank zitten.
‘Hopla!’
Dat zei ze.
Triomfantelijk.
Echt!
Noem me paranoïde, maar zulke mensen wekken bij mij grote argwaan. Wie hardop mededeelt dat hij/zij gaat genieten kan ik al moeilijk serieus nemen, maar mensen die daar dan ook nog eens een punt van willen maken al helemaal.
Genieten, dat moet in stilte. Ja, ik weet ook wel dat er luidruchtig genot bestaat, maar ik bedoel ‘in stilte’ figuurlijk, als een ander woord voor introvert.
Of zoiets.
Genot, dat is een innerlijke bezigheid, wil ik maar zeggen. Een ander hoeft daar niets van te merken. Laat staan horen of zien.
Eek!
Als het aan mij lag, gebeurde een hele hoop dingen in stilte en verborgen, want iedereen deelt tegenwoordig alles maar en een mens kan tegenwoordig niks meer voor zijn eigen bewaren. En andersom kan ik nergens komen zonder dat ik de hele ziel en zaligheid van anderen moet dulden en zien te vergeten – wat moet ik er anders mee? Maar ik heb het niet voor het zeggen en mij vragen ze dus niks.
Eh… Voorlopig pleit ik voor geruisloos genieten. Sterker nog, ik vind dat iedere andere soort ‘genieten’ geen genieten mag heten.
Zo blijft het tenminste een beetje exclusief. Want toen die vrouw met al haar misbaar naast me kwam zitten, wás ik dus al aan het genieten. Alleen dat wist ik niet. Het gebeurde zonder dat ik er erg in had.
Beter kan niet.
Maar zodra die vrouw haar genieten zo publiekelijk aankondigde, besefte ik mijn eigen genot en was meteen de lol eraf. Als ik door heb dat ik geniet, verdampt mijn plezier waar ik bij sta/zit.
Ik had veel zin om haar van de bank te duwen en dan heel hard verder te fietsen, maar zoiets mislukt natuurlijk en ik had weinig zin in een jammerlijke aanslag op een wildvreemde vrouw en/of een hysterische fietstocht op de vlucht voor haar familie, die natuurlijk voor minstens de helft uit motorrijders zou blijken te bestaan.
Vertel mij wat.
Dus ik berustte in haar en haar verlekkerd aanschouwen van de uiterwaarden.
Dat hielp niet veel, want alsof het allemaal al niet erg genoeg was, moest ik nu ook aan mijn overbuurman denken, die na een uitgebreid verslag van een vakantie in Italië zijn verhaal had afgesloten met een likkebaardend ‘Ja, dat was wel even genieten!’
Dus niet, dacht ik, want als je het midden op straat zo luid moet omroepen, klinkt het vooral heel erg wanhopig en geloof ik er niks meer van. Ik snap het wel, je rijdt niet samen met je vrouw en kinderen in je Nissan Primera zonder airco helemaal voorbij Napels naar het godvergeten einde van de beschaving om dan na drie weken afzien aan je thuisgebleven en volstrekt uitgeruste buurman te moeten toegeven dat je iedere dag gek werd van de muggen en misselijk van het vele eten.
Dus je gilt dat je genoten hebt.
Hè, wat cynisch nou weer van mij.
Terug naar Dalem.
Waar mijn oog viel op de schoenen van de vrouw die opvallend bling bling waren, en die glommen, twinkelden en schitterden dat het een aard had, eigenlijk te veel en te erg, op het gevaarlijke af, ja, het zou me niet hebben verbaasd als de mensen in Woudrichem alias Woerkum gedesoriënteerd van de dijk rolden en de Waal in tuimelden, wat me dan weer geheel onverwacht aan de nieuwe minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport deed denken omdat die, zo schreven de kranten en toonden de nieuwsdiensten, eveneens opvallende schoenen droeg.
Ik zou zeggen: schreeuwerige.
‘Kijk ons eens!’ riepen ze. En zo keek de minister ook. Hij had een bij zijn schoeisel passende grijns getrokken en zijn neusgaten wijd opengesperd als een uitzinnig paard in het zonlicht van een zomermorgen.
Mijn hemel wat was die man aan het genieten.
‘Genieten’, bedoel ik.

Tonight

Nathalie wood 1

Gisteren was ik op mijn racefiets nog niet de stad uit of ik begon een lied te zingen.
In mijn hoofd.
Tonight, uit West Side Story.
Ik leg niet uit wat West Side Story is.
Erg mooi, dat wil ik wel zeggen. Dat lied, maar de rest van de musical ook. Ik hou het nooit droog als ik er naar kijk en/of luister, en dat terwijl ik helemaal niet van musicals houd.
Maar daar gaat het nu niet om.
Dat lied, wat moest ik daarmee?
Ik ben doorgaans een fervent aanhanger van logische verklaringen, maar als er opeens uit het niets een lied in mijn hersens opdoemt, ga ik twijfelen. Dat heb ik mijn hele leven al. Altijd zo rationeel geweest als de ziekte, maar bij zoiets absurds val ik van m’n geloof.
Ik zoek daar dan iets achter, achter zo’n liedje. Een boodschap, van iets of iemand. In mijn tienerjaren haalde ik er altijd informatie over verliefdheden uit. Als ik óp iemand was en er kwam muziek te voorschijn in mijn puberbrein, dan las ik daar aanwijzingen voor verdere stappen in. Ik kan me niet herinneren dat het me ooit verkering heeft opgeleverd, maar ik bleef het doen. Het was toch wel handig, vond ik. Het proberen waard, of zoiets.
(Ik was vaak wanhopig.)
De een kijkt naar de sterren en ik luister naar de muziek in mijn hoofd.
Eh… dat klinkt griezeliger dan het is. Vergeet dat.
Terug naar ‘Tonight.’
Vanavond.
Hm…
Wat zou er vanavond zijn?
Vroeg ik mijzelf.
Op de racefiets, in de polder, met wind tegen.
Ik had niks, die avond. Geen dingen te doen, geen afspraak. Ik wil het allemaal niet sneuer maken dan het misschien al lijkt, maar ik heb sowieso weinig afspraken, en ’s avonds al helemaal nooit.
Ik ben graag alleen.
Vandaar ook die fiets (en de polder).
Enfin, dat lied bleef en toen ik ergens op een bankje ging zitten om mijn boterhammen op te eten, zocht ik het op in iTunes.
Een duet! Tony en Maria in de van Shakespeare afgekeken balkonscène!
Was ik helemaal vergeten.
Dat had ik weer. Een verliefd stel in mijn kop.
Nou wist ik het helemaal niet meer. Wat was dat voor een teken?
Tijd om verder te fietsen.
Ware het niet voor een lekke band.
Nieuw binnenbandje erop, en snel verder.
Tien kilometer verder weer een. Vergeten om de buitenband te checken. Daar zat dus een glassplinter in. Waar ik mijn vinger aan openhaalde. Wat ik manhaftig zonder pleister of jodium liet voor wat het was om mezelf te straffen voor mijn lakse bandenwissel. Want nu werd het ook nog eens spannend. Mijn binnenbandjes voor onderweg waren op.
De wind floot langs de spaken.
West Side story! (Luister maar eens naar het begin.)
Dat lied begon me steeds meer dwars te zitten. Nogal irritant, want ik fiets nou juist om nergens aan te denken. Ik denk al genoeg. Te veel eigenlijk. En nu zag ik ook nog eens telkens Natalie Wood voor me om mij af te vragen wat ze me zeggen wou. Ja, er zijn ergere dingen, zult u zeggen, maar hoe mooi zij ook was, mij ging het om de einder. Daar wilde ik naar turen, maar door haar zag ik die dus niet. En trouwens, los van dat zij overleden is, ziet zij mij natuurlijk niet staan, zulke schoonheid is far out of my league. Zo rationeel ben ik nog wel.
Hoe dan ook, het kwam niet meer goed. Ik besloot om zonder op of om te zien als een razende naar huis te fietsen (alsof ik zodoende de tijd kon verkorten om de avond sneller te laten vallen, dus niet, maar ik moest wat). Als er niets gebeurde, was ik er vanaf, en als er wel iets gebeurde dan, eh…
Ik wil best toegeven dat ik een beetje zenuwachtig werd.
Op de bank, thuis, met spierpijn.
Om half tien belde er iemand aan.
Eek!
De fietskoerier van mijn favoriete webshop, met een pakket. Was ik helemaal vergeten, dat die zou komen. Om een nieuwe voorraad binnenbandjes te brengen.

Nul

Epic win

Toen ik pas bij de reclassering werkte (in negentiennegenennegentig! eh… 1999!), kreeg ik op een dag een telefoontje van een jongen die voor school een werkstuk ging schrijven over criminaliteit.
Of hij mij een paar vragen mocht stellen. De eerste was: ‘Hoe veel is de recidive?’
Goeie vraag. Maar een antwoord?
Moeilijk, moeilijk, moeilijk…
‘Wat voor een recidive, bedoel je precies?’ vroeg ik terug. Stilte. Want je hebt recidive en recidive, legde ik uit. Ik gaf een paar voorbeelden. Die herhaal ik hier niet, want hoewel ik er nooit een punt van maak om mijn fouten toe te geven, en ik mijzelf nog levendig voor de geest kan halen met mijn mooie genuanceerde verhaal over speciale, specifieke, algemene, ernstige en weet ik veel welke recidive nog meer (hoogpolige, waarschijnlijk ook), verdring ik de hele scène liever. Dat ik er hier over ben begonnen is alleen omdat ik naar iets mooiers toe wil. Lees dus vooral door. (wie per se in het bos van de recidive wil verdwalen, zie hier)
Hoe dan ook, het viel de jongen allemaal ook wel wat tegen, geloofde ik, want het bleef daarna lange tijd stil aan de andere kant.
‘Hallo?’
Hij was aan het schrijven. En ik zag dat voor me. Een beleidsmedewerker in spe. Telkens als dat beeld mijn gedachten weer binnenkomt, grijpt wroeging me bij de keel. Ik hoop echt van harte dat hij later iets anders geworden is. Of dat hij in ieder geval eerder dan ik begrepen heeft dat je juist moeilijke dingen makkelijk moet maken in plaats van andersom.
Hij duwde een paar keer op het knopje van zijn pen voor hij de volgende vraag stelde: ‘En hoe laag kan de recidive worden?’
Eh…
Dacht ik.
‘Wat bedoel je?’
Vroeg ik.
‘Kan de recidive ook nul worden?’
Vroeg hij.
Geritsel. Hij pakte zijn papieren erbij: ‘En zo ja, hoe?’
‘Fijne duidelijke en korte vragen.’
Zei ik.
Maar ik had geen antwoord.
Want: moeilijk, moeilijk, moeilijk…
Of nou ja, ik wist het gewoon niet. Er was recidive en er zou recidive blijven. Dat wilde niemand en ik natuurlijk ook niet, maar ja, ik wilde zoveel niet. Of juist wel, dat was maar net hoe ik het bekeek.
Dat deed ik erg veel. Bekijken. Er naast staan en er naar kijken.
Analyseren heet dat. Dat kan ik goed. Vaak is dat handig, net zo vaak moeilijk (x 3).
Ik weet niet meer wat ik de jongen heb geantwoord. Dat heb ik écht verdrongen. Maar hij was blij met het antwoord, kan ik me herinneren. En ik heb daar tot de dag van vandaag spijt van gehad. Want het was natuurlijk een kluitje in het riet. En nog erger, een kluitje waar ik mijzelf ook mee het riet instuurde.
Daar bleef ik zeker een paar jaar. In ieder geval tot minister Donner in 2002 opschreef dat ze omlaag moest, die recidive (in zijn de nota Naar een veiliger samenleving). Mooi streven, maar de ene helft van de mensen vond dat hij nogal moeilijk (x 3) deed over hoe laag dan precies (“indicatief – circa 20% tot 25% vanaf 2006 in het vizier”, schreef hij) en de andere helft zei dat het nooit zou lukken.
Want er was nou eenmaal recidive en die zou er altijd blijven.
Ik hoorde trouwens bij de eerste groep. En eigenlijk vind het nog steeds een vaag doel. Heb ik al eerder over geschreven (hier).
Maar vaag of niet, het lukte wel. Kijk maar rond: dalende criminaliteit en minder mensen die zich onveilig voelen. Op het lijstje van onderwerpen die de nieuwe regering volgens Nederlanders moet aanpakken is veiligheid uit de top drie getuimeld.
Hoera!
Hoera?
Nee, dat is niet genoeg.
Denkt u, net als ik tegenwoordig vaak doe, nog eens terug aan de jongen die mij in 1999 opbelde. En kijk dan weer eens om u heen. Dit is de tijd van epic wins.
Huh?
Een Epic win is een term van gamers. “It is an outcome so extraordinary positive, you had no idea it was possible until you achieved it. It was almost beyond the threshold of imagination and when you get there, you’re shocked to dicover what you’re truly capable of.”
En dit is een citaat van Jane McGonigal. In een van haar Tedtalks legt ze uit hoe we met gamen de wereld kunnen veranderen.
Over epic win gesproken
Ik wil ook een epic win.
Ja, dit is de tijd waarin mijn moeder eindelijk gelijk krijgt: ‘kan niet’ ligt op het kerkhof en ‘wil niet’ ligt ernaast. Mijn moeder is en was altijd een gamer, besef ik nu, want “gamers always believe that an epic win is possible and that it’s always worth trying and trying nów.” (Die is weer van Jane.)
Dus ik zou zeggen, we gaan voor de nul. Niet indicatief, circa of in het vizier, maar doodgewoon nul (0!).
Hoe makkelijk wil u het hebben?

(De foto bij dit blog is van Phillip Toledano)

Lean

minitomaatjes

Iedere zaterdagmorgen ga ik naar een winkel in de Kanaalstraat om groenten en fruit te kopen. Ik schrijf ‘winkel’ en geen gróéntewinkel omdat ze veel meer dan groenten en fruit verkopen. Eigenlijk verkopen ze zo’n beetje alles wat er op de wereld te eten of te drinken is. Ja, op de wereld, want het is de Kanaalstraat in Utrecht, Lombok; daar woont de hele wereld.
En zo’n winkel vind ik geweldig. Ik stap regelmatig naar binnen in de verwachting dat ik om iets volslagen absurds ga vragen om dan vervolgens achter een vrolijke medewerker aan te lopen die me een plankje wijst waar ik uit vier soorten van dat volslagen absurde kan kiezen.
Ze hebben dus alles.
Maar daar gaat dit blog niet over (sorry voor de verwarring).
Wel over hun totaal ontspannen kijk op hoe je een winkel runt. Ik heb eens naast een vrouw gestaan die kwam reclameren over een kilo perzikken die ze drie weken daarvoor had gekocht, en waarvan er, toen ze die ochtend eindelijk aan de consumptie ervan was toegekomen, twee rot van binnen bleken.
Kreeg ze een nieuw kilo.
Over volsagen absurd gesproken.
Nee, ontspannen.
Zoals alles daar. Zonder gedoe.
Neem bijvoorbeeld het afrekenen
Als je wilt afrekenen zet je je mandje neer, haal je je spullen eruit en schuif je rustig een voor een de dingen naar de jongen of het meisje achter de kassa. Geen lopende band dus, alles in je eigen tempo. De dingen met een barcode halen ze langs een scanner, de andere dingen wegen ze en slaan ze aan op de kassa. Zes losse peren bijvoorbeeld. Of diezelfde peren in een papieren zak. Van die fijne bruine papieren zakken met een plaatje van fruit erop (waar ik dan heel stoer ook groente in doe). Als je nog weet wat je erin hebt gedaan, zeg je dat, zo niet, dan kijkt de kassajongen of het kassameisje wat erin zit. Of je probeert op de tast ernaar te raden en dan kijkt de ander of je het goed hebt.
Ja, dat is zo’n beetje de spanning die ik kan hebben op een zaterdagmorgen. En de bijbehorende verrassing als ik het mis heb, trek ik ook nog wel – jeetje, echt, spruiten? Ik dacht kastanjes!
Ja, ik hoor u zuchten, maar hé, dít is mijn zaterdagmorgen.
Over zuchten gesproken, vorige week stond er een man achter mij met een uitpuilende zak minitomaten zich enorm en hoorbaar op te winden over de gang van zaken.
Het proces.
Dat kwam goed uit, omdat boodschappen doen voor mij een oefening is in druk van anderen weerstaan. Een soort therapie. Want hoewel er nooit iemand achter mij in de rij ook maar enig teken van ongeduld vertoont (iedereen in Lombok is ontspannen), moet ik toch heel erg mijn best doen om me niet op te laten jagen.
Dat is een ziekte.
En de man zijn onverholen ergernis was een mooie test. Kon ik hem weerstaan?
Ja, dat lukte.
Hoera!
Tot hij mij en het meisje achter de kassa fijntjes ging uitleggen hoe we het allemaal veel efficienter konden aanpakken.
O.M.G.!
De man was een black belt.
Of een green belt.
Of weet ik wat voor een belt.
Ik ontwijk hier een woordspeling met vuilnisbelt.
Maar ik weiger om het verschil tussen al die belts te begrijpen. Wat ze gemeen hebben is dat ze niet aan zaterdagmorgens doen. Want die zijn niet lean. God verhoede, zou ik zeggen, maar dat zag die man anders.
Ik zal u niet vermoeien met de ‘procesverbeteringen’, die hij voorstelde – echt waar, dat deed-ie! – om onze ‘doorlooptijden’ te optimaliseren.
En dus onze zaterdagmorgen te verpesten.
In plaats daarvan zal ik u vertellen waar ik toen opeens aan moest denken. Ja, ik wist eerst niet waarom, maar dat wijt ik ook maar aan de zaterdagmorgen. Hoe dan ook, ik dacht eraan en neem van me aan dat ik gek word als ik dat dan niet in deze blog opschrijf. Ik had het ook aan de man kunnen vertellen, maar dat leek me te assertief. Ik ken mezelf, het was allemaal al ingewikkeld genoeg en voor ik het weet sta ik heel bijdehand die man te beledigen.
Eh… waar ik dus aan dacht…
In de jaren 60 (ik heb het nu over de vorige eeuw) was het super hip om klassieke muziek door computers op synthesizers te laten spelen. Bijvoorbeeld de Brandenburgse Concerten van J.S. Bach op een Moog. Je moet ervan houden…
Een onverklaarbaar fenomeen bij de eerste probeersels bleef wel dat de stukken allemaal opeens korter duurden.
Rarara hoe kon dat?
Doordat ze er geen rekening mee hadden gehouden dat mensen (zeker de blazers), in het echt tussendoor af en toe adem haalden.
Muziek maken is ook niet lean.
Sterker nog, ik durf de stelling wel aan dat alles van waarde niet lean is.
Laat staan moet zijn.
Maar goed, het kassameisje en ik hebben met blikken van verstandhouding, vrolijk schouderophalen en nog wat capriolen uit de situatie gehaald wat erin zat, dus dat was ook wel een fijne stap op weg naar mijn genezing. Vooral haar geniale idee om tegen de man te zeggen dat de minitomaatjes per stuk gingen, hielp enorm.
Een rust en schoonheid dat daar vanuitgaat, één voor één die lieve tomaatjes over de toonbank…
Lang leve de zaterdagmorgen!