Eigenaarschap

Cruijff

Eigenaarschap, daar hoor je ook veel over, tegenwoordig. En iedere keer als iemand dat woord gebruikt, word ik chagrijnig. Dat komt omdat het een modewoord is, want daar ben ik allergisch voor.
Heel erg.
‘Eigenaarschap’ heeft zo’n beetje alle kenmerken van een modewoord, waaronder de belangrijkste: je kunt het gebruiken zonder dat je hoeft te zeggen wat je ermee bedoelt. Zo kun je in een vergadering met een gerust hart zeggen dat je in een voorliggend stuk (ja, sorry, zo heet dat) ’vooral eigenaarschap mist’.
Probeer het maar eens. Instemming is je deel.
Hoera!
Beleid maken is echt heel makkelijk.
Je kunt eigenaarschap ook voelen, las ik laatst: “De leden van succesvolle teams voelen eigenaarschap, omdat ze echt eigenaarschap hebben. En dat doet iets met mensen. Ga maar bij jezelf na. Jij voelt toch ook eigenaarschap?”
Wie weet wat er staat, mag het zeggen.
Trouwens, nu de vraag toch op tafel ligt (bij wijze van spreken); nee, ik voel geen eigenaarschap. Ik ben de eigenaar van een fiets, maar ik voel dat niet. Ik voel wel overal pijn als ik heel hard en ver gefietst heb. En als het regent voel ik druppels op mijn kop, als ik tenminste buiten loop zonder hoed.
Eh…
Terug naar eigenaarschap.
Met ‘eigenaarschap’ is ook nog iets anders aan de hand. Ik word niet alleen kregel als ik het hoor, maar ook wantrouwig. Als iemand erover begint, ben ik meteen op mijn hoede. Ik wist eerst niet waarom, tot ik een keer niet oplette en opeens ergens eigenaar van was (of, zoals men zei: eigenaarschap van had, dat klinkt minder over de schutting gegooid). Niet van een fiets of een hoed, maar van een proces. Welja. Vraag me niet hoe zoiets kan. Ik bedoel, hoe kun je eigenaar zijn van een proces? Ik vind dat raar.
Irritant. Iemand eigenaar maken van iets wat je niet kunt zien of vastpakken, dat is heel gemeen.
Maar gemeen of niet, het is een veel voorkomend fenomeen, en je moet er al op de basisschool aan geloven, staat hier: “We willen graag dat kinderen actief betrokken worden bij hun eigen leerproces, zij moeten eigenaarschap ontwikkelen”.
De arme schapen. Die dachten lekker naar school te gaan om in het wilde weg een eind heen te ravotten en te leren lezen en rekenen, maar kregen toen in plaats daarvan dit in hun schoenen geschoven.
Een leerproces!
Zo ken ik er nog wel een paar. Patienten die eigenaarschap van hun eigen genezing moeten voelen (heb je buikpijn, krijg je dat er ook nog eens bij); vluchtelingen die eigenaarschap van hun eigen terugkeer moeten ontwikkelen… Enzovoort.
Eigenaarschap is een symptoom van participatie. Als je het hebt, ben je de klos. Het gaat over meedoen, denk je, maar het betekent gewoon dat je het lekker zelf moet uitzoeken.
Voor anderen is eigenaarschap dan weer positief, geloof ik, aangezien het op internet sterft van de cursussen waarin je leren kunt hoe je eigenaarschap kunt verwerven of anderen kunt helpen het te verwerven. Het is kennelijk een hip dingetje, en begerenswaardig bovendien. Hoewel ik na wat surfen er niet echt achter ben gekomen voor wíé het nou zo begerenswaardig is…
Of nou ja, ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat organisaties vooral willen dat professionals eigenaarschap ontwikkelen/hebben/voelen of wat dan ook, maar dat professionals er zelf niet om staan te springen.
Net als die kinderen. Want zoals ik al schreef, die komen echt niet naar school om eigenaarschap te ontwikkelen. Die willen spelen. En dingen leren. Het liefst tegelijk, want dat is het leukste.
Dat wil eigenlijk iedereen.
U ook.
Wedden?
Ik in ieder geval wel.
Dus eh… dit blog is wel zo’n beetje af.
Ik ga buiten spelen.

Tegen de oorlog

Generaals

Ik ben tegen oorlog. Altijd geweest. Mijn moeder heeft de tweede meegemaakt en ik de koude en we zijn het erover eens dat het geen tijdperken waren waar we fijne herinneringen aan bewaren. Het enige mooie dat ik van mijn moeder haar verhalen onthouden heb, is dit gedicht.

Hongerwinter
Geen vlees, geen vet.
Om negen uur naar bed.
Net je voeten warm…
Bomalarm.

Haar vriendinnetje heeft het aan mijn moeder overgeleverd, die het aan mij doorgaf. Inclusief de onverholen boodschap om de rest van mijn leven pacifist te blijven (en nooit eten weg te gooien).
Dat heb ik gedaan. Dienst geweigerd en tot nu toe ieder kliekje tot de laatste kruimel opgegeten.
Je zou willen dat Trump ook zo’n moeder had gehad. En Kim Jung Un. En nog wat wereldleiders. Of dat ze de hongerwinter hadden meegemaakt, of van mijn part de koude oorlog, want hoewel die misschien minder verschrikkelijk was dan de eerste en de tweede, zouden ze er toch een les uit kunnen trekken: dat je zo ongeveer tot je achtste wedstrijdjes kunt doen in wie het verste kan plassen, maar dat het daarna echt te sneu voor woorden is.
Maar goed, Trump en Jung Un (wat is er trouwens met die u’s?) hadden andere moeders.
Toch zie ik af en toe een voorteken van een goede afloop.
Bijvoorbeeld de opschrijfboekjes. Kijk naar de generaals op de foto bij dit blog. Zijn dat niet de aller schattigste lieve kleine notitieblokjes van de hele wereld? En houden die oppersoldaten ze niet heel erg aandoenlijk in hun handen? Mannen die zulke boekjes met zich meenemen en die daar dan dingen in opschrijven, die gaan geen oorlog beginnen, ook al hebben ze nog zulke grote petten. Ja, misschien een heel klein oorlogje, achter in de tuin. Met proppenschieters.
Ik bedoel, in zulke boekjes noteer je een paar belangrijke trefwoorden, geen aanvalsplannen. En misschien priegel je er een paar overpeinzingen bij, waar je ’s avonds voor het slapen je gedachten nog eens over laat gaan, of die je zacht voorleest aan je vrouw.
Zodat dan alles opeens futiel is. Ik bedoel, dat het allemaal opeens zo mooi klinkt dat het in de verste verte niet op dood en verderf lijkt.
Ja, dat kan.
Het is waarschijnlijk veel te naïef – een verwijt dat wij pacifisten vaker hoorden, tot de Duitsers op een dag gewoon die muur omver duwden – maar ik put hoop uit zoiets.
The pen is mightier then the sword.

Ontmoetingen

IMG_1516

Een paar kilometer voor Zaltbommel – Op vakantie kom je nog eens ergens! – ging de trein steeds langzamer rijden, zo langzaam dat ‘Sprinter’ echt nergens meer op sloeg, en de conducteur vond dat hij het uit moest leggen.
‘Goedemorgen, zoals u gemerkt heeft, rijden we wat langzamer dan normaal. Dat komt doordat er personen op het spoor lopen.’ Ik zag meteen een paar baldadig vitalistische pubers voor me, maar dat was weer te snel en makkelijk gedacht, want de mededeling was nog niet af: ’Zij proberen een ontsnapt schaap te vangen.’
Dat zag ik ook voor me. Exit pubers, enter een heel boerengezin, vraag me niet waarom een heel gezin, leek me gewoon gezelliger, vader, moeder, en drie kinderen, in donkerblauwe overalls en zwarte rubber laarzen, enfin een gezin dus, dat behoedzaam maar toch ook gehaast, want ja, die Sprinter wil verder, het eigenwijze schaap probeerde te omsingelen of dan toch tenminste van het spoor te drijven.
Veel leuker dan pubers die misschien aangereden (willen) worden!
Vooral ook omdat de gebeurtenis ergens in mijn hoofd de deur opende naar alle vreemde en soms wel eens beangstigende ontmoetingen die ik tot nu toe tijdens mijn fietstochten had.
Ik ga de leukste hieronder veel te uitgebreid opschrijven. Ik word gek als ik het niet doe en het ruimt lekker op.
Om bij dieren en boerderijen te blijven, ergens in de Alblasserwaard nabij het gehucht Minkeloos (wat een goede naam is, want ik ken iemand die Minke heet en ik heb haar daar nog nooit gezien, ja flauw, maar ik kan niet laten om iedere keer weer te checken of ik haar toch niet ergens zie, je bent een zenuwlijder of niet), rende eens een mooi roze varken op me af, wat op zich al grappig was, maar wat nog grappiger werd toen uit het struikgewas in de berm plotseling een vrolijk lachende Hindoestaanse jongen opdook met een soort lasso om haar te vangen.
Echt waar.
Ik laat u zelf het verhaal erachter verzinnen. Ik ken dat niet, want racefietsen is racefietsen, dan heb ik geen tijd om om overal bij stil te staan (pun intended). En soms is iets juist grappig omdat het onverklaarbaar is. Dus ik laat het zo.
Maar nu ik het toch over een berm heb gehad, even terzijde, kan iemand mij vertellen wat het verschil tussen een zachte en een gevaarlijk berm is? Ik bedoel, een zachte berm lijkt me ook gevaarlijk, want als je erin terechtkomt, zak je weg en val je om.
Of zoiets.
Maar een gevaarlijke berm dan? Is die sowieso gevaarlijk, ook als je er niet inrijdt? Grijpt-ie je als je te dichtbij komt? Raadselachtig fenomeen, wat me telkens weer bezighoudt als ik langs zo’n waarschuwing rijd.
Maar goed, andere ontmoeting, met dezelfde kernkleur… Afgelopen winter, ’s morgens om een uur of negen op weg naar Geldermalsen kwam ik een oude leernicht tegen op een roze scooter, zijn met studs beslagen jas lekker open zodat de wind met zijn borsthaar tekeer kon gaan en ik me af moest vragen, of ik nu wilde of niet, hoe in vredesnaam iemand zo puntgaaf glanzend bruin en verzorgd kon blijven na een nacht doorhalen. Ja, een nacht doorhalen, dat verzon ik om de hele scène nog een beetje in mijn wereldbeeld te laten passen, want hoewel ik een levendige fantasie heb, kon ik me niet voorstellen dat hij nu op weg was naar een of andere genderneutrale oecomenische dienst van een hippe dominee in Meteren.
Om eens iets te noemen.
Niet zo bizar, maar wel prachtig om aan terug te denken was het verliefde stel dat op een bloedhete zomermiddag vlakbij Made met de armen wijd aan de rand van een aardappelveld was gaan staan om zich stil en met gesloten ogen door de sproei-installatie te laten beregenen. Ze waren al behoorlijk nat. In de zij (= glanzend als zijde), noemden ze dat vroeger in Vlaanderen, wat ik wel mooi gezegd vind. Ik heb nog steeds wel eens spijt dat ik niet bij hen ben gaan staan, omdat het me wel een goeie grap leek en ik graag hun gezichten had gezien op het moment dat ze erachter zouden komen. Maar ja, ik ben doorgereden, want in een roman van John Irving is zoiets het geniale begin van een weergaloos verhaal over een onwaarschijnlijke maar eeuwige liefde, maar in mijn leven draait het vast en zeker uit op een arrestatie, ontslag en een sneu bestaan tot aan mijn eenzame dood in een caravan ergens op het erf van een uiteengevallen commune in Oost Groningen.
Ja, op de fiets kom je nog eens ergens, ook in je hoofd.
Wat me op mijn laatste ‘ontmoeting’ brengt, met een ander raadselachtig ‘verkeersbord’, dat vlakbij mijn huis staat, langs het water bij het bruggetje van Oog in Al naar de Munt.
‘Strijk zeilwerk’ staat erop.
Ja, raadselachtig is het eigenlijk niet, want ik weet heus wel wat ermee wordt bedoeld, maar dat is niet leuk. Dus telkens als ik het lees, zie ik de mensen op een boot snel de zeilen laten zakken terwijl anderen de strijkplank en -bout uit de kajuit halen opdat ze dan met z’n allen in de weer te gaan kunnen om al die vierkante meters gekreukte stof weer netjes glad te krijgen. En dat dan allemaal omdat wij in Utrecht het varen graag een beetje sjiek houden.
Ja, dat vind ik dan hilarisch.
Ik hoop u ook.

Lef

down the rabbit hole

Lef, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Te veel, als u het mij vraagt, want als iedereen bij het minste of geringste om lef roept, wordt bij mij ergens in mijn achterhoofd de argwaan wakker. Ik heb eens een hoge ome tegen een hele zaal vol ondergeschikten horen juichen dat er meer lef nodig was. Ja, dat was zo. Je had al heel wat nodig om zijn kamer binnen te stappen.
Ik bedoel maar, de een z’n lef is de ander z’n schroom.
Toen ik eindexamen deed, ging het verhaal dat ooit de opdracht voor het essay (onderdeel van Nederlands) was: schrijf een verhandeling met als titel ‘Wat is lef?’ en dat iemand een tien had gekregen voor een opstel van één zin: ‘Dit is lef’.
Het was misschien een broodje aap, maar dat doet er niet toe, want de crux van het verhaal is dat verandering niet om lef gaat, of om durf, moed, of – mooi romantisch woord – over vermetelheid, maar om verrassing. Lef en soortgelijke eigenschappen helpen wel, maar alleen om iets te doen wat niemand verwacht. Lef zonder een daarop volgende verrassing is gewoon stoer. In een bak met ijs zitten is stoer, maar niet meer dan dat (ja, nutteloos, maar dat is mijn mening).
Ik pleit daarom voor out of the blue in plaats van out of the box, want out of the box is meestal gewoon into another box. Da’s eventjes hip, maar al snel gewoon.
Out of the blue is nooit gewoon. En dat is goed.
Beter.
Wat voor out of the box geldt, gaat ook op voor ‘buiten de gebaande paden treden’, daar hoor je ook iedereen over. Klinkt ook heel dapper, maar als je ergens naast gaat lopen, blijf je toch rommelen in de marge. Dan ben je nog steeds bang om te verdwalen, om ergens te komen waar je nog nooit bent geweest. Olifantenpaadjes, ook vaak genoemd, zijn leuk om de weg af te steken, maar ze brengen je niet verder. Laat staan elders.
Trouwens, als ik een olifant was, liep ik gewoon waar ik maar wilde. Want wie gaat je opzij duwen? Olifanten hebben geen lef nodig. Die hebben gewicht. Ja, niet zo subtiel, laat staan weloverwogen, maar meestal gaat een idee voor iets nieuws aan genuanceerd denken ten onder, dus laat zo’n beest zijn gang eens gaan. Een porseleinkast staat vaak alleen maar in de weg.
Hm, nog een laatste metafoor en dan ga ik verder: buiten de lijntjes kleuren. ‘We zoeken mensen die buiten de lijntjes kleuren,’ hoorde ik laatst iemand op de tv zeggen. Pfoe, living on the edge! Maar waarom niet meteen van het papier af? Met je potloden de wereld in en kijken wat er wel een kleurtje kan gebruiken? ’You’ll find the future where ever people are having the most fun.’ Kan zo op een tegeltje, maar dat hoeft niet want er is al een mooie Tedtalk over, kijk maar. Wie speelt, vindt vaak ook iets uit.
Eh, waar was ik? O ja, lef.
Dat is dus niet genoeg. Ik las een interview over bestuurders die lef moesten hebben. Het begon mooi met een oproep om vaker blind in het diepe te springen en maar te zien waar je uitkomt (Alice in Wonderland!), maar al snel verpestte de interviewer (v) het door allemaal ‘ja maar-vragen’ te stellen. Ze haalde de raad van toezicht erbij, en stakeholders en wetten en praktische bezwaren. Het woord transitie viel. Als er iets fnuikend is voor innovatie, dan dat wel; transitie, dat is iets nieuws wat je aan ziet komen. Zoiets is al bij het oude ingelijfd voor je eraan gewend bent. Aan het eind van het interview zaten we weer in a box, nou vooruit, misschien in an other box, op een olifantenpaadje, buiten de lijntjes, maar in het kleurboek.
Jammer.
Dus, ik stel voor dat we verrassingen gaan zoeken. Laten we doen zoals Alice, gewoon nieuwsgierig achter dat konijn aan en de diepte in. Daarna zien we wel.
(Geloof me, ik weet waar ik het over heb, ik ben een zenuwlijder, ik word al gek als ik mijn fruit in de verkeerde volgorde eet, en ik dacht dat verassingen mijn dood nog eens zouden worden, tot ik besefte dat de enige manier om dat te voorkomen een roekeloos leven was. Living óver the edge. Of nou ja, ik spring niet meteen een ravijn in, maar af en toe down the rabbit hole, je moet ergens beginnen.)

Vakantie

Op de Lekdijk bij Lexmond moest ik wachten op een kudde koeien die overstak van de boerderij naar de wei in de uiterwaard. Nu staan racefietsers erom bekend dat ze altijd haast hebben, en meestal vind ik ieder oponthoud inderdaad nogal irritant, maar zo’n optocht kuierend vee brengt je op andere gedachten. Dwíngt je tot andere gedachten, want regelmatig blijft een van de beesten staan om je eens nauwkeurig te bekijken, met een soort onverholen minachting die je van zo’n dier niet verwacht en die je dan ook volslagen uit evenwicht brengt, want je bent niet op zondagmorgen in alle vroegte van huis vertrokken om je ten overstaan van 83 koeien opeens zo futiel te voelen als een stofje in het zonlicht.
Of zoiets.
Waarom ik wel was vertrokken, wist ik niet meer. Dat wil zeggen, ik kon geen goede reden bedenken. Behalve dan dat ik graag heel hard over dijken fiets, maakt me niet uit waarheen.
‘Doe je dat iedere dag?’ vroeg ik aan de jongen die her en der een koe op haar rug klopte en bemoedigend toesprak (‘Goed zo, loop maar door!’).
‘Nee, want ik werk alleen op zondag,’ antwoordde hij.
Goed antwoord!
Nog een vraag: ‘Maar gebeurt het wel iedere dag?’
’Ja, het gebeurt wel iedere dag. ’s morgens gaan ze naar de wei en ‘s avonds weer terug naar huis, om gemolken te worden.’ Hij wees naar een weitje achter de boerderij. ‘En daar slapen ze.’
Veel gedoe en toch saai, wilde ik denken, cynisch als ik ben, maar ik was nog maar kort daarvoor door een zwartbonte Holstein klein gestaard tot iets wat mensen gedachteloos van hun revers vegen, dus ik verdrong het. Bovendien lachte de jongen alsof het allemaal de vondst van de eeuw was.
Ja, de vorige eeuw, dacht ik… toch nog (het is een ziekte).
De kudde was overgestoken en de laatste koe keek nog even om. Nee, jij met je racefiets, zag je haar denken, om zeven uur het huis uit, zo snel mogelijk het halve land door fietsen en dan weer naar huis… dat is zeker geen gedoe? En niet saai?
‘Nee,’ zei ik (ja, hardop!), ‘dat is vakantie.’
‘Nou, veel plezier dan maar!’ zei de jongen.

Verdwalen

Annatunnel

De oude man had zijn half vergane oranje grote-mensen-driewieler voor de behangpapierwinkel van Priem in Gent geparkeerd en was op een zwarte kist ernaast gaan zitten. Van ver leek het alsof hij op een troon zat. Een beetje zoals Solomon Burke vroeger, op een zetel. Maar dichterbij bleef er van de vergelijking niets over, want de man was alles behalve majesteitelijk, zelfs niet op de schertsmanier van Burke. Hij droeg een bleek geruit houthakkershemd onder zijn vuile fleecejack, een donkerblauwe vettig glimmende trainingsbroek met opgerolde pijpen, en ongeveterde wit met zwarte Adidasschoenen (Run DMC!) aan zijn voeten, die hij als ankers voor hem op de kaseien had gezet. Daartussen lag een hoed met een steen erin.
Want hij speelde viool.
Met zijn ogen gesloten, roerloos, op zijn armen en handen na, die hij in alle rust hun gang liet gaan, misschien omdat hij niet anders kon, misschien omdat hij wist dat het wel goed zou komen.
Dat laatste was in ieder geval zo. Het kwam goed. Erg goed. Ik kan hier niet beschrijven hoe goed, maar neem dit als voorbeeld (en denk dan de keurige jongeman met zijn schoonzonenhaar even weg, want daar gaat het niet om).
Zo goed dus.
En mooi.
En wij mochten daarnaar luisteren.
Móésten daarnaar luisteren. Ons afwenden en verder lopen zou heiligschennis zijn. Geld geven eigenlijk ook. Die hoed lag er voor de vorm. Toen ik uiteindelijk naar voren durfde stappen om geld in zijn hoed te laten vallen, speelde hij gewoon door. Hij wist waarschijnlijk niet eens dat ik er was. Kon hem ook niets schelen. Hij speelde om te spelen. Niet voor geld, niet voor mij. Voor niemand. Voor zichzelf misschien.
De vrouw naast mij fluisterde: ‘Het is maar net welke afslagen je neemt in je leven. Ik bedoel, je hebt een god gegeven talent en dan zit je op een dag hier, óf je staat in een zwarte pandjesjas op het Vrijthof in Maastricht je zoveelste Weense wals te spelen’.
Ik dacht aan mijn eigen afslagen. Doodlopende wegen. Rotondes waar ik maar niet af wist te komen. Ja, een versleten metafoor, maar ik was de vorige dag vanuit Utrecht komen fietsen, onderweg hopeloos verdwaald in Antwerpen, om ten slotte in ware doodsverachting langs één rechte lijn naar Gent te rijden over een bizar smal fietspad op het asfalt van een vierbaans provinciale weg, dus de vergelijking tussen levensloop en de weg zoeken was moeilijk te ontwijken.
Mijn conclusie daarna was dat elke weg die je niet zelf gekozen hebt klote is. Da’s niet zo’n heel geweldig inzicht, laat staan een houdbare stelling, maar ik neem haar niet terug. De tegengestelde bewering is niet veel briljanter, maar ook die schrijf ik ook op, om verder te vertellen over de violist: iedere zelfgekozen weg brengt je dichter bij het geluk. (Kan zo op een tegeltje. En daar dan een foto van op LinkedIn. Ga ik niet doen.)
En de violist leek me eigenlijk volstrekt gelukkig. Bij nader inzien. Ik (en de vrouw misschien ook) was er vanuit gegaan dat de man ergens een afslag gemist had, of een verkeerde had genomen, maar dat was helemaal niet zo. Eindeloos dezelfde Weense walsen spelen wilde hij niet, maar iets anders wat de meeste mensen met god gegeven talenten (of enige andere) doen ook niet. Hij wilde viool spelen voor de behangpapierzaak van Priem in Gent, alleen te midden van publiek dat hij niet wilde zien.
Ik had zijn hele hoed vol met geld willen gooien als ik hem had mogen vragen waarom.
Of nee, hóé. Hóé hij dat voor elkaar had gekregen. Want opeens had ik het gevoel dat ik toch iets gemist had. Een geheim olifantenpaadje, of zoiets.
Dat komt ook weer door dat fietsen. Veel mensen mijmeren vaak: ‘ja, je verstand op nul en dan naar de einder, dan ben je helemaal weg’, maar dat is niet zo. Niks geen verstand op nul. Ja, dat gaat wel op een laag pitje, maar heel stiekem gewoon zijn eigen gang. In mijn geval op zoek naar herinneringen waarvan ik dacht dat ik ze had weggegooid. Dingen die ik vergeten wilde.
Op weg naar Gent waren er zeker tien boven water gekomen.
Ze gaan meestal over situaties die ik verkeerd aangepakt heb. Daar heb ik er nogal wat van. En telkens als mijn verstand zoiets dan weer treiterig voor me afspeelt, souffleert een stem in mijn hoofd – mijn verstandiger ik, waarschijnlijk – wat beter ware geweest.
Meestal is dat: ‘Nee! Niet doen!’
Daar had ik natuurlijk niks aan, ik wilde weten wat wél moest doen.
Maar goed, ik ging dat niet aan die man vragen.
Op de terugweg verdwaalde ik dus weer. En kwam ik geheel onbedoeld in de St. Annatunnel terecht, zakte via de mooiste roltrappen van de hele wereld 31 meter onder de grond, naar een grote buis van zowat een eeuw oud, alleen voor voetgangers en fietsers, die allemaal net als ik hun lol niet op konden, zo leuk was dit.
Een weg zonder afslagen.
Hm, die is te makkelijk.
Ik laat ’m toch staan.
Maar de stelling over wegen die je niet zelf gekozen hebt, neem ik terug. Die zijn niet allemáál klote.

Over Pippi Langkous, Schepen Bouwen, Spinoza en professionaliteit


Een goede wijsheid is altijd handig. Ik ben een fan van Spinoza (ja, dat kan, en ik ben het niet om interessant te doen) en een van mijn favoriete stellingen van hem is deze: ‘haat kan nooit goed zijn’. Lijkt nogal wiedes, er is immers een behoorlijke geschiedenis van bloedvergieten waaruit blijkt dat haat inderdaad geen zinnige emotie is, maar Spinoza bewijst waarom de stelling juist is. En hij legt uit hoe je ernaar kunt leven. Kijk, daar heb je wat aan. Moet je wel even doorlezen, want de weg naar een leven zonder haat gaat vreemd genoeg niet over rozen, en bovendien langs nog 258 andere stellingen. Het is dus geen bewijs dat op een bierviltje past.
Laat staan in de feed van LinkedIn. Want daar kom ik ze altijd tegen, wijsheden.
Of nou ja, wijsheden. Daar kun je over twisten. Ik wil best toegeven dat wijsheid moeilijk te definieren is, want vaak subjectief, maar ergens is dat begrip toch wel te begrenzen, in ieder geval aan de onderkant, en de meeste van de LinkedIn-wijsheden komen daar niet boven.
Vind ik.
Neem de veel ‘gedeelde’ uitspraak van Pippi Langkous: ‘Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan’. Lekker stekelige bewering met ingebouwde kortsluiting. Maar wijs? Nee, eerder eigenwijs. Ook goed, een eigenschap om te koesteren, maar het woord zegt het al (ik bedoel ‘eigenwijs’), een nogal persoonlijke eigenschap. Het is Pippi haar eigen wijs. Even ter herinnering, we hebben het hier over een meisje dat haar paard kan optillen, bodemloos rijk is, en uit een famille van zeepiraten stamt. Zíj kan zoiets zeggen, anderen niet. Of laat ik voor mezelf spreken, ik al helemaal niet. Iedere keer als ik het citaat voorbij zie komen, maak ik het in gedachten af: ‘zei zij voordat ze uit het raam sprong om naar de overkant te vliegen’.
Bijvoorbeeld.
Of: ‘zei de dokter toen zij de spuit in mijn arm zette en alvast haar scalpels bekeek’.
Waarmee ik maar wil zeggen dat je de grens tussen wijs en dom zo voorbij bent.
Als Pippi dat doet is het hilarisch, maar van het grootste professionele netwerk ter wereld verwacht ik iets meer. Zomaar iets bijdehands overtypen, dat kan iedereen. Ik wil weten wat de boodschap is. Wat ik er aan heb.
Ja, saai.
Ik doe lekker toch een poging.
Let op, deze blog wordt nu ernstig. Lees vooral door.
De crux zit in het woordje ‘dus’. In feite maakt dat van de hele uitspraak een pleidooi voor onbewust bekwaam zijn. Zolang je niks weet, kun je alles. Da’s de kracht van naïviteit. Altijd goed.
(Ik meen dat echt, dit is geen cynisme.)
Tegelijkertijd zet dat ‘dus’ het hele pleidooi op losse schroeven, want daarmee zegt Pippi ook dat ze weet dat naïviteit haar kracht is. Ze is dus eigenlijk bewúst bekwaam.
Eh… Stekelig, eigenwijs en bijdehand?
Hoe dan ook, als er ‘maar’ stond in plaats van ‘dus’, zou het een mooi pleidooi voor professionaliteit zijn. Want een professional is iemand die niet alles heeft gedaan, maar wel weet wat-ie kan. Ook bewust bekwaam, maar dan minder verwarrend.
Nog een voorbeeld: “Als je een schip wil bouwen, roep dan geen mannen bij elkaar om hout te verzamelen, het werk te verdelen en orders te geven. In plaats daarvan, leer ze verlangen naar de enorme eindeloze zee.”
Los van het ouderwetse seksisme, is dit gewoon valse romantiek.
(Terzijde,interessant historisch feit: van alle bruggen over de Thames, is er één binnen budget en op tijd afgekomen en die werd hoofdzakelijk door vrouwen gebouwd, in de tweede wereldoorlog, toen de meeste mannen elders bezig waren, om Spinoza’s stelling te bewijzen of om te weerleggen, dat weet ik niet).
Hm… Valse romantiek dus. Verlangen is mooi, maar wie op het strand gaat zitten om hunkerend naar de golven te staren, zit daar op het einde van de dag nog, doorweekt en wel want eb en vloed, die gaan gewoon door. Dus een paar planken zijn wel handig. En een plannetje.
Geef mij maar echte romantiek, want dat is, in tegenstelling tot populaire misvattingen, juist wel hard werken en plannen. Zonder verlangen begin je er niet aan, dat is waar, maar op een dag moet je wel iets doen.
Wat nodig is.
Dat deed Spinoza dan weer niet. Om bij de romantiek te blijven, volgens de verhalen is hij eens heel erg verliefd geweest, maar in stilte. Of nou ja, zijn opmerking over jaloezie (variant van haat) bij zijn stelling over bedrogen worden (deel drie, stelling 35), is niet bepaald stil. Hij was echt pissed (zie hier, bladzijde 191).
Maar dan in zijn hoofd. Ik ben van beleid en dol op denken, maar in plaats van de liefde te definiëren, had hij beter de daad bij het woord kunnen voegen. Een fijn compromis om mee te beginnen was dan een liefdesbrief geweest. Iets mooiers is er eigenlijk niet. Maar dan wel op papier, met een vulpen. Ik vind tenminste één zo’n brief wel nodig, maar niet genoeg. Op een dag moet je naar buiten, de wereld in, de ander in de ogen kijken en…
Jammer genoeg heeft Spinoza over de liefde minder praktische stellingen dan over haat. Ze gaan meer over liefde dan over liefhebben. Mijn conclusie na zoveelste herlezing was: hij had het nog nooit gedaan dus hij dacht dat hij het wel kon.

De duivel in Gameren

Toen de veerman van de pont naar Brakel-Herwijnen (of andersom) in zijn eigen dialect mijn vraag nog eens samengevat en herhaald had – ‘Gameren?’ – klonk het niet als een plaats waar je zou kunnen verdwalen. Maar ik deed het toch. En om een of andere reden vroeg ik telkens de weg aan mensen die nog nooit van de Veestraat hadden gehoord. Hoe bizar was dat?
Eerst was er een keurige meneer met een wandelstok die mij in een deftig soort Nederlands zei dat hij me tot zijn spijt moest teleurstellen. Daarna was er een oude mevrouw die een nog oudere mevrouw in een rolstoel voortduwde die (de eerste oude vrouw) zei dat ze geen Gamerse was (wat ik wel een mooi woord vond, Gamerse, maar wat me ook meteen hoofdbrekens koste, want hoe noem je dan een man uit Gameren, een Gamer, Gamers, Gamert?, allemaal benamingen die me niks leken, of die zelfs een reden zouden zijn om te verhuizen, vond ik, in ieder geval een reden om er niet te gaan wonen) en die toen ik al weer op de fiets zat en wegreed alsnog aan de vrouw in de rolstoel vroeg of zíj wist waar de Veestraat was zodat ik het antwoord niet hoorde. De derde was een hardhorende man met twee piepende gehoorapparaten die boos werd toen ik mijn stem verhief (ook lastig in de omgang en communicatie, als je zo’n gebrek hebt, leek me, maar daar ben ik maar niet over begonnen, het was al ingewikkeld genoeg allemaal). Ten slotte vroeg ik het een man en vrouw van mijn leeftijd die met hun kleinkind op een bankje in een park zaten om witbrood aan de eenden te voeren. De man wist wel waar de Veestraat was, maar de vrouw ook (of andersom) en dat leverde na veel vieren en vijven een paar wegen erheen op. De routeplanner in mijn auto op geeft er altijd drie en ik kies dan meestal gewoon de bovenste want om daar nou ook een mening over te hebben… het hele punt is nou net dat ik die niet heb, ik vraag toch niet voor niets de weg? Maar goed, het echtpaar gaf me geen lijstje met routes, maar gedetailleerde beschrijvingen van de verschillende paden en lanen die me naar de Veestraat zouden leiden. Ze vertelden welke van hun vrienden en kennissen ik onderweg zou kunnen tegenkomen omdat die daar woonden; op de hoek van de Prinsenstraat woonde Kees, maar die was niet thuis want een fervent visser (waardoor ik hem dus niet tegen zou kunnen komen, maar het leek me te bijdehand om hen daar op te wijzen), en op het einde van de Kerklaan was een pleintje waar hun achternicht een houtzagerij had. Hoe dat pleintje heette, wisten ze niet, wat niet gaf, want daar hoefde ik toch niet te zijn, dat wil zeggen, ik moest het diagonaal oversteken om in de Graansteeg te komen, en dan de derde straat links te nemen.
Zei de man.
De vrouw betwistte dat. Zijn aanwijzingen, bedoel ik. Ik hoefde helemaal niet naar dat pleintje, maar als ik dat dan toch deed, moest ik in de Graansteeg de tweede links nemen en niet de derde.
Dat zag de man anders. enm, u raad het al, ze kregen ruzie, te beginnen met een woordenwisseling. Ik stond erbij en keek ernaar. Zoals ook hun kleinkind en de eendjes. Uiteindelijk onderbrak ik hen maar, gaf ik een samenvatting van alle routebeschrijvingen, en zei ik dat ik daarmee wel verder zou komen (wat natuurlijk altijd wel waar is, ‘verder’ is een rekkelijk begrip).
Toen ik het parkje uitreed, riep de vrouw nog: ‘de tweede links!’
Ik keek om en zag dat de man haar een klap gaf. Of nou ja, hij wilde zijn hand voor haar mond houden, maar dat pakte niet goed uit. Te bruusk. Hoe dan ook, de vrouw keek alsof ze geslagen werd…
Precies zoals de moeder van de jongen in de bezoekerszaal van het huis van bewaring aan het Wolvenplein, ergens in 1986.
Ja, sorry, abrupte en onverwachte overgang, het verhaal maakt hier een draai van 180 graden, maar ik zag haar opeens weer voor me… hoe ze haar kapotte bril vasthield om te zien waar vier bewaarders haar zoon heendroegen en hoe ze naar de deur bleef staren tot zijn geschreeuw langzaam in het gebouw verdween.
Een vijfde bewaarder had een glaasje water voor haar gehaald en was bij haar blijven zitten.
‘Hij zei dat ik de duivel was’, fluisterde de vrouw.
De man knikte en zei dat haar zoon in iederéén wel eens de duivel had gezien, zomaar opeens, en dat-ie die dan ook te lijf ging. Hij kon het niet tegenhouden.
Schrale troost. Voor haar, voor de zoon.
Dacht ik toen en dacht ik weer, in Gameren.
Ik fietste verder, het dorp uit, de dijk op, het maakte me niet uit waarheen. Verdwalen, dat leek me eigenlijk helemaal geen slecht idee.

Move fast

Hennie kuiper

Mensen vroegen mij vaak ‘goh, René, jij van beleid, wat doe jij eigenlijk om te ontspannen? Want de hele dag notities schrijven, dat gaat ook niet in je kouwe kleren zitten, toch?’
Nee, mensen, dat is zo. En ik antwoordde dan altijd: ‘hardlopen’.
Dan knikten ze, de mensen, want hardlopen, dat weet iedereen, is echt heel erg goed om alles van je af te laten glijden. Verstand op nul (0) en de paden op, de lanen in. Pfoe, da’s genieten hoor.
Eh, nee.
Dat hardlopen hielp (híélp, verleden tijd) mij wel om dagelijkse beslommeringen te vergeten, maar vooral omdat ik altijd wel ergens geblesseerd was en dáár dan aan moest denken. Zodra ik mijn hardloopschoenen aandeed, begon ik mij zorgen te maken over alles wat pijn zou gaan doen.
En ik ben heus niet kleinzerig. Vroeger (nog verledener tijd) heb ik me door van alles en nog wat heen gebeten om persoonlijke records te halen, dus ik kan echt wel wat hebben. Maar dat was dus 30 jaar geleden. Ik was 28 en kon de hele wereld aan, inclusief een lijf dat ik iedere dag afmatte alsof het niet van mij was. Had ik dat maar niet gedaan, want nu neemt het wraak met hele sneue kwaaltjes waar ik de godganse dag aan moet denken, ook als ik niet probeer hard te lopen.
Dat is dus geweldig om al je andere muizenissen te vergeten.
Hm, nou lieg ik. Het is de kat wegdoen om je door de hond te laten bijten.
Het duurde even voordat ik dat doorhad.
En stopte met hardlopen.
‘Ga wielrennen,’ zei een collega, ‘da’s veel mooier. Man als je ’s morgens over zo’n dijk raast, weet je niet eens meer hoe je stress moet spellen! En nooit meer één blessure gehad.’
Dat bleek allemaal waar. Fietsen is geweldig.
Op één ding na, de fiets. Daar heb ik al eerder over geschreven. Zie hier.
Nu heb ík geen blessures, maar mijn fiets.
Als het ware.
Er is altijd wel wat.
Meestal een geluidje. Ergens. Iets wat ratelt, tikt of piept.
Wielrenners hebben daar een hekel aan. Een fiets moet ‘rammelvrij’ zijn. Het is een ziekte. Rammelkoorts. De eerste keer dat ik op mijn fiets wegreed, had ik het op de hoek van de straat al te pakken. Er is geen ontkomen aan.
Net als de andere ziekte: overgewicht. Van de fiets dan. Een fiets moet altijd lichter. Ik heb ook geprobeerd mij dáártegen te verzetten, want wat is nou een onsje meer of minder, maar voor ik het wist, stond ik in de keuken mijn zadel te wegen (235 grammen!). Het enige dat me ervan weerhoudt om de lichtste fiets ter wereld samen te stellen, is mijn budget.
En mijn moraal. Ik bedoel, €479,95 voor een paar ceramische derailleurwieltjes, dat zou strafbaar moeten zijn.
Vind ik.
Net als een paar sokken voor €63,- Cashmere sokken! Voor op de fiets! Hoe bizar is dat?
Wat me op de derde ziekte brengt. IJdelheid. Toen ik eens in een winkel fietsschoenen wilde gaan kopen, was de eerste vraag die de bediende mij stelde: welke kleur heeft uw fiets? Nou ben ik echt neurotisch wat matching colors betreft, maar die vraag schoot me in het verkeerde keelgat.
Ja, ik ben van beleid, hè. Mijn uitgangspunt is: vorm volgt functie, en voordat u meteen met tegenvoorbeelden komt, die regel overtreed ik wel eens. Ik heb helaas wel eens beleid verzonnen waar de vorm belangrijker bleek dan de functie.
Mea culpa.
Heb ik wel van geleerd. Dus sindsdien alleen beleid dat ergens goed voor is (geen knellende schoenen die mooi bij een fiets kleuren). Hou me daaraan! Ik moet maar eens een paar neurosen afleren.
Fouten, bedoel ik.
Da’s ook ontspannen. Stilstaan bij wat je beter niet kunt doen. Wat me weer terugbrengt bij het begin van deze blog, met de conclusie dat snelheid niet hetzelfde is als vooruitgaan. Kan zo op een tegeltje (en daar dan weer een foto van op LinkedIn). Het motto van Facebook was lange tijd move fast & break things. Zijn ze van teruggekomen.. Want het ging helemaal niet fast.
Wel kapot.
Kan ik over meevertellen, dus. Het gaat een tijdje goed, tot je met een gescheurde kuitspier zit te janken in de berm, of 63 kilometer lang uit je zadel moet omdat de rail is gebroken.
Fast kan beter. Ik pleit voor snelheid met beleid.
Move fast en make things. Met de nadruk op make. Dingen dóén.
Geen notities meer schrijven, da’s ook lekker rustig hoor.

Ik ben geen aap

De techniek staat voor niets, zeggen ze wel eens, maar dat is niet waar. De techniek staat in de weg. Ik wilde mij inschrijven voor een congres en toen ik zo’n beetje mijn hele doopceel op een formuliertje had getypt, moest ik alleen nog even aanvinken dat ik geen aap was, of dat ik geen robot was, dat weet ik niet meer. Ik denk dat websites de aap-variant gebruiken als een besmuikte grap om hun verlegenheid te maskeren, want laten we wel wezen, die vraag was natuurlijk een soort wantrouwen, die bovendien nog eens als erg onvriendelijk antwoord op míjn oeverloze vértrouwen kwam.
Maar goed, ik snap ook wel dat ze geen apen op zo’n congres kunnen gebruiken, en ik wilde naar dat congres, dus ik zette mij over de bizarre sociale mores van de huidige tijd heen, en beaamde dat ik geen aap was, eh… ben.
Dat was niet genoeg. Er verschenen zes gruizige foto’s van gebouwen en daaronder de opdracht om de flats te selecteren.
Hm… flats.
Toen ik twee was verhuisde ik met mijn ouders van de Spaarndammerstraat in Amsterdam naar de Henk Henriëtstraat, ook in Amsterdam. Daar gingen we in een etagewoning wonen. Die was vier hoog. Kennissen noemden het een flat, maar wij volhardden in ‘etagewoning’, want zo noemde de woningbouwvereniging het ook. Dat was sjieker, denk ik.
Waarmee (met deze uitwijding) ik maar wil zeggen, dat ‘flat’ een rekkelijk begrip is. Ik had graag een definitie bij de foto’s gekregen, maar die kwam niet. Snap ik ook wel weer, want zo help je ook meteen de apen die onbevoegd naar dat congres willen komen.
Hoe dan ook, op twee van de zes foto’s stonden etagewoningen.
Vond ik.
Op twee andere foto’s stonden flats (meer dan vier verdiepingen), maar dan ergens in de verte, achter een gebouw dat pertinent geen flat was, maar dat, heel onhandig, minder scherp in beeld was dan de woontorens op de achtergrond.
Wat te doen?
Er zijn waarschijnlijk apen die sneller besluiten nemen dan ik. Ik heb wel eens een documentaire over Bonobo’s gezien en daarvan onthouden dat het hele doortastende types zijn. Geen denkers. Laat staan twijfelaars. Ze doen ook veel aan seks trouwens, om onderling gedoe op te lossen, maar daar had ik nou natuurlijk niks aan. Sowieso een sociale vaardigheid waar je mee uit moet kijken, lijkt me. In de mensenwereld, bedoel ik.
Eh, waar was ik? Bij die test. Daar zakte ik dus voor.
De volgende serie foto’s was nog vager. Toch moest ik zeggen in welke van de zes gevels een etalage zat.
Lieve help!
Een etalage?
Was dat grote raam met die vazen erachter van een bloemenwinkel, of was het gewoon zo’n woonhuis als mijn tante Agaath had, vol met spullen die je doorgaans alleen in van die boutiques ziet waar alles naar rozenzeep ruikt?
Ik wist het niet.
Ik tuurde minuten lang naar de andere puien om ten slotte maar weer te gokken en opnieuw te falen.
Er volgden nog een paar van die tests en telkens raakte ik de draad kwijt in semantische discussies met mezelf, over het verschil tussen struiken en bomen, bergen en heuvels, zeeën en meren en ga zo maar door.
Volgens mij een goed bewijs van de stelling dat ik geen aap was/ben, maar leg dat maar eens uit aan zo’n testje. Kan natuurlijk wel. Er is best een algoritme achter die foto’s te bouwen dat in mijn fouten een patroon kan herkennen en na de zevende misser kan concluderen dat mijn eindeloos geweifel onversneden menselijk gedrag is.
Tenzij dat algoritme, argwanend als zoiets is, denkt dat ik geen aap ben maar óók een argoritme, en dus toch een robot.
Zie hier de kern van een fijn modern dilemma: wederzijds wantrouwen tussen mens en robot. Een dilemma met een dubbele bodem (of de dubbele bodem is het dilemma, dat weet ik nooit), want die robot hebben we dan zelf gemaakt.
Mijn oplossing voor bovenstaand probleem (niet voor het dilemma, die komt hierna), is simpel. Stel geen vragen over flats of etalages, maar slechts één: bent u een aap? En meet dan de reactietijd. Hoe langer een antwoord duurt, hoe kleiner de kans dat de persoon achter de computer er een is, want de mensen die er niet uit komen, zijn gewoon zenuwlijders. Laat ik mijzelf als voorbeeld nemen, ik ben geen aap, maar als ik er op de man af naar gevraagd word, ga ik daar natuurlijk weer over nadenken. Sommige grenzen tussen mens en aap zijn vaag hoor!
Wat het dilemma betreft, kijk naar deze Ted-talk. Een bijna even simpele oplossing, maar dan voor een ontwerp van robots die te vertrouwen zijn.