Te mooi

kurk

Bij de slijter stond ik zo lang naar een fles wijn te staren dat het raar was.
Denk ik.
Achteraf beschouwd.
‘Groot Geluk’, stond erop.
Wat de hele situatie alleen maar raarder maakte.
Denk ik.
Achteraf beschouwd.
God zij dank heb ik nog ergens een onderbewustzijn. Als ik al te ver afdwaal van de gewone-mensen-wereld roept altijd een of andere gedachte me wel tot de orde. Ik weet nooit waar die dan vandaan komt. Maar het is wel een creatief fenomeen, al zeg ik het zelf (of nou ja zélf, dat is een ingewikkeld begrip in dit verband, als u begrijpt wat ik bedoel) want iedere keer is het weer een verrassing. Hoe kom ik dáár nou weer bij, vraag ik me dan af. Soms met enige zorg, maar daar ga ik het nu niet over hebben.
De mens is een raadsel, laten we het daar maar op houden.
Eh, terug naar de slijter… Terwijl ik daar met die fles ‘Groot Geluk’ in mijn handen stond, zette mijn onderbewustzijn ergens een klein bovenraampje open waardoor een wijze raad van Marktplaats mijn bewustzijn binnenkwam.
‘Laat uw gezonde verstand spreken: als iets te mooi lijkt om waar te zijn, dan is dat meestal ook zo.’
Kan zo op een tegeltje. Tegel, want het is een nogal lange wijsheid.
De sjieke variant ervan is van Spinoza (oh god, daar heb je hem weer met zijn Spinoza, hoor ik u denken, lees toch maar door): ‘Het kan ook niet anders of iets wat zo zelden gevonden wordt, is moeilijk. Want als het heil binnen handbereik lag en zonder veel moeite gevonden kon worden, hoe zou het dan mogelijk zijn dat het door bijna iedereen werd genegeerd?’ (Voor wie de ziekte van Spinoza ook eindelijk te pakken heeft en de Ethica wil lezen, dit is uit de mooiste vertaling in het Nederlands, vind ik, van Corinna Vermeulen)
Eh… Erg sjiek gezegd dus, ingewikkeld misschien, maar net als marktplaats wil hij maar zeggen dat als geluk voor € 14,85 per 0,75 liter te koop zou zijn, de hele winkel zou vol staan met dromers als ik.
Terwijl iedereen geluk dus heel erg overschat. Je hoort er veel over, maar het valt enorm tegen. ‘De jacht op geluk is een existentiële vergissing’, las ik laatst. Zodra je het zoekt begint de ellende. Zit wat in, want het is een heel gedoe. Maar het is ook wel beetje pessimistisch, zo’n uitgangspunt. Voor de handdoek in de ring sta ik ’s morgens niet op. Dan liever de onomwonden raad van Marktplaats. Of nee, doe de voorzichtigheid van Spinoza maar: het bestaat en we kunnen het bereiken, maar het is wel even een dingetje.
Ik moest aan mijn kat denken. Mijn ex-kat, om precies te zijn. Een schuchter beestje met een ingeschapen angst voor mensen dat ik in een onverklaarbaar opgewekte bui voor € 90,25 uit het dierenasiel had bevrijd om vervolgens een jaar lang te proberen een band met haar op te bouwen, wat ik uiteindelijk opgaf nadat we elkaar het leven onmogelijk hadden gemaakt in de aanloop naar haar halfjaarlijkse vaccinatie tegen weet ik veel wat. Dat zij voor haar eigen bestwil in het getraliede draagmandje moest, kon ik haar niet goed uitleggen en het handgemeen waar ik daarna onbeholpen in met haar terechtkwam, verloor ik .
Toen ik op een gegeven moment mijzelf op mijn buik, met bloedende handen, half onder de bank, oog in oog met haar aantrof en hardop in mijn lege huiskamer tegen haar hoorde zeggen: ‘okay, jij wint!’, wist ik dat het voorbij was.
Exit mijn kat.
Snik.
‘Kan ik u helpen?’
De slijter.
Slijtster. Of hoe noem je een vrouwelijke slijter? Hm. Laten we het op sommelière houden. Dat klinkt romantischer. Hoewel het resolute gebaar waarmee ze meteen de fles uit mijn handen nam en in het rek terugzette me eerst nogal afschrok. Evenals haar glimlach. Meewarig, alsof ze Spinoza ook gelezen had.
Maar ze had enorm rood krullend haar, veel aandoenlijke sproeten en groene ogen, dus toen ze me zonder iets uit te leggen meenam naar de whisky’s, liep ik mee, pakte blind de fles aan die ze me gaf en liep naar de kassa. Resistance was futile. Toen ik afrekende, glimlachte ze weer.
‘Laat me eens weten wat u ervan vindt,’ zei ze.
Toen ik thuis kwam, pakte ik meteen de fles uit: Writer’s tears. Traantje op het etiket.
Zoiets verzin je niet. Of nou ja, die sommelière wel. Een beetje griezelig, dacht ik nog, voordat ik een glas voor mezelf inschonk. Lekker spul. Maar ook een beetje sneu. Self fullfilling promise in a bottle, want na het tweede glas kon ik wel janken, als het ware. ‘Een echte drinker spuugt de kurk weg; een Iers gezegde,’ had ze ook nog gezegd. Die kurk vond ik de volgende dag terug, samen met een paar halve herinneringen. Zie hierboven.
Jammer dat ik niet meer weet waar die slijter is. Helemaal kwijt. Inclusief die sommelière. Van wie ik opeens vermoed dat ze helemaal niet bestaat.
Te mooi om waar te zijn.
Achteraf beschouwd.

Matras voor kerstmis

dienstregeling

De man die gisteren in de schemering toch nog met mijn nieuwe matras verscheen, bracht me ook een herinnering.
De dag voor kerstmis 1974; een zwaar bewolkte en natte dag waarop wij (mijn ouders, mijn zus en broer en ik) na een dag stromeloos winkelen in de stad vlakbij de bushalte een manke jongen van mijn leeftijd tegenkwamen die hinkend een in plastic verpakte matras met zich meezeulde op weg naar het paaltje met de vertrektijden van de bussen. Toen hij een tijdje in het halfdonker naar de staatjes had staan turen, begon hij te huilen.
Mijn vader vroeg wat er aan de hand was. De jongen vertelde dat hij niet meer wist welke lijn hij moest nemen omdat hij in geen enkele dienstregeling zijn dorp kon vinden (wat niet vreemd was, want het was feitelijk geen dorp, maar niet meer dan een kluitje huizen dat ooit in de middeleeuwen een naam had gekregen omdat de rivier waaraan het lag er doorwaadbaar was, wat door de eeuwen heen de enige verdienste bleef, tot de rivier opdroogde en er drie onooglijk en onbetekenende straatjes restten, waar de bus wel stopte, maar alleen als reizigers erom verzochten – allemaal bijzonderheden die ik om een of andere reden wist, maar die ik de jongen bespaarde omdat hij al veel te eenzaam was; dacht ik).
Hij was door zijn ouders op pad gestuurd om het matras op te halen bij kennissen van hen, een koppel met zeven kinderen dat ze ontmoet hadden toen zij tijdens de afgelopen pinkstervakantie in de speeltuin in Nederhemert-Zuid waren geweest. In tegenstelling tot wat hij van die dag nog wist, bleken het nare mensen die naar al hun kinderen venijnige dingen schreeuwden en bij onenigheid daarover elkaar uitscholden of te lijf gingen. Uiteindelijk waren ze de matras gaan halen, maar toen het op betalen aankwam, hadden ze een hoger prijs geëist dan was afgesproken en hem gedwongen om ook het geld voor de terugreis af te geven.
Hij vertelde alles met veel gevoel voor detail en uitgebreide sfeertekeningen (zo weet ik nog steeds dat het bij die mensen thuis naar ‘de kantine van het voetbal’ had geroken, en dat er nergens een tafel om aan te eten had gestaan maar wel een box waarin behalve een peuter ook een wit geitje had staan mekkeren; dat laatste had ik al meteen niet geloofd, maar ik vertel het hier omdat het nu eenmaal in mijn hoofd zit en het tenminste nog íéts vrolijks aan zijn verhaal gaf).
Aangekomen bij de kwestie van het geld was hij weer gaan huilen.
Mijn vader en moeder keken elkaar aan en mijn moeder liep naar het bordje met de dienstregelingen. Ze bestudeerde het en keek op haar horloge.
‘Hij komt over een paar minuten,’ zei ze. De jongen veegde met de mouw van zijn te grote trui de tranen uit zijn gezicht en keek ons een voor een aan.
‘Komt jullie bus? Gaan jullie weg?’
‘Nee, jóuw bus,’ zei mijn vader, ‘die van jóu komt eraan.’
‘Maar ik heb geen geld!’
‘Wij betalen wel.’
Als toen niet meteen de bus in de verte te zien was geweest en wij samen met de jongen aanstalten moesten maken om hem gereed te laten staan met zijn matras, was hij waarschijnlijk weer aan het huilen geslagen.
Met ons erbij.
Toen de bus wegreed en de jongen vanaf de achterbank naar ons zwaaide, zijn andere arm achter het matras alsof het een vriend was, kregen we het toch nog te kwaad. Het duurde niet lang of we stonden daar dicht tegen elkaar aan (als schapen in de wind), te slikken en te sniffen en naar de bus te staren tot die in het donker verdween.
‘Mijnheer!?’ vroeg de man. Ik keek op. Hij glimlachte. ‘Laat mij maar even.’ Hij pakte het matras alsof hij iemand omhelsde en manouvreerde het behoedzaam de trap op terwijl hij zichzelf (en het matras) fluisterend begeleidde met op iedere tree een paar bemoedigende woorden. Hij was terug voor ik er erg in had, de verpakking netjes opgevouwen onder zijn arm.
Van een fooi wilde hij niets weten. ‘Fijne kerstdagen,’ zei hij.
Pas toen hij terug naar zijn vrachtwagen liep, zag ik dat hij hinkte.

Ziel

zwerm

Eergisteren was zo’n gruwelijk lege zondag zonder reden van bestaan. Godvergeten twijfel overal, maar nergens een mens te bekennen, behalve aan de overkant van de straat drie meisjes van een jaar of zeventien waarvan er één opeens riep: ’Ziel!? Wat is dát? Wat héb je daar aan?’ Ze ging voor haar vriendinnen staan en vroeg het nog eens: ‘Zíél..!?’
Echt waar.
Ze had een Marokkaans accent. Dat doet er verder niet toe, ware het niet voor haar ‘z’. Ik kom oorspronkelijk uit Amsterdam, dus ik heb helemaal geen ‘z’ en ben dus al snel jaloers op om het even welke ‘z’, maar de ‘z’ van ‘ziel’ die dat meisje in de lege straat losliet, was echt helemaal geweldig. Hij kwam als een zwerm bijen uit haar omhoog, zwol van een zucht naar een nijdige schreeuw (zchreeuw!) om daarna zacht na te galmen tussen de stille huizen.
‘Zzziel!’
Een verlengde ‘z’. Daar had ik iets over gelezen. ‘Ziel’ is gewoon ziel, maar ‘Zzziel’ is de ziel. Wat het hele voorval een diepere betekenis gaf.
Dacht ik. Ik stond er zeker een halve minuut ademloos naar te luisteren, alsof ik hoopte die betekenis zich op een of andere manier aan me zou openbaren. Ik raad u af om zoiets te doen, want het is raar en al snel verdacht. Zeker als je een man van 58 bent. Maar goed, ik kon moeilijk naar de overkant lopen om er eens met haar over van gedachten te wisselen. Om een of andere reden had ik het gevoel dat zoiets helemaal slecht af zou lopen. Ik zou niet uit mijn woorden komen en zij zou wat ik wel zei als een belediging interpreteren. Ik was immers ook al verward blijven staan om naar haar ‘z’ te luisteren alsof ik stemmen hoorde, wat feitelijk ook zo was, maar zodra ik dat aan haar ging uitleggen, zou ik het vast en zeker niet veel later tegenover haar grote broer moeten herhalen, die alles nog verkeerder zou begrijpen.
Vertel mij wat. Ik heb mijzelf veel te vaak voor schut gezet.
En ik heb een veel te goed geheugen. Dat is ook een last hoor. Neem mijn sneue gestamel van 42 jaar geleden tegenover Jeanette van den Boeijkamp die ik wilde vragen of ze met mij naar het schoolfeest wilde gaan… de herinnering aan die scène komt zeker één keer per maand zo levendig mijn gedachten binnen dat het zweet me weer uitbreekt. Jeanette had ook een broer, trouwens. Die me de volgende dag namens haar op mijn gezicht kwam slaan. Geen woorden maar daden, daar is soms ook iets voor te zeggen (no pun intended).
Goed, terug naar dat meisje en de ziel. Waarom die vragen over de ziel? Zag ze voor zichzelf het nut van een ziel niet of vond ze een ziel in het algemeen – de ziel dus – onzin? Grote vragen, waar zo ongeveer iedere zichzelf respecterende filosoof wel eens zijn/haar hoofd over had gebroken. En nou ik dus ook. En dat meisje.
Op een zondagmiddag in de Kanaalstraat.
Het moet niet gekker worden.
Werd het wel.
Ze bleef staan en riep: ‘Hé, oude man! Ja, jij met je baard. Wat kijk je? Heb ik iets van je aan of zo?’
Dat leek me sterk. Dus ik schudde mijn hoofd.
Grappig.
Vonden haar vriendinnen.
‘Die hoed zou je best wel staan,’ zeiden ze. Ik schudde weer mijn hoofd. Niemand krijgt mijn hoed. Ook een meisje dat heel mooi “Zzzziel?!’ kan roepen niet.
Ze liet haar vriendinnen giechelen.
‘Nou, wat kijk je?’ herhaalde ze.
Hm… Ik moet echt eens leren te liegen. Ik had gewoon ’Niks’ moeten zeggen en met afgewend hoofd naar huis moeten lopen, maar in plaats daarvan bleef ik onbeholpen staan om te zeggen dat ik naar haar ‘Ziel?!’ had geluisterd.
‘En?’
‘Huh?’
‘Heb je ook een antwoord?’
Even ter herinnering, dit speelde zich allemaal op een grauwe zondagmiddag in de Kanaalstraat af, zij met haar vriendinnen voor de schoongeboende winkel van paardenslager van Beek en ik aan de andere kant van de straat ter hoogte van ‘afhaalcentrum Baraka’.
Ik zei toch dat het gekker zou worden?
‘Je ziel, dat ben je zelf’, zei ik. Kan zo op een tegeltje. En dan een foto daarvan op LinkedIn.
‘En wat moet ik ermee?’ (Met haar ziel, bedoelde ze, niet met het tegeltje.)
‘Gewoon, je leven leiden.’
Riep ik in de lege straat, dus eigenlijk met een ‘!’
Hilarisch, bij nader inzien.
‘Dat kan ik wel,’ zei ze.
Ik knikte, want dat leek mij ook. Ze lachte.
‘Bedankt!’
Gekker kon echt niet, dit was opeens mijn mooiste zondagmiddag in jaren.
Ik nam mijn hoed af en groette haar.

Domweg gelukkig

bloem

Mijn overbuurvouw ging uit. Samen met haar vriendinnen.
Ik woon in een smal straatje, en omdat het warm was, hadden we allebei ons raam openstaan, waardoor ik willens nillens de hele voorbereiding van het avondje stappen meemaakte.
Of, nou ja, had kúnnen meemaken.
Want als je een jongen van dertien en een half bent, dan is het op een of andere manier wel te vergoeilijken (hormonen die bij wijze van spreken een eigen leven leiden) dat je de buurvrouw en haar vriendinnen bespiedt terwijl ze elkaars jurken proberen, maar als je zevenenvijftig bent, is dat sneu, op het strafbare af. Los daarvan wil ik zoiets ook helemaal niet zien, dus ik schoof meteen de gordijnen dicht.
Maakte dus niks mee. Ik zeg het maar even.
Ging naar bed.
Niet veel later zetten ze muziek aan en begonnen ze mee te zingen. Om er een beetje in te komen, denk ik. Voor een karaoke-avond of zo. Dat woord viel tenminste een paar keer.
’Nou doen we het karaoke,’ zei iemand dan. En zongen ze nog wat luider.
In koor.
The sound of silence, van Simon and Garfunkel.
Zoiets verzin je niet.
Daarna volgden werken van gelijke strekking. Luisterliedjes van singer-songwriters – jongens/meisjes met zachte gitaren – stante pede gearrangeerd voor drie sopranen.
Heel apart, zal ik maar zeggen.
Tussen twee haakjes: Ik kom hierbij terug op mijn bewering in een ander blog dat vrouwen in tegenstelling tot mannen niet samen zingen in de nacht. Dat doen ze dus wel.
Kennelijk.
Met dit verschil dat ze niet dronken hoeven te zijn. Nee, ze waren niet dronken, dat kon ik horen. Het was allemaal puur en onversneden vreugde om te zingen.
Benijdenswaardige vreugde. Ik kon me niet herinneren wanneer ik zoiets voor het laatst had beleefd. Ja, ergens in de jaren tachtig aan een tafel bier in de kantine van voetvalclub Sterrenwijk. Geen echte onversneden vreugde. De derde of vierde tafel bier, denk ik, bij nader inzien. Dat was daar de standaardeenheid. Een tafel. Minder bestellen kon niet.
Ze zongen ook vals, (ik ben weer terug in het heden, bij de buurvrouw met haar vriendinnen). Alleen máár vals, eigenlijk. Een voor een onderbraken ze de verschuivende harmonieën om kwaad op zichzelf en nogal overbodig naar elkaar te roepen dat ze geen toon konden houden.
Inmiddels wist de hele straat dat al lang. De hele buurt misschien.
Toch zongen ze door.
Ook benijdenswaardig. Zulke volharding.
Met die gedachte viel ik in slaap. Maar niet voor lang, want een buurman van een paar huizen verderop vond na een kwartiertje dat het welletjes was.
‘Dames, kunnen jullie het raam dicht doen?’ riep hij. Het klonk alsof hij naast mijn bed stond. Ik ging kijken. Hij had in zijn ochtendjas midden op straat post gevat. Wijdbeens en armen over elkaar, als een agent.
Hij riep nog een paar keer hetzelfde. Afgewisseld met af ten toe: ‘Dames!’
Ten slotte hoorden ze hem en verschenen ze alle drie tegelijk bij het raam. En schoten ze in de lach.
De sláppe lach.
Het midden in de nacht opnemen tegen drie zingende vrouwen is behoorlijk dapper, zoiets in je ochtendjas doen is dom, maar dan boos naar boven kijken terwijl je je verwarde haren parmantig recht strijkt, dat is gewoon roekeloos.
De maan zette het tafereel onverbiddelijk in een heel akelig licht waardoor zijn blote voeten in zijn wit-met-blauwe plastic adidasslippers opeens in volle glorie uit het donker tevoorschijn kwamen.
De vrouwen sloten grinnikend het raam. De man schudde zijn hoofd, maar hoe meewarig hij ook probeerde te zijn, er was niets meer van zijn decorum te redden. Eenmaal achter glas en gesloten gordijnen, gierden ze het uit.
Niet veel later verlieten ze hun huis. Ze neurieden.
Avond, van Boudewijn de Groot.
Zoiets verzin je niet.
Of toch wel. Sterker noch, ík verzon het, die nacht. Net als zo’n beetje de helft van dit verhaal. Je moet wat als je wakker ligt.
En niks meemaakt.
Dat klinkt zieliger dan het is.
Daarna droomde ik dat de overbuurvrouw opeens prachtig kon zingen, After the goldrush van Neil Young, wat zo ongeveer het mooiste lied is om uit een openstaand raam op je af te horen komen (hoewel ik doorgaans tegen covers ben, ga ik toch voor deze uitvoering, al was het alleen maar omdat het ook drie vrouwen zijn).
Ook dit zelf bedacht.
Domweg gelukkig.

Twijfelen

papegaai

De vrouw die schuin tegenover mij in de trein zat, somde voor haar medereiziger alle reizen op die zij had gemaakt. Ze gaf telkens een beschrijving van de landen inclusief de volksaard van de bewoners, aangevuld met bijzonderheden over de mannen. Ze poneerde alles met een granieten stelligheid en gaf voorbeelden om haar beweringen te onderbouwen die zo levensecht waren dat je er niet onder uitkon. Zo beschreef ze tamelijk gedetailleerd het mes dat ze bij zich had gedragen om de Kazachstaanse mannen van zich af te houden. Want die waren van alle mannen op de hele wereld het opdringerigst, verzekerde ze.
Intussen breide ze iets paars vol kruisende kabels en pluizige bulten. Haar handen deden me aan Charlie Parker denken. Ik leg niet uit wie dat is. Toen ik voor het eerst in een verloren gewaand filmpje z’n handen over zijn saxofoon zag gaan alsof ze een eigen leven leidden, geloofde ik even in God.
Wel ja. Geeft een hoop rust, zeggen ze.
De vrouw had dat niet. Geloof noch rust. Wij medereizigers trouwens ook niet, want haar onaantastbare verhaal was intussen zo groot geworden dat het de lucht uit onze wagon verdrong. In plaats van God, leek de duivel in haar gevaren. Ja, haar breiwerk zag er opeens heel demonisch uit. Een hansopje voor Rosemary’s baby, dat was het, of nee, misschien wel voor haar éígen addergebroed.
Eeek!
Ik dwaal af.
Want die trui daargelaten was het engste aan haar toch wel dat zij niet twijfelde. Neem van mij aan, iemand die niet twijfelt, moet je met grote argwaan tegemoettreden.
Zoals die vrouw, dus, want die wist beslist alles zeker. Ze praatte niet, nee, ze nagelde stellingen aan onze deuren. Het was zo agressief dat ik zelfs een lichte neiging om tegen haar te zeggen dat me dat irriteerde. Feedback geven, daar hoor je best veel goede dingen over tegenwoordig. Maar ik ken mijzelf. Iedere keer dat ik mijn bijdehante kop niet kan houden, loopt het slecht met me af. De pakken slaag die ik heb gekregen omdat ik zonodig ad rem moest zijn, echt sneu! En hoewel ik er in berust heb dat mijn snedigheid ooit een tot roemloze dood leidt, had ik daar nu nog geen zin in. Een breinaald in mijn rug, dat was me net even té roemloos.
Ze ging gelukkig bij het volgende station de trein uit, om plaats te maken voor een man die me meteen bekende dat hij echt niet meer wist wat hij nu moest met de papagaai die hij onlangs via marktplaats voor zijn vrouw had gekocht, die alleen maar ‘kijk uit politie!’ bleek te roepen (de papagaai bedoel ik) en tot overmaat van ramp iets onzichtbaars in de atmosfeer verspreidde wat op zijn longen (die van de man) sloeg, waardoor hij ’s nachts geen oog dicht deed omdat hij de hele tijd bij het badkamerraam zat om naar lucht te happen en zijn vrouw niet wakker te maken met zijn hijgen en hoesten.
En daar keek hij dan maar een beetje naar buiten.En dacht hij na.
Dat had hij weer, gestopt met drinken en roken en alle andere dingen die God verboden had, een vrouw ontmoet die van hem hield alsof het niets was, en dan die vogel.
Zijn hele leven kwam langs, daar bij dat raam.
De dingen die hij verkeerd had gedaan.
Waaronder de papegaai.
Wat moest hij nou? Zijn vrouw was dol op het beest.
En de man op haar.
Dilemma.
‘Vertel het haar,’ zei ik.
‘Alles?’
‘Vooral dat je niet weet wat je moet doen.’
Want als je alles zeker weet, gebeurt er niks leuks meer, dacht ik erachteraan.
En gaan truien zichzelf breien.
Eeek!

Honger

appel

Op zoek naar iets te eten in zo’n half verlaten dorp waar het altijd zondagmiddag is, stapte ik niets vermoedend een museum met houten spullen binnen. Ik keek wat rond tot een lange man me vroeg of ik wat wilde rondkijken. Ik kon moeilijk iets anders beweren. Dat ik op zoek naar voedsel was, zou erg ongeloofwaardig klinken. Hoewel ik het niet kon laten om erg gretig en verlekkerd naar een levensecht nagemaakte fruitschaal inclusief houten appels en peren te staren, ook al omdat het mij deed denken aan het hilarische gedicht van Koos Speenhoff over vegetariërs, wat ik hier niet ga citeren, behalve dan de volgende regels, om uit te leggen waar mijn associatie vandaan komt: “voor een paar onnooz’le centen / eet je appelen met krenten / soep van blaren, pas gevallen / met mahoniehouten ballen” – de rest moet u echt zelf lezen en, nog beter, hardop voorlezen aan iemand, het maakt niet uit wie, aan u zelf desnoods, eh… ik dwaal af.
Leest u het gedicht, dan ga ik ondertussen terug naar IJlst.
Ja, ik wilde dus even rondkijken.
‘Wij vragen daar wel een vergoeding voor,’ zei de man. Hij keek me aan. ‘Ja, dat weten de meeste mensen niet.’
Goede truc. Hij betichtte me van iets illegaals terwijl hij me wegzette bij het domme deel van de mensen dat niet kan bedenken hoe een museumbezoek werkt. Nu ja, ik hád natuurlijk zeker twee minuten gratis rondgekeken, maar het is over het algemeen moeilijk om níet rond te kijken, en daar in het absurd kleine museumpje al helemaal, want voor je het wist, had je alles zonder te betalen gezien. Ik trok meteen mijn portemonnee om de schade niet op te laten lopen.
Vier euro.
Een onooglijk toegangskaartje.
Goed, er was houten speelgoed, niet alleen vrolijk gekleurd spul, maar ook van dat onbewerkte beukenhouten spul, er waren van die irritante onderbindschaatsen (wat je ook deed om ze aan je arme voeten vast te snoeren, ze schoten altijd na drie slagen weer los), en er was gereedschap, wat erg mooi was, om niet te zeggen geil, maar dat is niet moeilijk, bijna elk gereedschap is mooi om niet te zeggen geil.
Vind ik dan, wat eigenlijk raar is, want ik heb twee linkerhanden en ben zo handig als een tros druiven.
Ik liep rond. Met de nadruk op rond, want het centrum was zoals gezegd nogal klein en we konden niet veel veel anders dan rond een grote vitrinekast langs de muren met planken vol uitgestalde spullen schuifelen.
De andere bezoekers en ik.
Het was een soort processie.
Dat had ik nog nooit gedaan, en met een beetje fantasie werd het heus plechtig, maar zoiets gaat op den duur ook vervelen. Om tenminste iets te denken, droeg ik mijzelfop om uit te rekenen hoe lang een mens voor vier euro rondkijkt alvorens maar weer eens op te stappen. Daar kwam ik niet uit.
Zo af en toe keek ik wel hunkerend naar de beukenhouten appels en peren. Hoewel ik doorgaans heel fatsoenlijk ben, sta ik niet voor mijzelf in als ik honger heb. Dan maakt het me op een gegeven moment niet uit waar ik mijn tanden in zet. Ik heb eens met twee woedende kinderen achter mij een pakje namaak chocolade sigaretten met vloeipapier en al opgegeten (lospeuteren was een kwelling) omdat nu eenmaal het eerste was dat ik tegenkwam.
Net toen ik smakkend aan een goudreinet rook, stelde de lange man een vraag aan iedereen die rondliep.
‘Weet iemand misschien waar al deze schaatsen van gemáákt zijn?’ vroeg hij. Dat was niet moeilijk. Beukenhout zeiden enkele bezoekers. Hij knikte zuinig. ‘Gestóómd beukenhout.’
Klein detail dat alleen kenners weten. Wij knikten. De man dacht na over een volgende vraag.
‘En weet u dan waarom deze schaatsen doorlopers genoemd worden?’ Hij wees naar een paar schaatsen in een glazen kast. Wij keken eens goed, maar durfden niet te antwoorden. De man stapte op de kast af en zei: ‘Dat dacht ik wel. De meeste mensen die hier komen, weten dat niet.’ Hij pakte de schaats ui de kast. ‘Kijk, het ijzer hier achter aan de schaats, dat loopt bij deze dus door.’
Wij zagen het.
‘En bij deze dus niet.’ Het scheelde anderhalve centimeter, maar het was waar. ‘Een doorloper is veiliger, want daar kun je minder makkelijk mee achterover vallen.’ We knikten nog maar eens en wilden doorlopen.
No pun intended.
‘Dat wist u niet hè?’ ging hij verder. ‘Nee, dat weten de meeste mensen niet. Die denken dat het die krul is aan de voorkant, die doorloopt. Dat is natuurlijk wel zo, maar dat is bij heel veel schaatsen. Aan de achterkant niet. Dat is alleen bij doorlopers.’ Hij wachtte even om te zien hoe dat bij ons aankwam.
Glunderde.
Triomfantelijk.
Wat het allemaal extra irritant maakte, want ik heb een belachelijk goed geheugen, dus van die man met zijn schaats kwam ik nooit meer vanaf. God, de dingen die ik allemaal nog weet… ik schrijf dat niet om op te scheppen, want een hele hoop wil ik best vergeten. Vraag me niet waarom, maar de man met zijn smalende grijns riep de lach van onze buurvrouw in de saaiste straat van het destijds (1964) sowieso hele saaie Ammerzoden op, inclusief de kleur van haar tanden en het blikkerende goud van een kies rechtsboven, om maar niet te spreken van de plooien in haar hals die week meetrilden met haar helse geschater.
Eek!
En dan dus ook nog een helse honger.
‘Mijnheer, wij staan niet toe dat bezoekers de uitgestalde museumstukken aanraken,’ zei de man.
‘Net echt, zo’n appel,’ zei ik tussen twee happen door. ’En best wel te eten.’
Hij staarde me aan.
‘Ja, dat weten de meeste mensen niet.’

Six word story

hemingway

Op marktplaats kwam ik deze advertentie tegen: ‘Vulpen, één keer gebruikt. Voor een brief.’
Ik moest aan Ernest Hemingway denken, die de uitvinder of de ontdekker van het ‘zes woorden verhaal’ zou zijn. Deskundigen zeggen van niet, maar ik vertel het er toch bij om deze blog een beetje sjiek te maken.
Hoe dan ook, ‘six word stories’ bestaan. Het voorbeeld dat Hemingway zou hebben gevonden, ging zo: ‘For sale. Baby shoes. Not worn.’
Het was een advertentie een krant.
Snijdt regelrecht door je ziel.
Ja, ik kan tellen en weet dat het verhaal van marktplaats zeven woorden is. Nog altijd helemaal in de geest van het zes woorden verhaal, want in die paar woorden zit alles wat je van een verhaal verlangt.
Vind ik.
Romantisch als ik ben, zie ik meteen een liefdesbrief. Wat moet je anders met een vulpen schrijven? Ja, ik schrijf alles met een vulpen, maar dat telt niet, want als het schrijven aangaat ben erg ouderwets. Ik begin bijvoorbeeld iedere zin met een hoofdletter en eindig met een punt. Ook als ik sms en/of app, ondanks dat je dan onbetrouwbaar overkomt.
Ja, dat hebben ze onderzocht.
Hoe bizar is dat? Een open einde is geloofwaardiger dan ergens een punt achter zetten. Een uitroepteken is dan weer wel kosjer. Sterker nog, da’s beter dan helemaal niks. Een emoji is ook goed. Als je ergens geen woorden voor hebt, wek je dus meer vertrouwen.Dat is niet bizar, dat is zielig.
Vind ik.
Terug naar de vulpen.
En de brief.
Oh, alsjeblieft!
Eh… ik laat me gaan. Een andere keer misschien een blog over echte brieven, maar deze gaat over de brief uit het zeven-woorden-verhaal. Dat was natuurlijk geen liefdesbrief. Want wie schrijft er nou één liefdesbrief? Om daarna de pen te verkopen?
1!
Da’s niks. Wie alles in één brief kan zeggen, is niet verliefd. Ik bedoel, zou u vallen voor iemand die zijn/haar liefde voor u in één brief kon opschrijven? Ik niet. Liefde is een veelkoppig monster, dus tenminste voor iedere kop één brief. En met je liefde moet je in ieder geval een poging voor de eeuwigheid doen, dus je blijft schrijven, brief na brief.
Vind ik.
Maar goed, ik ben een romanticus.
Misschien was het een liefdesbrief om het uit te maken. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Hoewel het chiquer is om iemand recht in de ogen te kijken en dan de bons te geven, kan een brief ook wel. Maar dan dus wel een echte. Een papieren brief, om met Gerard Reve te spreken, die trouwens met een kroontjespen en een potje inkt schreef. Da’s nog romantischer, natuurlijk. Ik leg niet uit wie hij is. Lees gewoon al zijn brieven (deze aan een minister, bijvoorbeeld, mooie foto’s: let op de stempels).
eh… Is een brief waarin je de liefde opzegt eigenlijk wel een liefdesbrief? Hm, goede vraag. Ik zou zeggen van wel.
Formeel dan.
Een liefdesbrief is een brief over de liefde en liefde kan alle kanten op. Ook naar een einde. Ik heb er veel geschreven om mijn liefde te betuigen, maar ook een paar om te constateren dat het jammer genoeg niks zou worden en te zeggen dat het me speet dat ik anders had gedacht.
Wel mooie brieven, al zeg ik het zelf. Maar dat hielp allemaal niet. Een vaardige pen is handig, maar uiteindelijk gaat het om meer dan woorden alleen.
Alhoewel, Cyrano de Bergerac bewijst misschien wel het tegendeel met zijn brieven aan Roxane. Wel jammer dat hij stierf voordat de liefde overwon.
Terug naar de advertentie op Marktplaats.
Wat mij blijft intrigeren is de tweede zin in het verhaal: “Voor een brief.” Waar zou je een vulpen anders voor gebruiken? Het zal mijn morbide geest wel zijn, dat ik dan meteen aan dood en verderf denk. Misschien had hij er diep in zijn hart liever een echt einde aan gemaakt? Met dat ding? Er zijn vast geheimagenten of huurmoordenaars die weten hoe dat moet. Ik ga daar hier niet over fantaseren. Het is allemaal al droevig genoeg.
Maar goed, het werd dus toch een brief.
Beter.
De oplettende lezer heeft inmiddels door dat ik telkens over ‘hem’ en ‘hij’ spreek. Ja, om een of andere reden denk ik dat de verkoper (m/v) een man is. Ik zie hem ook voor me. Hij is groot en heeft handen als kolenschoppen waarmee hij onhandig de vulpen gereed heeft gemaakt. Gepiel met vullingen die hij steeds laat vallen en een paar keer verkeerd-om in de pen duwt. Uit het niets helder blauwe vlekken op de keukentafel, die hij met een handdoek van het formica blad veegt. De handdoek gooit hij weg.
Dit gebeurt allemaal omdat hij zenuwachtig is. Niet alleen de pen, maar ook de liefde is nieuw voor hem. En dan gaat hij die nog afwijzen ook.
Toen hij de pen kocht, had hij de brief al zo’n beetje in zijn hoofd, maar eenmaal achter het papier is hij alles kwijt.
Writers block.
Twijfel.
‘Lieve’ of ‘beste’.
‘Lieve.’
Dan haar naam.
Komma.
‘Ik niet van jou.’
Geen groeten of ander woord van afscheid. Gewoon zijn voornaam eronder.
Totaal: zeven woorden.
Meer is niet nodig.
Vindt hij.
Ik eigenlijk ook.
Te laat.
Zit nu al op 868.

Limiet

rood

Goed, de Tour de France is weer achter de rug en hét woord van dit jaar was ‘limiet’. Vorig jaar was het ‘hongerklop’, maar de redactie had bij de evaluatie waarschijnlijk geconcludeerd dat dat een nogal mager begrip was om alles wat er te zien was mee te verklaren en bovendien geconstateerd dat de mannen achter de microfoon zich er behoorlijk belachelijk mee hadden gemaakt.
Goed gezien!
Want hongerklop als de kern voor een theorie van alles, daar heb je niet zoveel aan. Had ik hun ook wel kunnen vertellen. Het heeft maar één hele letterlijke betekenis en geen enkel fijn synoniem, dus je bent al snel klaar met variaties op het thema, en al helemaal met variaties op de uitleg van wat de wielrenners allemaal doen.
Ik bedoel, het is nogal simpel: te weinig eten = hongerklop = langzaam fietsen. Meer is er niet van te maken. Ja, eventuele aanvulling: heel langzaam fietsen = omvallen. Maar dan heb je het wel gehad.
Nee, dan ‘limiet’. Dat is een geweldig begrip! De commentatoren van de televisie begonnen er al meteen in de eerste week flink mee te oefenen en ik kon horen dat ze er echt plezier aan beleefden. Om te beginnen probeerden ze alle voorzetsels die ze maar konden vinden. Een renner was ‘op de limiet’, ‘aan de limiet’, ‘over de limiet’, ‘in de limiet’, et cetera. Vervolgens experimenteerden ze met ‘zijn limiet’ in plaats van ‘de limiet’, om het wat persoonlijker te maken, denk ik, en zodoende de indruk te wekken dat ze van alle renners gegevens hadden over hun privé-limieten.
Dat was natuurlijk niet waar. Want zoals gewoonlijk kwamen ze telkens na een bewering over iemands limiet daar weer van terug, meestal omdat ook de renner weer terugkwam, maar dat was nu net het heerlijke van ‘limiet’, want dat bleek een rekkelijk begrip.
Ook heel handig.
Daar had de redactie natuurlijk over nagedacht.
Een ’limiet’ heeft bandbreedte. Als de verslaggevers een slag om de arm wilden houden, en dat wilden ze de hele tijd, ook al zou je dat niet denken gezien de eeuwige stelligheid van hun beweringen, dan zeiden ze: ‘hij rijdt in het rood’. Daarmee maakten ze het spannend door onzekerheid in het spel te brengen, terwijl ze toch heel deskundig overkwamen.
Er zijn zeker twaalf etappes gewonnen door mannen die in het rood reden. Heroïsch! Want dat rood waar die mannen in zaten, ik heb daar studie van gemaakt, dat is dus wel ‘door de limiet’ maar niet ‘over de limiet heen’, kortom, het ging over renners die ‘ver aan hun reserves zaten’ en toch doorfietsten.
Op ‘pure wilskracht’.
Dat is ook heel erg heldhaftig.
Wilskracht, dat is wat je overhoudt aan het einde van je Latijn. Een doorgewinterde fietser kan dan zijn grenzen nog wel oprekken, maar iedereen weet dat een mens zoiets niet ongestraft kan doen. Ook oprekken houdt een keer op. Na rood komt toch onvermijdelijk zwart.
Ja, wielrennen is afzien, dat bleek maar weer eens en ‘limiet’ was het veelbetekenende woord waarmee alles wat daaronder viel telkens het mooist te beschrijven was.
Het was zo’n beetje de redding van de hele Tour de France-verslaggeving.
Blijven we wel met de vraag zitten welk woord de mannen volgend jaar kunnen gebruiken.
Ik zou ’evenwicht’ nemen. Dat woord heeft net als ‘limiet’ een letterlijke en een figuurlijke betekenis, oneindig veel synoniemen die al even dubbelzinnig zijn, en het raakt de kern van wielrennen: je moet op je fiets blijven zitten.
Dat bleek dit jaar wel een dingetje, en, geloof mij, dat is volgend jaar hét excuus voor iedere roemloos verloren etappe. Ik voorspel nog meer Nederlanders die tegen de grond gaan en meteen na de val uit (hun) evenwicht zijn.
Of ván hun evenwicht.
Door de balans.
Buiten het lood.
Terwijl Froome gewoon weer naar een top van de berg kluunt of onderweg drie maal van fiets wisselt en doorrijdt alsof er niks aan de hand is.
In het geel.

Woorden

Jeuk2

Jeukwoorden, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ja, zo veel, dat ‘jeukwoord’ ook weer een jeukwoord wordt. Kreeg er meteen uitslag van. Niet van het woord zelf, maar van de hele hausse er omheen.
Op eens is dat iets.
Bij mij op het werk deed iemand op intranet een oproep om al die woorden eens met z’n allen op te sommen. Hoe bizar is dat, ambenaren vragen naar irritante woorden? De wereldkampioenschappen boter op je hoofd.
Ja, ik ben zelf ook een ambtenaar. Lastig om dan kritisch te zijn, want voor je het weet, doe je uit de hoogte en ben je een soort matennaaier.
Hm… Toch dit blog.
Lees vooral verder.
Jeukwoorden verzamelen is ook veel te makkelijk. Taal is overal en iedereen bemoeit zich er mee of heeft er verstand van, dus binnen de kortste keren heb je enorme lijsten van ‘krabwaardige’ woorden (om er eens een te noemen, ik bedoel ‘waardig’, dat plakt iedereen tegenwoordig overal achter alsof het niets is… eh, het is ook niets, ja, een klef allemansvriendje voor gemakzuchtige schrijvers).
Het gaat dan ook niet om die woorden, maar over mensen, want die gebruiken al die woorden.
Of misbruiken ze, dat mag u zelf zeggen.
Hoe dan ook, ze doen dat niet zomaar. De mensen.
Mensen? Ik zal specifieker zijn en de hand in eigen boezem steken, ik bedoel beleidsmakers. Notitieschrijvers.
Ik heb daar een theorie over en die is heel simpel.
Ja, dat kan ook.
Hier komt-ie.
Taal heeft twee doelen: verhullen en onthullen. Beide met hetzelfde resultaat: vaagheid.
Eerst verhullen.
In tegenstelling tot wat iedereen denkt, gebruiken veel mensen taal om dingen níét te zeggen, om iets vaag te houden.
Veel mensen zijn namelijk nogal eens bang om te zeggen waar het op staat. Als ze bijvoorbeeld moeten opschrijven dat er minder subsidiegeld komt voor zwemlessen aan goudvissen (op zich een begrijpelijke maatregel), maar boze reacties vrezen van de vereniging van zweminstructeurs, dan schrijven ze op dat ‘de financiële budgetten neerwaarts worden bijgesteld’. Zwart op wit ziet het er dan niet zo harteloos uit en bovendien laten ze heel handig in het midden wie dat geld heeft geschrapt.
Zie hier: verhullen.
Helpt niet. Want die instructeurs worden toch pissig en komen voor het kantoor van de beleidsmakers demonstreren met spandoeken (‘Geen les voor vis is een gemis!’).
Verhullen is van korte duur.
Ónthullen al helemaal.
Beleidsmakers zijn natuurlijk vooral denkers. Hun grootste zorg is om op papier te krijgen wat in hun hoofd zit. Op zich een goed begin, maar wat in hun hoofd zit, begrijpen ze meestal alleen zelf.
Of heb ík dat alleen?
Hoe dan ook, wel jammer.
David Ogilvy, schreef eens een memo met tien ‘hints for good writing’. Zijn stelling was dat ‘people who think well, write well’. Ik waag dat te betwijfelen, want je hebt denken en denken. Een tijdje gelden hoorde ik een minister op het nieuws zeggen: ’Onnodige geluidsniveaus die te hoog zijn gaan we beperken’.
Ik bedoel maar. Zo iemand kan heus wel denken. Maar sommige denkers zijn al blij als wat ze hebben bedacht eruit is. Hun doel is om te onthullen. Wat daarna komt, zien ze later wel.
Meestal onbegrip en verwarring.
Beide doelen, verhullen en onthullen, resulteren dus in vaagheid.
Een goed woord kan dan helpen.
Die raad heb ik niet van mijzelf. Het is regel één van de vorig jaar overleden William Zinnser: ‘Don’t make lazy word choices’.
Het zou namelijk al heel wat zijn als iedereen eerst goed nadacht over wat een woord precies betekent. Dat staat in een woordenboek.
Ja, jongens en meisjes, dat is gedoe, maar daarna is er veel minder verwarring. en dat is fijn.
Mijn aanvulling zou zijn: gebruik geen toverwoorden.
Daar zijn jeukwoorden niks bij; die zijn irritant, maar daar heb je het dan wel mee gehad. Toverwoorden daarentegen zijn bedrieglijk. Vileine woorden die heel wat lijken, maar niks zijn. Toen ik voor het eerst in een notitie het woord ‘betekenisvol’ las, heb ik – ongelogen! – een dik uurgeprobeerd om erachter te komen wat de schrijver (en een tiental andere schrijvers die ik op internet tegenkwam) ermee wilde(n) zeggen.
Zoiets verzin je niet.
Ik bedoel, betekenisvol!
Vaag!
Toch had je in die tijd in één klap een vergadering aan je zijde als je zei dat iets wel of niet betekenisvol was. Zat iedereen te knikken of te schudden.
Gewoon gevaarlijk!
Later gebeurde hetzelfde met ‘de bedoeling’. Als je je ernstig liet ontvallen dat het niet om het doel maar om ‘de bedoeling’ ging, stond iedereen paf om zoveel inzicht. En niemand die vroeg wat je bedoelde.
Eh… dat is niet grappig bedoeld.
En dat ook niet.

Eeuwige liefde

Kauwen

De man en vrouw gingen met veel geruis van tassen en bijbehorend misbaar naast mij aan de andere kant van het gangpad zitten.
In de trein op weg naar Utrecht.
Het duurde even voor alles in orde was, want de vrouw moest zich goed installeren om de inhoud van haar tassen te inspecteren. Ze nam één voor één de dingen eruit en bekeek alles alsof het de buit van een diefstal was.
Hebberig.
Goodiebags. Een tas met gratis dingen, wat wil een mens nog meer?
Een tas met gratis dingen die je nódig hebt, zou ik zeggen, want er zitten altijd spullen in die ik nooit van mijn leven zelf zou hebben aangeschaft, sterker nog, die ik tot op het moment dat ik ze voorzichtig voor me op tafel leg nog nooit heb gezien en waar ik ook het bestaan nooit van vermoed had, maar goed, ik ben misschien niet de beste persoon om blij te maken met goodies.
Het woord alleen al.
Zijn er ook baddies? Daar zou ik nou wel weer de humor van inzien. Een mandje met ziektes of ongedierte.
Ja, ik vind dat grappig.
Eh… waar was ik?
Bij de vrouw in de trein. Ze had kennelijk alles zonder verder na te denken in de tassen gepropt of laten proppen, want bij alles wat ze tevoorschijn haalde, kreunde ze (het was eigenlijk een binnensmonds kirren, maar daar weet ik geen woord voor), verrast om wat ze nou weer opdiepte.
Haar man probeerde intussen te slapen.
Daar kwam niks van terecht, want de vrouw was zo iemand die hardop denkt. Ik onderdruk hier de stelling dat het meestal vrouwen zijn die dat doen, omdat ik die niet goed kan onderbouwen. Mannen doen het misschien ook, sterker nog, ik ken er een paar, ik doe het zelf ook wel eens, maar dat is anders. Meestal naar binnen gericht. Mannen praten tegen zichzelf.
De vrouw niet.
De vrouw in de trein, bedoel ik.
Maar die stelling laat ik achterwege.
Zo’n beetje alles wat er door haar hoofd ging (weet ik niet zeker natuurlijk, ik kan geen gedachten lezen, maar goed ook, want aan de dingen die ze openbaarde had ik meer dan genoeg) nam ze op in een ononderbroken relaas (rode draad: een beschrijving van haar goodies en het nut dat ze ervan dacht te gaan hebben) dat ze behendig mengde met beschrijvingen van het landschap waar we doorheen raasden en citaten uit de appjes die intussen ze ontving.
‘Woensdag komen de kinderen eten,’ zei ze, ‘gezellig toch? Mogen we komen eten, vroegen ze net. Gezellig, heb ik geappt. Dat is het toch? gezellig?’ Ze gaf haar man een elleboog en hij schrok wakker. Of deed alsof. De vrouw glimlachte. ’Ik ben dan wel eerst naar die cursus. Dat weet je hè?’
Hij knikte.
Ze vouwde een plattegrond open en tuurde er een tijdje naar voordat ze het ding ten slotte voor haar man zijn neus hield. Ze waren naar het Mauritshuis geweest en terwijl ze de hele route nog eens naliep, verdwaalde ze met terugwerkende kracht in een van de afdelingen.
Een paar keer.
De man haalde haar telkens weer terug. Hij tekende in de lucht hoe het museum in elkaar stak. De vrouw vloekte, want ze had een hele vleugel gemist.
‘Wat was daar?’ vroeg ze. De man haalde zijn schouders op. ‘Jij vergeet ook altijd alles…’ Ze glimlachte weer. ‘Of waren het allemaal naaktschilderijen?’
Hij schudde zijn hoofd. De vrouw keek in haar mobieltje.
‘Ik vraag haar even wat ze wil eten… O,risotto… En hamburgers…’ Ze dacht even na. ‘Goed, als jij dan die hamburgers doet, maak ik vantevoren de risotto wel… Vóór mijn cursus… Ze komen om half zes, dan ben jij er toch al?’ De man knikte. ‘Gezellig… Maak je ook sla?’
‘Huhuh.’
‘Goh, moet je kijken hoe groen het buiten alweer is. Dat gaat soms zo snel, hè!? Vanmorgen werd ik wakker van de vogels, dat vind ik ook altijd zo leuk.’
‘Om vijf uur!’ zei de man. ‘Ik snap niet wat daar leuk aan is.’
‘Gewoon, al die geluidjes. Hoe ze naar elkaar fluiten. Dat vind ik leuk. Gezellig. Doet me aan vroeger denken. Toen de kinderen nog klein waren. Als ze dan wakker werden. Dat gemurmel…’
‘Vroeger… Ja, het was inderdaad vroeger, meestal vóór die vogels begonnen.’ Ze gaf hem een duw.
‘Dat viel best mee… Alleen Esther soms… Dan ging ik haar gewoon halen. Nam ik haar mee naar beneden om samen in de schommelstoel te luisteren en naar buiten te kijken…
O, god, we zijn er al bijna, kijk daar heb je Douwe Egberts al.’
Ze zocht haar goodies bij elkaar en duwde alles terug in de tassen. De man ging rechtop zitten en hielp haar.
‘Wat ga je met al die zooi doen?’ Vroeg hij.
‘Weet ik nog niet. Misschien is er iets voor de kinderen bij.’
‘Ik hoop het.’
Ze duwde hem weer. Hij grinnikte en nam de tassen van haar over. Ze vertrokken, met hetzelfde geruis en hetzelfde misbaar, maar op een of andere manier gelukkiger.
De mens is een raadsel.
Ik ging achter hen aan, tot de vrouw de AH binnenging (Hamburgers!), waarna ik toch maar naar de kroeg liep (ik kon moeilijk naast de man gaan staan wachten tot ze terugkwam), waar ik bier zou gaan drinken met een vriendin, die al meteen na de eerste slok, god mag weten hoezo dát opeens, je verzint het niet, de kwestie van eeuwige liefde op tafel gooide.
Bestaat die of niet?
Ik wist het niet, wat eigenlijk al een soort antwoord was, want als je erover twijfelt, kun je het wel vergeten, maar mijn tafelgenote was stelliger en wond er geen doekjes om: liefde voor het leven bestaat niet.
Punt.
‘Wat niet wegneemt dat je er wel voor moet gaan.’
Vond ze.
Da capo.