De Tour de France, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik had in geen jaren een rechtstreeks verslag gevolgd, maar toen ik las dat Mart Smeets geen enkele merkbare bemoeienis meer had met de wielrensport op tv, besloot ik me er weer eens aan te wagen.
Ja, sorry hoor, maar die man verdraag ik niet. Hij is zo ijdel als de stiefmoeder van Sneeuwwitje, met dit verschil dat hij geen spiegel heeft die hem de waarheid vertelt. Of hij heeft er wel een, maar hij luistert niet.
Ik denk dat laatste.
Maar goed, de Tour de France.
In plaats van één Mart, waren er inmiddels twee commentatoren, ontdekte ik na een poosje. Ja, dat duurde even, want ze keuvelden en mompelden precies hetzelfde, wat een gestaag kabbelende stroom van ditjes en datjes opleverde waar ik maar met moeite twee verschillende praters in kon herkennen.
Waarom er twee van die mannen zijn, geen flauw idee. Eén is eigenlijk al veel. Er gebeurt namelijk niks tijdens zo’n etappe. Ik bedoel, er gebeurt wel iets, maar niets waar een oplettende kijker uitleg bij nodig heeft. In tegenstelling tot wat iedereen altijd beweert, is in zo’n wielrenwedstrijd namelijk echt heel simpel. Iedereen doet altijd heel geheimzinnig over strategieën en tactieken, maar dat is onzin.
Mannengedoe.
De Tour de France is net zo ingewikkeld als de honderd meter sprint. De wereldkampioen BMX vertelde gisteren kort en bondig waarom hij gewonnen had: ‘Ik dacht: zo snel mogelijk naar de finish, en gelukkig kwam niemand me voorbij’. Zo is het , wie het snelste is, komt al eerste aan en wint.
Het enige verschil is dat een etappe oneindig veel langer duurt dan honderd meter sprint of een rondje bmx’en.
Waarom de omroep zoiets nagenoeg integraal uitzendt, weet ik niet.
Vroeger, toen ik fan van Eddy Merckx was, deden ze dat dus ook niet. Ze lieten alleen de laatste klim van de ergste bergritten zien, met twee misselijkmakende camera’s waarvan er meestal één achter een auto vol reservewielen bleef steken als er eens iemand demareerde. En dat dan alleen als de helikopter die voor verbinding moest zorgen niet door mist aan de grond moest blijven. Ja, jongens en meisjes, dat was nog vóór de tijd dat Mart Smeets geheel en al uit absurde beeldspraak en enge truien bestond.
Maar goed, tegenwoordig moet iedere zweetdruppel en abusievelijk ingeschakeld binnen- of buitenblad van dichtbij te bekijken zijn, vergezeld door een verslag en duiding daarvan. Want hoewel het nog steeds de bedoeling is om heel hard te fietsen en dan als eerste aan te komen, hebben de mannen achter de microfoon dus allerlei ingewikkelde theorieën over waarom dat niet zo is.
Ze zeggen om de haverklap veelbetekenende dingen als: ‘Nee, die gaat niet rijden natuurlijk’, of: ‘Ze vallen stil, want ze vertrouwen elkaar niet.’
Eh… het is een racefietswedstrijd! Een beetje argwaan jegens je tegenstanders hoort daarbij, want die willen ook winnen. En om dat te kunnen moeten ze echt gaan rijden, dus dat gaan ze heus wel doen.
Ja, ze worden natuurlijk moe, en niet allemaal tegelijk, waardoor er van lieverlee groepjes van gelijk vermoeiden ontstaan, maar om die dan, zoals de verslaggevers doen, heel interessant en spannnend kongsi’s noemen en er vervolgens schimmige theorieën omheen te fabuleren, dat is bijna sneu.
Zonder die verhalen is er niks aan, denken ze.
Ik zou zeggen, met die verhalen erbij is het volslagen idioot. Ze doen namelijk uitsluitend beweringen die nogal wiedes zijn, zoals: ‘de belangrijkste vraag is of hij vaart kan maken’, of: ‘piekbelasting kun je niet zo lang volhouden’.
Nog erger zijn hun analyses. Die plukken ze heel overtuigd ergens uit hun onnavolgbare verstand, om ze drie tellen later net zo makkelijk te vervangen door tegengestelde als de werkelijkheid (de hele tijd vol in beeld!) hun psychologie van de koude grond logenstraft.
Dan zeggen ze bijvoorbeeld eerst: ‘Nibali heeft geen benen meer’, en niet lang daarna (als de man er op zijn dooie gemak vandoor gaat): ’Ah, kijk, Nibali heeft zijn benen weer gevonden.’
Die onzinnige geheimtaal is bedoeld om te maskeren dat er echt niks gebeurt wat we niet zelf kunnen zien en ons de indruk te geven dat wij er zonder hun vertaling echt niks van snappen. Ze zouden ook kunnen zeggen: ‘Nibali is moe’, en daarna ‘Oh, nee, toch niet’, maar dat is niet alleen ridicuul, maar ook overbodig, dus dat doen ze niet.
Ze zouden ook hun mond kunnen houden en alleen iets zeggen als er wat nieuws te melden is, iets wat wij, de kijkers, niet zien of weten. En dan bedoel ik niet dat Nibali nog steeds zijn overleden oom mist, de man die hem niet alleen heeft opgevoed nadat zijn vader en moeder tijdens het plaatselijke oogstfeest in de eeuwenoude olijvenboomgaard door een onfortuinlijke blikseminslag het leven lieten, maar die hem en passant ook de fijne kneepjes van het racefietsen heeft geleerd, en dat hij terugdenkend aan die oom juist wel of niet wil/kan rijden.
Nee, dat niet. Ik bedoel informatie waar je als kijker iets aan hebt.
Relevante gebeurtenissen, buiten beeld.
Daar zijn er heel weinig van.
Niet genoeg voor twee mannen met microfonen.
We leven in 2015! Waar je maar surft, struikel je over de informatie! Die heb ik allemaal al tevoorschijn gehaald op mijn mobieltje terwijl ik zit te kijken. De misvatting van journalisten is dat die informatie dan extra is.
Dat is dus niet waar. Zíj zijn extra.
Ik bedoel, nog even en we kunnen gewoon op ieder moment kiezen met welke helmcamera (voor of achter) van welke renner we de race via internet willen volgen, en dan kunnen we zelf zien dat Nibali gewoon allebei zijn benen nog heeft! En ik zie nu al grafiekjes van zijn bloedsuikerspiegel linksboven in beeld verschijnen, zodat we zelf kunnen zien wanneer hij moet eten.
Want te weinig eten, dat is echt hét onderwerp van dit jaar. Hongerklop heet dat. Toen Eddy Merckx nog meedeed had je dat niet (toevallig genoeg noemden ze hem de kannibaal, dus misschien had hij gewoon altijd genoeg te eten en was het geen issue).
Toen had je de man met de hamer. Wat die deed, weet ik niet.
Hm.
Hoe dan ook, in de drie kwartier dat ik het volhield om naar die mannen te luisteren, bleek hongerklop een verklaring voor zo’n beetje alles wat er gebeurde. Ze brachten het om de zin ter sprake. Als ze het tenminste niet hadden over de Nederlanders die zoek waren.
Want dat is in alle jaren nog altijd hetzelfde gebleven. Er is altijd een Nederlander die ze kwijt zijn. Alle informatie-overload ten spijt, blijkt die zichzelf telkens (letterlijk!) zoek te kunnen rijden. Meestal komen ze er dan een paar uur na de finish (ik vermijd hier de term ‘meet’) achter dat die na drie lekke banden en een dubbele hongerklop is afgestapt.
Misschien biedt dat wel mogelijkheden voor die mannen. Laten ze zich specialiseren in de opsporing van verdwenen Nederlanders.
Dan hebben ze werk zat.
In your face!
De man die opeens naast mij fietste was lang.
Heel erg lang. Er cirkelden mussen rond zijn hoofd om te kijken waar ze een nestje konden bouwen.
Dit verzin ik. Het is een hyperbool. Vind ik leuk.
Maar hij was wel irritant lang, dat verzin ik niet.
Of, nou ja, lang is natuurlijk relatief en in dit geval ook erg subjectief, want ik vind lang al snel irritant. Mijn eerste vriendinnetje was een kop groter dan ik (laat dat ‘tje’ dus maar weg) en mijn moeder maakte daar altijd grappen over. Kwam met het keukentrapje aan als ik een date had.
Zij maakte (en maakt!) overal grappen over.
Mijn moeder.
Vooral cynische. Genadeloos.
Ja, ik heb dat van haar. Maar dan nog erger.
Familiekwaal.
We kunnen niet anders, ik in ieder geval niet, als ik niet cynisch zou zijn, was ik na een dag dood(ongelukkig) en/of stapelgek.
Ik weet niet waarom ik dit vertel.
Omdat ik moet.
Als ik niet…
Achteraf beschouwd had mijn moeder wel gelijk. Marie-Anne Tuyl en ’t Waal was niks voor mij (ja, ook haar naam was lang, nomen est omen op een rare manier), maar zoiets besef je niet als je zestien bent. Als je zestien bent besef je niks. Je leven is dan heel simpel. Je hebt hormonen, en hormonen, en dan de rest van de wereld.
Eh, ik dwaal af…
Die man.
Zijn fiets had allerlei extra stangen en verlengde buizen. En een overdadige warboel van nerveuze kabeltjes. Een paar hendeltjes aan zijn stuur. Een kilometerteller-schuine-streep-snelheidsmeter zo groot als een iPad mini met kleurige grafiekjes die met iedere driftige trap van vorm en kleur veranderden.
In your face!
Ja, een fiets kan dat ook zijn.
Uit zijn oren kwamen ook kabeltjes.
Telefoonkabeltjes.
‘Roeland, jongen, iedereen weet dat het dames A-team helemaal niks is,’ zei hij. Op de toon van iemand die altijd gelijk heeft.
Krijgt.
Ik ging in zijn kielzog rijden.
Arme Roeland. Had het hele jaar zijn stinkende best gedaan met zijn meiden en nou als dank zo’n brute opmerking.
De man keek op zijn horloge. Hij moest nog ergens heen. Naar de crèche, schatte ik. Of de naschoolse opvang. Zouden zijn kinderen ook zo lang zijn? Aan het voorstoeltje was niet veel te zien en het zitje op de bagagedrager leek ook normaal. Maar wat weet ik van kinderstoeltjes? Niet veel. Het leek me niettemin sterk dat ze die ook in verlengde versies verkochten. Aan de andere kant zou het me niks verbazen als die man ze net als zijn eigen fiets zelf ontwierp en ergens in een ver land liet produceren. Opeens verscheen zijn LinkedIn pagina voor me: “owner at Big Bicycles”.
Iedereen is tegenwoordig owner. Directeur van zichzelf. Niks voor mij. Een oude Joodse vervloeking is: ik wens je veel personeel. In mijn geval is één genoeg. Als ik mijn eigen personeel was, zou ik mezelf te gronde richten.
De lange man had daar geen last van. Een geboren ondernemer, dat zag ik zo. Vraag me niet waarom. Ik zag zijn kinderen nu ook voor me. Twee blonde jongens met verantwoord vuile gezichten en dito kleren. De oudste in de volle uitrusting van een hockeykeeper; zo’n masker als Hannibal Lecter in Silence of the Lambs draagt, en een stick in zijn handen alsof hij het ding als beleg van een stokbroodje in de rust op zou opeten.
De jongere zat in zo’n supersonische kinderbolide waar je eigenlijk wegenbelasting voor zou moeten betalen – vind ik – te kraaien met een te luide hese stem en een veel te uitgebreid vocabulair voor zijn leeftijd.
In your face!
Het was erfelijk.
Sommige mensen hebben dat. Meestal mannen. Alles wat ze aanraken en/of voortbrengen, wordt even brutaal en onafwendbaar als zijzelf. Omgekeerde brokkenpiloten zijn het. Ze dwingen het geluk niet af, nee, ze hebben er aandelen van. Wie ook wat wil, moet aan hen toestemming vragen.
Irritant.
Vooral voor Roeland, die niets vermoedend op een of ander roemloos jeugdteam afstevende vol slome pubers die alles bizar vonden als het niet meteen epic was. In een Amerikaanse film combineren dan alle spelers van zo’n elftal hun coming of age met onvermoede talenten en allengs groeiend fanatisme, om in de bloedstollende finale van de competitie het team van die pedante lange vent te verslaan, maar hier in Nederland en in het echte leven komt Roeland er ‘s avonds achter dat hij de coach van zijn eigen dochter wordt en zijn grootste zorg zal zijn dat ze op tijd en nuchter op het veld verschijnt.
Nou hyperbool ik weer. Ik weet dat natuurlijk allemaal niet. Ik verzin het.
Leuker.
Maar dat Roeland zijn oude team kwijt is, niet. Niet verzonnen en niet leuk. De lange gooide hem zijn besluit voor de voeten, gevolgd door: ‘Ik moet nu verder, laten we er morgen op de club even over doorpraten.’
Case closed. Hij trok de snoeren uit zijn oren en frommelde ze in zijn binnenzak.
En keek om.
Omlaag.
Naar mij.
‘Hé, jij daar! Moet je per se de hele tijd achter mij aan fietsen?’ vroeg hij.
Het was zíjn kielzog.
Ik knikte.
’Hoezo dan?’
‘Ik wil weten hoe het afloopt.’
‘Wat?’
Toen vloog er een mus tegen hem aan.
Recht in zijn gezicht.
Cookies
De boodschap van Jurassic World (en iedere andere film waarin man made monsters mensen opeten, erg origineel is die film niet, maar dat terzijde) is dat de mens nietig is en zijn plaats in de natuur (voor wie gelooft: de schepping) moet weten.
Kapsones, dat is er al genoeg.
Maar goed, met internet dat is kennelijk iets anders, want dat groeit en dat groeit maar, alsof megalomanie een deugd is. Vooralsnog eet het geen mensen op, hoewel ik daar niet zeker van ben, ik herinner me een meneer die via een website een andere meneer had gevonden en dat één van de twee toen de ander had geslacht en in de diepvries bewaard om iedere dag iets van hem naar binnen te werken.
Dat is eigenlijk wat anders, ja, weet ik, maar ik herinnerde me dat opeens en dan moet ik ik het opschrijven.
Móét!
Internet zelf eet niks. Niet letterlijk. Figuurlijk wel. Eenmaal in zijn klauwen, ben je niks beter af dan de sneue mensen die, al dan niet in een film, dachten dat het leuk was om de natuurlijke loop der dingen te verschuiven door zelf een of andere soort leven in elkaar te fröbelen.
En net als de natuur en alle enge beesten die daarin leven, maakt internet ons eerst bang. Om te waarschuwen. Het verzint absurde dingen om je angst aan te jagen.
Of nou ja, mij in ieder geval wel.
Een voorbeeld.
Gisteren was ik op marktplaats bij de afdeling damestassen. Ja, het is heel modern als mannen ook een soort handtas dragen, maar er is op marktplaats nog geen sectie voor man bags, dus je moet wat als ernstig hippe vijftiger.
Affijn, ik ben daar, en er verschijnt naast de foto van een mooie donkerblauwe leren holdall een advertentie van ene Lilly die mij aanraadt er met de dokter over te praten.
Dat heb ik weer.
Nieuwsgierig als ik ben, klik ik op haar in stemmig lila zogenaamd met de hand geschreven naam (nee, er was geen foto bij), waarna er een hele site over erectiele disfuncties (ED) in beeld springt!
Spreek het woord één keer hardop uit en je hebt het. De mannen onder u dan. Want wat zulke aandoeningen betreft is self-fulfilling prophecy een trefwoord.
Las ik.
Vandaar ook die afkorting. Altijd handig als je niet meteen een eufemisme bij de hand hebt.
Op het scherm verschenen ook een man en een vrouw, in verschillende poses (nee, allemaal heel keurig), zeer symbolisch nu eens een eindje van elkaar, de man met zijn rug naar de vrouw gekeerd, en dan weer hand in hand innig tegen elkaar aan.
Met corresponderende gezichtsuitdrukkingen.
Schuldig beschaamd (man) en verbaasd beteuterd (vrouw) in de ene versie, trots voldaan (man) en dankbaar gelukzalig (vrouw) in de andere.
O, het leven kan zo simpel zijn.
Maar ik ben een zenuwlijder, dus dat het leven eenvoudig is, dat geloof ik niet zomaar. Toen ik die advertentie in beeld kreeg, vroeg ik mij af hoe dat kon.
Ja, door cookies, ik ben ook niet van gisteren.
Nee, ik bedoel, waar haalt die Lilly van de erectiele disfuncties (ik schrijf het lekker stoer voluit) in vredesnaam de cookies vandaan om mij als een kennelijk risicogeval-schuine-streep-geïnteresseerde te beschouwen?
Was mijn leeftijd voldoende? Of mijn leeftijd in combinatie met die handtassen? Heb ik misschien een site over watertorens bezocht? Heel erg lang bij de Gamma een aanbieding voor tuinslangen bekeken (of juist bezemstelen)?
Niet alleen Gods wegen, maar ook die van zoekalgoritmen zijn ondoorgrondelijk. Met dit verschil dat die algoritmes door mensen zijn gemaakt. Ja, de bijdehante lezers onder u zullen tegenwerpen dat ook God man made is. Juist om de ondoorgrondelijkheid te kunnen verklaren.
Maar daar gaat het nou niet over.
Dacht ik.
Vind ik.
Het is míjn blog.
Hoe dan ook, íémand heeft bedacht, nee berekend, dat ik tot een doelgroep behoor. Ik zie tijden naderen waarin de politie automatisch een melding krijgt als iemand drie sites bezoekt en daar zes cookies verzamelt die met elkaar gecombineerd het voorteken van een (nieuwe) misdaad vormen. Minority report is niet ver weg.
Griezelíííg.
Is er nog ergens iemand die nadenkt over de morele rekenarij achter die cookies?
Vast niet.
Nadenken en internet, da’s een slecht combinatie.
Die Lilly, om daar nog even op terug te komen, want het houdt me bezig, dat begrijpt u, eh… die heeft natuurlijk ook geen idee van hoe het zit. Zij komt verschijnt alleen als een bizarre sirene om niets vermoedende mannen naar de dokter te lonken.
Op haar site kon je ook naar ‘hulpbronnen’.
Had ik al eens gezegd dat ik nieuwsgierig ben?
En dat ik een levendige fantasie heb?
Ik er dus heen (op het gevaar af dat ik daarna nergens meer zou kunnen surfen zonder dat er aanbiedingen voor pillen of apparaten – Eek! Aparaten! – tevoorschijn zouden poppen). Nou ja, een grote teleurstelling natuurlijk (no pun intended), want daar stond in bedeesde letters: werk in uitvoering.
Zoiets verzin je niet.
(En dan heb ik het nog niet eens over de ‘zelf test’, jig!)
Goed, ik zag dat stel weer, midden in de nacht achter hun computer, ieder angstvallig op een eigen krukje – niks geen werk in uitvoering! – starend naar die schemerige mededeling op het scherm.
Met corresponderende gezichtsuitdrukking.
Iets tussen wanhoop en verbijstering, alsof ze plotseling een of ander monster in de ogen keken.
Maar waar die hen dan weer voor waarschuwde, zoals monsters plegen te doen, dat bleef ondoorgrondelijk.
Ga nooit weg (2)
Heb ik al eens gezegd dat ik niet van reizen hou? Ja, even naar Den Haag en terug is geen probleem, maar met een vliegmachine naar Barcelona, dat is andere koek.
Dat is echt weg.
Niet goed.
Een van de trucs om mijn angsten te bezweren is dat ik mij zo levendig mogelijk voorstel wat ik ga meemaken. Lang leve google streetview!
Het is ook altijd mooi meer op die beelden.
Geweldig!
Nadat ik eerst thuis alle belangrijke punten die ik denk te moeten bezoeken uitgebreid bekeken heb en onthouden, draai ik alles als een film af voor mijn geestesoog zodra ik de deur achter mij dichttrek.
Het is een gave.
Een niet altijd even handige gave, want terwijl ik aan het einde van mijn straat in gedachten al voor mij zie dat ik op de trein van metrolijn drie naar Place de Catalunya stap, merk ik niet op dat in het heden een mevrouw zich op de fiets in mijn richting trapt. Dat rijmt een beetje en daarmee is het vrolijkste van het voorval meteen gezegd, want een botsing volgt en die mevrouw wordt heel boos. Ze wisselt vloeken af met ‘zonde dat ik vloek’. Daar tussendoor beschrijft ze me haar ledematen die pijn doen, inclusief de bonte kleuren van haar zere plekken, wat nogal knap is, want ze houdt gewoon haar kleren aan.
Gelukkig maar, want de hele situatie is al ingewikkeld genoeg.
In een romcom mondt zo’n scène uit in het wrevelige begin van een haperende maar uiteindelijk romantische relatie vol lieflijke misverstanden die allemaal goedkomen en resulteren in een eeuwig huwelijk, maar in mijn leven gaat dat anders.
Dat ik zenuwachtig ben omdat ik op reis moet en daardoor niet goed om mij heen keek, vindt de mevrouw ronduit belachelijk.
‘Haha!’ schatert ze. Als een waanzinnige.
Ik zal nog eens een keer mijn hart uitstorten.
Een andere, minder twijfelachtige gave van mij is dat ik rustig blijf als anderen in paniek raken. Dus terwijl de vrouw foeterend door de straat stuitert, vraag ik zacht of zij misschien even haar fiets wil proberen om te checken of-ie nog heel is.
Ja, ik moet een trein en een vliegtuig halen, maar met een schuldgevoel over mogelijk gesprongen spaken of gebroken kettingen ga ik niet lekker op pad. Pas na de derde keer blijft zij staan en kijkt zij verbaasd naar haar fiets, alsof ze opeens niet meer weet hoe je zo’n ding gebruikt.
Dat weet ze wel, want ze stapt erop en rijdt zonder verdere plichtplegingen weg, om na 25 meter nog wel te roepen dat ik voortaan beter moet uitkijken!
En nadenken!
Dat laatste snap ik in dit verband niet helemaal, los van het feit dat zoiets altijd goed is, maar ik galm niettemin achter haar aan dat ik het beloof te zullen doen. Ook aan mijzelf beloof ik dat, want door de botsing blijk ik een lekke band te hebben opgelopen. Een geduchte deuk in mijn reisschema. Terug naar huis, fiets op slot en naar het station lopen, dat is een kwartier. Een schaamtevol kwartier, aangezien mijn rolkoffer lawaai maakt dat het een aard heeft en ik de hele buurt wakker ratel.
Denk ik.
Niet onterecht, want in Venetië is het al bij politieverordening verboden om met die koffers over de bruggetjes te trekken.
Door het hele gedoe ben ik alle streetviewbeelden kwijt, besef ik. In plaats daarvan is mijn horrorlijst verschenen: de opsomming van alles wat mis kan gaan. Ik zal een andere keer uitgebreider vertellen welke dingen er op die lijst staan. Absurde, maar gewone dingen, waar u hartelijk om zult lachen. Ik bedoel, dat de vliegmachine spontaan uit de lucht zal storten staat er niet op. Wel dat mijn koffer ondanks dat ik alles drie keer heb nagemeten, toch twee centimeter buiten de toegestane maten valt en ik al mijn spulletjes moet overpakken in een inderhaast aangeschafte en veel te dure maar reglementaire koffer waar dat allemaal net niet inpast, zodat ik kostbare tijd verlies met te kiezen welke sokken dan wel stropdas ik op het vliegveld zal achterlaten.
Dat gebeurt allemaal niet. Ik haal mijn trein en vind de incheckbalie, waar een lieve mevrouw mij complimenteert met de boardingpass die ik helemaal zelf van het internet heb getoverd. De volgende keer mag ik van haar meteen naar de gate!
De vliegmachine vertrekt. Ik slaap. In Barcelona schijnt inderdaad de zon. Daar ga ik inzitten. Om alvast van de terugreis te dromen.
Tipp-ex
De jonge vrouw aan het tafeltje naast mij had haar nagels met Tipp-ex gelakt.
Ja, nee, niet echt, denk ik, zo zag het eruit; rommelig, dof, smoezelig.
Eh… voor de jonge lezers onder u, Tipp-ex, dat is de voorloper van back space of delete. Maar dan in een flesje. Vroeger typten mensen nog gewoon rechtstreeks op papier en als ze dan een fout hadden gemaakt, lakten ze die weg met een soort verf.
Tipp-ex.
Dat spul bleef een halve dag goed, daarna werd het witte modder. Klonterde samen tot Hüttenkäse waar je bijstond. En na nog een halve dag zat het kwastje in het flesje vast. Je kon dan met een bijbehorend oplosmiddel proberen om alles weer vloeibaar te krijgen, maar er stonden zoveel waarschuwingen voor gevaarlijke neveneffecten op dat flesje, dat ik het nooit heb geprobeerd.
Foutloos schrijven, was mijn remedie. En als dat niet lukte veel nieuwe vellen papier.
Ja, zonde.
Helemaal niet schrijven, heb ik ook geprobeerd, maar daar werd ik gek van.
Dus lang leve de moderne tijd. De zinnen hierboven heb ik 38 keer verbouwd. Ik bedoel iedere zin gemiddeld 38 keer en de hele passage ook zoiets. Dat kan helemaal niet, maar ik heb het toch gedaan.
Het is een ziekte.
Verbaas u niet als deze blog morgen volslagen anders is.
Trouwens, ik denk dat de hedendaagse schrijvende mens al in groep drie van de basisschool bij de eerste letter die hij leert, weet dat die net zo snel verdwijnt als verschijnt. De Tipp-ex zit inmiddels in ons bloed, als het ware. Delete en back space als leidraad voor het leven. Niks meer voor de eeuwigheid.
Goh, wat zwaarmoedig opeens.
Vergeet het.
Terug naar de nagels van die vrouw. Tipp-ex van een halve dag oud.
Of misschien was het een restje Titaanwit 118 uit de verfdoos die ze voor haar dertiende verjaardag van oom Karel en tante Tinie had gekregen. Ze leek me wel iemand die zoiets zou doen om haar gelukkige jeugd niet te vergeten.
Hartverscheurende.
Hoe dan ook, het spul hield niet goed, want geen enkele nagel zat nog strak in de lak.
Dat is dan weer deprimerend.
En ongezond, want ze knibbelde het er allemaal zelf af terwijl ze nadacht over wat ze moest opschrijven.
Aandoenlijk.
Topje van een vinger tussen haar tanden terwijl ze naar het scherm van haar laptop staarde.
Kinderrimpels op haar voorhoofd.
Ik overwoog haar ten huwelijk te vragen.
De jongen tegenover haar niet. Hij zag haar niet eens. Hij tuurde ook in zijn laptop.
Dat is de ziekte van deze tijd.
(Pas op, ik ga nu weer zeuren.)
Je ziet wel eens van die uitgebluste stellen die tegen beter weten in uit eten zijn gegaan gaan om dan de hele maaltijd lang zwijgend tegenover elkaar te zitten en drie uur van hun leven te laten verdampen, en ik heb als ik zo’n koppel zag altijd gedacht dat zoiets een gedoemde fase in elke relatie is waar je min of meer per ongeluk in terechtkomt, maar sinds ik regelmatig in hippe café’s werk (waar ik bij binnenkomst de gemiddelde leeftijd met tien jaar verhoog), heb ik ontdekt dat de jeugd van tegenwoordig al meteen na de eerste tongzoen met de voorbereidingen van die tergende situaties begint door zich achter de schermen van hun apparaten te verschansen en er dan monomaan op los te typen.
Of te denken aan wat ze gaan typen.
Of te twitteren wat ze denken te gaan typen.
Of op facebook te zetten dat ze net hebben getwitterd wat ze denken te gaan typen.
Romantisch is anders.
(Ik had u gewaarschuwd.)
Cavia zegt dat ik op Tinder moet. Het is de “leukste manier om nieuwe en interessante mensen om je heen te leren kennen”, las ik. Eh… ze bedoelen gezichten bekijken. “It’s like real life, but better.”
Kunnen we dat soort aanmatigende overschattingen niet strafbaar stellen? De maakbare samenleving, maar dan in een appje.
Mensen roepen maar wat. Overschreeuwen zichzelf zonder het te horen.
Real live, dat is naar rechts vegen als je iemand leuk vindt, naar links als het niks is.
Vegen!
Ik leef eenvoudig, maar zó eenvoudig nou ook weer niet. Niemand, denk ik.
Hoop ik.
Wegens de enorme vraag hebben ze nu ook een rewind button toegevoegd.
Tipp-ex voor je aanstaande date.
‘En wat dan als je tegenover elkaar zit en blijkt dat je je vergist hebt?’ vroeg ik Cavia.
‘Dan pak je je mobieltje. Of je iPad.’ Ik staarde hem aan. ‘Neem voor de zekerheid ook je laptop mee.’
Romantisch is anders.
Dus.
Dat kan beter, vond ik opeens. Ouderwets. Zoals vroeger.
Ik brak op mijn knieën voor de vrouw en vroeg haar ten huwelijk.
Ze dacht na.
Tuurde naar haar scherm.
Beet op haar nagels.
De jongen keek op.
Stond op.
Rewind!
Rewind!
(Live is like Tinder, but worse.)
Identiteit
Soms heb je van die dagen dat je van voren niet weet dat je van achteren leeft. Of andersom. Zo’n dag had ik vorige week, toen het meteen op weg naar het station al mis ging doordat ik de verkeerde hoed op had gezet, misleid door een paar wolken die over alles een onheilspellende geur van regen hadden geworpen (vraag me niet hoe dat kan, het was zo).
Op de hoek van de straat brak de zon door en een straat verderop voelde ik het eerste zweet al onder mijn veel te zwarte winterhoed losbarsten.
Niet veel later bleek dat mijn jas ook geen goede keuze was.
(‘Zweet u ook? Ja, ik dacht al da’k het rook. Ja, ik zweet. van mijn oksel tot mijn reet.’ Wat moet een mens met zo’n geheugen? Het laatste wat ik wil is liedjes van het Leische Studentencabaret zingen, maar ik doe het toch. In mijn hoofd dan. Even erg.)
Goed. Van teruggaan was geen sprake. Ten eerste omdat ik daar niet tegen kan (u wilt niet weten hoe vaak ik verdwaald ben omdat ik doodgewoon weigerde op mijn schreden terug te keren, het is een ziekte), ten tweede omdat ik dus een trein moest halen.
Ik vind hard fietsen leuk, vooral als het druk is. Ik kan dat ook erg goed, al zeg ik het zelf. De meeste verkeersgenoten zien dat anders, maar zeker weten doe ik dat niet, want ja, ik fiets dus erg hard en kijk niet om.
Zeker niet als ik onderwijl ook nog eens mijn jas uit moet trekken.
En op moet vouwen.
Ja, neurose.
De ene mens heeft een lievelingskleur, de ander een favoriete aap in de dierentuin en ik heb een hele fijne plek in mijn enige eigenste fietsenstalling. Alleen, dat weet niemand. Laat staan dat iemand er rekening mee houdt. Enfin, u raadt het al, op ’zo’n dag je dat je van voren, enzovoort…’ is die ene hele fijne klem in het rek linksachter dus bezet.
Woede!
Paniek!
Verdriet!
(In willekeurige volgorde, simultaan kan ook.)
Maar de trein wacht niet, dus mijn rijwiel elders neergezet.
Rechts.
O, alles andersom!
Gruwelijk!
Terwijl de rest van Nederland al god mag weten sinds wanneer met een chipkaart reist, koop ik nog gewoon losse kaartjes omdat ik bang ben dat ik per ongeluk incheck als ik tussen die poortjes doorloop en dan maanden later erachter kom dat ik de spoorwegen nog 6.591,95 euro schuldig ben. Die angst is groter dan de angst dat het kaartjesapparaat mijn pas opvreet. Of dat ik dat kaartje verlies.
Pick your fears, is mijn motto.
Maar daar gaat het nu niet om. Of misschien toch wel. Weet ik niet. Zien we aan het eind van deze blog wel.
Goed, de trein gehaald, vergaderd, veel te veel koffie gedronken, en ergens op een van de wc’s die ik daardoor moest bezoeken niet mijn treinkaartje, maar het kaartje van de fietsenstalling verloren.
Ik kon het nergens meer vinden.
De hele terugweg ernaar gezocht.
Hoeveel broek- en jaszakken heeft een man nodig?
Geen flauw idee.
Maar als je iets kwijt bent, heb je er teveel.
Terwijl ik me voor de zesde keer het rambam schrok van een klef dropje dat in de binnenzak van mijn nutteloze jas een geheim insect nadeed, zag ik de man van de fietsenstalling voor me. Die had een hekel aan mij, dat wist ik zeker, want ik fiets altijd zijn helling op en af en dat mag niet. Regelgeving is prima hoor, maar die helling maakt de jongen in mij wakker en dat is me een overtreding en zijn chagrijn wel waard.
Maar nu had ik dus spijt van die rebellie, want hij zou wraak gaan nemen, wedden?
Zonder kaartje geen fiets. Sterker nog, de politie erbij!
Welnee!
Hij was er helemaal niet. Er was een hele lieve Marokkaanse meneer die ook wel snapte dat je zo’n stom klein briefje makkelijk kwijt raakt. Zeker als je de verkeerde hoed op hebt, en een jas voor niks met je mee moet slepen en je je fiets onvoorbereid rechts moet wegzetten in plaats van links en dat je dan alles precies andersom moet doen en dat je dan dus, eh…
‘Iz wiedusj,’ vond hij.
Het komt nog eens goed met de wereld.
Geen verdere uitleg nodig, ook al wilde ik die graag geven. Maar nee, echt dat hoefde niet.
Alleen mijn rijbewijs wilde hij.
‘Jij gaat fietsj halen, ik jouw identiteit kopjéren.’
Zo gezegd, zo gedaan.
Dus als nu in de stad nog ergens zo’n zenuwlijder ziet rondfietsen, dan weet u hoe het komt.
Ga nooit weg
Na een wee is heimwee de kiem van het leven (kan zo op een tegeltje).
Ik bedoel: alles waar het om draait in het leven is altijd hier.
Ga dus nooit weg.
De keren dat ik dat deed had ik altijd spijt. Onderweg al. En onderweg valt nog mee, de aankomst is pas erg.. Om maar niet te spreken van vertrekken. Dat is echt verschrikkelijk.
Voorkom dat.
Makkelijker gezegd dan gedaan, soms ontkom je er niet aan.
Ik wilde dus alleen maar zeggen dat ik reisangst heb. Maar ja, ik heb een baan (ik ben van beleid), en dan moet je wel eens naar het buitenland om daar met buitenlandse beleidsmensen te praten, dus op een dag moest ik echt iets over supervision gaan vertellen aan een groep policy advisors.
Omdat ik niets anders deed dan uitstellen, had een collega die mij beter begreep dan ik mijzelf, alle voorbereidingen voor mij getroffen en iedere stap die ik moest doen voor mij opgeschreven. Ik had bij haar uitleg toch nog zo hulpeloos gekeken dat ze om mij gerust te stellen op Google Earth van alle plaatsen die ik zou bezoeken panoramafoto’s had gedownload.
Geweldig!
Zij had ook mijn presentatie in begrijpelijk Engels vertaald, want het Engels dat ik gebruikte, bleek helemaal niet te bestaan.
Van de heenreis herinner ik mij alleen dat ik bij een detectiepoortje zo’n beetje al mijn kleren uit moest doen omdat er telkens bellen afgingen als ik eronderdoor liep. Niemand weet hoe je je dan moet gedragen. Het stond ook nergens in mijn instructies. Ik had zoiets wel eens meegemaakt bij de ingang van een bajes en toen was ik gewoon kwaad geworden.
Dat leek me hier geen goede reactie, dus deed ik gehoorzaam de striptease.
Dit was geen goed begin. Zoals Romeinen vroeger op hun schreden terugkeerden als ze bij het vertrek hun voet stootten, had ik ook meteen rechtsomkeert moeten maken; ik bedoel, als struikelen al een argument is om thuis te blijven, wat is in je onderbroek op een vol vliegveld staan dan?
Ja, ik moest een presentatie houden, maar hoe futiel is dat, in het geheel der dingen?
Eenmaal in Cambridge sloot ik mij meteen op in mijn hotelkamer om mijn presentatie te oefenen, want ik ken mijzelf, in den vreemde gelden andere regels en verworven vaardigheden en hele gedeelten van mijn geheugen verdwijnen waar ik bijsta.
Dus alles nog eens oefenen.
Leek me verstandig.
Dus niet.
Ik had overal af moeten blijven – by the way: wat ik in mijn leven allemaal níét had moeten doen, spijt als richtsnoer voor je bestaan, hoe sneu is dat? – want ik sloeg, handig als ik ben, de nieuwe versie van mijn verhaal in een of ander exotisch formaat op dat geen enkele computer van ná 2001 nog begreep, maar daar kwam ik pas achter toen ik voor een volle zaal met Russische belangstellenden mijn dia’s tevoorschijn probeerde te krijgen.
Dat lukte maar half. De dia’s verschenen, maar met de inhoud van een oude versie en in een animatie die vanzelf aan de slag ging zodra ik een toets aanraakte.
Alles leidde een eigen leven, behalve ik zelf.
Het publiek deed welwillend zijn best om mij te begrijpen. Op één meneer na, die mij om de haverklap interrumpeerde.
‘I don’t understand,’ jammerde hij dan. ‘What do you mean with…’ en dan volgde iets wat ik zelf ook niet eens begreep.
Ik begreep niets meer.
Ik was mijn eigen naam vergeten.
Zijn vette Russische accent hielp niet. Ik heb kennelijk in mijn leven teveel spionagefilms gezien want het was alsof ik door de KGB verhoord werd. Dat hij later met een apparaat zou komen om mij ergens op mijn lichaam elektrische schokken toe te dienen, leek me een reëel scenario.
Na zevenendertig vragen gaf hij het eindelijk op.
‘Oh, forgeddabouddit,’ zei hij pissig.
Dat bleek een blessing in disguise. Met die presentatie kwam het niet meer goed, maar later hoorde ik telkens als ik ergens in een benarde situatie terecht kwam (sic!) dat ‘oh, forgeddabouddit’ weer. Wat dus in plaats van verontrustend juist heel louterend uitpakte. Het is sindsdien de leidraad voor mijn leven.
Ik moet alleen afleren om het met een vet Russich accent hardop voor mij uit te roepen, want ik ben al een paar keer uit een station gejaagd door omstanders die schreeuwden dat ik met mijn dronken kop in Verweggistan had moeten blijven.
Het leven gebeurt altijd hier, tenzij je van elders komt.
Zevenduizender

In de kleedkamer van de sportschool zei een man van een jaar of dertig tegen de jongen naast hem: ‘Ik heb afgelopen winter nog een zevenduizender gedaan.’
Kijk, dat zijn nog eens zinnen waar je wat aan hebt. Geheimzinnig, maar niet té, waardoor je niet onmiddellijk afhaakt, maar juist fijn nieuwsgierig blijft. Het aplomb waarmee de man zijn mededeling deed hielp natuurlijk wel. Want zonder zijn terloopse kapsones, was de zin gewoon onbegrijpelijk. Zoiets als ‘heden rijdt lijn A naar Rhijnauwen‘ of ‘Rangeerder Havermans, het plok is over!‘ dat zijn zinnen die je meteen weer vergeet (behalve ik dan, maar ik lijd aan een ziekte, dat telt niet).
Nu wilde ik dus weten wat een zevenduizender was. Magisch en eerbiedwaardig, want de jongen aan wie hij het vertelde, ging een stukje achteruit om ontzagvoller te kunnen knikken en buigen.
Welja.
Een zevenduizender, dat schiep afstand.
Leuke woordspeling, want die zevenduizend, dat waren natuurlijk meters, al wist ik niet waarom. Als mannen opscheppen, gaat het altijd over lengte, zoiets.
Hoe dan ook, iets van zevenduizend meter. Hij had het niet bij elkaar gepunnikt voor een goed doel, zo’n man was het niet. Hij zat in de kleedkamer van de sportschool, weet u nog? Een sportief type dus. Hij was inmiddels zeer traag en omstandig begonnen om zijn doorweekte en vastgeplakte t-shirt van zich los te trekken zodat wij konden zien wat voor een godenlichaam je moest hebben om zevenduizenders te bedwingen. Ja, bedwingen. De jongen had hem ondertussen gevraagd om welke het ging en de man had het hem gezegd, op een toon alsof hij dat dus echt helemaal niet boeiend vond: ‘Rakaposhi.’
Hm.
Zonder lidwoord. De naam viel zo achteloos in ons midden dat we allemaal even verstijfden.
Rakaposhi!
Lang leve de Bosatlas, want die had ik als kind eindeloos doorgebladerd, compleet gebiologeerd door alles wat ver en onbereikbaar was en geheimzinnige namen had. God mag weten waar ik ergens in mijn leven mijn reisangst en heimwee heb opgelopen. Niet achterin de klas van juffrouw Niessink.
Maar ik wist dus dat de Rakaposhi een berg was.
Zevenduizendzevenhonderdachtentachtig meter hoog.
7788!
Dat getal heb ik opgezocht. Hoe bizar, er is een hele sectie zevenduizenders in de wikipedia, allemaal reuzen in de Himalaya waar mensen hun stupide verveling dachten kwijt te raken.
Al die onherbergzame meters dromden opeens bij elkaar in de kleedkamer. Voeg daar de onderwijl opgezwollen persoonlijkheid van de klimmer bij en u kunt zich voorstellen dat het daar allengs benauwder werd. En het is natuurlijk toch al geen frisse ruimte, zo’n kleedkamer. De gestolde male chauvinistic scent zit er vijf millimeter dik op de muur en wat niet gestold is klampt je aan zodra je beweegt. Wat je moeilijk kunt voorkomen.
Niet dat de alpinist daar last van had, want die stond in gedachten weer triomfantelijk met een wimpel te zwaaien in de ijle lucht van zijn zevenduizender.
Hij snoof van genot.
Ik weet niet hoe het u vergaat in zulke situaties, maar ik krijg dan hele gemene gedachten. Ik zag de Rakaposhi voor me met die bedwingeland er bovenop en fantaseerde opeens niets anders dan gladde hellingen en diepe afgronden.
Dat is niet de kift. Reisangst en heimwee en zijn mijn góede eigenschappen. Ik koester ze om niet op een dag aan een parachute langs de rand van een ravijn te scheren, of aan een elastiek onder een brug te bungelen. Een mens heeft in dergelijke situaties niets te zoeken. Trouwens, ik werk op de beleidsafdeling van de reclassering en er zijn ononderbroken bezuinigingen gaande, dus adrenaline genoeg. Ik hoef maar naar een vergadering te gaan en ik sta bij wijze van spreken meteen met touwen en een pikhouweel op een gletsjer naar adem te happen.
Het leven, dat gebeurt hier. Niet elders.
Terug naar die kleedkamer. Daar was het gesprek intussen verschoven naar aardsere zaken als werk en verloofde. Wat wel jammer was, want niet half zo heroïsch, en ook nogal teleurstellend, want we zagen in gedachten allemaal zijn beeldschone verkering met een bij hem passend godinnenlichaam voor ons, die net terug was van de wereldkampioenschappen korte baan-zwemmen in Kuala Lumpur, of zoiets, maar dat was niet zo, nee, ze had hem verlaten voor een kaal ventje dat postzegels verzamelde. Toen hij thuis was gekomen van zijn zevenduizender bleek het hele huis leeg.
Op zijn rugzak met reservetouwen en extra zekeringen na.
Het leven gebeurt hier.
Wordt vervolgd.
De anderen
Op perron vier van het station Amersfoort zat een blinde man. Dat is te zeggen, er was daar een bank en op die bank zat die man.
Blind.
Zijn geleidehond – Labrador – stond naast hem, met zijn kop op de man zijn dijbeen. Precies in de zon.
Ogen dicht.
Als ik die man was zou ik het daar eens met hem over hebben, maar wie ben ik.
Niet die man.
Hij (de man) voerde op luide toon en met schelle stem een telefoongesprek. Aan de andere kant een kennelijk oude bekende die niet zoveel van hem wilde weten. In ieder geval geen bezoek.
Veel ongelovige oh’s en ja-dat-begrijp-iks van de blinde man.
Teleurstellingen.
Ik begreep die kennis met zijn afwijzing wel een beetje, eerlijk gezegd. Die opdringerige stem zou meteen mijn hele huiskamer vullen en om een of andere reden leek de blinde man me iemand die ongehinderd door verlegenheid of fatsoen in no time een aanzienlijk gat in mijn voorraad proviand zou eten en drinken. & dan precies de dingen zou opmaken waar ik helemaal voor naar de andere kant van de stad was gefietst. Noem me ongastvrij en -gezellig, maar ik word zenuwachtig van zoiets. En ja, ik zag ik de man voor het eerst in mijn leven, maar dat beeld van hem op mijn bank drong zich zonder al te veel nuanceringen aan me op. Vraag me niet waarom. Ik ben een zenuwlijder.
Hoe het ook zij, zijn oude bekende kon hem ook niet ontvangen want zat midden in een verhuizing. Nee, dat was niet handig, begreep de blinde man. Hij hing op en ging staan. De hond schrok wakker.
Grappig. Want menselijk. Altijd leuk, dieren die mensendingen doen. Poezen die struikelen. Hilarisch. Andersom is het dan weer geheimzinnig (bat-/spiderman) of verwerpelijk (angsthaas, male chauvinistic pig).
Eh… die man.
Pas toen hij stond zag ik dat zijn geleidestok ook een kruk was. Of andersom. Hij liep als de klokkenluider van de notre dame.
Liep. Zonder stok.
Smaken verschillen en stijl is persoonlijk maar ik schrijf toch gewoon op dat de man er raar uitzag. Hij leek op Lambik, maar dan met een te grote slobbertrui in plaats van een overhemd met strikje.
Wel die te korte broek.
Witte kuiten met zwarte haren.
Tja.
Ik zou me geen raad weten als ik blind was. De spiegel is mijn beste vriend. Ik ben namelijk de hele tijd bang dat ik er verkeerd uitzie en mensen mij uitlachen. Omdat mijn sokken niet bij mijn overhemd kleuren. Of mijn hoed niet bij mijn jas. Ik stelde me voor dat ik iedere morgen voor ik vertrok aan de buurvrouw zou vragen of mijn outfit klopte. Want zo’n blindengeleidehond heeft ook zijn grenzen. Los van de communicatieproblemen tussen mens en beest, leken me dat geen dieren met verstand van color co-ordination.
Zeker de Labrador van de man niet. Geen oplettend type.
Vlak voor de rand van het perron plantte de man zijn stok als een soort derde been voor zich en boog hij voorover om er lekker relaxed op te gaan hangen, met zijn hoofd precies op hondenkophoogte. Nu werd ook duidelijk waarom hij zo krom liep. Die hoogte was belangrijk.
De hond ging voor hem staan en likte, nee, tongde de man.
Het hele perron rilde. De man zei: ‘ja, je bent braaf’.
Weer die tong.
En huiver alom.
Ik schoot in de lach. Innerlijk dan. Als wij al in de verleiding waren gekomen om ons afgrijzen open en bloot uit te spelen, omdat de man ons toch niet kon zien, was hij ons voorgeweest. Hij had het omgedraaid en deed gewoon wat hij wilde omdat hij toch niet kon zien hoe wij reageerden. Blind zijn als de weg naar volstrekte vrijheid. Geen hel, want ook geen anderen. Ik leg dit niet uit, zie Sartre.
De trein kwam en we schuifelden naar voren. Ik kwam naast de man terecht.
De hond keek naar zijn baas.
Ik naar de hond.
En van de hond naar de man.
Stapte onhandig in.
Trapte de hond op zijn teen.
Piep! Waf!
De man ging rechtstaan en keek me giftig aan.
‘Ken je niet uitkijken, lul?!’ Schelle hoge stem. Priemende blik.
Eek!
Collectieve verontwaardiging van de omstanders.
Anderen.
De deuren sloten.
Standenstoel
Ik moest een stoel hebben. Een tuinstoel die je kon verstellen. Een standenstoel heet zoiets. En laat nu net bij de Blokker zo’n ding in de aanbieding zijn.
Of was het omgekeerd? Dat weet ik niet meer. Goed mogelijk, want laat mij zo’n folder zien & ik ben verkocht. Heb gekocht. Bedragen met strepen er doorheen, percentages die er dan nog afgaan, kassakorting (wat dat ook moge zijn), in te wisselen gouden dukaten, allemaal dingen die ik niet kan weerstaan.
Hoe dan ook, ik ging erheen.
Nu vind ik winkelen best leuk, maar in de Blokker eigenlijk niet. Deprimerende zaak. Dat komt door de rommel. Er zijn voortdurend allerlei ijverige en bleke pubers bij de schappen bezig om de zaak op orde te houden, maar dat is onbegonnen werk, want achter hen staan altijd klanten te dringen om de spullen weer van de planken te trekken en als het even kan ook uit de verpakking te peuteren om alles dan half geopend elders achter te laten omdat het toch niet was wat ze dachten. Het gevolg is een voortdurende staat van ontregeling waar ik gek van word.
Nee, dan liever de eeuwige en volslagen chaos van de bijna uitgestorven winkeltjes die gewoon alles (en dan ook nog eens onverpakt) verkopen. In Utrecht hebben wij bijvoorbeeld Woortman. Een drogisterij die in 1851 is op- en ingericht en nog steeds dezelfde dingen verkoopt uit dezelfde potten, aangevuld met wat er in de loop der jaren op de drogisterijenmarkt bijkwam.
Ik zal er geen opsomming geven, hoewel ik daar dol op ben (waarover in een volgend blog meer), maar volstaan met de constatering dat ik nog nooit teleurgesteld de winkel verliet. Ze hebben alles. Álles! En de wanorde die er heerst is zo totaal, dat het gewoon nutteloos is om je er aan te irriteren. Er gaat zelfs een soort helende werking vanuit voor zenuwlijders als ik. Alle denkbare zooi bij elkaar in één winkeltje, dat is dan kennelijk weer rustgevend.
Maar dat allemaal terzijde, want ja, die stoel, daar moest ik toch echt voor naar de Blokker. Op weg naar de hoek waar volgens mij de tuindingen moesten staan, kwam ik een vrouw tegen die rondom haar rechteroog zes sterretjes had laten tatoeëren. Van haar wenkbrauw naar haar jukbeen, van klein naar groot.
‘Ik vind de Blokker bij ons leuker,’ zei ze tegen haar dochter, die ongeïnteresseerd oliebollen at en als antwoord een wolk poedersuiker de winkel in blies.
Zulke situaties zijn niet goed voor mij. De idee dat de ene Blokker leuker kan zijn dan de andere en dat er mensen zijn die daar oog voor hebben, dat verontrust mij dus al, maar dat die mensen dan hun oordeel daarover hardop en verstaanbaar ter sprake brengen terwijl ik nog over hun verschijning an sich nadenk, dat maakt me gek. Zoiets blijft allemaal onverwerkt in mijn hoofd rondwaren. Nu, terwijl ik dit schrijf, zie ik nog steeds die sterretjes voor mij (betekenen ze iets, blijf ik mij afvragen, bijvoorbeeld iets dat met liefde of dood te maken heeft, wat mij wel zou aanstaan, of is het veel banaler en stond die vrouw ooit in de tattooshop en dacht ze: hm, sterretjes!; wat ook wel iets heeft, ook al is het absurd), en o, het hongerloze maar toch gretige staren van het meisje in haar papieren oliebollenzak (was die leeg of zat er nog wat in en hoe stemde haar dat?); raadsels waar ik nooit meer vanaf kom.
Maar goed, die stoel!
Die stoel bleek eerst onvindbaar en daarna wel te bestellen, maar dan alleen bij zogenaamde XXL-Blokkers, die een uitgebreider assortiment hebben.
Een XXL-Blokker! X…X…L..!
Die zag ik toen voor me. Een gigantische verzameling rotzooi inclusief die vrouw met haar dochter, die peinzend rondliepen om te bepalen of deze XXL nu leuker was dan die bij hen of niet, waardoor ze verdwaalden in die XXL, zo erg dat ze uiteindelijk moesten overnachten in een plastic tuinhuisje, waar ze ongemakkelijk in een standenstoel probeerden te slapen, met een douchegordijn of een stuk landbouwplastic als een deken over zich heengetrokken, hongerig, ja, ze waren natuurlijk hongerig, zo hongerig dat ze moesten huilen en er een traan over één van de sterretjes van de vrouw biggelde, waardoor die prachtig vergroot op haar wang aan het schitteren ging in het maanlicht.
Die stoel schrapte ik van mijn verlanglijstje. Kassakorting en/of gouden dukaten ten spijt. Wat een mens allemaal vergaart in zijn leven, dat is echt onverantwoord!
Op weg naar huis verzon ik wat ik met het niet uitgegeven geld zou doen.
Een tatoeage!








