Weer die wolven!

Goed, het hoge woord is eruit, de provincies willen de wolf niet meer. Er is gewoon geen plaats voor hem/haar. En zeker niet voor hem én haar, want dan heb je voor je het weet hele roedels in de bossen rondlopen en daar zijn ze veel te klein voor. De bossen bedoel ik.

Drenthe, Friesland, en Overijssel willen dat er leefgebieden worden aangewezen. In Europees verband. Het schijnt dat die wolven een broertje dood hebben aan onze grenzen en gewoon maar een beetje aanzwerven. Dat kan natuurlijk niet.

Ik vind zoiets schattig (ja, het is natuurlijk ook om gek van te worden, maar ik ben vandaag in een zonnige bui): ik zie al die gedeputeerden driftig discussiëren over wat er moet gebeuren, en dan komen ze met dit…

Leefgebieden.

Aanwijzen.

Als ik een wolf was, zou ik me doodlachen.

En eh… gedeputeerden zijn mensen die onze provincies besturen, ik zeg het maar even. Binnenkort kunnen we nieuwe kiezen. Ik ga me niet bemoeien met uw politieke voorkeur, maar kunnen we alsjeblieft creatieve denkers/doeners met ongebreidelde fantasie aan de macht helpen?

Maar goed, de bossen zijn dus te klein. Nou kom ik regelmatig in een bos, en dan valt mij op dat het er inderdaad altijd erg druk is. Maar niet omdat er overal wolven lopen, sterker nog, ik heb er nog nooit een wolf gezien.

Wel mountainbikers. Dat zijn jongens van acht die opeens 32 werden, een baan met een stropdas namen omdat er in hun streek geen lokale brouwerijen meer bijkonden, een huis lieten bouwen in een oude koekfabriek, auto’s kochten die zelf konden rijden, en allerlei andere dingen ondernamen die lekker ravotten met je matties in de weg staan. Hun oplossing daarvoor is dat ze op zondagochtend op de crossfiets door de bossen gaan raggen. Lekker even helemaal eruit!

Terwijl ze met hun vrienden die voor en achter hen rijden hardop allerlei zaken bespreken. Mannenzaken.

Ik vind dat irritant, want het is lawaai, maar vooral ook irritant omdat ik alleen maar flarden van de gesprekken hoor. Ja, bij mij is het alles of niets, het liefst hoor ik niks, behalve de standaard bosgeluiden, maar als er dan toch mensen luid met elkaar praten, dan wil ik wel weten wat ze zeggen.

Een bloemlezing van wat ik eergisteren hoorde: ‘en toen heb ik hem gewoon voor drie jaar geleast’; ‘Neem gewoon een Rottweiler, die zijn heel goed met kinderen’; ‘maar hoeveel procent krijg je dan?’; ‘we mochten die bomen niet kappen, dus daar waren we snel weer weg’; ‘je moet nooit over de A7 gaan, want dat is ‘s morgens de hel’…

En wat dies meer zij.

Hoewel deze tussen de bomen gebazuinde teksten onbegrijpelijk waren, maakte ik er wel uit op dat de mannen hun leven goed in de greep hadden. Sterker nog, het leven wás van hen.

Daar werd ik in het begin wel eens onrustig van, alsof ik ergens in het verleden een afslag of een memo had gemist, maar uiteindelijk heb ik veel aan die branieteksten gehad. Meestal wandel ik na zo’n trits zelfverzekerde stellingen opgelucht verder in de vrolijke wetenschap dat mijn verzet tegen de bourgeoisie waarmee ik als jongeling mijn leven betekenis gaf nog zo slecht niet was geweest.

Begrijp me goed, ik kijk niet op die mannen neer, maar laat ik zeggen dat ik liever wakker lig vanwege dat mijn zuurdesembrood ingezakt is tijdens het bakken, dan dat ik mezelf op zit te vreten in een auto in een file op de A7. Ik prijs mij gelukkig dat ik niet eens weet waar de A7 precies ligt.

Terug naar de wolven, die waarschijnlijk ook niet weten waar de A7 ligt, sterker nog, die niet eens weten waar Drenthe, Overijssel en Friesland liggen, laat staan dat ze straks weten waar hun aangewezen leefgebieden zijn.

Een van de gedeputeerden zei dat de wolven ons land veel verdriet hebben gedaan. Eh… waarom waren de wolven ook alweer verdwenen? Niet omdat wij zoveel lol met ze maakten. Ze huilen niet zomaar. We hebben ze verjaagd. Volgens mij zou het beleefder zijn om hun excuses aan te bieden in plaats van leefgebieden.

Dat gaat waarschijnlijk niet gebeuren, want er is al geeneens draagvlak voor de wolven, laat staan voor verontschuldigingen. Toch zit hem daar de kneep, we moeten het goedmaken met ze.

Laten we een voorbeeld nemen aan Hélène Grimaud, pianiste (creatieve denker/doener) een ‘wolvenhoedster’. In de documentaire ‘Living with wolves‘, legt ze uit waarom ze de wolven zo’n warm hart toedraagt en waarom wij dat ook zouden moeten doen. Ik ga hier niet herhalen wat ze zegt, laat het bij een citaat: ‘it is about having to give back and doing something responsible (…) it epitomizes the challenges of our relation with nature.’

Jammer dat ze niet meedoet aan de verkiezingen.

p.s. Omdat ik wat meer over wolven wilde weten, kwam ik terecht op de site ‘Wolven in Nederland‘. Daar las ik dat in 2015 de eerste ‘zekere wolf’ Nederland bezocht. Hilarisch jargon! Ik zag meteen ook de eerste ‘onzekere wolven’, die nog steeds niet in Nederland zijn, omdat ze niet weten wat te doen. Ze staan ergens bij de Duitse grens te twijfelen. Ik ga een van de mountainbikers vragen om ze op te halen, want twijfelen, dat doen die mannen nooit.

p.p.s. De foto van de wolf is van Wikimedia Common.

Pakje

Van huis uit was ik altijd dol op pakjes, maar de pakjesbezorgdiensten die ze bij mij zouden moeten brengen hebben dat goed vergald.

Ja: ‘zouden moeten brengen’ (onleesbare opeenstapeling van werkwoorden – sorry).

Mijn pakjes zijn namelijk altijd zoek. Bizar genoeg. Want hoe kan een pakjesbezorgdienst ze nou in vredesnaam altijd kwijt zijn? Logisch gezien zou die dan niet moeten bestaan, maar het tegendeel is waar, het sterft van de pakjesdiensten. En allemaal hebben ze ondoorgrondelijk logistieke processen voor de pakjes. Zouden hun managers op een of andere heidag bekeerd zijn door een goeroe die hen in de zweethut heeft laten dromen over de reis in plaats van de bestemming?

Dat is dan goed gelukt, want aan reizen geen gebrek. En dan heb ik het niet alleen over de reizen van de pakjes. De laatste keer dat ik iets zou ontvangen, heb ík de halve stad doorkruist om een pakje te zoeken dat naar een afgelegen (en onvindbaar) ophaalpunt zou zijn gebracht.

Dus niet. Het was daar niet en ook nooit geweest.

Terwijl de vrouw van de winkel nog eens naar achteren liep, vergaapte ik mij aan de spetterende Marokkaanse trouwjurken die ze verkocht. Ik ben niet the marrying kind maar ik stond op het punt om daar anders over te gaan denken.

Dat is dan weer wel het leuke van ophaalpunten, dat zijn altijd winkeltjes waar ik niet in durf en waar ik dan toch binnenstap. Een van mijn makkes is namelijk drempelvrees. Maar omdat ik achter mijn pakje aan ga, moet ik uiteindelijk wel zo’n winkel binnen om er dan altijd blij verrast uit te komen, zelfs als het onverrichter zake is, want het zijn geweldige winkeltjes die al even geweldige dingen verkopen. Alles schreeuwt erom gekocht te worden, met uitbundige kleuren en vrolijk roepende woorden die onbegrijpelijke beloften doen die ik meteen geloof. En de winkeltjes ruiken ook zo lekker. Mijn dichtst bijzijnde ophaalpuntwinkeltje ruikt naar salmiak. Fijne jeugdherinnering.

De eigenaar van de zaak is even relaxed als ik gespannen. Meestal schudt hij zijn hoofd al als hij mij ziet binnenkomen, want hij weet wie ik ben en hij heeft in het magazijntje achter in zijn winkel geen pakje voor mij. Mijn bewering dat ik toch echt een bericht daarover heb ontvangen, wimpelt hij op vriendelijke toon af met het advies om verhaal te halen op de website of in de app van de pakjesbezorgdienst.

Dan moet ik alweer een drempel over, namelijk de mens-machine scheidslijn, om een absurde conversatie (chat is het moderne woord) te voeren met een tekstrobot genaamd Tracy. Pun Intended, vrees ik. Hoe sneu is het dat een pakjesbezorgdienst haar chatbot Tracy noemt!? In het Nederlands: Zoekie!?

Ik ben een mens en ik verlies mijn geduld als Tracy voor de zoveelste keer vraagt: ‘Ik begrijp dat je pakje vertraagd lijkt. Heb ik dat goed begrepen?’ Let vooral op het woordje ‘lijkt’. Ik was al een week naar mijn pakje op zoek en drie keer bij het ‘aangegeven’ ophaalpunt geweest, maar toch een slag om de arm houden en suggereren dat het misschien wél op tijd is.

Ik weer terug naar het winkeltje. Op een zaterdagmiddag. Dat is dom, want dan is het druk. Het is altijd al verbazingwekkend dat er überhaupt mensen in het winkeltje passen, maar nu is het nog verbazingwekkender. Ik sluit achteraan in de rij, die er alleen maar is omdat het de enige manier is om met een zestal mensen in het winkeltje te wachten. We kunnen niet op of om.

Ho, nou lieg ik, want achter in de winkel krijgt een man het voor elkaar om samen met zijn zoontje een sprei voor een twee persoonsbed uit te vouwen om te zien of het wel de goede maat is. Misschien wel, misschien niet, dus ze besluiten het er niet op te wagen en proppen de sprei terug in de verpakking.

Dan ben ik aan de beurt. Ik mag zelf mijn naam in het apparaatje van de man typen. Hij schudt weer eens zijn hoofd. Dat doet hij ook als ik mijn voornaam en de naam van mijn straat en de code van achttien (18!) cijfers en letters typ. Het pakje is er nog steeds niet.

Dat wil zeggen, het is niet gescand. Een subtiel verschil dat in deze moderne tijd onoverkomelijk is. We zijn inmiddels met z’n allen zover dat we niet alleen allerlei taken aan apparaatjes overlaten, maar ook verantwoordelijkheden. Dat het pakje zoek was, lag aan het apparaatje.

Dat het pakje er heus wel kan zijn terwijl mijn naam niet in het apparaatje staat, is old school logica die niet meer telt. Dat de man des ondanks nog eens op zoek gaat naar mijn pakje is gewoon omdat hij aardig is, aardig voor die meneer met zijn grijze baard die het allemaal niet snapt.

Intussen wil ik dat ook helemaal niet meer, zodat ik ook niet hoef te begrijpen welke strategie de man volgt in zijn kleine magazijn. Hij plukt lukraak pakjes van planken en zet ze op andere planken weer terug nadat hij de adresstickers gelezen heeft. Intussen roep ik een paar kenmerken van het pakje naar hem toe, grote, kleur, afzender, et cetera.

Tot verrassing van de aanwezigen blijkt achter/onder de sprei een vrouw in een witte tuinstoel te zitten die druk aan het telefoneren is. Haar woorden komen tevoorschijnals een zwerm duiven en fladderen even rond tot de vrouw stil is en naar de persoon aan andere kant luistert.

De man van de winkel luistert niet, maar scandeert mijn achternaam, alsof hij verwacht dat een van de pakjes ‘present!‘ zal roepen. Ik kijk verlegen achterom naar de mensen in de rij. De vrouw in de tuinstoel schaterlacht aanstekelijk. ik zet mijn hoed af en wis het zweet van mijn voorhoofd. De vader en zijn zoon halen een tweede sprei uit de verpakking. Ik ga op een grote baal rijst zitten, staar naar de enorme pakken waspoeder tegenover mij in een wandrek en denk aan de legendarische hut-scène uit A Night in Casablanca van de Marx Brothers. Intussen galmt de man nu mijn achternaam, de mensen in de rij zingen met hem mee. Het wordt een dolle boel en ik heb het gevoel dat ik jarig ben.

Nou alleen het pakje nog, denk ik heel toepasselijk, en vol hoop, want iedereen lacht naar mij.

Dan gaat de bel. De bel? Ik rol uit mijn leunstoel.

Eek!

Even later doe ik slaperig de voordeur open. Mijn overbuurvrouw.

‘Is dit misschien voor u?’ vraagt ze. ‘Het staat al dagen bij ons in de gang.’

Ik ben niet the marrying kind, maar ik heb haar toch ten huwelijk gevraagd.

De foto is van Wikimedia Commons.

Vandaag in de natuur

Op het centraal station van Utrecht, of eigenlijk net daarbuiten, aan het begin van de winderige promenade die ze aan de Seijpesteinkant hebben aangelegd, hangt een bord met van die kleine ledlampjes om letters mee te vormen, waar iets of iemand teksten over gebeurtenissen in de natuur vertoont, vreemde boodschappen waarvan ik, als ik geen gezond verstand had en daarbij een beetje wantrouwig was of argwanend (ik wist even niet welk woord ik nou het mooiste vond dus ik heb ze alle twee maar opgeschreven, misschien dat ik er later nog een schrap, en anders doet u het maar) meteen zou geloven dat het codetaal was van een geheime afdeling van de spoorwegpolitie, hoewel ik niet geloof dat de spoorwegpolitie geheime afdelingen heeft, of fake news van door China betaalde Russen die Baudet in het zadel hebben geholpen en houden met dit soort wartaal – wat ik eigenlijk wel logisch zou vinden, want hoe zou anders zo’n hooghartig glanzende prins ongestoord op het tweede kamer-pluche kunnen blijven zitten?

(Eh, sorry voor die lange beginzin, ik kon het einde niet vinden en toen de zin er eenmaal stond vond ik hem eigenlijk wel mooi. Lees vooral door.)

Maar gelukkig heb ik een gezond verstand en ben ik altijd van goed vertrouwen. Dus de mededelingen zijn geen code, nee, ze betekenen gewoon iets. Daarmee bedoel ik: ze zeggen iets over de werkelijkheid.

Maar wat?

De mededelingen beginnen altijd met de datum en dan ‘Vandaag in de natuur:’ en dan iets als volgt: ‘Braakliggende terreinen en wegbermen kunnen rood kleuren van de klaprozen.’

Dat klinkt als een bijwerking van een of andere ingreep van rijkswaterstaat. Maar niets om je ongerust over te maken. Ik krijg In ieder geval niet de neiging om meteen naar een vergeten stuk land te rijden om te zien of alles nog goed gaat.

Hm…

Nog een: ‘Jonge zwaluwen zijn zo groot dat ze het nest verlaten’. Die vind ik alarmerender. Die zwaluwen gaan niet uit vrije wil het huis uit. Ze moeten wel, want ze passen er niet meer in. Ze tuimelen gewoon over de rand . Maar goed, Ik ga de dierenambulance niet bellen om ze te laten opvangen. Daar is geen beginnen aan. En trouwens, de natuur moet haar beloop hebben. Wij mensen moeten ons niet overal mee bemoeien.

‘De eerste houtsnippen arriveren voor de overwintering.’

Wacht, misschien moeten we toch iets doen. Iemand moet die vogels welkom heten, toch? Anders komen ze volgend jaar niet meer, gaan ze naar een ander land. Ik stond onder dat bord en keek rond, maar niemand leek aanstalten te maken om ze ergens op te gaan wachten. Snap ik eigenlijk ook wel, want waar moet je zijn? Misschien zijn er andere dieren die dat weten en de houtsnippen onthalen. Dat zou ik wel mooi vinden van de natuur. En nog een goede reden voor de mensen om er buiten te blijven, figuurlijk dan.

Wat me opeens doet denken aan een heus nieuwsbericht over een mevrouw die aangevallen was door een everzwijn. In Meerssen, Limburg. Het gebeurde afgelopen week toen zij zeven honden aan het uitlaten was.

Zeven!

‘Levensgevaarlijk’, vond de mevrouw. Dat zwijn dan. Die zeven honden zijn misschien ook levensgevaarlijk, daar durf ik wel een theorie over op te zetten, maar laat ik het bij dat zwijn houden. ‘Daar moet iets aan gedaan worden,’ zei ze. Verbolgen.

Serieus? Wat dan?

Ik heb al heel snel last van beroepsdeformatie, dus ik zag die mevrouw meteen een locatieverbod voor die beesten bepleiten bij de provincie. Dat is met de huidige technologie vast wel te organiseren. Ieder zwijn een enkelband en dan speciale boswachters om in de gaten te houden of alle zwijnen wel netjes binnen hun digitaal afgezette gebied blijven. (Ik hoorde een hilarisch lawaai van toeters en bellen die de hele dag afgingen.)

Maar waarom alleen everzwijnen? (Ik combineer mijn beroepsdeformatie vaak met een levendige fantasie, zodoende ben ik strategisch adviseur geworden.) Er zijn nog veel meer dieren die mensen belagen. Ik herinner mij de eikenprocessierups, een uil in Noord-Holland, en laat ik het niet over de wolven hebben, die tot verbazing en ergernis van alle rechtgeaarde mensen ons land zijn binnen komen lopen alsof ze hier al jaren wonen om vervolgens onaangekondigd en lukraak te hervatten waar ze een eeuw geleden mee waren gestopt, namelijk dat wat in hun aard ligt.

Laat me niet lachen. We moeten helemaal niets aan die zwijnen doen! Zodra die mevrouw ook maar ergens opduikt met een petitie om die zwijnen aan banden te leggen (no pun intended) sta ik klaar met een wetsvoorstel tegen groepsgewijze uitlaat van honden. Of zoiets.

De reactie van de gemeente was trouwens lekker down to earth: er zijn nu eenmaal zwijnen en die doen niks, behalve als ze zich opgejaagd voelen. Mij dunkt dat een roedel van zeven honden een mooi voorbeeld van opjagen is. Dus laat die mevrouw maar thuisblijven!

Wacht, ik weet nog iets beters. Laten we haar ervaring opnemen in de mysterieuze mededelingen op het centraal station van Utrecht (‘Vandaag in de natuur: wilde zwijnen vallen een vrouw met zeven honden aan’.) Utrecht is wel een eind uit de buurt, maar samen met de borden die de gemeente Meerssen gaat plaatsen (‘Kijk uit voor wilde zwijnen’ of iets van gelijke strekking) moet het helemaal goedkomen.

Met de mensen.

Writer’s block (en een poging om eruit te komen)

De twee mannen die ontspannen op hun sturen leunden, fietsen frontaal tussen hen in, zwegen. Oude kennissen, leek mij, die elkaar hier op een paadje in het park waren tegengekomen. Ze hervatten hun gesprek met de unisono conclusie dat ‘dit verhaal’ alleen maar verliezers had. Ze knikten er bij alsof ze niet alleen het verhaal, maar ook de verliezers goed kenden. Ik ging iets verder op een bankje zitten.

Op gehoorsafstand.

Ja, als je na een paar maanden writer’s block opeens vermoedt dat je eindelijk weer eens iets om over te schrijven op het spoor bent, mag je wel een keer je medemensen onfatsoenlijk afluisteren. Of misschien niet, maar ik zat al en het leek me vreemd om nu met mijn vingers in mijn oren op een bankje in een park te gaan zitten. Dan zou ik helemaal de aandacht van die mannen trekken. En zouden ze mij misschien wel ter verantwoording roepen. Terwijl ik nog helemaal niets gehoord had! Nee, dan kon ik beter uitleggen waarom ik hen had afgeluisterd nadát ik iets gehoord had.

(ik heb trouwens geen flauw idee hoe ik in een writer’s block terecht kwam. Opeens was ik er, of was het block er. Of nou ja, ik zag het wel aankomen, want ik had veel dingen aan mijn hoofd die al het andere verdrongen. Grote gedachten over van alles, waaronder het leven zelf, het zal eens niet.)

Eh…

Ik vroeg mij af of dat eigenlijk wel kon, dat iedereen verliest. Kennelijk. Maar om één of andere reden zat het me niet lekker. Het was zo moedeloos. Alsof er niets anders op zat dan te berusten in het noodlot. Veel te gemakzuchtig, vond ik opeens.

Ja, gemakzuchtig (wat dan weer een nogal arrogante bewering is van iemand die geen fatsoenlijk woord op papier krijgt en dat writer’s block noemt om toch íéts de schuld te kunnen geven).

‘Maar goed,’ gingen de mannen verder alsof ze mij gehoord hadden, ‘wij hebben makkelijk praten. Probeer de draad maar weer eens op te pakken als je zoiets hebt meegemaakt.’

Ik wist niet wat er meegemaakt was, maar wel dat de draad weer oppakken ook zonder dat je iets hebt meegemaakt een hele toestand kan zijn. Een opgave, om het eens in beleidsjargon te zeggen. Sterker nog, probeer maar eens door te gaan als er helemaal niks gebeurd. Als je níéts meemaakt. Een hels karwei, want er komt geen eind aan. Tenzij er dus iets gebeurt. En zegt u nou niet dat je dan zelf iets moet laten gebeuren, want dat is de hele makke, dat je met twee linkerhanden staat te kijken naar de stilstand als een aap naar een defecte handmixer.

‘Alleen maar verliezers’ is misschien nog erger dan tweede worden, besefte ik, omdat je dan geeneens jaloers op de winnaar kunt zijn. Soms helpt dat: afgunst. En als je dan alleen maar verloren hebt door het noodlot of nog ongrijpbaarder, door het bestaan in het algemeen, valt er nauwelijks ergens troost uit te putten. Je hebt verloren, punt.

Ho, wacht! Eigenlijk een fout woord, ‘verliezers’! Of nee, denken dat het om een wedstrijd gaat, dát is fout! Mijn fout om precies te zijn. Of misschien ook wel van die mannen, of misschien wel van iedereen, maar ík heb het hier opgeschreven, dus laat ík de schuld maar op me nemen.

Sorry dat ik u op het verkeerde been zette. Vergeet al het voorgaande.Er zijn geen verliezers. En ook geen winnaars. Hou dat vast!

Hoera!

Opeens moest ik aan mijn ongeluk denken. Ja, dat komt voor u misschien uit de lucht vallen, maar voor mij niet, want er zijn van die dagen dat in mijn hoofd alle wegen naar Rome leiden, als het ware, in mijn geval dus naar een bocht in de dijk bij Lexmond, tegenover nummer zoveel aldaar (ik weet heus wel welk nummer het was, maar het lijkt me niet netjes om dat hier te noemen), waar bizar genoeg een jonge verpleegkundige woonde (een week daarvoor met vlag en wimpel afgestudeerd!) die samen met enkele voorbijgangers (waaronder ook weer een verpleegkundige, een ziekenautoverpleegkundige nota bene) zich over mij ontfermde en over de man die mij had aangereden, dat wil zeggen, ontfermen was het bij die laatste niet echt, want ze was heel erg boos op hem, vertelde ze me later, en gaf die man zijn vet, waarna ze zei dat hij ook wel eens wat mocht doen, bijvoorbeeld ervoor zorgen dat ik in een goede houding bleef liggen (stabiele zijligging), wat hij dus deed, onbeholpen waarschijnlijk, want hij was zo te zien dan wel ongedeerd (hoorde ik later van een politie agent) maar ook in shock (bleek twee jaar later in de rechtszaal) en durfde mij nauwelijks te zien, bang dat zijn blik op iets verschrikkelijks zou stuiten, laat staan dat hij mij dorst aan te raken, wat het des te dapperder maakte dat hij ten slotte mijn hand pakte en zijn andere hand op mijn schouder legde, mijn schouder die helemaal aan gort was, maar dat wisten we toen nog niet, en zo naast mij bleef zitten tot de ambulance kwam.

‘Alleen maar verliezers’, herhaalden de mannen. Of: ‘alleen maar slachtoffers’.

Dat weet ik niet goed meer (wat ze precies zeiden bedoel ik) en dat deed er opeens niet meer toe, want ik zat (lag) nog met mijn gedachten op de dijk bij Lexmond. Ik herinnerde mij hoe zacht het gras van de berm was geweest en hoe overweldigend langzaam de wolken boven mij voorbij waren gedreven tot opeens de zon weer tevoorschijn kwam.

Ruimte

‘Goed, nu geef ik hem dus meer ruimte,’ zei de vrouw tegen haar reisgenote (we zaten in de trein). Die knikte begripvol. ‘Waar ik kan,’ voegde de vrouw toe.

Quod non, dacht ik (ja, pedant, dat Latijn, maar dat was in mijn hoofd en daar sta ik het mezelf soms toe, want anders krop ik het maar op). Dat ‘waar ik kan’ leek me namelijk een nogal rekkelijke grens van die ruimte, waar de vrouw naar eigen smaak mee kon doen wat ze wilde. De ruimte die ze gaf kon ook meteen weer nemen als het toch niet zo goed uitkwam. Dan kun je volgens mij net zo goed niks geven, want wat heeft een ander aan ruimte waar die niet zeker van kan zijn? Ik zou niet uitgebreid gaan leven als beperking voortdurend op de loer lag. Ik zou het houden bij de ruimte die ik had. Maar ja, ik ben helemáál niet avontuurlijk. Een ander zou waarschijnlijk grijpen wat hij/zij kon en maar zien waar het schip strandde.

Wat mij betreft had die vrouw het dus alleen maar erger gemaakt. Ze gaf helemaal niet meer ruimte, ze veroorzaakte verwarring en onzekerheid. Geen goede voorwaarden voor eens lekker breed leven.

Maar goed, ik had nog een hele reis voor de boeg en ik had geen zin om daar een hele ongemakkelijke reis van te maken, dus ik hield mijn mond.

Toch zat het me niet lekker, dat begrijpt u wel, en ik kon natuurlijk niet stoppen met erover na te denken. Ik had veel vragen. Mijn eerste was: wíé gaf ze meer ruimte? En mijn gok was: haar man. Ja, klassieke en niet zo bijster creatieve keuze, maar andere gegadigden voor extra ruimte zag ik zo 1, 2, 3 niet, hoewel ik nog wel even aan een huisdier heb gedacht, een grotere kooi voor de cavia bijvoorbeeld, maar dat leek me bij nader inzien geen serieus gesprek met een vriendin waard.

Vandaar dat ik op haar man kwam. Die voelde zich misschien bekneld door hun relatie. Altijd maar samen leuke dingen doen, dat was hem opeens te veel geworden. Hij wilde ook wel eens gewoon niks doen. Dat willen mannen wel eens. Niks doen. Kunnen ze goed. (Voor wat het waard is, ik ben er echt heel slecht in.)

Eh… Probleem, en een tweede vraag: Heb je ruimte nodig om niks te doen? Logischerwijs zou ik zeggen van niet, niks is precies nul ruimte, maar die man voelde dat waarschijnlijk toch anders. Denk ik. Zonder dat hij dat goed kon uitleggen. Ik kon me dan ook voorstellen dat ze daar in lange gesprekken veel tijd mee hadden verspild, met urenlange haarkloverij over waar hij de ruimte voor nodig had.

Dat was toevallig ook mijn derde vraag. De vrouw leek mij wel iemand die een lijstje van activiteiten wilde hebben om te bepalen hoeveel ruimte ze moest geven. Niet iemand die ‘niks’ zou accepteren als een geldige activiteit om in de grotere ruimte te beoefenen.

Ze was er nog moe van hoorde ik aan haar stem. Die ruimte had ze ten langen leste dan maar beloofd, ondanks dat ze er weinig fiducie in had. Haar man zou die ruimte gaan verprutsen, ze zag het zo voor zich.

Haar reisgenote zag dat ook, maar had niet de tact om het er bij te laten, dus vroeg: ‘maar wat gaat hij dan doen met die ruimte?’

‘Nou ja, dat vond ik dus eigenlijk best wel moeilijk,’ antwoordde de vrouw. En toen kwam het hele verassende verhaal eruit, een nogal persoonlijk en intiem verhaal dat ik zelf niet ten overstaan van een volle treincoupé aan vriend of vriendin zou hebben toevertrouwd.

Ik checkte nog eens de ritsen van mijn koffer en schoof het ding en paar keer naar links en rechts. Iets anders kon ik niet verzinnen.

‘Meneer, kunt u die koffer misschien ergens anders zetten?’ vroeg de vrouw aan mij, ‘ik kan geen kant op!’

En toen moest ik zo nodig weer pedant doen, maar niet alleen in mijn hoofd.

‘In het leven gaat alles over ruimte, behalve in de ruimte zelf, daar gaat het over macht,’ zei ik.

Kan zo op een tegeltje, en daar dan een foto van op LinkedIn. Het was een variant op een al even vage en discutabele wijsheid, waarvan niemand weet wie die bedacht heeft: ‘Alles in het leven gaat over seks, behalve seks. Seks gaat over macht.’

Ik had er niet op gerekend dat de vrouw even pedant was als ik en dus meteen mijn parafrase doorhad. Ze keek me aan alsof ze me eigenlijk best wel wilde vermoorden en stond op.

Vijf minuten later had ik vier zitplaatsen voor mijzelf en mijn koffer. Maar geen flauw idee wat ik met al die ruimte aanmoest. Want ik ben helemáál niet avontuurlijk.

Toch nog een ongemakkelijke reis.

De foto is van NASA: http://hubblesite.org/newscenter/archive/releases/2014/27/image/a/

Brutaal

‘Nou ja, alsof wij zo makkelijk waren!’ zei de jongeman tegen de mevrouw, die kennelijk zijn moeder was, want hij herinnerde haar ter illustratie meteen aan enkele voorvallen uit zijn jeugd waaruit bleek dat hij en zijn broer ook geen lieverdjes waren geweest.

Zijn moeder hoorde het met tegenzin aan, alsof ze die verhalen al zo vaak had gehoord en al even vaak had gezegd dat er niets van waar was. Ze schudde haar hoofd. Verveeld.

De zoon werd nu echt een beetje boos, want hij vond dat zijn moeder ‘reuze onheus’ deed. Ze moest niet zo onverzoenlijk oordelen over een kleinkind – dat pas vier was notabene ! – omdat het naar haar zin te brutaal was. Hij zelf vond ook dat het kind (niet zijn kind, waarschijnlijk een nichtje) weliswaar brutaal was, ‘maar op een goede manier’.

Terwijl ik mij nog aan het afvragen was wat het verschil was tussen brutaal op een goede en op een foute manier, verhief zijn moeder haar stem om nogal luid ‘Nee!’ te roepen. Her en der keken mensen verschrikt op, maar dat maakte haar niet uit. Ze ging verder: ‘Jullie waren echt ideále kinderen. Gehoorzaam. En helemaal nooit brutaal.’

De zogezegde gebeurtenissen waar de jongeman het over had, kon zij zich ook niet herinneren. Maar na enig aandringen van haar zoon, die levendig en met een fijn oog voor details de scenes verder inkleurde, gaf zij toe dat die dingen inderdaad waren gebeurd, maar dat ze niet te vergelijken waren met het obstinate gedrag dat het kleinkind te pas en te onpas liet zien.

‘Nee!’ herhaalde ze. Onvermurwbaar. Ze deed alsof er een rilling over haar rug liep. Het idee alleen al, haar kinderen brutaal!

De vader hield zich intussen afzijdig. Haast letterlijk, want hij zat min of meer dwars op zijn stoel en keek weg, naar niets in het bijzonder, ergens in de verte.

‘Zeg jij nou ook eens iets, Gerard,’ zei zijn vrouw, ‘waren de jongens vroeger brutaal?’ Hij hoorde haar niet. Of deed alsof hij haar niet hoorde, daar kwam ik niet achter, want wat hij ook deed, hij deed het erg goed. De vrouw bekeek hem een paar tellen, opende haar mond om nog iets te zeggen, maar slikte het weer in.

Toen kwam er een vrouw vragen of ze al een keuze hadden gemaakt. Ze leek op mijn nicht Vivian, vooral in haar doen en laten.

Hoera!

(Riep ik in gedachten tegen mijzelf, want de stilte die inmiddels was gevallen, kon ik echt niet aan. Dit heb ik weer, dacht ik, ga ik naar buiten om eens onder de mensen te komen, kom ik naast een tergend familiedrama terecht. En met mijn nicht Vivian kun je lachen, dus misschien kwam het toch nog goed.)

Op een of andere manier had Vivian (zo noemde haar maar, want dan werd het meteen spannend) ook meteen in de gaten hoe het zat. Ze zei ‘een keuze gemaakt‘ op zo’n toon dat je meteen kon horen dat ze er geen fiducie in had. Dit wordt gedoe, hoorde je haar denken.

‘Jij mag het eerst zeggen wat je wilt,’ zei de moeder feestelijk tegen haar zoon, ‘het is jouw verjaardag.’ Ook dat nog. Ik weet niet waarom, maar dat leek het allemaal nog veel erger te maken. Na lang denken ging hij voor de appeltaart. Hij staarde naar de tattoo op de onderarm van de Vivian.

‘Met slagroom?’ vroeg ze.

Hij knikte. Zij glimlachte. Grijnsde. Of nee, iets ertussenin. Hoe dan ook, hij bloosde. Tóén grijnsde ze.

‘Oh, nee, laten wij dat maar niet doen, hè Gerard? Dat is veel te vet voor ons..’

De man schrok op. Zweeg. Vivian keek hem aan. Monter. Ze pakte de kaart van de zoon af, jarig of niet, en gaf die aan zijn vader.

‘Waar heeft u zin in?’

De man bloosde ook. En als ik niet een tafeltje verderop had gezeten, en mijn nicht Vivian goed kende, zou ik ook gebloosd hebben.

‘De brownies zijn awesome!’

‘De… wat?’

‘Brownies Gerard!’ herhaalde zijn vrouw. ‘Ze zegt dat ze lekker zijn.’ De man knikte. ‘Denk je wel aan je maag? Straks slaap je weer zo onrustig!’ Hij knikte nog eens.

‘The next best thing. Chocolade,’ zei Vivian.

‘To what?’ vroeg de zoon opeens érg nieuwsgierig, bijna gretig.

‘To anything you want but cannot get,’ zei Vivian. ‘Het is universele troost. Werkt altijd.’

Glimlach.

Rood hoofd.

De moeder kuchte en bestelde voor haar en haar man kopjes thee zonder iets, het koekje dat erbij hoorde was echt genoeg snoepen voor vandaag. De man sloeg zijn benen over elkaar en staarde weer verder.

Een paar minuten later kwam Vivian terug met de bestellingen. Ze zette de dranken neer en midden op tafel een lange schotel vol met brownies.

‘Ja, dat leek me gewoon het beste,’ zei ze tegen het onthutste drietal. Brutaal, maar dan op een goede manier.

De foto is van Wikimedia Commons.

Niets

De afgelopen weken wist ik niets om over te schrijven. Ik bedoel, meestal vind ik altijd wel een grap of iets moois in wat ik zie of meemaak en daar schrijf ik dan over, maar nu zat ik alleen maar verbluft naar het nieuws te staren.

Als ik durfde.

Totdat ik in de krant las dat er haast geen klassieke antimilitaristen meer waren. Was ik opeens zeldzaam geworden.

De politieke partijen die gewapend geweld afzweren moet je al helemaal met een lampje zoeken. Ben ik nou de enige die dat verontrustend vindt?

Of ben ik ouderwets?

Daar ga ik niet vanuit. Ik vind dat je niemand dood moet schieten, ben tegen elke oorlog, en wapens zijn volgens mij dus zonde van het geld. Als dat ouderwets is, dan ben ik dat maar. Ik heb er inmiddels de leeftijd voor, dat scheelt weer.

Terwijl ik boven de krant over de schoonheid van dit soort eenvoudige en vuurvaste standpunten aan het mijmeren was, vroeg ik me opeens af of ik mijn gebroken geweertje nog ergens zou hebben. Hmm…

Zoiets moet ik mij nooit afvragen, want dan rust ik niet voor ik het gevonden heb, of voor ik definitief hebt vastgesteld dat ik het ergens in voorbije jaren ben kwijtgeraakt. Dat het bijvoorbeeld nog op de revers van mijn zwarte corduroy manchester jack (standaard uitrusting van de jaren 80-activist) zat toen ik die jas bij een verhuizing aan een huisgenoot naliet. Maar dat wilde ik dus zeker weten.

Ik op zoek.

Ik weet niet hoe dat u vergaat, maar als ik een relict uit het verleden zoek, moet ik opeens ook aan allerlei andere onvindbare spullen uit ongeveer dezelfde tijd denken, of aan spullen die er volgens mijn verstand kennelijk op een andere manier mee te associeren zijn.

Daarom wilde ik plotseling ook weten waar toch dat lieve kleine massief zilveren aapje zou zijn dat ik voor mijn 16e verjaardag vroeg (en kreeg) omdat een groot deel van de aanschafkosten aan het wereld natuurfonds geschonken zou worden. Ja, ik was al politiek bewust voordat de term bestond. Nu vind ik dat eigenlijk een beetje sneu, al weet ik niet waarom. Het was een of andere vroomheid waar ik nu een beetje ibbel van word.

Goed, dat chimpanseetje vond ik niet en het gebroken geweertje ook niet. Ik verdreef de gedachte dat dit misschien symbolisch was. Ik vond wel twee sleutelhangers die mijn kinderen hadden gemaakt voor vaderdag. En de allereerste luierspeld die mijn allereerste luier bijeen had gehouden. En nog een hele hoop andere parafernalia uit mijn verleden waar ik weemoedig van werd, nog weemoediger dan ik al was.

Ook al omdat ik aan een liedje van Tom Waits moest denken, Soldier’s Things, wat me weer terug bij de vermaledijde oorlog bracht, en dan bij een soort gewone-mensen-versie van het Militair-Industrieel Complex, een fenomeen dat wij in de jaren 80 vaak als een monsterlijke bedreiging in de eindeloze discussies voorafgaand aan een actie (axie!) in de groep gooiden om te rechtvaardigen wat we van plan waren. Dat hielp mij meestal tot ik oog in oog stond met de vertegenwoordigers van dat complex, vaak gewone mensen net als ik, maar dan aan de andere kant van een hek.

Dat was ongeveer even absurd als de (koude) oorlog waar ik tegen was.

Wat me uiteindelijk ertoe bracht om geheel tegen mijn natuur in alle intellectuele rimram uit het geharnaste (pun intended) anti-militaristische discours (dat is een jaren 80-woord voor narratief) te slopen tot ik overhield wat ik hierboven al opschreef: niemand doodschieten, geen oorlog voeren, wapens zijn zonde van het geld.

Dat zei ik uiteindelijk ook toen ik in dienst moest. In de jaren 80. Tegen een met koorden en kwastjes en tressen behangen officier. Hij was het niet met mij eens.

Vervolgens natuurlijk een hoop gedoe, maar dat was het me wel waard.

In die zin

Negen bewegende pasfoto’s op het scherm van mijn iPad en één ervan schuift naar de pole position (links boven), de miniponem van de voorzitter, die eerst vrolijk een halve minuut naar lucht hapt tot we allemaal roepen dat hij zijn microfoon aan moet doen en dan vervolgens (waarschijnlijk nog eens) opgewekt roept dat hij blij is dat we allemaal op zo’n korte termijn konden aanhaken. Hij legt uit wat de bedoeling van de bijeenkomst is en zegt twee keer zonder dat duidelijk is waarom: ‘in die zin’.

Hm.

Opeens zegt iedereen te pas en te onpas ‘in die zin’. Waarom is dat? Ik vraag me dan iedere keer af: in welke zin? Of: is er ook een andere zin? Kan ik er een kiezen, of een paar zinnen vergelijken?

Nee.

Even voor de duidelijkheid, ik bedoel dus met ‘zin’ geen “serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen”. (Ja, een hele nare definitie, maar ik kon even niks anders vinden.) Nee, ik bedoel dus ‘zin’ als een ander woord voor ‘opzicht’ of ‘oogpunt’.

(Als ik lang naar deze woorden kijk, vind ik ze vreemder en vreemderder* — vooral oogpunt — en vraag ik me ernstig af of ik u met deze blog ga helpen, maar lees toch vooral door.)

Maar ‘in die zin’ gaat nooit over opzichten of oogpunten. Je zou verwachten dat er na ‘in die zin’ een specificatie volgt, uitleg van ‘die zin’ (het opzicht/oogpunt), maar die komt nooit. ‘In die zin’ is een tussenwerpsel, maar dan zonder functie, een specificatie die niets specificeert. Het is meer een soort stopwoord. Zoiets als Johan Cruijffs ‘op een gegeven moment’.**

Wat mij doet denken aan de kapelaan van mijn oma’s parochie die enkele weken nadat mijn opa was overleden bij haar op bezoek kwam terwijl wij (ouders, zus en broer) er ook waren. Ik weet niet waarom ik mij die meneer nog herinner. Of wacht, natuurlijk weet ik dat, namelijk omdat die man dus ook steeds een zinloos tussenwerpsel gebruikte. Hij zei om de haverklap ‘net wat u zegt’. Waarschijnlijk had hij op de kapelanenschool geleerd om conflicten te vermijden (of positiever: harmonie te zoeken). Hij was het voor de zekerheid gewoon met iedereen eens. Denk ik.

Maar ik heb hem vooral onthouden omdat mijn vader en moeder nadat hij vertrokken was uit hun stoel vielen van het lachen omdat ze alle twee zijn tussenwerpsels hadden zitten te tellen.

Oh, dat klinkt raar. Maar goed, het staat er al. Die man hád dus geen tussenwerpsels (Joost mag weten hoe dat eruit zou zien, ik moet er niet aan denken), hij gebrúíkte ze. Dat klinkt misschien ook raar, maar iets anders kan ik er niet van maken.

Hoorbaar, trouwens. Dat tellen bedoel ik. Nee niet zo hoorbaar als bijvoorbeeld die omroepers bij dartwedstrijden, maar voor de goede verstaander redelijk te volgen gefluister. De kapelaan had trouwens niks in de gaten.

Naderhand hebben mijn vader en moeder nog lang geprobeerd om het gesprek te reconstrueren, want ze waren ieder voor zich op een ander getal uitgekomen, en aangezien mijn vader boekhouder was (nu heet dat controller), zat hem dat niet lekker. Cijfers moesten wel kloppen, of het nou een grootboekrekening of een simpele optelsom was.

Goed, terug naar dat tussenwerpsel ‘in die zin’. Wat moeten we daarmee? Ik zie enkele mogelijkheden: 1) verbieden (de favoriete maatregel van overheden die niets anders kunnen verzinnen om hun onmacht te tonen — oh dat is wel heel cynisch en venijnig, nou ja ik laat het staan hoor — maar dus niet mijn keuze, dat snapt u wel); 2) reguleren (ook een favoriet middel van… et cetera), te beginnen met: 3) opnieuw definiëren, zodat iedereen tenminste weet wat hij/zij zegt (dat is meer voor de dromers, want veel mensen willen dat helemaal niet weten).

U raadt het al, geen van die opties is reëel. Dus ik volgde de raad op van mijn moeder op. ‘Leg je hoofd er maar naast’. Bij nader in zien weet ik niet goed wat het echt betekent, maar ik begrijp het altijd als: ergens in berusten.

Dus dat deed ik, ik legde mijn hoofd ernaast. Letterlijk (betekent hetzelfde, maar is dramatischer).

‘Meneer Poort!?’

Huh? O ja, vergadering!

‘Heeft u iets voor de rondvraag?‘

Ik keek snel naar mijn aantekeningen. Die waren nog vreemderder dan ooit. Ik had kennelijk iets geturfd. Ja, natuurlijk! Ik telde snel alles bij elkaar op en zei (triomfantelijk): ‘achtendertig!’

Negen bewegende pasfoto’s die mij ongelovig aanstaarden. Had ik niet goed gerekend? Ik twijfelde. Maar gelukkig had de voorzitter gevraagd of de vergadering opgenomen mocht worden, zodat anderen er later nog eens naar konden kijken.

(Wie doet dat ooit?)

Ik dus, want ik ben dan wel geen boekhouder, maar wel een zoon van mijn vader. De cijfers moeten wel kloppen.

Achtendertig keer ‘in die zin’ tijdens een vergadering van één uur leek mij namelijk érg weinig.

* Vrij naar Lewis Carol (‘Curiouser and curiouser!’ said Alice). Soms ben ik ook zo verbaasd dat ik geen goed Nederlands meer kan schrijven.

** Leuk weetje: toen Cruijff in Barcelona ging voetballen vertaalde hij dat zinnetje gewoon letterlijk in het Spaans: en un momento dado. Hij wist niet dat die uitdrukking in het Spaans niet bestond en sterker nog, hij wist ook niet dat ‘dado’ eigenlijk alleen gebruikt wordt als het om God gaat, als Hij geeft.

Papadag

Peter kwam piepend en krakend tot stilstand. Zo voelde het tenminste. Hij bleef staan, de fiets tussen zijn benen, het stuur in zijn handen. Door het raam zag hij zijn vrouw in de huiskamer staan. Ze keken elkaar even aan voor zij naar de deur liep.

Even later haalde ze Jasper uit zijn stoeltje zodat Peter kon afstappen en de tas met spullen van de fiets kon pakken. De snelbinders werkten niet mee. Zijn fiets viel bijna om en toen hij hem probeerde tegen te houden, stootte hij met zijn scheenbeen tegen de trapper. Hij klemde zijn kaken op elkaar en wachtte tot de pijn wegebde.

‘Dag kleine man!’ riep zijn vrouw tegen Jasper terwijl ze hem optilde, ‘ben jij fijn naar de speeltuin geweest? En heb je lekker met de andere kinderen gespeeld? Met Zohra en Wesley en…’

Zij tilde hem iets hoger en keek langzaam van zijn blote voetje naar de grond. Terwijl ze rondkeek, zette ze hem op haar heup en nam ze zijn voetje in haar hand. Ze fronste haar wenkbrauwen.

Intussen lag de tas op straat. De rits was opengebarsten en er rolde een potje billenzalf uit, in de richting van de stoeprand. Peter ging er achter aan. Zijn fiets viel alsnog om. Hij keek naar het potje dat langzaam doorrolde en daarna naar zijn fiets. Hij koos voor het potje.

‘Waar is Jaspers rechter schoentje?’ vroeg zijn vrouw. Peter bukte en greep het potje. ‘Peter?’

‘Wacht even’, antwoordde hij. Oh ja, dat potje was erg vet geworden. Het glipte uit zijn hand en hobbelde verder. Onder een auto. Peter zuchtte en stond op. Hij staarde naar Jasper en toen naar zijn vrouw. Er was iets.

‘Zijn schoentje?’ vroeg zijn vrouw nog eens. ‘En zijn sokje trouwens ook.’ Peter keek rond. ‘Nee, hier ligt niks. Ik heb al gekeken. Hij zal alles onderweg wel ergens verloren zijn.’ Peter knikte. ‘Heb je niets gemerkt?’

‘Heb je zelf wel eens op vrijdag om half zes in de middag dwars door de stad gefietst? Ik ben al blij als we hier levend en heelhuids aankomen!’ Ho, dat kwam er gemener uit dan hij had bedoeld. Maar hij kon niks verzinnen om het te verzachten.

Jasper begon te huilen. Peter sloot zijn ogen, hij had opeens zin om mee te huilen. In plaats daarvan tijgerde hij onder de auto naar het potje zalf en gooide het in de tas, die hij voor de voeten van zijn vrouw op de grond liet ploffen. Daarna zette hij zijn fiets recht en stapte hij weer op.

Toen hij op de hoek van de straat was, hoorde hij hun voordeur dichtvallen.

Papadag, het woord alleen al. Dat klonk echt veel gezelliger dan het was. Overleven, dát was het. Met je hart in je keel opstaan en tot na het avondeten met de angst in je hart hyperventileren. Bijna overgeven. Zoiets. In geen van hun boeken over opvoeding had hij dat gelezen. Waarschijnlijk had hij een bijlage gemist. Of een voetnoot.

Hij fietste langzaam verder terwijl hij de andere kant van de straat scande. En nu maar hopen dat niemand heel hulpvaardig had gedacht dat schoentje ergens op een paaltje te zetten of aan een boomtak te hangen, want dan vond hij het natuurlijk nooit meer terug. Daar zouden regels voor moeten zijn: wat te doen met op straat gevonden kinderspullen.

Hé, wat doet die man daar? Peter remde en stapte af. Nou moe, hij staat bij Jaspers sokje! En hij maakt er gvd een foto van! Creepy!

‘Hé griezel! Dat is mijn sokje!’ riep hij, ‘eh, van Jasper, van mijn…’ De man keek op en groette hem. Peter wist opeens niks meer te zeggen.

‘Nee,’ zei de man toen ze tegenover elkaar stonden, ‘ik loop niet de hele dag kindersokjes te fotograferen, mocht je dat denken.’

‘Het ziet er anders wel zo uit!’

‘Ik fotografeer gewoon dingen. Als ik een verhaal achter iets zie, zet ik het op de foto.’ Peter bukte en raapte het sokje op. Toen hij weer verder wilde gaan, vroeg de man: ‘Ben je toevallig ook een schoentje kwijt?‘. Hij tikte op zijn mobieltje en liet Peter een foto zien.

‘Ja! Ja, dat is het schoentje van Jasper!’

En toen omhelsde hij mij, wat ik een beetje ongemakkelijk vond, want hij was twee koppen groter dan ik en mijn hoed zakte scheef, zodat ik er nogal verfrommeld uitzag. Maar waarschijnlijk was er niemand die op mij lette, want een boomlange vent die tranen met tuiten huilt op de schouder van een nietsvermoedende schrijver op zoek naar een verhaal, dat was al bezienswaardig genoeg.

Schaatsen

Nou, de Olympische spelen zijn begonnen hoor. Ik keek samen met mijn moeder naar het schaatsen. Omdat ik zelf geen tv heb en het lang geleden was dat ik integraal naar een sportprogramma had gekeken, was de tv-uitzending een grote verrassing. Wat een uitgebreide toestand maken ze daarvan, tegenwoordig!

Het kan door de strenge Chinese coronaregels komen, of door het Nederlandse chauvinisme, maar in de studio zaten zo ongeveer meer mensen aan tafel dan er in Peking op het ijs waren. Vier deskundigen maar liefst, die als een soort miniversie van het laatste avondmaal van Da Vinci aan een lange tafel zaten.

Bij de NPO hadden ze waarschijnlijk gedacht: wat minister Kuipers kan, kunnen wij ook, dus er stond een meneer bij een groot scherm vol staatjes en grafiekjes met rondetijden door de eeuwen heen, afgezet tegen de luchtdruk in China, de schoenmaat van de schaatsenrijders (m/v) en toonsoort van hun lievelingsmuziek.

De grote vraag bij de 5000 meter voor de mannen was wat Sven Kramer nog kon. De doorgestudeerde meneer had tekeningen van Svens houding en beweging gemaakt om te bewijzen dat deze sinds zijn eerste gouden 5K inmiddels 16 jaar ouder was.

Goh.

Een even serieuze als mysterieuze constatering bij de vergelijking tussen een oude en recente foto was: ‘kijk, hij gebruikte toen veel meer ijs!’ Ik vroeg mij af hoe Sven nu dan zou schaatsen. Met minder ijs leek mij niet geloofwaardig. Het antwoord bleef jammer genoeg in het ongewisse steken, zodat ik er tot diep in de nacht over na bleef denken.

De mensen aan de tafel wisten daarentegen wel precies wat je moest doen om te winnen. Ik geef hier een kleine bloemlezing van de tips: je eigen race rijden; pieken op het juiste moment; alles geven; de longen uit je lijf rijden; tot op de bodem gaan; vlak rijden; snelle rondetijden vasthouden; en last but not least: een goede tijd neer zetten. De beste tijd om precies te zijn, zei ik er achteraan, maar mij vragen ze natuurlijk weer niks.

Het woord waar iedereen zijn advies mee begon, heb ik voor de gein weggelaten: ‘gewoon’. Je kunt van die deskundigen zeggen wat je wilt, maar ze beheersen wel de kunst om gemeenplaatsen zo te brengen dat het lijkt alsof ze vertrouwelijke informatie prijsgeven. Zo vaak ‘gewoon’ zeggen en dan toch de indruk wekken dat je iets bijzonders mededeelt, chapeau!

Het is natuurlijk vooral interessant doen. Begrijp me goed, Ik wil de prestaties van sporters niet bagatelliseren hoor, maar het gaat er (gewoon) om dat je hard schaatst. En als je wil winnen, harder dan de anderen.

Maar dat vinden ze bij de televisie niet genoeg.

Commentatoren zijn daarom altijd op zoek naar twee dingen: verklaring en emotie. Met dat laatste hebben ze bij schaatsers enorme pech, want dat zijn allemaal nuchtere Friezen, Groningers, Drenten et cetera, die heus wel emoties hebben, maar lang niet zulke uitgebreide als de mensen van de tv willen. Een van de commentatoren deed dan ook een vreugdedansje toen Sven Kramer achteraf bekende dat hij zijn prestatie een beetje gênant vond.

‘Dus je schaamde je?!’ vroeg de interviewer ongelovig. Hij kon zijn geluk niet op.

Het was gewoon sneu.

Maar niet half zo sneu als de nabespreking van Roest zijn race. Met z’n vieren gingen ze verklaren waarom hij niet de beste was. Je zou denken dat het gewoon een kwestie van minder hard schaatsen was geweest, maar u snapt intussen wel dat zoiets veel ingewikkelder is.

Hoewel de deskundigen deden alsof het om een objectieve analyse ging, kwam de bespreking neer op een gemakzuchtig maar genadeloos vonnis. Alsof het al niet naar genoeg was voor Patrick dat hij verloren had, gingen ze zijn race nog eens nauwgezet ontleden om te checken wat hij fout had gedaan.

In plaats van medeleven en begrip voor Roest zijn teleurstelling te tonen, meenden de mannen aan de lange tafel dat het voor ons kijkers veel interessanter zou zijn dat zij handenwrijvend voor ons zouden uitrekenen hoeveel jaar Patrick Roest iedere nacht wakker zou liggen om zijn hoofd te breken over ‘waar hij die 0,4 seconden had laten liggen’.

Nee, smart delen was echt veel minder leuk dan vermenigvuldigen. Maal vier, om precies te zijn. Of nee, maal vijf, want opeens bleek er in het verre China ook nog een meneer te staan die vroeger geschaatst had en dus mee mocht praten. Hij wist ons hevig ontdaan te vertellen dat het allemaal ingeslagen was als een bom. Hij wist gelukkig wel waar die 0,4 seconden gebleven waren, namelijk ergens in de laatste 200 meter.

Ik was blij voor Patrick, want dan hoefde hij daar in ieder geval niet van wakker te liggen. Dat deed de meneer in China wel voor hem, want diens verdriet was niet te stelpen.

Dat kon natuurlijk ook altijd nog, gewoon zelf emotioneel worden…

‘Hé!’ riep mijn moeder. ‘Kun je je commentaar even voor je houden? Ik heb al genoeg aan die mannen daar! Schrijf het maar allemaal in zo’n blog van je op.’

Dus vandaar.

De foto is van Wikimedia Commons.