Opruimen

Het begon met een film waarin een Thaise vrouw besluit om het huis van haar ouders op te ruimen en te verbouwen, dit in weerwil van haar moeders wens en haar broers advies.
Je kan maar een missie hebben.
Het opruimen was een metafoor voor loslaten – ik kan het niet origineler maken – en dat lukt haar, enigszins. Ja, spoiler. Maar u moet die film toch niet gaan kijken, want hij eindigt met één langgerekt shot van de vrouw die één (1) traan huilt en dat is natuurlijk helemaal niet leuk.
Hoe dan ook, toen ik de ochtend na de film opstond dacht ik bij mezelf: opruimen. Los van de film had ik nóg een goede aanleiding. Ik had namelijk ook een nieuw bureau gekocht. De eenvoud zelf, een blad op een onderstel en in het blad een laatje.‘Geïntegreerd’ heet dat in foldertaal, wat een gluiperig woord is voor ‘weinig ruimte om iets in op te bergen’.
Geheel in lijn met veel van mijn andere aankopen had ik er eerst lang over nagedacht, om vervolgens zonder verder onderzoek in zes klikken dat ding te bestellen. Pas daarna vroeg ik me af of al mijn spullen in het laatje zou passen.
Eh… nee.
Ik ging moest dus mijn oude bureau uitmesten voor dat nieuwe kwam. Ik weet niet hoe u zoiets doet, opruimen bedoel ik, maar bij mij ontaardt zoiets altijd in een chaotische en uitdijende onderneming, waarbij ik kriskras door mijn huis loop zonder duidelijke bestemming en kasten open om niets anders te doen dan naar binnen te staren terwijl ik plannen van aanpak bedenk en gek word van mijn eigen argumenten voor de ene of de andere werkwijze.
Dit soort nutteloze activiteiten ging ik dit keer intomen volgens de principes van de vrouw in de film, die het weer had afgekeken van Marie Kondo. Dat is een opruimgoeroe uit Japan die zelf haar pony knipt. Ik ga hier niet haar zeven principes van het opruimen citeren. Ze komen er op neer dat je niet moet doen waar je heel veel zin in hebt, zoals facturen van zeven jaar geleden narekenen, of alle achteneenhalve concept versies van je enige gepubliceerde verhaal doorbladeren om daarin voor de zoveelste keer die ene zin om te bouwen, die zin die al lang gedrukt is, maar die je toch weer aan het twijfelen brengt.
Aan alles.
’s middags had ik door mijn huis verspreid zeven volle tassen oud papier en drie hoogzwangere vuilniszakken met plastic afval staan. Allemaal vol met proppen raamfolie, want toen ik eenmaal de geest kreeg, vond ik dat ik alles van de ruiten moest trekken om licht binnen te laten en mijn blik naar buiten te richten.
Wel ja.
Gelouterd toog ik met het oud papier naar de afvalinzamellocatie (ja, zo heet dat). De vuilniszakken zette ik vast klaar boven aan de trap.
Tot zover niets aan de hand.
Maar daarna kwam toch nog onverwachts wat altijd aan het einde van zo’n dag komt: teloorgang. Terwijl ik nog steeds in een flow van kordaat doorpakken bewoog, vond de rest van de kosmos dat het wel mooi was geweest. Dus ging er van alles fout, waar ik niks aan kon doen.
Of misschien een beetje.
Want ik wist heus wel dat je geen oud papier aan het einde van een zaterdag moet wegbrengen, want dan is iedereen je voorgeweest. Ik vergeet dat steeds. Op weg van de tweede uitpuilende afvalinzamellocatie naar de derde besefte ik bovendien opeens dat in een van de tassen een map met belangrijke documenten zat. Die had ik aan het begin van de dag pontificaal apart gelegd en aan het eind van de dag gedachteloos tussen de andere papieren gestoken. Ik zag het me weer doen. Maar erg gedetailleerd was die herinnering niet, zodat er niets anders op zat dan terug naar huis te lopen om naar die map te zoeken. Want om zoiets nou midden op straat te doen…
Thuis wilde vervolgens de voordeur niet verder open dan op een kiertje. Door de brievenbus zag ik dat de vuilniszakken van de trap gerold waren en nu gezellig in mijn piepkleine halletje op mij stonden te wachten. Als ik tegen de deur duwde begonnen ze erbarmelijk te kraken.
Dat vond ik zo zielig dat ik mijn tassen oud papier neerzette en er op de stoeprand naast ging zitten. Na een paar minuten trok ik een van de vele versies van mijn korte verhaal tevoorschijn en begon ik het voor te lezen aan de spreeuwen in de kersenboom voor mijn huis. Daar schrokken ze van, want al meteen op in de eerste scène schiet een van de hoofdpersonen een soortgenoot van hen dood met een windbuks. Dat was ik vergeten. Vroeger was ik veel wreder. De vogels vlogen krijsend de straat uit.
Een mooi einde van een film, dacht ik.

p.s. Toen ik dit verhaal aan mijn moeder vertelde (behalve de alinea over de spreeuwen, want die had ik zelf erbij verzonnen), vertelde zij míj het verhaal over onze verhuizing naar Den Bosch. Toen hadden mijn ouders op de zolder van het huis waaruit we vertrokken een paar dozen aangetroffen die ze kennelijk sinds de vorige verhuizing, vijf jaar daarvoor, niet hadden uitgepakt. En dus ook niet hadden gemist. Die dozen hebben ze toen zonder te openen bij het vuilnis gezet.
Loslaten voor gevorderden. Avant la lettre natuurlijk, want we spreken nu van eind jaren 60, toen loslaten nog gewoon loslaten was (als in: ‘Je moet het touw van je vlieger niet loslaten!’).

Vertrouwen

Vertrouwen, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Politici hebben er opeens hun mond vol van. Vertrouwen is het helemaal.
Ik sta zelf inmiddels te boek als een rabiate ‘vertrouwer’. Ik vertrouw namelijk iedereen. Dat is wel zo rustig voor mijn gemoed. Want als ik iedereen moest wántrouwen, werd ik gek. Daar is geen beginnen aan, voor mij dan.
Letterlijk. Ik zou niet weten waar ik moest beginnen, of beter gezegd, bij wíé ik moest beginnen. En stel dat ik dat wel wist, dat ik alle gluiperds in de maatschappij er meteen uit zou pikken, moet ik die dan de hele tijd wantrouwen? Of soms wel en soms niet? Dat is een gedoe hoor! Ook voor de gluiperds zelf trouwens. De hele tijd niet te vertrouwen zijn, dat hou je niet 7×24 vol.
Mensen vragen mij wel eens: ‘Goh René, hoe kom je toch aan al dat vertrouwen? Waar haal je het vandaan?’
Mijn antwoord: ‘van Marktplaats.’ Ik raad iedereen die wil leren te vertrouwen om daar zijn/haar spullen te kopen. Zonder vertrouwen zou dat hele bedrijf niet bestaan. Of om met de geniale tekst schrijver Eli Asser te spreken ‘als je mekaar niet meer vertrouwen kan, waar blijf je dan?’ (Dat is een liedje uit ‘t Schaep met de 5 Pooten, kijk en luister naar het origineel, of naar de remake uit 2006, alle twee leuk, maar alleen bij het origineel zie ik mezelf weer in pyjama en met vers gekamde haren op de bank zitten, dus die vind ik leuker).
‘Maar is je vertrouwen daar dan nooit geschaad?’ vragen de mensen dan.
Nee.
Dat wil zeggen ik ben heus wel eens genept, maar daar leed mijn vertrouwen niet onder. Het is kennelijk niet kapot te krijgen. Hoe mooi is dat? Het is nóg mooier. Ik beleef veel plezier aan alle miskopen die ik heb gedaan.
Zoals de beige regenjas, een ‘trenchcoat’, die geheel onverwacht coupenaden had en die mij leerde waarom er heel vaak bij een advertentie staat dat het voorwerp uit een dier- en rookvrij huis komt. Dat was namelijk bij deze jas niet het geval, hij rook naar hond en zware van Nelle. Toen ik bij de verkoopster verhaal wilde halen, kreeg ik nul op mijn rekest. Maar ik werd niet boos. Opeens zag ik namelijk voor me dat de vrouw uit armoede haar jas moest verkopen om de honden te kunnen voeden, de honden die eigenlijk van haar vriend waren, die nu vast zat (sorry, beroepsdeformatie) vanwege iets wat-ie helemaal niet gedaan had, of maar half. Dus ik schreef haar terug dat ze iets goeds met het geld moest doen.
Einde verhaal. En een hele opluchting.
Ook de prachtige ‘vintage Versace leren schoudertas’, die noch van Versace noch van leer was (misschien wel vintage, wat in dit geval gewoon ‘oud’ betekende, de tachtiger jaren, maar dan niet hip), monterde mij op, want ik haalde uit de beunhazerij een nuttige gedachte over de zwartgallige marktplaats-tip dat als iets te mooi lijkt om waar te zijn, het dan ook te mooi ís om waar te zijn.
Té mooi?! Kan dat? Ik hoop van niet. En ik hoop al helemaal niet dat het dan onwaar is. Stel je voor, iets is mooier dan mooi en dan is het een leugen. Nou moe, dat is echt heel somber. De tas was namaak, maar diep in mijn hart vond ik hem nog steeds mooi. Dus die zogenaamde wijsheid heb ik geschrapt. Mijn motto: Als iets te mooi is om waar te zijn, moet je liegen. (Kan zo op een tegeltje.)
De ironie van mijn faliekante vertrouwen is vaak dat de mensen mij daardoor niet geloven. Ze denken dat ik een verborgen agenda heb. Dat ik hen met mijn onvoorwaardelijke goedgelovigheid een loer draai. Een rad voor ogen.
Nou ja, eigenlijk verbaast dat mij niets. Ik vrees dat wantrouwen onze fabrieksinstelling is. Van alle mensen. Genetisch of zo. Dat is ook mijn enige verklaring voor de populariteit van ‘Wie is de mol?’ Want dat is aan een stuk door leugen en bedrog.
En dat is leuk?
Eh, nee.
Niet half zo leuk als mijn aller eerste zeperd, een mooi rood trainingspak dat ik voor een prikkie op marktplaats had gekocht,  dat niet rood was maar rood gevérfd, met slechte verf, waardoor het in de was alles roze kleurde.
En daarna mijn kijk op de wereld.
Als bij toverslag.

Klein houden

Klein houden, daar hoor je ook veel over tegenwoordig.
Vooral in van die onstuimige vergaderingen waarin iedereen van geestdrift niet weet welk idee nou het leukste is om de wereld te verbeteren. Op een gegeven moment neemt dan iemand het woord die alleen maar sluw hoeft te kijken om de anderen stil te krijgen en die zegt: ‘we moeten het wel klein houden’, om vervolgens te zwijgen omdat hij/zij eigenlijk al te veel heeft gezegd (want wie de dingen klein wil houden, is ook kort van stof).
Wat eigenlijk ook zo is, dat te veel gezegd hebben, bedoel ik, want de lol is er daarna meteen vanaf. Iedereen wordt nog stiller om de eenvoud van de wijsheid tot zich door te laten dringen, en sommigen knikken voorzichtig omdat ze nog niet zeker weten wat de spreker (m/v) precies bedoelt. Klein houden, dat klinkt als iets goeds, maar het is wel even schakelen als je net de wereld aan het verbeteren bent, want de wereld is nou net heel erg groot.
Ik weet óók nooit wat mensen bedoelen als ze het klein willen houden. Hóé klein moeten we het houden? Klein is een subjectief begrip, de een vindt dit klein en de ander vindt dat klein. En hoe klein we iets kunnen maken is ook afhankelijk van wat we precies klein moeten houden; het heelal, daar kan misschien wel een stukje vanaf, maar de aarde zou ik zo laten.
Het kost dan ook meestal een paar verwarrende vergaderingen om erachter te komen wat precies de goede maat der dingen is. Wat daarna komt, weet ik niet, want meestal ben ik dan al afgehaakt.
Diep in mijn hart ben ik namelijk een romanticus die van grote (grootse!) dingen houdt. Iets kan mij niet groot genoeg zijn. De wereld veranderen, dat is pas het begín. Ik was ook ooit degene die zei dat we de recidive moest terugbrengen tot nul. Een mooi en groot doel, al zeg ik het zelf. Maar niemand die ervan wilde weten en sindsdien heb ik een moeilijke tijd. Mensen snoeren mij om de haverklap de mond met ‘we moeten het niet te groot maken’, of: ‘nou trekken we een te grote broek aan’.
Hm… de te grote broeken die ik in mijn leven heb gehad, waren op de groei gekocht, dus dat is goed, lijkt me. ‘Ja, nee, zeggen de kleingeestigen dan, ‘je moet groot denken en klein doen!’ Ja, hoor… laten we eerst eens klein doen en dan zien we wel of we dat groter denken nog nodig hebben, bedoelen ze.*
Klein houden en niet te groot maken, dat is voor bangeriken. Wie wil er nou klein gehouden worden? Calimero misschien, maar dat kuiken heeft echt een serieus probleem met zijn zelfbeeld hoor! Hele generaties (ja, waaronder de mijne) heeft hij met zijn minderwaardigheidscomplex murw gezeurd. Ik ben blij dat mijn kinderen zijn opgegroeid met powergirls en superhelden (of andersom). Ja, dat is allemaal fantasie, maar hoe mooi is dat? Ze doen niets anders dan de wereld redden (de powergirls en superhelden bedoel ik), dus erg mooi, lijkt me.
Mijn moeder zegt altijd: ‘wie zich niks verbeeld, maakt ook niks mee’. Of zoiets, woorden van gelijke strekking. Ook een wijsheid van Einstein trouwens. Verbeelding is eindeloos, in tegenstelling tot kennis, die altijd ergens ophoudt, zegt hij.
Ik bedoel maar.
Ik prijs mij daarom gelukkig met een hele levendige fantasie (eh… veel van mijn blogs heb ik helemaal verzonnen) en die wil ik helemaal niet klein houden. En als ik u was zou ik dat ook niet willen. Het is nergens goed voor. Laat uw fantasie de vrije loop. En als u zo’n tegeltje heeft met daarop de chagrijnige spreuk ‘een doel zonder plan is gewoon een wens’, gooi dat dan weg, breek het in ieniemienie stukjes (ja, die mogen dan weer wel klein). Want wat is er mis met een wens? Zonder verlangen kwamen we ons bed niet uit, ik in ieder geval niet.
Dus liever dit motto: ‘een doel zonder wens is gewoon een plan’. Als we íéts klein moeten houden, dan de plannen wel, in omvang en in aantal. Le petit prince2! Als daar nog eens een training voor komt, doe ik mee.

p.s. En omdat toeval niet bestaat, toverde Netflix kort nadat ik dit allemaal had opgeschreven ‘Big Fish’ van Tim Burton op mijn beginscherm, en fluisterde iets of iemand mij in dat ik die meteen moest gaan zien, wat klopte, want de film is één hartstochtelijk bewijs voor de kracht van verbeelding. Ik hield het niet droog.
Kijken!

* ‘Groot denken, klein doen’ is een verbastering van ‘Groter denken, kleiner doen’ een boek van Tjeenk Willink waarin hij onder andere een pleidooi houdt voor tegenspraak. Vrij naar Campert: ‘… verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden… jezelf een vraag stellen daarmee begint verzet en dan die vraag aan een ander stellen.’

Lucht

In de krant stond een advertentie. Of eigenlijk stonden er drie. In één. Twee voor luchtbevochtigers en één voor een luchtreiniger of andersom (één luchtbevochtiger en twee -reinigers), dat weet ik niet meer, maar dat maakt voor mijn verhaal niet zoveel uit. Laten we het op twee reinigers houden.

Boven de foto’s van de apparaten stond: one day only. En om het vooral onbegrijpelijk en geheimzinnig te maken, daar weer onder: geldig tot en met 18 maart. Dat was drie dagen later. Dus eigenlijk: three days only.

Nog steeds niet zo erg lang, zeker niet voor een zenuwlijder zoals ik. Want ik weet niet wat er in uw hoofd gebeurt als u zo’n aanbod tegenkomt, maar in het mijne gaat dan een machinerie van start die zijn weerga niet kent en die mij in een paar tellen gek van hebberigheid en weifel maakt. Een weldenkend en evenwichtig mens zou waarschijnlijk zeggen: die heb ik niet nodig. En de bladzijde omslaan alsof het niets is.

Bij mij werkt dat niet. Wat ik heb gezien gaat mijn systeem in en moet ik verwerken. Er geen acht opslaan is dan geen optie meer. Dus ook al heb ik niet direct behoefte aan een luchtreiniger/bevochtiger, dan nog ga ik er over denken.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik niet veel nodig heb om argumenten te zien voor de aanschaf van iets wat ik niet nodig heb. En om nog eerlijker te zijn, na een dag tikken (in mijn geval naar mijn computer met spraakherkenning roepen) en bellen (ook roepen, maar dan in het luchtledige, want draadloze oortjes) en naar bewegende pasfoto’s turen op mijn computerscherm, de lucht in mijn werkkamertje wel íéts nodig heeft, vind ik, maar wat precies, dat weet ik dan weer niet, dus misschien wel een apparaat dat iets met die lucht doet, schoonmaken of nathouden, of beide.

Eh…

Goed, als ik er al uitkom wat het slimste is, reinigen of bevochtigen, of misschien dus wel reinigen én bevochtigen (of andersom, ik laat even in het midden wat het eerste moet), dan zit ik nog met de vraag welke van de apparaten het beste is.

Op de school voor industrieel ontwerpen krijgen ze daar les in, apparaten zo te ontwerpen dat een goede vergelijking op grond van enkele heldere en onderscheiden criteria niet mogelijk is, zodat je in verwarde toestand dan maar voor de duurste gaat, of in nog grotere verwarring allebei de apparaten koopt met het vaste voornemen om één van de twee terug te sturen, wat dan verschrikkelijk moeilijk en/of een heel gedoe blijkt, zodat de ene die je bij nader inzien toch niet zo goed vindt ergens in je huis op een in onbruik geraakt kamertje komt te staan, en een paar maanden later op marktplaats waar je er na zes weken digitaal leuren en een sneue onderhandeling over € 2,50 meer of minder ongeveer een kwart van de aanschafprijs voor terug krijgt, wat een straf is die je boetvaardig ondergaat en die je voor de zoveelste keer als een kantelpunt in de genezing van je koopziekte beschouwt, wat natuurlijk helemaal niet zo is, maar wat je in ieder geval een week of zo een goed gevoel geeft en dat is ook wat waard (figuurlijk, niet letterlijk).

‘Ho!’

Riep ik naar mezelf. Terwijl ik dit dacht en opschreef.

‘Stop met denken! Typ even niks en wees gerust, je hebt nog niets gekocht!’ Dat was zo, soms word ik zo gegrepen door mijn eigen neurosen dat ik de greep op de werkelijkheid verlies. ‘En trouwens, kijk eens naar buiten!’

Dat deed ik. Het had geregend en het waaide een beetje.

Aha.

Raam open. Gratis en voor niets frisse lucht, die ook nog eens vochtig was. Wat wil een mens nog meer!?

Nieuwe schoenen. Dus die heb ik toen gekocht van het geld dat ik uitspaarde door die twee apparaten niet te kopen.

Wel jammer dat niemand ze kan zien want ik zit natuurlijk de hele dag achter mijn computer met de camera op mijn ponem gericht…

Ik had niet gedacht dat ik dit ooit zou opschrijven, maar: oh, wat verlang ik naar een benen-op-tafel-gesprek!

Het gesprek

olifant

Hét gesprek, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Mensen zeggen dan bijvoorbeeld: ‘het is wel goed dat we nu eindelijk het gesprek voeren’. Of: ‘ ik denk dat we daar eerst het gesprek over moeten voeren’.
Hét gesprek.
Niet één gesprek, of ’n gesprek, nee, hét gesprek. Alsof er een speciaal gesprek is dat we moeten voeren. Maar welk gesprek is dat dan?
Geen flauw idee.
Ik zit dus altijd een beetje glazig te kijken als iemand het over hét gesprek heeft, zeker als ik het ook moet voeren, want ik denk altijd dat ik dan niet opgelet heb toen het ter sprake kwam, of dat ik het intussen vergeten ben (en ik vergeet niet zomaar wat, dus daar zit ik dan ook weer over te denken, wat er achter dat vergeten kan zitten).
Meestal knik ik dan, terwijl ik vervolgens veelbetekenend kijk, dat kan ik erg goed, jammer genoeg ook als ik het niet wil en liever neutraal blijf, zelfs in de huidige tijd van online vergaderen en slechte camera’s verraad ik mezelf regelmatig met mijn ponem, leuk hoor transparant zijn, maar niet heus.
Eh…
Dat komt ook – ik heb het nu weer over glazig kijken – omdat ik altijd bij dat gesprek de indruk krijg dat het over een verboden en/of geheim onderwerp zal gaan, een taboe. Iets wat tot dusver niemand in enig gesprek durfde aan te roeren. Laat staan in hét gesprek. Of júíst in hét gesprek?
Al sla je me dood.
Wat me op een ander fenomeen brengt, namelijk ‘de roze olifant’. Daar hoor je ook steeds meer over. Die zit altijd in de kamer, zelfs in deze digitale tijden met iedereen gewoon thuis achter een computer.
Een roze olifant is dus niet echt. Ook in een echte vergadering is de roze olifant niet echt. Ik zeg het maar even.
Hij (of zij, want dat roze heeft misschien wel betekenis) komt tevoorschijn als mensen in een vergadering ergens liever niet over praten. Dan gaat hij/zij in een hoek zitten.
Meer niet.
Iemand moet het doen, en laten we eerlijk zijn, wat zou een roze olifant anders moeten. De hele maatschappij heeft haar mond vol over inclusie, maar roze olifanten, daar is dus geen plaats voor. Die negeren we. Iedereen is bang dat ze met hun grote lijven iets kapot gaan maken. Of dat het roze afgeeft, of zo. Ja, als iets raar is, bedenken mensen de gekste dingen om er vanaf te komen.
Ik vind dat jammer, want iets raars zoals een roze olifant zou de boel een stuk opvrolijken. En dat weegt wel op tegen een beetje schade. Dan maar wat porcelein minder.
Goed, wat moeten we doen als die olifant in hét gesprek erbij komt zitten?
De scherpte zoeken.
Ik weet niet wat dat is. Ik vermoed dat het zoiets is als de zaken helder en onderscheiden, en zonder poespas duidelijk maken. Ergens geen doekjes om winden. Recht voor zijn raap praten. Unverfroren.  Enfin, zoiets dus.
Hoe doe je dat, de scherpte zoeken? Door ‘de goede vragen’ te stellen. Let wel, dé goede vragen. Dat is net zoiets als hét gesprek. Iets mysterieus, bijna dreigends, maar tegelijk iets maar iedereen helemaal vol van is (let maar eens op, zodra iemand in een vergadering het over dé goede vragen heeft, struikelen de anderen over elkaar om te beamen dat die enorm cruciaal zijn, een beetje zoals een paar jaar geleden iedereen slijmerig zat te knikken als je zei dat het om de bedoeling ging).
Maar niemand weet er het fijne van. En er is ook geen mens die het wíl weten. De goede vragen, daar is natuurlijk niemand op tegen, maar je ziet iedereen denken: ik ga ze niet stellen en ik hoop niemand niet.
Tot zover de scherpte. En de goede vragen. Exit zeggen waar het op staat en al helemaal exit doen wat je zegt. Want daar gaat dit dus over. Al deze vaagheden zijn bedoeld om acties uit te stellen, of zelfs af te stellen.
Wel knap hoor, de suggestie wekken dat je het nu eens echt over de kern van de zaak gaat hebben en het doodgewoon bij de aankondiging daarvan laten. Want voor alle duidelijkheid, dat gesprek komt er niet, laat staan de scherpte en de vragen.
En lang leve de roze olifant, dus, want die mag blijven zitten waar hij/zij zit. Sterker nog, hij/zij mag dansen op de vergadertafel en ons trompetterend uitjouwen terwijl wij om de hete brij heen draaien.
En niemand die dat merkt, want dat is nou net de crux.
Dé crux.
Daar hoor je dan weer niemand over.

Zevenblad

De man die mij samen met een vrouw tegemoetkwam, zei toen ze langs me liepen: ‘Met name zevenblad, want dat is zo’n beetje het ergste onkruid dat er is’.
Verbolgen.
Op zo’n toon van: ben ik nou de enige die dat begrijpt?
De vrouw beaamde zijn stelling: ‘Inderdaad, ja.’
Hm…
Een typische Bob den Uyl-zin. Voor wie het niet weet of is vergeten, hier nog even de definitie: Een Bob den Uyl-zin is een zin die je ergens op straat of in een café of Joost mag weten waar hoort en waar je dan de hele godvergeten dag over blijft peinzen. Een hele zin dus; geen los woord of een flard, en ook niet een paar zinnen achter elkaar, nee, een hele alleenstaande zin, die net te weinig informatie bevat om meteen te begrijpen waar het over gaat, maar ook weer net teveel om hem te vergeten.
Ja, ja, de oplettende lezer heeft opgemerkt dat ik de definitie al meteen heb opgerekt, want wat ik hoorde was eigenlijk een Bob den Uyl-dialoog.
Een kniesoor die daar op let.
Goed.
Zevenblad, dus.
Ik heb dat even opgezocht, want ik ben niet zo heel erg botanisch aangelegd (en dat wil ik eigenlijk ook zo houden, want dat is écht niet sexy; een stelling die ik met weerzin onderbouw door de all terrain-sandalen van de man te noemen (nu ziet u ze ook voor u), en zijn volslagen wanhopige happy socks).
Zevenblad kan dan onkruid zijn, het is ook eetbaar. Te bereiden als spinazie. Zomaar gratis uit de berm te plukken. Dan vind ik onkruid een onaardige naam. Zeker in de combinatie met ’Zevenblad’, wat ik nogal dreigend vindklinken, vraag me niet waarom. Maar het lijkt me dus wel echt typisch dat de man deze naam koos terwijl dezelfde plant ook wel tuinmansverdriet heet. Ja, dat is dan weer een beetje droevig, maar wel veel poëtischer. Ik zie die tuinman daar staan, naast die planten, met de tranen in zijn ogen. En dan niet omdat hij er niet tegenop kan wieden, maar omdat zijn geliefde die hem verlaten heeft het onkruid altijd opwaardeerde tot bloemen en als het maar even kon er een paar boeketten van in huis zette. Tot ze ervandoorging dus. Niet alleen omdat haar man de planten het liefst wegschoffelde voordat zij ze kon plukken, maar ook, en vooral ook, omdat haar man kennelijk vergeten was dat ze ook in haar bruidsboeket een paar takken zevenblad had laten steken. Háár verdriet (vrouw-van-de-tuinmans-verdriet) was dat die verwijzing telkens aan hem ontging.
Terug naar die man die langs mij liep. Of nee, liever terug naar die vrouw die hem gelijk gaf. Bij nader inzien vond ik dat laf. Dat wil zeggen, het klonk laf, alsof ze geen zin had om hem tegen te spreken. Ze kende hem nu eenmaal, wat Zevenblad betrof was hij niet te vermurwen.
Dus: ’inderdaad, ja.’
Voor je het wist, ontstak hij in woede en stortte hij drie volle colleges over ’Onkruid in West-Europa en in Nederland en België in het bijzonder’ over je uit. Hij was namelijk professor, dat kon niet missen. Hij had de air van iemand die heel veel weet van weinig. Op zijn 18e was hij dit rabbit hole ingekropen en er daarna alleen nog maar uitgekomen om te vertellen wat hij allemaal wist.
Bijzonder hoogleraar wieden, in Wageningen.
En zij?
Eerst kwam ik alleen op klassieke rolverdelingen; hij professor, en zij een laboratoriumassistente. Of zoiets. Ja, schandelijk traditioneel, het spijt me. Daarna bedacht ik dat ze alle twee Wetenschapper waren. Hij professor in het onkruid en zij professor in de kruiden (hm, nog steeds niet zo origineel, maar ik schrijf gewoon wat in me opkomt, dat is voor mij het leukst). En misschien waren ze de contouren van hun vakgebieden aan het bepalen om te voorkomen dat ze heibel kregen over grensgevallen. Ze had hem gewoon gelijk gegeven om er vanaf te zijn. Dat Zevenblad geef ik hem, had ze gedacht, met alle twijfelachtige planten waarover ze nog moesten bakkeleien in het achterhoofd.
Uitgekookt! slim!
En de man had het niet in de gaten, ik hoorde hem achter mij doorzeveren over hij het halsstarrige Zevenblad dat uit geen tuin te verjagen was. Hij wilde nog meer gelijk.
Omdat we kennelijk het zelfde rondje liepen kwam ik hen later weer tegen. Ze hadden het nog steeds over Zevenblad.
De vrouw glinlachte en zei: ’toch vind ik het best een mooie plant.’ De man bleef staan en keek haar aan. In afgrijzen. ’Ja, het kan een boeket droogbloemen echt helemaal opfleuren!’

Omgekeerde avondklok

Mijn moeder moest natuurlijk aan de oorlog denken. ‘s Avonds binnen blijven, daar is niks aan. Zeker niet als het moet.
Maar stiekem de straat op, dat is ook niks.
Zoals ‘tante’ Lenie, kort na de oorlog. Tante-tussen-aanhalingstekens, want tante Lenie was een tante die geen tante was, maar de huishoudster van mijn opa (een weduwnaar met vijf kinderen). We wisten niet waarom we haar tante noemden, dat was gewoon zo.
Bij mijn moeder thuis noemde iedereen haar ‘grote Lenie’, want een van mijnmoeders zussen heette ook Lenie, die dus ‘kleine Lenie’ was. Voor mij en mijn neven en nichten was dat nogal verwarrend, want ‘grote Lenie‘ was toen wij opgroeiden helemaal niet zo groot meer, en ‘kleine Lenie’ was inmiddels behoorlijk gegroeid.
Grote Lenie was zwanger. Ongewenst zwanger. Niet getrouwd met de vader. Helemaal niet getrouwd zelfs.
Geen goed begin van je volwassen leven in de jaren 40.
Ik weet niet of mijn opa daar bij stil heeft gestaan. Volgens mijn moeder wel.
‘Hij kon tante Lenie’s hulp natuurlijk goed gebruiken maar andersom hielp hij haar ook.’
Vanaf dat tante Lenie een buik kreeg, kon zij niet meer over straat naar huis, want haar moeder schaamde zich voor die buik van haar dochter. De ongewenste buik. De heel erg niet-katholieke buik. Dus kon tante Lenie alleen na zonsondergang naar huis. Als niemand haar kon zien.
Een omgekeerde avondklok.
Mijn moeder moest dan met haar mee om haar te begeleiden, want tante Lenie was nachtblind.
‘Als we het trottoir af moesten, fluisterde ik “poets” en daarna weer als we het trottoir óp moesten. Vraag me niet waarom. Het was een soort geheimtaal (stoep achterste voren) die het tenminste een beetje leuker maakte. Tante Lenie moest er om grinniken.’
Iedere keer als mijn moeder dat verhaal vertelt (ik kom uit een familie van verhalenvertellers en er is niets leukers dan een verhaal opnieuw vertellen), zie ik dat voor mij; een meisje van een jaar of twaalf dat in het donker Grote Lenie bij de arm neemt om haar stiekem door de straten van Amsterdam naar haar moeder te loodsen. Ik hoor zelfs haar “poets“ tussen de huizen kaatsen.
Wat ik als kind nooit begreep, was dat een moeder zich voor haar eigen kind kan schamen. Tegelijkertijd begreep ik niet dat de moeder van tante Lenie ondanks de schande toch haar dochter in huis duldde. Dat het leven in het algemeen en liefde in het bijzonder volstrekt onlogisch zijn, begreep ik toen nog niet, of wilde ik niet begrijpen. Hm… laat ik maar bekennen dat ik lange tijd iemand was die hom of kuit wilde en niks daartussen, vage onlogische dingen gingen er bij mij niet in, wat op een bizar tegenstrijdige manier het leven alleen maar ingewikkelder maakte, besef ik nu. Af en toe iets onbegrijpelijks aanvaarden maakt het allemaal een stuk makkelijker. Rara hoe kan dat.
Eh…
Na de bevalling ging tante Lenie met haar dochter op een kamer boven mijn opa’s huis wonen, drie hoog achter. De dochter heette Sjaantje en ze werd mijn moeders nepzusje (hun eigen term), en toen ik geboren werd was ze mijn nicht. Ook onlogisch, maar ook een onoplosbaar dilemma: of ze was de dochter van mijn tante en dus mijn nicht, of ze was de zus van mijn moeder en dus mijn tante (de toevoeging ‘nep’ laat ik weg omdat het anders nog ingewikkelder wordt).
Vraag me niet waarom ik dit allemaal vertel, maar als ik het niet doe, word ik gek, want ik heb er vroeger heel veel over nagedacht en opeens dacht ik, nou schrijf ik het op.
Eh…
Met een baby op drie hoog achter terwijl je andermans huishouden runt, dat is niet leuk. Een soort lockdown. Geen perspectief.
Maar nergens een datingsite of Tinder te bekennen natuurlijk. Dus tante Lenie bleef alleen met Sjaantje. Toch kwam het goed, want hoewel niemand toen wist wat netwerken waren, bestonden ze toch en de pastoor van tante Lenie’s parochie (O. L. Vrouwen der zeven Smarten – 7!) kende de collega-pastoor van een naburige parochie (Nicolaas en Barbara, alias ‘De Liefde’ – zoiets verzin je niet), die een jonge weduwnaar met drie kleine kinderen in zijn kudde had. Deze man en tante Lenie waren een match (avant la lettre), of in ieder geval een geluk bij een ongeluk.
Vonden de pastoors.
Dus ze arrangeerden een huwelijk. En tante Lenie trouwde met oom-tussen-aanhalingstekens Karel.
En ze leefden nog lang en gelukkig.

P.S. Misschien vraagt u zich af en waarom tante Lenie niet met mijn opa trouwde. Dat heb ik me ook vaak afgevraagd, en ik heb het aan mijn moeder gevraagd, die het zich ook had afgevraagd.
Meer niet.

Slachtoffer tegen wil en dank

‘Blijft u even hangen, meneer Poort,’ zei de rechter. Dat deed ik. Ik hoorde niets. Erg lang niets. Tot hij het nog eens zei: ‘Blijft u even hangen.’
Stilte.

(Flashback.) Twee jaar geleden begon ik aan een verhaal dat maar niet verteld wilde worden. ‘Slachtoffer tegen wil en dank’ was de werktitel. De eerste alinea stamde uit de zomer van 2018, daarna schreef ik er nog wat bij, waarvan ik de helft weer schrapte, om tenslotte met twee alinea’s te blijven zitten. Anderhalf eigenlijk.
Tot ik een brief kreeg van het openbaar ministerie omdat ik een slachtoffer was/ben (ik ga dat nog uitleggen) van een verkeersongeval en de verdachte voor de rechter zou komen. Toen móést ik wel gaan schrijven, want ik had spreekrecht aangevraagd, omdat ik iets wilde zeggen, al wist ik niet wat.
Niet veel later zat ik weer naar die oude alinea te staren:

Ik ben een slachtoffer. Ja, ik schrijf het maar even luid en duidelijk op, want ik had het ook niet meteen in de gaten. Als ik geen handvol gemiste oproepen en een voicemailbericht van een meneer van Slachtofferhulp Nederland had gehad die me mededeelde dat hij me een handvol keren had proberen te bereiken en dat hij me nu een brief ging sturen, dan wist ik nu nog niet beter dan dat ik was aangereden door een motor.
Punt.

Niks punt. Dat had ik gedacht. Want rechtszaak. Dus schreef ik verder (vorig weekend, twee jaar later). En schrapte, knipte, plakte, enzovoorts. Tot ik er gek van werd en geen letter meer kon zien.

De voicemailberichten stonden twee weken op mij te wachten terwijl ik lag bij te komen van twee operaties en ik van voren niet wist of ik van achteren nog leefde en andersom. De brief die de man beloofd had, lag eerst een paar dagen op mijn mat en daarna een week op mijn tafel in de huiskamer, samen met de andere post die mijn buurvrouw bijeen had geraapt.
(Dat was een beetje droevig, vond ik.)
Het was een heel vriendelijke brief, maar er stond niet in waar en hoe ik kon opzeggen. Het leek me namelijk niks, slachtoffer zijn. Ik vond die twee weken eigenlijk wel lang genoeg. Ik surfde rond op hun website, maar ook hier nergens een formulier om je uit te schrijven.
Dus ik belde maar eens op.
Dat hielp. Ik kreeg een vrouw aan de lijn die meteen zei dat ze even langskwam. Om te helpen. Dat was waar. Ze kwam langs en ze hielp. Op Hemelvaartsdag nog wel. Voor ik het wist was er van alles geregeld en was ik geen slachtoffer meer.
Besloot ik.
Case closed.
Not.
Niet. Want letselschade. Of eigenlijk, letsel en schade.
Korte samenvatting van het letsel: negen gebroken ribben, vier (half) afgescheurde zenuwbanen, een verbrijzelde schouder en een ingeklapte long. En de schade: mijn racefiets kon naar de schroot. Dat bleek nog wel een dingetje. Tot mijn eigen verbazing liet ik het wrak twee jaar op mijn balkon staan zonder ernaar om te kijken. Pas drie maanden geleden had ik er opeens genoeg van en zette ik het aan de straat.
Samen met mijn vergane tuinmeubels bij het grofvuil.
Ik nam een foto en ging weer naar binnen. Toen ik de trap opliep, dacht ik bij mezelf: het zou helemaal niet raar zijn als ik nu in huilen uitbarstte. Maar dat deed ik niet. Sterker nog, ik was blij dat ik eindelijk afscheid genomen had.
Trouwens, heimwee naar het fietsen heb ik, alweer tot mijn eigen verbazing, helemaal nooit gehad. Dat vond iedereen heel knap van me, terwijl ik niet wist hoe ik het deed. Ik was nog niet aangereden of mijn verstand wiste niet alleen de botsing, maar voor de zekerheid ook meteen alle fietstochten die ik ooit had gemaakt, zodat ik niet associërend van de ene herinnering naar de andere in nare scènes terecht zou komen. Daar denk ik dus nooit meer aan terug, niet aan de botsing en niet aan die tochten. Die foto van mijn fiets heb ik ook nooit meer bekeken.
Zie je wel, dacht ik, ik ben helemaal geen slachtoffer.
Hoera!
Niks hoera.
Ik heb namelijk ook nog zo’n beetje mijn hele leven moeten omgooien.
Wel ja.
Vanwege die afgescheurde zenuwen. Letsel. Een linkerarm die niets meer deed (doet) behalve pijn.
Ik zal u niet vermoeien met de details van mijn omgegooide leven, maar denk aan: veel steelpannen, een schaar als je beste vriend (daar kun je namelijk zo’n beetje alles mee openkrijgen), tegen de computer praten in plaats van typen, instappers in plaats van veterschoenen, terugkijken naar mensen die naar je zielige arm staren, ritsgulpen in plaats van knoopgulpen, naar de buurvrouw lopen met een pot pindakaas die je niet open krijgt, overal trapleuningen aan de rechterkant, et cetera. En daar dan de bonnetjes van bewaren, want al dat gedoe kon ik declareren.
Ik moest ook van alles opnieuw leren. Zoals fietsen. Op een damesfiets met extra lage instap. Dat was wel even wat anders dan de goddelijke Fondriest waarmee ik vroeger langs velden en wegen raasde. Truttiger kan eigenlijk niet, dacht ik, tot mijn zoon zei dat het net een Lowrider was.
Dus hip.
Dat hielp. Zoals het me eigenlijk altijd hielp (helpt) om de dingen van de zonnige kant te bekijken. Positief. Bizar dat het me lukt, want van huis uit ben ik helemaal niet zo vrolijk. Vóór het ongeluk was ik eigenlijk nogal somber. Iemand die veel over de dingen nadacht. Een denker en meestal een doemdenker. Peinzen, daar was ik erg goed in. Ik leefde hele dag vooral in mijn hoofd.
De botsing heeft me daar in één klap uitgeslingerd. Ik doe veel meer en ik denk veel minder. Proberen is mijn tweede natuur geworden. Het leven is opeens een avontuur en ik sla mij er monter doorheen.
Zo’n aanrijding is natuurlijk wel een rigoureuze manier om een positieve draai aan je leven te geven, en ik zou het ook niemand aanraden, maar het is wel gebeurd. Op een vreemde (en soms griezelige) manier heeft het me wijzer gemaakt.
In de ambulance op weg naar het ziekenhuis popelde ik eigenlijk al om te gaan uitvinden wat ik met driekwart van mijn lichaam allemaal nog zou kunnen. Echt waar! Misschien ben ik wel nooit een slachtoffer geweest, of alleen heel even, toen ik op het gras van de dijk weer bij bewustzijn kwam en naar mijn arm keek. Mijn arm die opeens mijn arm niet meer was. Daarna stond ik op en ging ik verder met mijn leven, als het ware.
Dus ik wil hier de hele zaak graag afsluiten. Als ik al ooit een slachtoffer was, dan vanaf nu niet meer.
Punt.

Zei ik. Sprak ik. In de telefoon van de rechter, die hij op speaker had gezet en bij zijn microfoon hield, zodat iedereen mij kon horen. Hij had mij opgebeld omdat er iets mis was gegaan met de brieven die ik had gekregen waardoor ik nog thuis zat terwijl de rechtszaak begon en ik nog steeds thuis zat toen mijn spreekrecht begon.
En nu zweeg ik even. Ik had lang nagedacht over wat ik tegen de man op de motor wilde zeggen. Veel geschreven en geschrapt en uiteindelijk een paar zinnen over gehouden.

Mijn aanrijder, noem ik u wel eens, omdat ik geen betere naam weet en u ook niet ken. Dat is misschien wel jammer. Weet ik niet.
U heeft in ieder geval mij nu een beetje leren kennen en ik hoop dat u door dit hele verhaal en de toon waarop ik het vertel, begrijpt dat ik u niets verwijt. Ik zou niet weten wat en ik vind het zonde van mijn gemoedsrust om er naar te gaan zoeken.
Spinoza zegt: ‘haat kan nooit goed zijn’.* Hij heeft er een waterdicht bewijs voor, maar ik weet het nu uit eigen ervaring: het is waar. Ik haat u niet en daar ben ik blij om. Ik hoop u ook. Het maakt het leven namelijk een stuk makkelijker en leuker om te leven.
Laten we dat dus maar gaan doen.

Ik bleef hangen. Probeerde te horen wat er gebeurde.
‘Het grijpt meneer erg aan,’ zei de rechter tegen mij. Na nog een stilte hoorde ik hem vragen: ‘Wilt u misschien iets tegen meneer Poort zeggen?’
‘Ja,’ antwoordde de man. Hij klonk ver weg en na wat geruis begon de adhoc geregelde ‘rechtspraak op afstand’ te haperen en verstond ik hem niet meer. Alweer liet de rechter het er niet bij zitten. Hij legde mij uit wat de verdachte had gezegd, namelijk dat het hem speet dat hij mij nooit had opgezocht.
‘Maar dat kan nog steeds,’ zei ik.
‘Mag ik meneer dan uw telefoonnummer geven?’
‘Ja, waarom niet?’
Dus wordt vervolgd.
Niks punt.

P.S. (22 december 2020) inmiddels hebben we contact gehad en afgesproken elkaar te ontmoeten in het nieuwe jaar.

* Voor de liefhebber: Ethica IV, stelling 45

online

De meneer die de vergadering ging voorzitten, had zijn neus vooruit gestuurd. Tenminste, daar leek het op, want eerst hoorden we niks maar konden we wel heel erg diep in zijn linkerneusgat kijken. We zagen bijna zijn kleine hersenen. Na veel gekraak en een onbedoelde rondleiding in zijn werkkamer, waarvan ik mij alleen nog een vitrine met Barbiepoppen goed kan herinneren, kwam hij eindelijk in beeld, om te zeggen dat de verbinding erg slecht was, en dat we ons er dus op moesten voorbereiden dat hij af en toe slecht doorkwam.

Dat gebeurde al meteen toen hij zich verontschuldigde voor het feit dat hij zo laat was ‘binnengekomen‘. Terwijl hij stukje bij beetje in een waterverfschilderij veranderde, vertelde hij dat de app die nodig was om deze vergadering te hosten op zijn laptop niet werkte, of verboden was door de ICT-afdeling, of de verkeerde versie was.

Doorhalen wat niet van toepassing is. Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

Dus hij had in allerijl de laptop van zijn zoon moeten confisqueren, waarop zich hetzelfde probleem had voorgedaan, maar dan anders, want toen hij op de toegezonden link had geklikt, was het scherm zwart geworden en zwart gebleven, wat ze ook deden, waarna hij zijn toevlucht had gezocht tot zijn iPhone, die in de keuken aan het opladen was, zo bleek, waar zijn dochter college volgde, zodat hij nu op het mobieltje van zijn vrouw zat, als het ware.

Op de achtergrond zagen wij een kat. Dat is voor het verhaal niet zo belangrijk, maar ik moet het toch opschrijven, want het leidde enorm af. Nu ook weer.

Goed.

De vergadering ging over de ‘meerjarenstrategie integrale bedoeling’. Omdat ik te elfder ure en hals over kop bij de vergadering was gevraagd, had ik niet door wat dat was, en omdat ik pathologisch eerlijk ben, zei ik dat maar meteen.

Hilariteit al om. Niemand geloofde mij. Die René! Die mijnheer Poort!

Dat had ik weer. Of eigenlijk heb ik dat wel vaak. Meestal laat ik het dan daarbij en wacht ik tot de dingen vanzelf duidelijk worden. Tegen de tijd dat iemand mij dan vraagt wat ik vind, kan ik uit een handvol meningen kiezen, die ik allemaal even enthousiast en welbespraakt kan verdedigen als het moet.

(Het is een wonderlijke gave, al zeg ik het zelf, die soms akelig tegen mijn pathologische eerlijkheid schuurt, maar hey, niemand is volmaakt.)

Om onze sterkten en zwakten goed in kaart te brengen (pun intended), kwam er een mevrouw van een extern adviesbureau bij die een workshop zou geven. Ze vroeg aan ons of we allemaal de app hadden gedownload.

De app?

‘Ja, Tzu!’

‘Tzu?!’ Wij wisten van niks.

Dat was een tegenvaller. Wat nu? Ze kon wel even de link voor de download in de chat zetten?

Verwarring alom. Voor welk device dat dan was, en of het ook onder Windows werkte, in welke browser, en of je dan eerst uit de citrix-omgeving moest, en of dat het veilig was. Het viel nog mee dat niemand vroeg of de app coronaproof was. De voorzitter hakte de knoop door en zei dat we het zonder de app zouden doen. Dat vond de mevrouw erg jammer, want ze had stellingen en virtuele geeltjes waarop wij allemaal digitaal kernwaarden hadden kunnen schrijven, zodat er vanzelf een woordenwolk in beeld zou zijn gekomen.

Wij knikten medelevend.

‘Zonder geeltjes dan maar,’ zuchtte zij, ‘en gewoon zeggen wat je ervan vindt’.

Wel ja. Gewoon zeggen wat we ervan vonden. Dat was even schakelen. Terwijl we nadachten hoorden we bij de voorzitter gepiep. Een vrouw met rood opgestoken haar verscheen in de deuropening.

‘Heb ik mijn mobieltje hier ergens laten liggen?‘ vroeg ze.

Opnieuw een onbedoelde rondleiding in de man zijn werkkamer. Maar nu eindigde de reis in plotselinge duisternis, waar alles klonk alsof de man zich achter de gordijnen had verstopt.

‘Brom, brom, brom,’ zei hij.

‘Kra, kra, kra!’ antwoordde de vrouw.

Je microfoon staat nog aan, typte iemand in de chat.

Dat ziet hij niet, typte iemand anders.

We hoorden geruis, gekraak, een bons, nog eens gekraak en geruis, en toen was er weer licht. De voorzitter kwam in beeld. Hij zat op de grond met zijn haar door de war. De kat rook verbaasd aan zijn oor.

‘Echt heel flauw!’ zei zijn vrouw terwijl ze de kamer verliet. ‘Zeg dan gewoon dat je ‘m even hebt geleend.’

Dat was het teken voor de mevrouw van de workshop.

‘Goed, wie mag ik het woord geven? Wat zijn volgens jullie de kernwaarden van integrale bedoeling?’

‘Wij hebben echt geen flauw idee!’ riepen we in koor.

Theorietjes

Als Cruijff een wielrenner was geweest, had hij gezegd: ‘als je harder fietst dan de anderen win je’.
Maar voor de mannen van de NOS is dat te simpel. Die willen weten hoe dat komt, dat harder fietsen.
Dood zonde. Want terwijl ik lekker naar een spannende wedstrijd denk te kijken, maken zij er een college van. Dat het spannend is, telt niet, de verschillen moeten verklaarbaar zijn. Dat ik gewoon regelrecht te veel adrenaline aanmaak omdat het op seconden aankomt en dat ik dan uitzinnig belachelijke dingen roep naar de wielrenners, of gewoon in het algemeen, om weet ik veel wie aan te moedigen, dat is echt te min voor die mannen. Die zoeken het hogerop. Om in hun eigen woorden te spreken, ze zoeken ‘allemaal theoretisch gepraat vanaf het papier’.
Een verrassende samenvatting van hun eigen flauwekul, die hen jammer genoeg niet weerhoudt van nieuwe onnavolgbare analyses. Ik denk dat ik drie keer hun uitleg van de rode en groene cijfertjes achter de namen van de renners heb proberen te volgen tot ik besefte dat ze het zelf ook niet snapten.
Telkens als de een zoiets zei als ‘kijk, Pogacar rijdt nu virtueel 23 seconden in de plus’, wat al behoorlijk absurd klinkt, troefde de ander hem af met zinnetjes als ‘ja, maar dat is dus GPS’ (huh?), of ‘zes km geleden was dat nog genoeg’.
Zes km geleden?!
Gek word ik daarvan!
Een voordeel van een tijdrit is dat de mannen van de NOS geen sociaal psychologisch gedoe tussen renners hoeven te duiden.
Dacht ik.
Geen theorietjes over wie er welke geheime ploegentactiek voert en wie dus wel of niet rijdt en waarom. Niets is minder waar. ze gingen nu helemaal los op de lichaamstaal van de renners. Daar hadden ze ook theorietjes over. Dat iemand stil zit, is goed. Dat iemand veel beweegt, niet. Het heeft iets te maken met verdelen van energie, of met ‘werken’. ‘Werken’, dat is ook niet goed. Kennelijk moet alles vanzelf gaan.
Ook de fietswissel bleek een fenomeen waar de commentatoren zich gulzig op uitleefden. Wel of geen fietswissel, dat was de kwestie. En of de renner nu hard of langzaam fietste, de fietswissel (of niet) was een verklaring.
Zulk geklets loopt natuurlijk een keer spaak (pun intended), maar dat is niet erg, want als ze zich weer in een of andere theorie vastkwebbelden, waren daar altijd de benen nog. Het (wat dan ook) kan namelijk altijd aan de benen liggen. Die zijn goed of slecht. Of een renner heeft ze gewoon niet.
Aan de tijdrit zelf kan het ook liggen dat een theorietje mank gaat. Want bij een tijdrit weet je het nooit. Die ene van het duo, die vroeger zelf ook veel tijdritten heeft gereden, wist het nog precies: soms denk je dat je keihard gaat, maar dat is dan dus niet zo.
Dat weet de gedoodverfde geletruidrager nu ook. Hij ging helemaal niet zo hard. En iemand anders ging dus harder. Daar stonden de mannen van de NOS wel van te kijken. Heel even maar, tot ze weer een nieuw theorietje hadden.
Roglic was namelijk ‘op waarde geklopt’.
Hm. Dat klonk minder vernietigend dan het was. En dat was natuurlijk ook de bedoeling. Want van alle theorieën die ze zonder nadenken met elkaar wisselden alsof ze aan het kwartetten waren, hadden ze die ene over het hoofd gezien, namelijk dat degene die het hardste fietst gewonnen heeft.
Lang leve Johan Cruijff!

p.s. 1 wat ze ook over het hoofd hadden gezien… de uit de Tour verbannen ploegleider van J-V, die de hele tijd op een kampeerstoeltje ergens in de berm van het parcours had gezeten tot de bijl was gevallen, waarna hij met zijn spullen in de hand over de smalle strook van de provincieweg het Franse land inliep terwijl Roglic met de angst in zijn ogen naar de finish trapte.

p.s. 2 Uiteindelijk wisten de mannen van de NOS me toch nog te raken, toen ze herinneringen ophaalden aan het tweegevecht tussen Herman van Springel en onze eigen Jan Janssen die tegen alle verwachtingen in de afsluitende tijdrit van de Tour uit ’68 won en daarmee de hele tour… omdat ik daardoor mijn vader weer naast de radio zag zitten met de tranen in zijn ogen.