Ik ben dol op muziek, maar rekenen, daar heb ik een broertje aan dood. Een mens vraagt zich wel eens af wat erfelijke eigenschappen precies zijn, want mijn vader was boekhouder en ik heb warme herinneringen aan de eindeloze winteravonden die hij peizend doorbracht aan de keukentafel vol met enorme schriften met cijfertjes.
Dat vond hij leuk. Begrotingen, kosten, baten, een balans, dat soort dingen.
Ik niet. Laat me een excelsheet zien en ik spring uit het raam.
Doe dus maar niet.
Maar goed, ik heb inkomsten en uitgaven, een bankrekening waar die posten heel confronterend onder elkaar staan en soms baart het verschil tussen die twee mij zorgen. Dus toen ik zag wat ik allemaal aanschafte via iTunes en tegelijkertijd van moderne mensen hoorde wat Spotify behelsde en kostte, trok ik toch snel de conclusie dat mijn liefde voor muziek goedkoper kon.
Laat spotify nou net zo duur zijn als het lot dat ik iedere maand bij de bankgiroloterij koop! Het lot waar nog nooit iets op gevallen was! (Ik tel dan alle blikken stroopwafels en nutteloze huishoudelijke spulletjes in de kleuren van die loterij niet mee. Dat waren geen prijzen maar straffen voor mijn gulzigheid.)
Ik wilde dus van die loterij af om van het bedrag dat ik zo bespaarde lid te worden van Spotify, of hoe heet zoiets.
Zo gedacht zo gedaan. Dacht ik.
Op de website van de loterij stond ene Robert in een te groot colbertje van een soort fluweel mij enthousiast aan te kijken. Die wist niet wat ik kwam doen. Of misschien wel, want toen ik ging zoeken hoe ik van mijn loten af kon komen, verschenen zijn ouders en schoonouders en andere familieleden en/of vrienden, kennissen, buren, et cetera (zo’n loterij, dat is een en al nepotisme, vertel mij wat), telkens blij in beeld met reuzenvarianten van de cheques die ze kennelijk ontvangen hadden. De astronomische bedragen juichden nog harder dan zijzelf, maar ze vonden het toch nodig om aangrijpende sterke staaltjes van hun geluk te beschrijven. Ze weerlegden alle wetten van de statistiek met voorbeelden van toeval.
Ik werd gek.
Na eindeloos scrollen vond ik twee buttons, waarvan er een ‘blijven meespelen’ heette en de andere ‘toch opzeggen’. Die klikte ik aan, waarna er een meneer van de ‘afdeling goede doelen’ op het scherm verscheen om mij te vertellen wat ik anderen zou aandoen als ik er de brui aan gaf, want al dat loterijgeld was helemaal niet voor de winnaars, maar voor goede doelen.
Ja hoor. De ‘afdeling goede doelen’, dat is een eufemisme voor strijkstok.
Nog eens scrollen, en dan de verlossende mededeling: ‘opzeggen kan het beste telefonisch’.
Ik sprong een gat in de lucht. Weg van die site!
Dom, want telefonisch, dat is contact met echte mensen, en dat is eh, nou ja, niet mijn sterkste competentie, zal ik maar zeggen.
Wachtenden in de rij en enge muziek, maar uiteindelijk kreeg ik een neefje van Robert aan de lijn die mijn wens beantwoordde met een opgewekt ‘helder!’
Inderdaad. Hoe moeilijk kon het zijn.
Voor mij een vraag voor hem een weet.
Hij begon half tegen zichzelf en half tegen mij te prevelen wat hij ging doen. Dat had hij op een cursus geleerd. Stilte is niet goed, heette die les.
‘Ik ga eerst uw gegegevens noteren,’ zei hij.
Wat meer was, hij spelde alles terwijl hij typte en declameerde de vragen die het systeem aan hem stelde voordat hij triomfantelijk ‘Okay!’ zei als hij op ‘Bevestigen?’ klikte. Het was te zielig voor woorden, maar ik zat er met mijn gezonde verstand naar te luisteren alsof Einstein me postuum de theorie van alles uit de doeken deed. Tot hij (de jongen) opeens op bezorgde toon liet weten dat het eigenlijk best wel een slecht moment was om op te zeggen.
Oh?
Ja, want laten ze nou net een hele lucratieve actie op stapel hebben staan!
Goh!
Ja, echt! Iedere dag de kans om 10.000 euro te winnen!
Een kans! En dan iedere dag een!
Één!
Goed, menselijk contact is gedoe, maar in dit soort gevallen krijg ik opeens de geest. Rising to the occasion, noemen de Engelsen dat.
’Nee, ik wil opzeggen,’ snoerde ik hem de mond.
‘Helder.’ Dat ‘helder’ vond hij een fijn woord. De betekenis ervan niet. ‘Maar misschien wilt u toch…’
‘Nee, luister naar me…’
‘U laat me niet uitpraten.’
‘Ik wil het namelijk niet horen.’
‘U weet niet eens wat ik zeggen wil.’
‘Als jij maar weet wat ík zeggen wil. Ópzeggen, om precies te zijn.’
Een zucht.
‘Ik begrijp dat u dit gesprek als vervelend ervaart.’ Weer een zinnetje uit de training. Ik vroeg hem of dat ook zo was. Gewoon uit interesse. Maar ik had hem misschien niet precies na moeten bauwen.
‘Als u zo begint dan hang ik op, mijnheer.’
‘Als u zo begint dan hang ik op, mijnheer.’
Wat hij deed. Nou ja, hij stuurde me digitaal de gang op en ik kwam terug in de wachtrij bij de muziek.
Da capo.
p.s. U kunt het geloven of niet, maar ik had een week daarna het laatste woord van deze blog nog niet getypt of een manische collega van de jongen belde op om me dronken van geestdrift een geweldig aanbod te doen! Iedere dag de kans om 10.000 euro te winnen!
Ik legde mijn mobieltje voor me op tafel en zocht mooie rustgevende muziek bij zijn telkens weifelender roepen. O ja, dat was echt grappig, het ieniemieniestemmetje waarmee hij steeds wanhopiger contact met me probeerde te maken.
Maar ja, contact, daar ben ik niet zo goed in.
