Vakantie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Mooi hoor, als concept, bedoel ik, niet werken maar uitrusten, maar waarom verpesten mensen dat dan weer met de bizarre idee om dat elders uit te voeren?
God zal het weten. Die heeft per slot van rekening ook de zondag uitgevonden.
Maar reizen vast niet. Want dat is niet leuk. Geloof me.
Het beste is dus om nergens heen te gaan. Daar is veel onderzoek naar gedaan, vooral door mij, en de onvermijdelijke conclusie is telkens weer: hier is ver genoeg. Check voor uitgebreidere onderbouwing bijvoorbeeld de boeken van Xavier de Maistre, of Maarten Biesheuvel.
Of neem mij als voorbeeld. Ik ben altijd hier. Dat is ook voor anderen het prettigst. Want dan ben ik altijd te vinden.
Terwijl ik dit schrijf ben ik ook hier. Thuis, in mijn eigen kamertje, achter mijn eigen bureau, met zo’n beetje alles wat mij lief is om mij heen. Dat is heel overzichtelijk. Rustgevend, zelfs.
Ik heb een collega die ongeveer drie keer zo jong is als ik, of zoiets (zulke rekensommen vallen mij altijd tegen dus ik maak ze maar half), die de raad gaf om nooit weg te gaan met bovenstaande beschrijving van mijn bestaan als onderbouwing van dat advies.
Ze zei: ‘Zo, jij lééft!’
Eh… ja, dacht ik.
Maar pas toen ik thuis rustig in mijn leunstoel zat, had ik echt een weerwoord, dat is te zeggen, besefte ik opeens dat ik alle oproer en kenteringen in mijn léven! – ja, met een accent en een uitroepteken – thuis had meegemaakt.
De meeste zelfs gewoon in mijn hoofd.
Of in mijn hart.
Mijn ziel.
Dingen waar ik nóg wakker van lig, thuis, in mijn eigen bed.
Ver weg is dus onzin. Daar gebeurt niks.
En het is ook helemaal niet overzichtelijk. Het is zelfs heel erg rommelig. Ga er níét heen! Het is ginds of daar of weet ik veel waar, en als je er dan bent, dan is het telkens verschillend. De ene keer is daar somber en de andere keer is het juist groen, of soms opeens heel mistig.
Er zijn ook altijd een hoop hulpmiddelen nodig om duidelijk te maken waar je bent als je niet hier bent. Landkaarten, routebeschrijvingen, reisgidsen, tom-toms en wat al niet meer. En er zijn ook allerlei dingen om elders te doen alsof dat hier is. Spullen van hier die je dan mee moet nemen, of waarmee je alles wat te groot is om mee te nemen toch bij je kunt hebben: foto’s van hier en alles wat daarbij hoort, of symbolische voorwerpen die iets van hier voorstellen en die telkens bij aanraking of een blik erop door sentimentele mechanismen het hele hier oproepen. En er zijn natuurlijk apparaten waarmee je een beetje terug kunt. Mobiele telefoons om naar mensen te bellen die heel verstandig hier zijn gebleven en die dan aan de reiziger moeten vertellen hoe het hier is (overzichtelijk en rustgevend).
Dat is allemaal behelpen.
Koffers, tassen, rugzakken, noem maar op, allemaal omdat je zoveel mogelijk spullen van hier naar ginds of daar wilt brengen, of om instrumenten mee te dragen waarmee je met hier contact kunt zoeken.
Op de keper beschouwt ben je onderweg dus met niets anders bezig dan met uit te vinden waar je bent (niet hier), of met te doen alsof je wel hier bent, of met de weg terug te vinden (hier naar toe).
Tamelijk onzinnig, als u het mij vraagt.
Want heimelijk wil iedere reiziger hier zijn, niet weggaan, of als dat om welke reden dan ook niet lukt, terugkomen.
Na een wee is heimwee de kiem van het leven.
Ga dus nooit weg.
Hm.
Dit alles hierboven om mijn cognitieve dissonantie in de hand te houden en mijn angsten te bezweren. Want ik ga een week naar Londen om daar (!) mijn dochter te bezoeken (en haar drop en rookworsten te brengen).
Living on the edge!
Slapeloze nachten.
En reisverhalen.
Straks.
Wordt vervolgd.
