Vergiffenis

fields1

Op het jaarbeursplein zag ik mijn fiets.
Mijn gestolen fiets.
Mijn víérde gestolen fiets.
Het weerzien viel nogal tegen, vooral doordat de kennelijk nieuwe eigenaar vertrouwelijk op het stuur leunde alsof hij godbeterhet met het ding verkering had.
Als ik een fiets verlies, ga ik altijd alle fasen van rouw door en bij deze zat ik nog midden in woede, en de nieuwe man van mijn fiets wakkerde die gewetenloos aan.
Ja, hij wist van niks, dat snap ik, maar dat telde niet, vond ik, want ergens kon hij heus wel vermoeden dat die fiets niet kosher was. Toch?
Het was zo’n tegen zijn zin volwassen geworden dertiger. Hipster hoedje, baard, T-shirt van een jaren negentig band waar hij kernnelijk nog steeds aanhanger van was, te grote cargobroek (ik weet dat zoiets baggy heet, maar dat maakt het niet minder potsierlijk) met nodeloze ruiten en dito zakken (een driekwart model trouwens, dus harige kuiten voor de hele wereld zichtbaar, hoe aanmatigend is dat?), en de onvermijdelijke Chuck Taylor All Stars. Of nee, Adidas Superstars geloof ik. Nou ja, wat maakt het uit, alles bij elkaar een compleet fantasieloze, wat zeg ik, bloedeloze outfit en hij hing daarmee pontificaal de eigenaar van mijn fiets uit.
Welja.
Die outfit was tot daaraantoe, hoewel zoiets best ergens in het wetboek van strafrecht mag komen te staan, vind ik, maar hij had ook nog eens zonder iets aan mij te vragen zo’n hippe houten zogenaamde veilingkist op mijn voordrager geschroefd (onvermijdelijke Freitag messenger bag erin, schouderband over de rand) en maar liefst twee kinderstoeltjes op de fiets gemonteerd. Dat voelde toch als een soort inbreuk op de lichamelijke integriteit.
Voor en achter!
Eh, dat staat hier opeens erg raar. Ik bedoel die stoeltjes.
Ik heb helemaal niks tegen kinderen op een fiets in een stoeltje hoor, maar terwijl ik de man, die nog steeds doodgemoedereerd over het stuur van mijn fiets hing, nog eens bekeek, kreeg ik steeds meer sympathie voor W. C. Fields, de man die misantropie in het algemeen en kinderhaat in het bijzonder op een hoger niveau had weten te brengen.
Ja, dat kan.
Mijn haat jegens de dief die ooit mijn fiets gestolen had, was opeens níéts vergeleken bij de weerzin die deze man aan wie hij hem verkocht had, opriep. Die was kennelijk niet te beroerd om een fiets met slechts één paar sleuteltjes te kopen (ja, de dief had ingebroken terwijl ik thuis was en had toen hij daarachter kwam zich beperkt tot plundering van mijn kapstok, waar nogal wiedes mijn jassen aan hingen, waaronder de jas waarin mijn fietssleutels zaten, die hij dus pikte om mijn fiets te mee te nemen).
Als die man (i.e. de heler) dan toch zo graag would be modern wilde zijn, waarom had hij dan niet gewoon de oude zeventiger-jaren-racefiets van zijn vader helemaal gestript en omgebouwd tot een onbestemd grijs gespoten fixie met zo’n lullig recht stuurtje, kurken handvaten en gifgroene banden?
Ja, waar laat je de kinderen op zo’n fiets. Die laat je gewoon thuis bij je vrouw, ook net als in de jaren zeventig. Ja, ik bedoel dan de jaren zeventig van vóór de tijd dat opeens de halve intelligentsia in zelf gebreide paarse tuinbroeken rond ging lopen en iedere ziel excommuniceerde die per ongeluk timmerman zei in plaats van timmermens.
Ja, kinderen zo een tijd heeft bestaan.
Maar laat ik niet te cynisch doen, want ik deed er ook aan mee, heb zeker twee wollen dassen gebreid en één kabeltrui.
Een groene, dat dan wel.
Ja, jeetje, ik dacht toen nog dat ik ergens bij moest/kon horen.
Allemaal verspilde moeite.
Zoals mijn woede, besefte ik opeens. Ik moest denken aan de gierende nijd die me een tijd geleden had overvallen toen iemand op marktplaats me genept had met een regenjas die niet alleen naar natte hond en zware Van nelle rook, maar die ook een nare winkelhaak bij de linkerzak had, en die toen ik hem, alle teleurstelling ten spijt, toch maar eens aantrok – altijd hoopvol blijven, zelfs als je niet weet wat je hopen moet – een damesjas bleek te zijn, die me wonder boven wonder paste, ware het niet dat de coupenaden om vulling schreeuwden, vulling die ik, geluk bij een ongeluk – zie je wel, altijd blijven hopen – niet had.
De correspondentie die ik met ingehouden woede componeerde en aan de man (kon ook een vrouw zijn, ik had geen flauw idee tot hoe ver het bedrog zich strekte) zond, besloot ik ten slotte met een derde bericht vol louterende vergiffenis die ergens uit mijn eigen binnenste opwelde als een of andere openbaring die ik al die tijd over het hoofd had gezien. ‘Ik hoop oprecht dat je iets moois of nuttigs met het geld hebt gedaan’, schreef ik.
Weg woede, ergernis en wat al niet meer.
Vraag me niet hoe ik het deed, ik deed het.
Zou ik het weer kunnen? Bij die man?
Toeval bestaat niet. Zij hoedje waaide af en hij moest kiezen, erachter aan en de fiets alleen laten of de fiets vasthouden en het hoedje nakijken. Ik stapte op hem af en zei dat ik zijn fiets wel even vast zou houden. Hij glimlachte en rende weg.
Je hoeft mij niet te vertellen wat een man allemaal voor zijn hoed overheeft.
Even later keerde hij hijgend terug.
‘Dank je wel,’ zei hij.
‘Graag gedaan.’
Hij pakte het stuur over en keek naar beneden. ’Shit, een lekke band. Dat zie ik nou pas.’ Hij lachte. ‘Nou ja, je kunt niet alles hebben.’ Hij drukte het hoedje wat vaster op zijn hoofd.
Ik knikte.
‘…’
Toch wel moeilijk hoor, vergeven. Zeker twee keer kort achter elkaar. En ik moet die jaren zeventig ook nog verwerken.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.