Pipa

pipa1

‘Heb je mijn mailtje gehad? En de bijlage gelezen?’ vroeg een rommelig gekapte vijftiger aan een oudere man die hem en zijn metgezel een natte hand gaf terwijl hij hen probeerde aan te kijken door zijn beslagen bril. Hij knikte en de man met het rare haar knikte ook, alsof hij daar al bang voor was. (Wicky de Viking was mijn hardnekkige associatie, en ik merkte dat ik de hele tijd op zijn triomfantelijk geheven eurekavingertje zat te wachten).
‘Wat vond je ervan?’ vroeg hij met meteen een antwoord erbij: ‘Nou ja, ze bieden wel hoop, ook al is het een afwijzing, want we hebben veel pluriformiteit.’
Het was een bewering die aan het tafeltje weinig meer teweegbracht dan overdenking. De derde man die tot nu toe heen en weer van zijn laptop naar de andere twee had zitten kijken, fronste zijn wenkbrauwen.
Hij snapte er net zoveel van als ik.
Veel pluriformiteit.
Dat klonk als een pleonasme. De helft verbodig.
De hele wickie-man was een pleonasme, trouwens. Kan dat? Weet ik niet, hij was het. Vraag me niet hoe. Alles wat hij deed of zei was dubbelop. Geen herhaling, maar verdubbeling. Vergroting. De scheppen suiker in zijn overvolle kopje koffie verkeerd gingen gepaard met luid gesnuif, het schuim kolkte terwijl hij roerde, en de herrie van zijn geslurp begeleidde hij met uit het niets opdoemend geneurie. Ik weet niet hoe mensen dat voor elkaar krijgen, in hun eentje twee of drie tegelijk zijn. Ik vind één mens zijn al ingewikkeld.
Hun gesprek ging verder en al snel lieten ze hun bespreking van de kennelijk afgekeurde subsidie-aanvraag voor wat het was. Wicky gaf een puntsgewijze samenvatting van de kordate stappen die ze zouden nemen om een herkansing in de tweede termijn te wagen. De stille typte ze in zijn laptop, waarna ze vol vertrouwen in een goede afloop meteen aan de opzet van de pipaworkshop voor pubers begonnen die ze met de subsidie gingen organiseren.
Dit is echt waar.
Een pipaworkshop.
Voor pubers.
Ik ben helemaal gek van muziek en sinds mijn elfde een veelvraat, luister echt naar álles, maar toen een huisgenoot van mij na een vakantie uit China terugkwam met een integrale opname van een pipaconcert dat hij daar had bijgewoond en hij niet rustte voor hij die van begin tot eind op een door hem zelf georganiseerde culturele avond mocht afspelen in het wijkcentrum waar ik vrijwilligerswerk deed, inclusief dia’s en zijn aanvullend ooggetuigenverslag, wist ik waar de grens van mijn liefde voor muziek precies lag.
Bij de Chinese muur (inmiddels niet meer trouwens, dank zijn het Kronos Quartet en Wu Man)
Ik kon me niets meer van die avond herinneren, allemaal verdrongen. Ik googelde ‘pipa’ op mijn iPhone om mijn geheugen op te frissen.
Intussen namen de mannen de workshop door. Ze zongen elkaar frases voor die ze gingen gebruiken (‘ping, pung, peng peng peng, pong!’) vroegen zich had radeloos af waar ze de rij voor de deur heen moesten leiden als het storm liep, bespraken de breedte en kleefkracht van het plakband waarmee ze de posters op gingen hangen, tekenden een plattegrond van de instrumentenopstelling op een groot vel papier, zochten op internet naar voorbeelden van jeugdtaal om een ‘vette titel’ te verzinnen, en om de beurt probeerde een van de drie zich te herinneren waar hij ook alweer iets (een of ander attribuut dat handig zou kunnen zijn) op zijn zolder had weggelegd.
Ik begon die pluriformiteit steeds beter te begrijpen. Het was een ander woord voor warboel.
Ik zuchtte.
Dat had ik niet moeten doen.
Wicky hoorde me, bekeek me, en kwam naar me toe. Voor ik het wist gaf hij me een klap op mijn schouder.
Nogal hard.
Agressief, eigenlijk.
‘René!’ riep hij. ‘jij bent toch René Poort?’
Nee! De huisgenoot!
’Helaas, dat is mijn neef,’ hoorde ik mijzelf zeggen.
Hij bond in en bekeek me nog eens. ‘Tss, ik zou gezworen hebben…’
‘Ja, dat horen we wel vaker. Onze vaders waren een eeneiïge tweeling.’
Hij ging tegenover me zitten. ‘Maar dan ben jij de neef die in China heeft gewoond!’
Ik moet toch eens beter uitkijken met wat ik allemaal bij elkaar fantaseer. Waarom heb ik een neef in China?
Dat wist Wicky: ‘De pipa-kenner!’
Hm, dit werd ingewikkeld. Ik was nu mijn eigen ‘Chinese’ neef, die Pipa-kenner was.
‘René heeft ooit een afspraak tussen ons geregeld omdat jij Liu Dehai naar Nederland zou kunnen halen voor een exclusief optreden in het wijkcentrum.’
En impressario.
‘Ja, hoor. Liu Dehai,’ zei ik. ‘Samen met Seiji Ozawa en the Boston Symphony Orchestra zeker.’
Lang leve internet.
Wicky zweeg. Ons gesprek stokte. ‘Je kwam niet opdagen,’ zei hij ten slotte. ‘En die hele avond ging niet door.’
‘Het spijt me. Ik zat waarschijnlijk gewoon in China.’
’Ja, dat denk ik ook… En nu, terug in Nederland?’ Ik knikte. ‘Maar natuurlijk nog steeds pipa-liefhebber. Als dat instrument je eenmaal gegrepen heeft…’ Hij keek me aan. In zijn blik zag ik langzaam zijn pleonasme weer tot leven komen. Het was eigenlijk meer een soort manie, zag ik nu. Hij ging rechtop zitten en wenkte zijn tafelgenoten. ‘Raad eens wie hier zit!’
Enfin, vijf minuten later zat ik zwetend over hun papieren gebogen, tuurde ik in de laptop om het programma te beoordelen, gaf ik argumenten voor een nog betere subsidieaanvraag, en luisterde ik huiverend naar de composities die zij me voorspeelden.
Op luchtpipa’s!
Na een uur of wat namen we als goede vrienden afscheid.
Nu moet ik alleen iets verzinnen op die workshop. Want die ga ik niet leiden natuurlijk.
En mijn neef ook niet.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.