
Lang geleden moest ik eens naar een vergadering op het ministerie van Justitie (‘veiligheid’ kwam later pas). De zaal waar ik heen was gezonden (de ‘Moddermanzaal’) was een soort collegezaal. In een van de voorste stoelen zat een man met een rood gezicht dat glansde in de schemer van het groene ’uit’-lampje bij de nooduitgang.
‘Nou,’ begon hij zonder inleiding, ‘dit is kennelijk symbolisch voor het soort overleg dat het departement wil voeren.’ Hij wees naar het spreekgestoelte en toen naar de rijen met banken. We kwamen alleen om te luisteren, bedoelde hij. Hij keek mij nog eens indringend aan.
‘Ik ben in een strrrijdlustige stemming,’ zei hij. Zijn ‘r’ rolde subversief de ruimte in. ‘Vanwege dit!’ Hij hield een stapeltje papieren omhoog. Het stuk dat wij zouden gaan bespreken. De instelling die hij vertegenwoordigde bleek er nauwelijks in genoemd en dan ook nog eens onjuist.
‘Strrrijdlustig,’ herhaalde hij.
Intussen was er nog iemand binnengekomen. Een man van een jaar of dertig wiens haar kortgeleden door zijn vriendin geknipt was. Hij leek op kabouter Plop, maar dan zonder muts. De boze man begon tegen hem weer over de zaal en het stuk. De papieren gingen weer omhoog. Plop gaf hem gelijk, want ook zíjn organisatie was er in het document maar bekaaid afgekomen. Hij beloofde meteen een concept brief aan de staatssecretaris uit zijn tas op te diepen waarin hij maar liefst achttien argumenten had opgesomd die bij elkaar genomen van het stuk niets heel zouden laten.
Het was een lichtbruine schoudertas van zadelleer.
Plop stond al snel uit de brief te declameren. Ik zag speeksel van zijn lippen spatten. De andere man ging met de papieren onder zijn arm naast hem staan om het ermee eens te zijn. Het was alsof zij een lied zongen.
Na het achtste punt van verweer verscheen achter hen een man die beleefd wachtte tot Plops rede af was om vervolgens mede te delen dat we elders moesten zijn. De mannen schrokken en probeerden met onhandige mimiek hun halve samenzwering een draai te geven.
Dat lukte niet.
Ik liep de zaal uit. Op weg naar de andere besloot ik om eens te proberen in de vergadering helemaal niets te zeggen. Het leek het me wel een mooie missie om geen ruzie te zoeken. Strijd was nergens goed voor. En strrrijd al helemaal niet.
Eh… dat staat hier politiek correcter dan ik het toen bedoelde. Ik wilde eigenlijk gewoon eens zien of het me zou lukken.
Ja. Ik kon zonder problemen het hele stuk bespreken door veelbetekenend te knikken of mijn wenkbrauwen te fronsen. Plop raakte ondanks zijn oefening in de verkeerde zaal verstrikt in zijn opsomming en staarde bij zo’n beetje alle komma’s en punten van het document zijn medestander in verwarring aan. Maar die wist het ook niet meer. Dat al hun tegenwerpingen in een of ander zwijgen vielen (ook de andere aanwezigen waren van lieverlede stilgevallen), beviel hen helemaal niet, maar ze wisten ook weer niet wat ze ermee aan moesten.
Dit was het eerste en meteen overtuigendste voorbeeld van silo-denken dat ik ooit zag.
Silo-denken?
Ja, dat is de moderne term voor verzuiling. Vergelijk het met een vergadering van de dieren in een kinderboerderij over hun gezamenlijk doel. komt niks van terecht. Het varken wil modder, de schapen gras, en de konijnen voldoende ruimte om nog meer konijnen te maken (zie voor een verslag van die vergadering dit blog).
Silo’s hebben geen glazen plafond maar een glazen muur (of misschien toch ook zo’n plafond, dat weet ik eigenlijk niet). Plop en zijn maat stonden daarachter en konden geen kant op. Maar dat wisten ze niet. Wij trouwens ook niet. Want wij stonden in onze eigen silo’s.
Daar kwamen we pas achter toen er van alles misging.
Ga ik het nou niet over hebben.
Want die silo’s zijn binnen een paar jaar rechts en links ingehaald door het grenzenloze internet en weldenkende mensen. Wat ik u brom. Maar mocht u er een zien, duw hem om. Maakt een prachtig geluid!
De vergadering eindigde met een amendement van de mannen, die hadden geëist dat we in de notitie het woord ‘fiets’ overal door ‘rijwiel’ zouden vervangen (ik verzin dit, het ging om andere woorden, maar als ik die noem, weet u meteen waar die mannen werkten en dat doet er nu niet toe). Bovendien bedongen zij een voetnoot waarin de afkortingen waarmee hun organisaties aangeduid waren voluit werden geschreven.
Toen ik buiten even bleef staan om een sigaar aan te steken (goh, ja, toen rookte ik nog!), kwamen ze ferm uit de draaideur gestapt. De een zei iets tegen de ander en ze lachten. Ik zag de vullingen in hun kiezen. Hun geschater kaatste tussen de gebouwen (=silo’s) omhoog.
Triomfantelijk.
Trrrriomfantelijk.