
In de rij voor de kassa van de AH stond ik achter een jonge vrouw met een baby in een draagzak. Toen het kind opeens begon te huilen vroeg de kassière aan haar collega van de kassa verderop of ze de avond daarvoor ook het nieuws had gezien over ‘die vrouw die haar kinderen had vermoord’.
Geen antwoord. Iedereen zweeg. De moeder probeerde haar kind te sussen. En ik zag Petra weer voor me.
Die had ook haar kind gedood.
Een onvoorstelbare misdaad die ze me na tien jaar tbs in enkele vlakke zinnen uit de doeken deed om daarna te wachten op wat ik zou zeggen.
Niets.
Ik zweeg.
En probeerde mijn gedachten te bedaren, want hoe matter of factly haar bekentenis ook was geweest, ik zag meteen voor me wat er was gebeurd.
‘Wat er was gebeurd’.
Zo noemde zij het.
Ze was verder gegaan met een nog soberder verhaal. Om uit te leggen waaróm het was gebeurd. Een verhaal over haar leven dat klonk alsof ze het voorlas. Een verschrikkelijk verhaal.
Als het tenminste allemaal waar was.
Want ze vertelde altijd verhalen die tegelijk waar en gelogen waren; al meteen na haar eerste zinnen, wist ik niet meer of ik haar geloven moest. Niet dat het uitmaakte. Hoe je het ook wendde of keerde, wat ze vertelde was allemaal even gruwelijk, de leugens ook.
De kassière van de AH gaf een samenvatting van wat de veroordeelde vrouw had gedaan; dingen waar de jonge moeder de hele nacht aan terug zou denken. Haar kind huilde nog steeds, maar ze was gestopt met zacht heen en weer wiegen om het in slaap te krijgen. Ze staarde naar buiten. Het meisje achter de kassa beschreef de straffen die zij de kindermoordenares toewenste.
Petra was de straf voorbij. Haar hele leven was een straf geweest, vond ze, op de eerste twee jaar na. Daarna was haar geluk op en het weerzinwekkende begonnen. Maar dat had zij pas achteraf gereconstrueerd (gefabuleerd) uit alles wat in de tbs naar boven was gekomen. Gebeurtenissen die ze vanzelfsprekend had gemaakt. Opdat de mensen haar begrepen. Dat wilde ze graag.
Maar zelfs het minste begrip leek meteen op een soort medeplichtigheid, dus de mensen keken wel uit. Als ze begon te vertellen, wendden ze hun blik af, staarden ze in de verte, en lieten ze haar alleen met haar verhalen.
Ik uiteindelijk ook. Ik begreep van lieverlede mijn eigen leven niet meer – gewoon een beetje verdriet en een beetje geluk bij elkaar, eigenlijk wel mooi – dat hoe meer Petra mij vertelde futieler en futieler werd. Maar die gedachte was dan ook weer futiel.
‘Heeft u een bonuskaart?’ vroeg de kassière.
‘NEE!’
Ze deinsde achteruit. ‘Het is voor die mevrouw,’ zei ze zacht.
De moeder glimlachte naar mij terwijl ik mijn sleutelbos uit mijn zak haalde. Ik glimlachte terug. Ook naar het kassameisje. De baby viel stil.
Iedereen blij.
Domweg gelukkig door de bonuskaart.