
Vroeger had ik ook wel eens pijn. Ik stootte mijn hoofd of mijn knie of weet ik veel wat, riep ‘au!’ of iets ergers, deed er een pleister op of iets ergers en hield vol tot de wonden zich gesloten hadden en ik er niks meer van voelde. Andere pijnen bestreed ik met pillen. Niet te veel want volhouden tot het overging bleef het ideaal.
Pijn hoorde bij het leven en die droeg ik zoals het leven zelf.
Dapper.
En als ik u vertel dat toen ik op mijn zevende het lijdensverhaal van Jesus Christus voor het eerst hoorde dát mijn toetssteen voor leedverdragen werd, weet u dat de lat hoog lag, wat dapper zijn betreft.
Maar in de oudheid hadden ze geen motoren, laat staan frontale botsingen met die machines, dus na mijn ongeluk moest ik mijn pijnbeleving – ja, zo heet dat, lang leve de eufemismen – grondig herzien. (Hm, absurde redenatie, maar ik laat die hier staan omdat ze me toch wel logisch voorkomt, al weet ik niet waarom.)
Een andere reden voor die herziening was dat er meteen naast het eerste bed waar ik in lag iemand van ‘het pijnteam’ verscheen om vragen over mijn pijn te stellen.
Uh… pijnteam?
Ik zag een zestal veel te mooie Marvel-helden en -heldinnen met echt hele handige gaven ten strijde trekken tegen de lichamelijke pijn in de wereld en nu dus ook die in mijn aangedane arm (ik had intussen al een infuus met morfine in mijn goede arm steken, inclusief pomp met zelfbediening, dus mijn toch al levendige fantasie kon haar lol niet op).
Nee, dat was het niet. Het pijnteam was een mevrouw die me vroeg hoe erg mijn pijn was.
‘Nou, heel erg.’
Ze knikte. ‘Op een schaal van tien, waarbij nul geen pijn en tien ondraaglijk is, welk cijfer geeft u dan?’
‘Uh…’
Mijn arm die niks meer deed behalve pijn was intussen van gietijzer geworden, of van iets anders dat heel erg zwaar en levenloos was. Gewapend beton kon ook. Zoiets leek me strikt gesproken een nul, maar helemaal eerlijk vond ik dat niet, want het was dan misschien geen pijn, naar was het wel. En griezelig. Ik moest aan een verhaal van Mulisch denken, ‘Wat gebeurde er met sergeant Massuro’, die veranderde stukje bij beetje in graniet (de sergeant in het verhaal bedoel ik, niet Mulisch).
Was griezelig ’n één? Ik durfde het niet te vragen.
‘Wat voelt u precies?’ vroeg de vrouw van het pijnteam om mij te helpen.
‘Alsof ik mijn telefoonbotje heb gestoten. Of eigenlijk een paar telefoonbotjes. Een paar honderd. En dan telkens weer, allemaal tegelijk… en dat dan dus overal in mijn arm knetterende elektriciteit, nee knetterende kortsluiting, van mijn vingers naar mijn schouder raast en weer terug om onderweg te gloeien, branden en prikken en steken als de hel op aarde.’
De hel, dat is mijn arm.
Was de hel een tien? Leek me eigenlijk wel. Maar om nou meteen met een tien te beginnen…
Ik dacht aan al mijn vorige pijnen. Waarom had ik die geen cijfer gegeven? Waarom had mijn moeder me nooit naar iets tussen nul en tien gevraagd? Dan had ik nou tenminste een referentiekader gehad en een onderbouwde gooi kunnen doen. Ik zag haar opeens naast me staan (lang leve de morfine): ’Ach jongen toch, ben je gevallen? Doet het zeer? Ja, dat snap ik… Maar nou even niet meer huilen vent… hier, een zakdoek en dan even goed naar mama luisteren: op een schaal van nul tot tien, waarbij…’ Ik vroeg me af wat Jesus van een geschaafde knie zou vinden, of een kapotte arm…
‘Anderhalf,’ zei ik tegen de vrouw van het pijnteam.
‘Dus draaglijk?’
‘De lat ligt hoog,’ lachte ik, opeens nogal schel. Ze fronste haar wenkbrauwen.
‘En waar voelt u de pijn?’
’In mijn arm en mijn hand en mijn vingers!’ Ik wees de plekken aan.
Mis.
Daar was mijn arm helemaal niet, en dus de rest ook niet. De pijn wel. Hoe flauw was dat, ergens heel veel pijn waar helemaal niks was? Ik keek naar mijn arm cum suis. Die lagen een tiental centimeters verderop onschuldig niets te doen.
Ik probeerde met heen en weer staren van mijn pijn naar mijn arm de ergens losgeraakte draadjes weer aan elkaar te krijgen.
Tevergeefs. Mijn arm en hand en vingers bleven waar ze waren. De pijn ook, maar niet lang. Ik had mijn ogen nog niet afgewend of ze ging weer ergens anders liggen te branden, gloeien, prikken en steken (zodat ik even dacht dat mijn arm bewoog).
Eek! Pijn met een eigen leven!
Gekker moet het niet worden! Dát leven ga ik niet dragen hoor. Ik kan verdomme mijn dapperheid wel beter gebruiken. Voor mijn éígen leven bijvoorbeeld. Daar valt nog een hoop te doen.
‘Doet u toch maar een acht,’ zei ik terwijl ik mezelf nog wat morfine gaf.
Pfff, heftig René. En dat alles door een stukkie fietsen. Sterkte met je herstel.
Gr. Peter Groenendaal
LikeLike
Dank! Inmiddels zit ik op een goed te dragen twee🙂
LikeLike
Bizar. Wel mooi beschreven, René. Komt zo heel dicht bij. Hoe is de pijn nu bijna 2 jaar later?
LikeLike