Mijn moeder kijkt vanuit haar appartement uit op een wijkje in aanbouw.
‘Het is wel leuk om dat te zien ontstaan,’ zei ze. We besloten er omheen te lopen.
Het heet ‘Vrij Spel’. Een hip concept waar iedere zichzelf respecterende gemeente op een dag voor valt; zo’n wijkje waar de toekomstige bewoners zo’n beetje zelf mogen bepalen in wat voor ’n huis ze willen wonen, zodat er in alles bij elkaar geen enkele lijn in te vinden is: nu eens een trapgeveltje, dan weer een Rietveld-achtige blokkendoos, en daarnaast dan weer een antroposofisch zandkasteel. En dat allemaal schijnbaar achteloos ergens op een paar percelen land.
‘Leuk toch,’ vond mijn moeder, ‘speels!’
‘Maar kennelijk mag dat spelen alleen zolang ze aan het bouwen zijn, want het wijkje gaat straks gewoon het ‘Hertoghof’ heten.’
‘Ja, dat is wel jammer…’
En ik vind het stom. Eerst heet zo’n wijkje ’Vrij Spel’, lekker bandeloos en misschien wel een beetje revolutionair, strand om het op z’n Brabants te zeggen, maar als alles af is, moet de hele mikmak weer terug in het dagelijks leven van straten en pleinen.
En hofjes!
Zonde, want als het af is, begint het pas, zou ik zeggen. Of beter gezegd, als je met Vrij Spel begint, krijg je het nooit af. Die bouw, dat is gewoon een fase, hoofdstuk één van een never ending story, want dat spelen gaat maar door.
En vrij spelen al helemaal.
Ik zie die mensen uit die huizen voor me. Die steken een paar jaar van hun leven al hun bloed, zweet en tranen, en niet te vergeten hun tijd en geld, in iets wat echt heel anders moet worden dan een rijtjeshuis, om als ze ten slotte de sleutel van hun steen geworden droom krijgen hun hele hebben en houwen snel weer in het gareel te proppen.
Jammer toch?
Vind ik dus wel.
Laat ik eerlijk zijn, vroeger (ik bedoel vóór mijn ongeluk) kreeg ik over mijn hele lijf rode vlekken als iets anders ging dan normaal, dus ik snap die hang naar het oude vertrouwde wel een beetje. Maar tegenwoordig weet ik niet beter dan dat alles anders is. Sommige mensen (ik bedoel lifecoaches, goeroes, therapeuten, et cetera) zeggen dat je tenminste iedere dag een keer uit je comfortzône moet stappen… nou sinds ik maar één arm-schuine-streep-hand kan gebruiken, heb ik geen comfortzône meer. Het hele leven is een verrassing.
Gisteren bijvoorbeeld vroeg een verpleegster die een röntgenfoto van mijn schouderblad moest maken of ik mijn linkerhand boven mijn hoofd kon houden.
Kon ik niet meer!
Ja, eh logisch… maar ook met hulp van mijn rechterhand niet. Alles was vastgeroest of zoiets, omdat ik die arm nooit beweeg.
Verrassing! (Onaangename.)
Het moest toch (mijn arm omhoog).
De verpleegster kwam me helpen en worstelde voorzichtig met mijn arm (en met mij, maar dat verdrongen we meteen, want het was allemaal al ingewikkeld genoeg), net zo lang tot ik met mijn arm in een hele rare hoek min of meer goed stond/kon blijven staan en zij naar de knop kon rennen.
Dat lukte.
Hoera voor ons! (Zonder handen in de lucht.)
En ik dacht: eigenlijk zou iedereen eens in de zoveel tijd een poosje een arm (of iets anders) moeten missen, om een beetje scherp te blijven. Om weer eens dingen uit te vinden, iets te proberen, net zo lang te klieren en pielen tot het lukt.
Om te spelen.
Ik doe het dus de hele dag en verdomd als het niet waar is, ik leef er helemaal van op. Iedere dag is een aaneenschakeling van spelletjes. Als het ware. U had me eens moeten zien toen ik voor het eerst mijn schoenen met één hand had weten te strikken!
Ik was zo blij als een kind.
Ik kon me niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo blij was geweest.
Of toch wel, toen ik nog een kind was.
‘Kijk.’ Mijn moeder wees naar een onaf huis. Er stak een loze balk uit het bouwsel en daar hing een schommel aan. ‘Weet je nog hoe dol jij op schommelen was? God, papa en ik hebben eindeloos naar je zitten kijken’
‘Ja, dat weet ik nog.’
Plak uw arm op uw buik vast en probeer alles opnieuw. Ga spelen.
