Wonder

Op de Leidsekade zette de krantenjongen zijn fiets tegen een lantaarnpaal om mij staande te houden en te vragen of ik er zo uitzag omdat ik het mooi vond, of ‘voor geloof’.

Hij dacht namelijk dat ik een rabbi was. Dat heb ik wel vaker, dat mensen dat denken. Een zwart pak, flinke grijze baard en een hoed, en je bent een rabbi.

‘Omdat ik het mooi vind,’ zei ik. Hij knikte alsof hij dat al verwacht had.

Maar hij liet zich niet uit het veld slaan en begon aan een verhaal over zíjn geloof dat hij zo geestdriftig en vrolijk vertelde dat ik niet kon doorlopen.

Trouwens, het was geen krantenjongen maar een krantenmán, want één van de vele dingen die hij me vertelde (en één van de weinige dingen die ik begreep) was dat hij drie kinderen had. Dan ben je geen jongen meer, vind ik. Maar om één of andere reden vind ik krantenman een rare benaming voor iemand die kranten bezorgt. Een krantenman, dat is de directeur van de Telegraaf of zo. Of een mijnheer, de vijfde generatie van een deftig uitgeversgeslacht, met inkt in plaats van bloed in zijn aderen, die ’s morgens gewoon zijn eigen voorpagina eet tussen twee boterhammen.

Eh… Sorry, dit móést ik opschrijven.

Waar was ik? Oh ja, het verhaal van de man. Dat was erg ingewikkeld. Het ging dus over zijn geloof en hij leidde mij langs alle hoeken en gaten van hemel en aarde om aan mij uit te leggen waarom hij ‘voor katholiek studeerde’. Hij had zich bekeerd en ging zich binnenkort laten dopen.

Hij keek zo blij dat ik op een rare manier jaloers werd. Raar omdat ik zelf al gedoopt ben, dus waarom zou ik jaloers zijn, maar ook raar omdat ik er zelf nooit zo’n lol aan beleefd heb. Ook geen chagrijn, trouwens. Ik ben gedoopt. Punt.

Ook de andere katholieke mijlpalen, mijn eerste en tweede (plechtige) communie, brachten weinig teweeg in mijn leven. Van de eerste herinner ik mij een feest waarop ik al vrij snel mijn nieuwe broek scheurde, wat een soort schaduw over de dag wierp omdat ik mij de hele tijd schuldig voelde, en van de tweede communie weet ik alleen nog dat ik in de kerk iets mocht voorlezen, ook al in een nieuwe broek, een nette, waar mijn moeder erg om moest lachen, omdat ik van tevoren op aandringen van de pastoor erg bij haar om die broek gezeurd had terwijl niemand hem kon zien toen ik eenmaal op de kansel stond.

Dat je om iets plechtigs ook schaamteloos en uitbundig kon lachen, was die dag eigenlijk de grootste openbaring voor mij. Leerzaam.

Goed. Allemaal gebeurtenissen waarvan ik niet wist dat ik ze onthouden had en die de man met zijn verhaal kennelijk bij mij opgerakeld had. Intussen was hij zelf verder gegaan met mij uit te leggen hoe het katholicisme in elkaar zat. Vooral de heiligen gaf hij veel aandacht. Hij kwam zelf namelijk uit een erg ver land met een heel ander geloof en daar hadden ze die niet.

Het katholieke geloof was een van de redenen waarom hij erg blij was dat hij nu in Nederland woonde. Zomaar kunnen geloven wat je wil, was al mooi, maar dan ook nog een heel regiment heiligen erbij! De een had nog beter geleefd had dan de ander.

‘En zij hadden wonderen gemaakt!’ riep hij.

Hoe mooi was dat?!

Zo had ik het nog nooit bekeken. Eigenlijk best wel een positieve religie, als je de juiste instelling hebt (en een hele hoop dingen in de doofpot stopt).

Maar dan nog, wonderen?

De man bekeek mij nog eens van top tot teen en zei toen: ‘Ja, altijd mooi. Uw kleren. Maar nu vaak een beetje somber. Alles zwart en grijs.’

Hij had mij kennelijk al een tijd in de gaten gehouden. En verdomd, ik was inderdaad wel een beetje aan het tobben geweest.

‘Ik heb iets voor jou. Om vrolijk te worden!‘ Hij sloeg de flap van zijn gigantische krantenfietstas open.

Veren!

‘Allemaal gevonden!’ zei hij.

Dat leek me sterk, want de ene was nog prachtiger en kleuriger dan de andere en ik had in Lombok nog nooit zulke bonte vogels zien vliegen (behalve dan die verschrikkelijk brutale halsbandparkieten). Maar daar ging ik niet over beginnen, want ik mocht er een uitkiezen. Een veer. Dat deed ik. Daarna moest ik knielen, zodat de man de veer achter het lint van mijn hoed kon steken.

Het had iets plechtigs. Mijn communies waren er niks bij.

Toen ik opstond was de man weg. Nergens meer te bekennen. Ik voelde aan mijn hoed. Niks geen veer. Laat staan een wonder.

Toch was ik een stuk vrolijker. Weer een verhaal af!

De foto is van Wikimedia Commons.

2 gedachten over “Wonder

Geef een reactie op René Poort Reactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.