
Vakantie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik doe daar nooit aan mee, want dat is uit mijn comfortzone. Ik heb weliswaar ooit aan de psycholoog van het revalidatiecentrum in een montere vlaag van ‘het roer moet om’ beloofd dat ik niet alleen uit mijn hoofd zou komen, maar ook uit mijn comfortzone (in mijn geval vaak hetzelfde), bijvoorbeeld om mensen te ontmoeten, maar daar heb ik nooit echt werk van gemaakt. Behalve dan een paar jaar geleden, toen ik ben gaan wandelen in Zuid Limburg.
Veel natuur daar. Vrolijke bossen, lome akkers, heuvels die ze bergen noemen. En mensen. Dus veel te ontmoeten.
Dat begon al meteen bij het eerste ontbijt in de eetzaal van het hotel. Terwijl ik probeerde het gesteven servet uit te vouwen, zetten een jonge man en vrouw met glimmende trouwringen de buit die zij bij het buffet gescoord hadden voor zich op tafel en begon naast hen een mevrouw aan haar tafelgenoten nogal luid uitleg te geven van de pillen die zij bij het ontbijt moest slikken. Ze wees ze één voor één aan, vermeldde de namen en voor de zekerheid de kleur, en vertelde waarvoor of waartegen ze waren. Als ze er niet uitkwam, hielp haar man, en een enkele keer de vrouw tegenover haar, die kennelijk ook verstand van zaken had. Ik wist niet goed wat ik met al die informatie aan moest, zeker niet in combinatie met de jonge mensen die toen ze in hun croissants hapten lang niet zo gelukkig keken als ik verwachtte, waardoor ik me opeens afvroeg of ze inderdaad op huwelijksreis waren zoals ik vermoedde, én me afvroeg hoe gelukkig je dan precies moet kijken als je pas getrouwd bent, want daar is natuurlijk geen norm voor, maar vast wel een soort ondergrens en…
‘Wat weet jij daar nou allemaal van?’ vroeg Cavia. (Jammer genoeg was die erbij toen de psycholoog mijn hele ziel en zaligheid had blootgelegd.)
‘…’
‘Jíj zat daar helemaal in je dooie eentje op je muesli te knabbelen, zoals iedere morgen waar je ook bent! Dus het is nou niet zo dat je veel verstand van dit soort situaties hebt!’
Eh…
Wandelen!
Op mijn eerste tocht was het al meteen raak, want ik was amper het dorp uit of er naderde een tamelijk absurde optocht van twee paters die een rommelige groep jongeren aanvoerden. Allemaal gothics. Die jongeren bedoel ik. Het was alsof de geestelijken een bende duivelsdiscipelen gevangen genomen hadden. Dat was niet zo. Sterker nog, ze keken allemaal erg vrolijk. Wat ze gingen doen, was onduidelijk. Mijn gok was dat ze op weg waren om gedoopt te worden, daar is Limburg namelijk erg geschikt voor want het wemelt er van de beekjes, die allemaal kabbelen alsof het niks is. Dat laatste is niet per se nodig om iemand te dopen, maar het maakt de hele scène wel romantischer.
Goed, ik liep verder, een bos in. Dat is daar niet zo moeilijk. Ik kwam een uur lang helemaal niemand tegen en tot mijn eigen verbazing maakte ik me daar zorgen over. Zo kwam er niks van ontmoeten!
Gelukkig kwam ik al snel bij een huis waarvoor een meisje op een stoeltje zat, naast een kleedje vol zacht glanzende Pokemonkaarten, die me deden denken aan mijn kinderen en hun enorme verzameling kaarten die ik, Joost mag weten waarom, in gedachten probeerde te vinden in een huis waar ik al in geen eeuwen was geweest, in hun kamers, op de zolder en de vliering, in kasten en/of oude schoenendozen, kortom overal en nergens terwijl ik gaandeweg zwetend in paniek raakte. Had ik nou al een zonnesteek? Zou echt iets voor mij zijn.
Nee, het meisje vroeg mij of ik Pokémonkaartjes wilde kopen en dat verstond en begreep ik goed. Dus niks aan de hand. Maar ik hoefde geen Pokémonkaartjes, zelfs niet toen ze zei dat ze soms heel veel waard zijn, want zij had er eens eentje verkocht voor € 91! Dat wist ik, dat ze veel waard zijn, want ik was eens op Catawiki gaan zoeken naar een enorme en levensechte roze (!) Pikachu van kunststof omdat ik daar ooit op had geboden om ten slotte af te haken toen het bedrag niet meer in redelijke verhouding stond tot de blijdschap die het vrolijke monstertje me telkens gaf als ik hem bekeek. Ik vond een kleine honderd euro voor een glimlach bij het zien van een roze Pikachu te veel.
Later kreeg ik daar natuurlijk spijt van. Ik had ook uitgerekend dat als ik 83 zou worden en ik iedere dag één keer zou glimlachen om die roze Pikachu, één glimlach niet meer dan twee cent zou kosten (inclusief veilingkosten en verzending), wat dan weer een belachelijk schijntje was voor zeker tien seconden onvoorwaardelijke vreugde. Wat me er dus toe bracht om alsnog op die veilingsite te gaan zoeken, om alleen maar Pokémonkaarten te vinden en me te verbazen over de astronomische bedragen die mensen daarvoor wilden neerleggen.
Aan de stoffige rand van het bos voor het beduimelde huis flakkerde m’n verlangen naar die roze Pikachu weer een beetje op, terwijl ik nog maar eens mijn hoofd schudde. Het meisje knikte begripvol, alsof zij precies wist dat ik in de rest van mijn leven duizenden glimlachen van nog geen twee cent per stuk zou gaan mislopen.
Daar was ik nog diep over aan het nadenken toen ik langs een wei vol geiten liep. En dus géén schapen die net geschoren waren, ik zeg het maar even, want dat maakte een langsfietsende vader zijn zoontje in het stoeltje wijs, een misser die hij halsstarrig volhield toen ik in de lach schoot, ‘ja, die meneer moet lachen om de scháápjes, hij vind ze ook leuk,’ riep hij, waarna het jongentje prompt aan het huilen sloeg. Dat laatste was doodgewoon toeval, maar ik wil het hier toch even vermelden.
Een van deze geiten lag op haar zij naar adem te happen. Dat leek me niet goed. Maar wat moest ik doen? Flink doorstappen om de meneer die verderop in een tuintje aan het schoffelen was te waarschuwen. Hij zag me aankomen en antwoordde al nog vóór ik iets had gezegd: ‘Ja, net goed! Lekker laten liggen!’ zei hij.
‘Uh… Hè?!’
Het bleek dat die geiten regelmatig het hek om zijn tuin omverduwden om zich vervolgens vol te vreten met hij ook maar aan het verbouwen was.
‘Zelfs tomaten!’ zei hij meer verbaasd dan boos. Ik wist nog maar net te voorkomen dat ik hem vroeg waarom dat zo raar was, want hij leek me iemand van uitgebreide litanieën over alles wat hem tegenzat, waaronder dus die brutale geiten.
Maar goed, toen stonden we daar. De man vol wrok en ik in dubio, want wat moest er nu met die geit? Het was alsof dat beest mijn dilemma ergens uit de lucht oppikte, want toen ik omkeek, krabbelde zij weer op om meteen naar ons toe te drentelen en ons van een afstandje uit te lachen.
‘Gefopt!’, mekkerde zij.
Dacht ik.
Daar werd de tuinier echt boos om. Hij greep een riek en deed een stap naar voren. De geit bleef gewoon staan. Onverstoorbaar. Tot razernij van de man die na een korte aanloop de riek naar de geit wierp. Een nogal sneue actie, die onverwacht prachtig afliep, want de riek landde na een perfect boogje met de vier tanden tegelijk in het gras om daar heel even na te trillen. Daar had de man niet van terug.
Ik ook niet. Dat leek me een mooi teken om te vertrekken. Ik knikte naar de man en hervatte mijn wandeling.
Er volgde een gevarieerde reeks korte ontmoetingen, die ik eigenlijk niet in dit verhaal wilde opnemen omdat ik niet goed wist wat ik ermee aanmoest, maar die ik ook niet uit mijn hoofd kreeg, wat me van liever lede echt in de weg ging zitten, zodat ik ze ten slotte toch maar opschreef. Hieronder.
Twee vrouwen die achter elkaar fietsten terwijl ze een onverstaanbaar gesprek schreeuwden waaruit opeens de volgende min of meer verontwaardigde mededeling opvloog: ‘Nou ja, je moet niet vergeten dat hij motorcrosser is geweest!’ Nee, dank u, dat zal ik de rest van mijn leven niet meer vergeten…
Een klein peloton soldaten in volle bepakking dat op vrolijke fanfaremuziek uit een kolossale ghettoblaster erop los marcheerde alsof het niets was, terwijl iedere rij soldaten ook nog eens een lange boomstam (zo dik als een doelpaal) op de schouders droeg.
Een vrolijke familie die, zo vertelde een vrouw mij enthousiast, op weg was naar weer een andere familie om daar suikerfeest te vieren. Ze droeg een jongetje op haar schouders dat was uitgedost als een minikoning in een goud bestikte djellaba.
Eh… Ik verzin best veel in deze blogs, of liever gezegd, ik maak de werkelijkheid een beetje leuker, maar wat ik tot nu toe geschreven heb, is allemaal echt gebeurd. En het volgende ook, tot mijn eigen verbazing…
Een jongen kwam mij hand in hand met zijn moeder tegemoet terwijl hij, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, een dik boek aan een touwtje meetrok door het stuivende zand in de berm van de weg.
Zijn vastberadenheid was even onbegrijpelijk als troostrijk. Soms, als ik bij het opstaan helemaal geen zin heb in de dag, denk ik aan hem terug om mijzelf op te monteren. Wat hij kon, kan ik ook, denk ik dan. Gewoon doorgaan, hoe absurd het ook is, alles. En dan ben ik wéér blij dat ik niet achter de twee ben aangerend om te vragen waar dat boek over ging. Het moest een beetje mysterieus blijven. Om een of andere reden versterkte dat de hoop die ik uit de hele ontmoeting putte.
‘Smoesjes,’ zei Cavia, ‘je durfde het gewoon niet te vragen.’
‘Heus wel…’
‘Nee man, lees nog eens terug wat je hierboven allemaal hebt geschreven. Je hebt met niemand een woord gewisseld! Lekkere ontmoetingen! Dus maak mij nou niet wijs dat je heus wel een gesprek had aangeknoopt met die twee.’
‘…’
Ik verzin best veel in deze blogs, of liever gezegd, ik maak de werkelijkheid een beetje leuker, dus eh…
Een jongen kwam mij hand in hand met zijn moeder tegemoet terwijl hij, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, een dik boek aan een touwtje meetrok door het stuivende zand in de berm van de weg.
We waren elkaar al gepasseerd toen ik opeens besefte dat dit té absurd was om zomaar voorbij te laten gaan. Ik keerde om en rende achter ze aan. Nog voor ik iets gevraagd had, trok de jongen het boek naar zich toe tot het tussen ons in op de weg lag.
‘Kijk zelf maar,’ zei hij. Ik pakte het op en bladerde er doorheen. Allemaal lege bladzijden op de eerste twee na. Ik begon te lezen: “Vakantie daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik doe daar nooit aan mee, want dat is uit mijn comfortzone.”
Uh… Hè?
Ik sloeg snel de bladzijde om en las de laatste zin: “De jongen glimlachte. ‘Je mag het boek wel houden,’ zei hij.”
p.s. De foto is van wikimediacommons. Zie hier.
Elke nieuwe publikatie in uw blog is een versnapering die ik meteen verslind.
LikeLike
😀 dank u!
LikeLike