Alle berichten door René Poort

Onbekend's avatar

Over René Poort

Ik ben een schrijver en schrijf over alles wat me voor de voeten komt. Vaak in een blog, soms in een roman, & op mijn werk in memo's, notities & plannen van aanpak. De rode draad is dat het leven een heel gedoe is. Ingewikkeld. Maar als ik daar niet over schrijf, word ik gek.

Bui

Opeens moest ik aan het journaal denken, want daar had ik laatst sinds lange tijd weer eens naar gekeken, en ik had het zelfs helemaal tot en met het weerbericht volgehouden, of nou ja, tot en met die mevrouw opeens zei: ‘Hier en daar wat regen, maar die buien zijn wel héél lokaal’.

Héél lokaal?

Wat is dat? Op mijn balkon wel regen, maar op het schuurdak van de achterburen niet? (Of andersom?) Ik vind dat wel heel lokaal, maar het kan natuurlijk nog lokaler, bijvoorbeeld op mijn ene plant wel en op de andere niet. (Ik zag ook Iejoor voor mijn geestesoog, de ezelvriend van Winny the Pooh, die als hij somber is een regenwolkje boven zich heeft hangen.) Maar ik vraag me af of het dan nog wel een bui is, zo klein is misschien té lokaal. Een bui heeft natuurlijk een minimale en maximale omvang, en ook nog eens een minimale en maximale tijdsduur. Niet iedere plens regen is een zomaar een bui, vermoed ik.

Eh, wat is eigenlijk de definitie van een bui?

Vroeg ik mij opeens af.

Hm… ik ook altijd met mijn gedenk. Nou moest ik dat opzoeken.

Ik naar het KNMI. Dat wil zeggen, naar de website van het KNMI. Voor iemand als ik, die twijfel waardeert als uitgangspunt voor verder onderzoek, maar die diep in zijn hart het liefste zekerheid wil, is de definitie van de weerlui uit Den Bilt een grote teleurstelling: “Een bui duurt meestal maar kort, in het algemeen minder dan een uur”.

Twee slagen om de arm in een zinnetje van 13 woorden: “meestal” en “in het algemeen”. “Minder dan een uur” vind ik ook niet bijzonder precies, maar vooruit, het perkt de bui tenminste iets in. De duur ervan, dus.

Maar geen woord over de omvang van een bui. De maten ervan, bedoel ik. Het hele woord lokaal komt in de tekst niet voor, laat staan de minimale dan wel maximale lengte en breedte van een bui, of dito diameter-schuine-streep-omtrek. Kennelijk horen de afmetingen van een bui niet bij de kenmerken ervan. Dat is vreemd, want om het verschil met gewone regen uit te leggen, noemt de KNMI zo’n beetje alle eigenschappen die je bij een bui zou verwachten: neerslagintensiteit, gelijkmatigheid, clusteringen, enzovoort. Zonneschijn noemen ze ook nog, en droge periodes, maar dat vind ik rare eigenschappen want dat zijn dus tegenovergestelden van een bui. Ze dachten bij het KNMI: om een bui te definiëren kunnen we natuurlijk ook alles er omheen beschrijven, net als bij zwarte gaten. Dat is misschien zo, maar het blijft behelpen vind ik. En bij zwarte gaten ligt dat anders, die zijn zelf niets, dus dan moet je wel.

Enfin, typisch iets voor weervoorspellers, één minuscuul zinnetje dat een en al voorbehoud is. Toch is dat meer iets voor politici en/of bewindslieden (ja, laat ik eerlijk zijn, ook voor beleidsmakers). Het mooiste voorbeeld van zo’n achterdeurtje op een kier vind ik trouwens nog steeds deze, uit ‘Naar een veiliger samenleving’ (2002) van de toenmalige ministers Donner en Remkes. Dit schreven ze op: ‘Een vermindering van criminaliteit en overlast in de publieke ruimte met – indicatief – circa 20% tot 25% vanaf 2006 moet aldus in het vizier komen.’ Vooral die stapeling van indicatief en circa is al een lekkere brutale zet, maar dat ‘in het vizier komen’ is echt geweldig. Als je scherp wilt doen terwijl je vaag blijft. Ze kwamen er mee weg in de Tweede Kamer.

Terug naar de buien. Nu weet ik nog niet op welke manier het KNMI vaststelt dat ze lokaal zijn en, preciezer, hóé lokaal ze zijn.

Laat ik dan zelf maar iets verzinnen.

Een bui is lokaal als die maar op één plek valt. En nergens anders. Er kan ergens anders ook wel een bui vallen, maar dat is dan een andere bui. Dat bedoelen ze met ‘hier en daar een bui’ dat is dus niet dezelfde. Ik zeg het maar even.

Trouwens ook raar, dat vallen, want de bui valt natuurlijk niet, die hangt, en de regen vált, uit de bui. Die KNMI’ers zeggen maar wat. Stel je voor dat die hele bui zou vallen. Ik moet er niet aan denken.

Wat ik natuurlijk wel doe, op dit moment namelijk, terwijl ik dit schrijf, maar ik zal u besparen wat ik zie, want deze blog is al ingewikkeld genoeg.

Eh… toch nog één gedachte, die een beetje lijkt op de vraag ‘waar is de wind als het niet waait?’ Mijn variant: waar is de bui als het niet regent?

Verder met die definitie. De oplettende lezer heeft natuurlijk al gezien dat ik de definitie als het ware heb verplaatst, van bui naar plek. Zodat de vraag nu is hoe groot dan de plek is waarop de regen uit een bui valt. Ik stel de volgende afmetingen voor…

‘Ahum… een hele interessante verhandeling hoor. Echt.’

Zei Cavia.

‘Maar ik vroeg alleen of het al droog was zodat we een eindje konden wandelen. Je wou toch naar buiten?’

‘Ja, het is droog. En ja, ik wil naar buiten.’

‘Oh yes! Eindelijk!’

Fluitsignaal

De twee dames die hijgend tegenover mij op de bank ploften, konden hun geluk niet op, bleek toen ze weer een beetje op adem waren gekomen. Ze hadden namelijk nét de trein gehaald.

Om zeker te weten dat het echt goed was afgelopen, vertelden ze elkaar gedetailleerd wat ze allemaal hadden gedacht en vervolgens gedaan om tenslotte veilig en wel hier op deze bank in deze trein neer te zijgen.

Gewoon de eerste de beste bank! Dat laatste was kennelijk het verbazingwekkendste van alles, want dat herhaalden ze een paar keer. Ik wist niet waarom.

Eh…

Ze trokken hun jassen uit, doken in hun tassen om een thermoskan, bekers, een Tupperware bakje met koekjes, en roze servetjes tevoorschijn te halen, stalden alles uit op het plankje bij het raam, en wilden net hun koffie inschenken toen uit de intercom een strenge mannenstem kraakte.

De conducteur.

‘Dit is een bericht voor de twee dames in het blauw en paars die het zojuist nodig vonden om op het allerlaatste moment nog in de trein te springen.’

De dames stokten en keken elkaar aan.

‘Elise, dat zijn wij!’ fluisterde de een. Elise gebaarde dat ze niks moest zeggen. Ze zwegen en gluurden quasi terloops naar mij om te zien of ik het doorhad.

Ja, nogal wiedes, maar wat moest ik met die kennis? De twee erbij lappen? Heel hard roepen dat ze hier zaten? Nee, dat ging ik natuurlijk niet doen. Maar ik kon niet voorkomen dat mijn blik afdwaalde naar het haakje waaraan hun jassen hingen. Een blauwe en een paarse.

Ze bloosden.

De conducteur ging verder: ‘Wat u deed, is strafbaar! Ik had namelijk al gefloten!’

Soms is de timing van de Nederlandse spoorwegen gewoon griezelig, want terwijl de stem van de man nog nagalmde, verscheen op de schermpjes in de coupé de volgende tekst: “In verband met uw veiligheid is het verboden om in- en uit te stappen na het klinken van het fluitsignaal.”

Hm… een hele slechte tekst.

Terwijl ik mijn hoofd de zin probeerde te redigeren (zie ook mijn vorige blog, het is een ziekte), begon Elise aan een reconstructie van wat er precies was gebeurd.

‘Ja, ik zei nog: Chantal, laten we de volgende maar nemen.’

‘Oh, ging je daarom rennen?’ vroeg Chantal.

Intussen begreep ik dat ‘klinken van het fluitsignaal’ niet. Het stond er alsof het een natuurverschijnsel was dat buiten de NS om telkens uit de lucht kwam vallen. Of zoiets.

‘Nou ja zeg, ik mág niet eens rennen van de dokter. Vanwege m’n knie.’ Dat was Elise weer. Chantal schudde haar hoofd.

‘Ik kon je amper bijhouden!’

Dus ik besloot van dat klinkende fluitsignaal een actie te maken. Een actie van de conducteur. Dat leek me ook veel leuker.

‘Nou Chantal, dat is niet eerlijk van je, want je weet heus wel dat ik sinds die ene keer bij die bushalte nooit meer ren. Daar heb ik toen juist die knie van gekregen!’

Vervolgens besloot ik ‘in verband met uw veiligheid’ te schrappen. Want wat betekent dat? Ik zou het niet weten, het is veel te vaag. Omfloerst. Waarom zeggen ze niet gewoon dat het gevaarlijk is om in of uit een bijna vertrekkende trein te springen?

‘Welke bushalte?’

‘In Hoogeveen! Toen we naar Madeleine gingen!’

Daar wist Chantal niks meer van en dat hele verhaal van de dokter geloofde ze eigenlijk ook niet. Ze renden zo vaak…

‘Ja, omdat jij altijd net op het nippertje komt…’

Dat was de druppel. Chantal pakte haar thermoskan en stopte die weer terug in haar tas. Elise griste de koekjestrommel van het plankje. Toen ze alles weer hadden ingepakt bleven ze met hun tassen op schoot stil voor zich uit staren.

Inmiddels had ik een nieuwe tekst.

‘Als de conducteur gefloten heeft, mag u niet meer in- of uitstappen, want dat is gevaarlijk,’ prevelde ik.

Wat zei u?! vroeg Elise.

Eh…

Ze keek Chantal aan en ze grinnikten. Kwam ík even als geroepen, een gemeenschappelijke vijand!

‘Waar bemoeit u zich mee?’ vroeg Elise.

‘Ja,’ viel Chantal haar bij, ‘ bent u soms ook van de spoorwegen?’

Om één of andere reden had ik de tegenwoordigheid van geest om niet uit te gaan leggen dat ik een beleidsmedewerker met een beroepsdeformatie was, die bovendien nog eens in zichzelf praatte. Of mét zichzelf. Dat leek mij een slecht verhaal. De waarheid, maar toch een slecht verhaal.

Dus verzon ik een ander verhaal, dat waarschijnlijk even slecht was, want ze geloofden er geen snars van. Ze leunden dreigend naar voren en toen ze in de ijver om hun vriendschap weer te lijmen mij een duw gaven, nam ik de benen, maar al na een paar meter had Elise me ingehaald. Ze lachte.

‘Nou, dat verhaal over haar knieën en de dokter is echt wel gelogen!’ riep ik langs haar heen naar Chantal.

Dat had ik misschien niet moeten doen. Elise duwde me nog eens. En nog eens…

‘Meneer! Meneer!’ Dat was de conducteur, die me wekte en me vriendelijk vertelde dat we al een tijdje in Leeuwarden waren.

Ik stond op.

‘Vergeet uw koekje niet!’ Hij wees naar een roze servetje waarop een kletskop lag. ‘Lekker hoor, zelfgebakken.’

De foto heb ik gevonden op Wikimedia Commons, en wel hier.

Bij jezelf blijven

De twee vol bepakte en bezakte toeristes die te midden van hun spullen naast het bord van de bushalte stonden, wilden van Bunnik naar Rhijnauwen.

Eén halte.

En of ze met hun creditcard konden betalen. Vroegen ze. In het Engels.

De chauffeur dacht na.

‘Just come in,’ zei hij tenslotte. De vrouwen hezen zichzelf en hun tassen en rugzakken en slaapmatjes naar binnen, waarna ze bedeesd een plekje zochten, alsof ze opeens toch een soort gesnapte verstekelingen waren. Hun ‘thank you’ ging verloren in het geraas van de bus die optrok.

De chauffeur zweeg even tot hij aan zijn collega die achter hem stond vroeg: ‘Wat zou jij gedaan hebben?’

‘Hetzelfde denk ik’, zei de ander.

Vervolgens bespraken ze wat je zoal kon doen als mensen expres niet incheckten of om een of andere reden niet kónden inchecken. Ze lieten een ontstellende hoeveelheid voorbeelden de revue passeren inclusief hun specifieke aanpak van de verschillende situaties en typen reizigers.

Ja sorry, in die laatste zin sloop opeens een soort beleidstaal. Dat komt door mijn beroepsdeformatie, maar aangezien ik zo transparant als de neten ben, vond ik het wel zo integer om die zin te laten staan. En als ik dan toch eerlijk ben… ik wil u hiermee ook laten zien dat een beleidsmedewerker even goed heus wel bevlogen is, altijd op zoek naar inspiratie.

In dit geval dus bij twee buschauffeurs die een mooie exposé gaven van de-escalerende technieken. In gedachten categoriseerde ik hun overwegingen in een handig schemaatje, gewoon voor de gein.

Het is een ziekte.

Ze sloten hun gesprek af met de constatering dat het allemaal erop neer kwam dat je dicht bij jezelf moest blijven.

Hm…

Die conclusie viel mij dan weer een beetje tegen. Ik leg straks uit waarom. Lees vooral door.

Ik vond het bovendien jammer dat dit soort jargon nu kennelijk ook al bij buschauffeurs was doorgedrongen. Hou me ten goede, ik verwijt hen niks, ik verwijt eigenlijk helemaal niemand iets, het stelt me gewoon teleur dat vaagheid overal in de maatschappij voortwoekert alsof het niets is. Allerlei verstandige mensen waarschuwen ons voor desinformatie en fake news, maar vague news, daar hoor je niemand over.

Vague news? Ja, dat is zogenaamde informatie die mensen verspreiden als ze een term bezigen waarover iedereen het eens is zonder te beseffen dat niemand weet wat die term precies betekent, of nog erger, zonder te beseffen dat iedereen er iets anders onder verstaat.

Zoals ‘dichtbij jezelf blijven’. Dus.

Wat is dat? Of andersom, wat gebeurt er als je niet dichtbij jezelf blijft? Kan dat eigenlijk wel? Het lijkt mij niks. Niet dat ik zo dol ben op mezelf, maar om nu afstand te nemen van mezelf, dat gaat me te ver.

(Pun intended.)

Ik moest denken aan de trilogie His Dark Materials waarin alle mensen een demon hebben, een dier dat hun ‘innerlijke zelf’ is en dat hen overal volgt. Op de voet, en dus dichtbij, maar naar mijn smaak toch veel te veraf, waardoor ik alle 23 afleveringen van de zenuwen mezelf zat op te vreten omdat ik de hele tijd bang was dat de mensen hun ziel kwijt zouden raken. Of andersom. Ik stelde mezelf dan gerust door telkens te fluisteren dat het maar een film was, dus niet echt.

Net als dichtbij jezelf zijn/blijven. Dat is ook niet echt. Vague news is het. Je bent namelijk altijd dichtbij jezelf. Want waar anders? Beter nog, je bént jezelf. Punt. Want wie anders?

‘Ahum,’ kuchte Cavia, die kennelijk de hele tijd had zitten luisteren. ‘Mag ik daar iets over zeggen…?’

De bus stopte en de vrouwen zochten hun spullen bij elkaar. Een van de twee glimlachte naar mij terwijl ze haar rugzak vastgespte. Ze wees naar mijn schouder.

‘Very cute!’ zei ze, ‘I love your guinea pig!’!

Eek!

De foto heb ik op wikimedia commons gevonden. Hier!

Hart/hoofd

Toen ik op een bankje ergens in de polders bij Tienhoven zat, kwam er een vrouw langs die zo overweldigend in your (my!) face gekleed was, namelijk in een geweldige combinatie van luidkeels groen (satijnen Mao-vestje) en nog luider schreeuwend geel (broek, wijde pijpen, geborduurde bloemen) dat ik haar zonder er verder over na te denken (waarom zou ik?) welgemeend complimenteerde met haar ensemble, een compliment dat zij al even welgemeend in ontvangst nam.

Tot zover niets aan de hand.

Maar toen was ik uitgerust en had ik mijn boterhammetjes op en ging ik weer verder en haalde ik de vrouw in. Want ze slenterde alsof het niets was. Ze was aan het telefoneren.

‘Nou, weet je wat ik doe als ik niet kan slapen? Dan doe ik alsof ik een heel klein mensje ben en loop ik ín mijn lichaam naar mijn hart. Daar ga ik dan tegenaan zitten,’ zei ze.

Dat zag ik voor me. Ze had haar armen om haar opgetrokken knieën geslagen en knikkebolde een beetje, terwijl ze met haar hoofd tegen de wand van haar hart zacht met het kloppen meedeinde…

Ho!

Ze had die prachtige maar heel erg lawaaierige combinatie nog steeds aan! Geen wonder dat ze niet in slaap kon komen. Had ze geen pastel blauwe pyjama of zo? Of iets in oud roze?

Dat leek me niet iets om nu aan haar te vragen. Ik ken mezelf. Hoewel het een volstrekt legitieme vraag was in míjn hoofd, zou zij het vast en zeker beschouwen als een hele slechte eerste zin van een stuntelige poging om een gesprek aan te knopen, of wat dan ook. En ze zou gelijk hebben! Maar ik wilde helemaal geen gesprek aanknopen, laat staan wat dan ook. Ik wilde gewoon wat meer context, zoals dat tegenwoordig heet. Want nu zat ik met die vrouw in mijn hoofd terwijl zij naast haar hart in haar eigen lichaam zat, in een kleurig setje dat prima was voor een fijne wandeling op een zonnige dag, maar echt funest voor je nachtrust.

Maar goed, ik ging haar dus niet om uitleg vragen. Laat staan dat ik haar zou vragen of ik eens een keertje even naast haar mocht komen zitten. Want dat leek me opeens wel gezellig.

Een nog slechtere eerste zin.

Ik vind het romantisch, zei Cavia, ‘en die vrouw misschien ook wel.’

‘De wildvreemde vrouw die ik zojuist heb afgeluisterd, bedoel je? Nee, zoals ik al vaker heb uitgelegd… in een Hollywoodse romcom pakt zoiets na een reeks ongemakkelijke misverstanden geweldig uit voor alle betrokkenen, die aan het einde van de film allemaal huilen van geluk, maar in mijn leven niet. In mijn leven blijft het bij ongemakkelijke misverstanden.

‘Dat zeg je altijd. Je zit daar maar in je hoofd te bedenken hoe alles zal uitpakken, maar heb je ooit gewoon iets geprobeerd?’

Dat was geen vraag.

‘Mag ik hier naast u zitten?’

Dat was wel een vraag. Een heel erg gefluisterde vraag. Twee uur later, ander bankje, op een heuveltje. Andere vrouw, een tegenovergestelde vrouw zou ik haast zeggen, want geheel in camouflagekleuren gekleed. Nadat ze was gaan zitten begon ze zich omstandig maar geruisloos te installeren om eens uitgebreid in de verte naar vogels te turen. Daarvoor had ze maar liefst twee verrekijkers, een kleintje aan een bandje om haar nek en een grote voor zich op poten, die ze allebei behoedzaam uit haar groene rugzak had gehaald. Haar rugzak die van boven tot onder uit ritsen en touwtjes bestond.

Zo’n soort rugzak heb ik ook, maar de vrouw kon er beter mee overweg dan ik, want ze wist door trefzekere en bewonderenswaardige organisatie precies achter welk ritsje welk benodigdheidje zat.

‘Zijn daar YouTube tutorials voor?’ hoorde ik mezelf vragen.

Ze antwoordde met haar wijsvinger ernstig voor haar lippen terwijl ze haar hoofd schudde en naar het landschap voor ons gebaarde.

Stilte!

Vogels!

De vrouw zette de kolossale telescoop voor haar rechteroog.

Ongemakkelijk misverstand; mijn vraag, die eigenlijk een grap was. Niet om te lachen, vond de vrouw. Dus in ieder geval ongemakkelijk. En om dat nog eens te onderstrepen, verloor ik mijn evenwicht toen ik opstond om te vluchten, rolde ik van het heuveltje en stootte ik mijn hoofd tegen een omgevallen boom. Waarom ruimen ze die dingen ook niet op als ze op de grond liggen?

Ik schreeuwde heel hard: ‘AU!’

Alle vogels in de hele polder vlogen verschrikt op om de rest van de dag niet meer terug te keren. De vrouw wenste mij naar de hel.

In plaats daarvan ging ik naar huis, precies het omgekeerde van de hel, want mijn eigen hemel. En daar ging ik weer in mijn hoofd zitten, mijn speciale plaats in mijn eigen hemel.

Naast Cavia.

‘Jij ook altijd met je goede raad,’ zei ik. Cavia zweeg. Na een poosje sloeg die een arm om mijn schouder.

p.s. De tekening is gemaakt door Patrick J. Lynch en te vinden op Wikimedia commons: hier. Ook de tekening van hersenen staat op Wikimedia commons, hier. Ik heb de tekeningen zelf over elkaar gefröbeld.

Omdat het kan

Op marktplaats bood ik op een paar schoenen. Een behoorlijk uitbundig paar schoenen. Heel erg groen! Zo groen dat ik me af en toe afvroeg ik me af of ik ze ooit zou gaan dragen (lees: zou durven dragen), maar telkens als ik ze zag, vond ik ze weer prachtig. Dus uiteindelijk schopte ik de kogel door de kerk. Of zoiets.

€ 22,50

De verkoper van het pak stuurde me een bericht terug: ‘€40,- vaste prijs’.

Eh…

‘Waarom laat je mensen dan bieden?‘

‘Omdat het kan.’

Huh?

Wat is dat voor een antwoord? Nou, een antwoord van niks. Vind ik. Maar wel een erg populair antwoord van niks. Iedereen gebruikt het te pas en te onpas.

Waarom?

Ik ben van beleid, dus daar heb ik een theorie over.

Ten eerste klinkt het lekker ondernemend. Mensen die ‘omdat het kan’ zeggen, hebben zo’n houding van niet benepen doen en de dingen groot zien. Met ‘omdat het kan’ leggen ze de hele wereld aan hun voeten. En die wereld is een ongebreideld festijn van kansen. Wie die niet grijpt, is een kleingeestige sukkel.

‘Misschien ben jíj wel zo iemand,’ zei Cavia, nooit te beroerd om met me mee te denken, ‘niet kleingeestig, af en toe een sukkel.’

Hm… Ik weerstond de neiging hun om voorbeelden te vragen. Cavia glimlachte.

Fijntjes.

‘Je bent in ieder geval geen risk seeker,’ zei die.

….

Okay, ik ga hier nog even verder met mijn theorie. Lees vooral door!

Ten tweede: ‘Omdat het kan’ is de smoes van mensen die het breed hebben en dito laten hangen. Mensen met een genotzuchtige hang naar extravagante in your face varianten van gewone dingen. Spijkerbroeken met titanium beslag en knopen, cheesecake met bladgoud, koffie van bonen die eerst opgegeten en uitgepoept zijn door katten, even op een neer naar New York om daar met je familie een kopje koffie te drinken, enzovoort. Geld uitgeven omdat het kan. Decadentie als leidraad voor het leven.

‘Da’s de kift,’ zei Cavia. ‘Jij bent het tegenovergestelde van decadent. Je leeft als een monnik op vakantie. Als de dood dat het leuk wordt.’

Hm… Ik was deze blog begonnen omdat ik me ergerde aan anderen en nou had ik een hekel aan mezelf. Waarom had ik Cavia eigenlijk weer in het leven geroepen?

Intussen zaten we op een terras met zicht op de Weerdsluis. Ook met zicht op mensen, trouwens. Voorbijgangers. De ene nog opzienbarender dan de andere.

Zoals de man met zwarte baard en dito krullen op hoge hakken in een geel minirokje aan de arm van een min of meer topless vrouw (twee hartvormige stickers, meer niet, één oranje en één roze) in hotpants en dito hoge hakken. Fans van Mary Quant. Of gewoon fans van uitbundigheid.

‘Of omdat het kan,’ zei Cavia. ‘En gelukkig maar, want anders werd de wereld wel erg saai!’

Dus toen heb ik €40,- voor die schoenen geboden.

Paradijsvogels

Doordat ik weer eens toestanden met mijn mobieltje had over waar ik precies was en waar ik dus heen moest (volgens de app liep ik wel de goede kant op maar achteruit, of andersom, vooruit maar de foute kant op) keerde ik voor mijn gemoedsrust echt véél te vaak terug op mijn schreden. Daar kan ik niet tegen. Ik heb sowieso een haat-liefde-verhouding met dat soort apps, want ze geven de vreemdste instructies. Laatst: ‘ga rechtdoor op de Dwarsweg’. Zoiets kan mijn hoofd eigenlijk niet aan. Ik weet wat ik moet doen, maar alleen als ik het niet probeer te begrijpen.

Eh…

Ik passeerde zeker drie keer een vrouw die op een bankje bij de bushalte tussen haar tassen zat te roken en drinken terwijl ze hardop met zichzelf van gedachten wisselde, iedere keer dat ik langskwam over een andere kwestie.

Zo te horen.

Die vrouw stelde me gerust, want mijn telkens terugkerende verschijning en mijn steeds wanhopiger blik verbaasde haar helemaal niet. Ze noteerde mij als ik voorbijkwam (man met baard + hoed… weer die man met baard + hoed… nog eens die man met baard + hoed… ) en sloeg verder geen acht op mij.

Dacht ik. (Tussentijdse cliffhanger, lees vooral door.)

Een klein uur later was ik weer bij de bushalte terug. Met een gloednieuwe verrekijker. En een appje op mijn iPhone waarmee ik vogels kon identificeren. Hun uiterlijk en hun geluiden.

De techniek staat voor niets.

Hoewel er bij de bushalte niet veel vogels te horen waren, probeerde ik toch er een te vangen, met mijn mobieltje dan. Ik tuurde hoopvol naar de mededeling ‘listening for birds…’

Tot de vrouw opeens voor mij stond en vroeg: ‘bent u muzikant?’

‘Nee,’ antwoordde ik terwijl ik me afvroeg hoe ze daarbij kwam. Ik lijk erg op Billy Gibbons, de gitarist van ZZ Top maar ik zag in de vrouw eigenlijk geen fan van die band. En het leek me trouwens sterk dat Billy Gibbons in Zeist op de bus naar Utrecht zat te wachten, maar misschien hield die vrouw gewoon alle opties open (maar dan toch niet dat Dusty Hill uit de dood herrezen was, hoe erg ik ook op hém lijk).

‘Wat voor een werk doet u dan?’

‘Ik werk bij de reclasering,’

Daar moest ze even over denken.

‘Dat is binnenlands, toch?’

‘Eh… ja.’

Ze knikte alsof ze dat al had gedacht. ‘Dat is niet zo gevaarlijk als buitenlands.’

Een verrassende stelling, maar een die me te verdedigen leek, al wist ik zo gauw niet hoe. Daardoor keek ik kennelijk niet overtuigd genoeg.

‘Rusland! China! Het wereldtoneel!’ Ze lachte, en toen ze hijgend bedaard was, vroeg ze, opeens beleefd geïnteresseerd als iemand op een staande receptie: ‘Die werkstraf, is dat nou echt nodig?’

Eh…

We waren weer terug bij de reclassering.

Nou die straf was echt belachelijk, vond de vrouw, want wat veroordeelden dan allemaal moesten doen tegenwoordig, daar werd je echt niet vrolijk van. Ze deed het voor.

Ze stak haar armen omhoog, spreidde haar vingers en wiebelde haar handen alsof ze geluid maakten terwijl ze in kleine cirkels rondstampte op de eerste regels van Hooked on a feeling in de uitvoering van Jonathan King (of van Blue Swede, weet ik niet, maakt ook niet uit)…

Het was een combinatie van een chaingang en een regendans.

‘Ooga chaka! Ooga chaka!’ zong ze. Na haar derde cirkel hield ze ermee op. ‘Dat kun je een mens niet aandoen, toch?’

Hoewel het toch een behoorlijk vrolijke kijk op de werkstraf was, en daarom misschien een uitvoering ervan die (eindelijk) voor breder draagvlak in de maatschappij zou zorgen, gaf ik haar toch gelijk. Vooral omdat ik – beroepsdeformatie! – niet voor me zag hoe deze dans de recidive kon verminderen.

Lijn 73 kwam er aan, de vrouw maakte een reverence alsof ik de koning was, en ik stond op. Toen ik in de bus zat, checkte ik mijn mobieltje om te zien wat de oogst was. Listening for birds, weet u nog?

Twee birds-of-paradise.

Paradijsvogels.

Twee?

‘Ja, die tweede ben jij natuurlijk’, zei Cavia toen ik het hen vertelde. ‘Zoals je binnenvétters hebt, heb je ook binnenvlíégers. En jij bent een binnenvlieger. Diep van binnen ben je een paradijsvogel.’

Ik ben zo blij dat die weer terug is, Cavia!

p.s. De foto is van Wikimedia Commons.

Deftigdoenerij (2)*

Er leek geen vuiltje aan de lucht toen ik monter het station binnen liep om de trein te nemen naar de bossen bij Veenendaal om daar eens heel erg te gaan wandelen. Alles beloofde dat het een mooie dag zou worden; ik was ruim op tijd en kon dus nog koffie kopen en opdrinken; er was weliswaar bewolking, maar die dreigde met helemaal niets, sterker nog, ze leek zelfs een beetje angstig (omdat ze natuurlijk de zon voelde aankomen); en iedereen op het perron had zin in de dag, dat zag ik meteen.

Ik had bovendien voor mijn doen een leeg en piekerloos hoofd. Mijn gemoed was als een kalme zee waarin muizenissen alleen een beetje op hun rug meedeinden, meer niet.

Kortom, ik kon wel wat hebben.

Ware het niet voor de omroepster van de Nederlandse Spoorwegen. Ja, ik weet ook wel dat die mevrouw maar half en half bestaat. Ze bestaat wel omdat ze stukjes tekst en woorden heeft ingesproken, maar ze bestaat niet als ze een mededeling doet, want dat is dan weer een computer die haar knipsels aan elkaar plakt.

Dus misschien moet ik iemand anders de schuld geven van wat er vervolgens gebeurde. Al zou ik niet weten wie, dus misschien is het beter om gewoon niemand de schuld te geven, want daar schiet ik toch niks mee op. En uiteindelijk (spoiler alert!) kwam het toch wel goed.

Eh… die omroepster. Of liever gezegd, haar mededeling. Die luidde als volgt:

“Door werkzaamheden elders is de dienstregeling aangepast tussen Boxtel en Eindhoven. Plan uw reis in de app.”

Misschien waren het twee andere stations, dat weet ik niet meer, maar dat doet er ook niet toe, want het kwaad was al geschied; ik ging sowieso over die mededeling na lopen denken.

Eerst dat woordje ‘elders’. Mysterieus! En ook nogal ouderwets, maar als we het vervangen door ‘ergens anders’ wordt het mysterie er niet kleiner op. Mijn grote vraag was (is) waarom we die informatie nodig hebben, wij reizigers. Dat de treinen tussen Boxtel en Eindhoven op andere tijden/perrons komen en gaan, lijkt me het belangrijkst. De oorzaak ervan kan mij niet boeien, laat staan een geheimzínnige oorzaak. Want waar is dat ‘elders’?

Strikt genomen kan het overal zijn.

Hoewel ik best wil toegeven dat ik de werking van het spoorwegennet niet helemaal begrijp, snap ik heus wel dat werk aan het spoor tussen Leeuwarden en Harlingen geen gedoe oplevert tussen Boxtel en Eindhoven. Maar wat als ze een bovenleiding aan het vervangen zijn tussen Breda en Tilburg? Ik heb geen flauw idee. Door de mededeling wil ik dat wel, een idee. En eigenlijk meer dan een idee, ik wil gewoon een verklaring, omdat ik helemaal gek wordt van zo’n vaag oorzakelijk verband.

Dus, tip voor de spoorwegen: geef informatie, maar geen informatie die alles alleen maar vager maakt. Sterker nog – ik doe even pedant – dan is het juist géén informatie, want informatie is vermindering van onzekerheid, en ‘elders’ was precies het tegenovergestelde.

Goed, dan dat ‘door werkzaamheden’. Ook al zo vaag, alsof die geheel buiten de NS om er opeens waren, als een natuurverschijnsel. Dat is natuurlijk niet zo. Die mensen van de dienstregeling staan niet met hun allen naar een scherm te kijken om dan naar hun hoofd te grijpen en ontsteld ‘OMG! Werkzaamheden!’ te roepen.

Welnee.

Ze weten heus wel dat er mensen op het spoor aan het werk zijn. Maar de mensen van de afdeling mededelingen vinden dat veels te gewoon en platvloers om zomaar om te roepen. Werkzaamheden zijn veel indrukwekkender. Deftiger ook. We zullen eens even laten horen wat voor een ernstig bedrijf wij zijn, denken ze daar op die afdeling. Dus zeggen ze ‘door werkzaamheden’ in plaats van ‘doordat we aan het werk zijn op het spoor’ of ‘doordat we werken aan het spoor’.

En dan mijn eeuwige ergernis, die vermaledijde passieve zin. Ik bedoel ‘is de dienstregeling aangepast’. Dat is passief omdat nergens staat wie het heeft gedaan (in beleidstaal: er is geen actiehouder). De mensen van de Nederlandse Spoorwegen hebben die dienstregeling natuurlijk omgegooid. Maar dat durven ze niet te zeggen. Dus ís die dienstregeling aangepast, vanzelf of zo.

En dan heb ik het nog niet eens over die ‘dienstregeling‘. Want dat is ook een nogal verhullende term, vind ik. Wat ze bedoelen te zeggen is dat de treinen op andere tijden en/of perrons aankomen en/of vertrekken. Mijn tip: zeg dat dan!

Altijd goed om te doen, zeggen wat je bedoelt. Dus niet ‘plan u reis in de app’, want dat is spoorwegentaal voor ‘zoek het lekker zelf uit’.

Toen ik verstrooid de bossen inliep omdat ik heel hard probeerde mijn hoofd weer leeg te krijgen – lees: mijn ergernissen te wurgen – vergat ik bijna om naar de vogels te luisteren. En dat terwijl ze mij toch helder en duidelijk tegemoet tjilpten.

‘Hé mijnheer Poort, wat fijn dat u er weer bent!’

Dat vind ik zo mooi van vogels, die tjilpen precies wat ze bedoelen.

* Nummer 2 omdat ik al eens eerder een blog heb geschreven met deze titel. In dat blog leg ik ook uit wat ik met deftigdoenerij bedoel, of liever gezegd, wat Charivarius ermee bedoelde. Zie hier.

De foto is van Wikimedia Commons.

Reflectie

In de bus zat ik achter een glazen tussenschot dat kennelijk goed spiegelde, want aan de andere kant stond een vrouw haar make-up bij te werken. Vooral haar wenkbrauwen vond ze belangrijk, want die bleef ze maar gladstrijken.

Ze had niet door dat ik haar recht in de ogen aankeek, of andersom, dat zíj míj aankeek. Dat stelde me wel gerust, want ik zat al schrap om mij ongemakkelijk te voelen. Ik bedoel, we stonden op een vreemde manier nogal dichtbij elkaar, letterlijk dan, en hoewel ik in de hele situatie niets had ondernomen, voelde ik me figuurlijk toch een soort indringer. Dus dat zij niks doorhad, sterker nog, dat ze mij niet eens zag staan (letterlijk en/of figuurlijk, dat laat ik omwille van mijn zelfvertrouwen liever in het midden) maakte het allemaal wat minder ingewikkeld.

Intussen moest ik aan mijn moeder denken die als zij in de bus naast me had gezeten schamper zou zeggen: ‘Ja, je bent mooi’. Tegen die vrouw dan. Want ze heeft niet zoveel op met ijdelheid. En dat steekt ze niet onder stoelen of banken. Ze steekt eigenlijk nooit iets onder stoelen of banken. Goede eigenschap. Ik was niettemin een beetje blij dat ze niet naast me zat, want waarschijnlijk zou de scène dan toch nog ongemakkelijk zijn geworden.

Of nee, misschien juist niet, want ik zou van de zenuwen en om iedereen (de vrouw in het bijzonder) af te leiden de slappe lach gekregen hebben. Dat is meestal mijn enige en nogal sneue tactiek, die zich voltrekt zonder mijn bewuste inmenging. Rechtstreeks vanuit mijn ruggenmerg komt er dan een zielig gegrinnik tevoorschijn. Echt zielig.

Nou ja, dit was allemaal theoretisch, want ik zat daar in mijn eentje.

Met mijn gedachten.

Die via via afdwaalden naar de hele lange vergadering in Den Haag waar ik een uur daarvoor murw uitgerold was. Een marathonsessie die we monter begonnen waren met een reflectie. Dat is klaarblijkelijk erg in tegenwoordig want iedereen vond het de gewoonste zaak van de wereld. Behalve ik. Opeens reflecteert iedereen. Waarom is dat toch?

Nou, eh… schot voor de boeg: omdat het ongevaarlijk is. Reflecteren, dat is voor de vuist weg je gedachten laten gaan over iets (bijvoorbeeld een notitie) en die gedachten dan zonder oordeel in de groep gooien. ik heb het hier over reflecteren als een ander woord voor bespiegelen. Want dat was het, overpeinzen.

Ja, ik weet ook wel dat reflecteren ingewikkelder kan zijn. Ik ben per slot van rekening ook coach (wel ja) en sinds de opleiding daarvoor reflecteer ik me helemaal te pletter. Het is zo nu en dan alsof ik in zo’n spiegelpaleis op de kermis loop, maar dan in mijn onderbewuste, waar ik zoals dat zo mooi heet, mijzelf en wat ik deed om de haverklap tegenkom, frontaal of van achteren beslopen/besprongen, waar ik ook kijk. Zelfs als ik wegkijk!

Dus vertel mij niks over reflecteren.

Maar de reflectie in die vergadering was niet half zo verontrustend. Wel ongemakkelijk. Vooral toen we mochten reflecteren op de reflectie.

Ik begon van de weeromstuit te verlangen naar de dagen van ‘horizontale feedback naar de ander toe’. Of nee, eigenlijk naar de tijd daarvóór, toen we elkaar gewoon zeiden wat we ergens van vonden. Niets onder stoelen of banken staken.

Ik kon me niet meer herinneren hoe de vergadering was geëindigd. Met een terugblik op het proces, waarschijnlijk. Het is een wonder dat we het einde nog gevonden hebben!

De vrouw achter het glazen tussenschot glimlachte naar mij. Ze wees naar haar linkeroor en daarna naar mijn oor.

‘Mooie baard hoor, maar u bent een stukje vergeten, er zit daar nog een rare krul bij uw oor,’ zei ze.

Feedback!

Nadat ik mezelf weer in de spiegeling van het glas gevonden had, kamde ik zorgvuldig de wilde pluk weg. Grinnikend…

Ik zou gezworen hebben dat ergens achter in de bus mijn moeder in lachen uitbarstte.

Gunnen

Je hoort het tegenwoordig niet zoveel meer, ik in ieder geval niet, dat mensen een gesprek waarin iemand om één of andere reden over de tong gaat, beëindigen met de conclusie dat die persoon wél een hoge gunfactor heeft. Vaak is het eigenlijk geen conclusie, maar een verklaring voor het feit dat hij/zij/hen in weerwil van allerlei miskleunen maar kan blijven knoeien alsof het niks is.

Zo’n persoon is bijvoorbeeld mijnheer Versteegh, tweede nestkastcommissaris van het rayon Zutphen-West, die nog geen specht van een boomklever kan onderscheiden, maar desondanks wel heel vrolijk en enthousiast is, plezierig in de omgang, en vogels in het algemeen een enorm warm hart toedraagt.

In de vergadering over zijn functioneren zegt dan tenslotte iemand zoiets als: ‘maar hij heeft natuurlijk wel een hoge gunfactor’.

Dus hij blijft, met als gevolg dat er verkeerde vogelhuisjes aan de verkeerde bomen komen te hangen en de boomklevers (letterlijk) voor een dichte deur staan, wat spechten om voor de handliggende redenen juist heel erg leuk vinden, ik bedoel: heel erg leuk hadden gevonden, want zij op hun beurt zitten te kijken met hele rare hokjes, met een ingang aan de zijkant, waar ze echt geen snars van begrijpen.

En dat dus dankzij de gunfactor van mijnheer Versteegh. Hóge gunfactor, om precies te zijn. Waaruit ik trouwens altijd heb opgemaakt dat eigenlijk iedereen een gunfactor heeft, maar dat alleen de mensen met een hoge gunfactor het vermelden waard zijn. Wat natuurlijk wel logisch is, want prutsers met een lage gunfactor vliegen er meteen uit (no pun intended) en daar hebben we het niet meer over. En succesvollen hebben geen gunfactor nodig, want die hebben alles al. Of nou ja, bijna alles.

Ik ontwijk hier de vraag die ik mezelf zou kunnen stellen: heb ik een gunfactor, en zo ja, is die hoog of laag? Ik ben nooit te beroerd om kritisch naar mezelf te kijken, maar er zijn grenzen aan wat ik op een zondagmiddag aankan. Dus als u het goed vindt, verdring ik de vraag nog even.

Wat me brengt bij een recenter fenomeen, dat ook over gunnen gaat (en over verdringen). Het ligt in het verlengde van de gunfactor. Het is een soort kleineren met een omweg, maar dan nadát iemand finaal door de mand gevallen is. Na zo’n afgang zeggen de omstanders: ‘je zou hem/haar/hen gunnen dat…’ waarna een eigenschap of omstandigheid volgt die de persoon niet heeft maar die wel zou hebben geholpen in diens loopbaan, of die zelfs zou hebben voorkomen dat het zo ontluisterend afliep.

Stel dat meneer Versteeg geen hoge gunfactor had en dus zijn loopbaan als nestkastcommissaris roemloos had moeten eindigen, dan zouden mensen zeggen: ‘je zou hem gunnen dat hij het zelf gezien had’, of: ‘je zou hem gunnen dat iemand hem dat eerder had gezegd’.

Nu ik het zo opschrijf, vind ik het nogal schijnheilig. Eigenlijk. En laf. Al die omstanders die opeens doen alsof ze geen oordeel hebben/hadden. Nee, niemand heeft de ongelukkige mijnheer Versteegh het laatste zetje gegeven, de hele ontmaskering was welbeschouwd een onvermijdelijke lotsbeschikking.

Eh… dit blog wordt steeds grimmiger, geloof ik. Leest u vooral door, ik ga proberen er een draai aan te geven.

Met een hele bijdetijdse en fijne variant van gunnen, die niemand niks aangaat, maar alleen onszelf. Hoe leuk is dat!?

Heel erg leuk, want het is dé manier om iets te doen wat je eigenlijk niet wilt doen (om welke reden dan ook).

Laat ik mezelf als voorbeeld nemen, zodat u niet denkt dat ik de hele tijd op anderen (inclusief u) zit te vitten.

Ik ben dol op brownies. Maar mijn betere ik vindt dat niet goed, want veel te veel suiker en vet en noem maar op. Dus als ik ze toch eet, sterker nog als ik ze eerst zelf maak en dan ook nog eens zelf opeet, zeg ik: ‘dat gun ik mijzelf gewoon’.

Tegen niemand in het bijzonder en vooral tegen mijzelf.

Het is volgens mij een klassiek geval van cognitieve dissonantie reductie.

Eh…

Wat ik doe (brownie eten) komt niet overeen met hoe ik over mijzelf denk (weldenkende man die om zijn gezondheid geeft) en dus probeer ik dat recht te breien, in dit geval door van de brownie een geschenk te maken dat ik mezelf geef. Niks geen ongezonde suikers en vetten maar een prachtig cadeau dat die aardige meneer Poort mij uit de goedheid van zijn hart welwillend toestopt!

Snik…

De hele truc om van dissonantie naar consonantie te komen (=rechtbreien), en tevens een fijne bijkomstigheid, is dat ik dus tegen mijzelf zeg dat ik het verdien. Mag ik ook eens genieten? Ja!

Vraag me niet waarom, want dat doe ik óók niet. Die brownie is een onvoorwaardelijke gunst.

Jezelf verwennen is het helemaal!

Hoera!

Doe het ook!

En geniet ervan!

(Pfoe… blog gered.)

p.s. De theorie over cognitieve dissonantie is zo ongeveer de enige nog overeind gebleven theorie die ik tijdens mijn studie psychologie leerde. Alle andere bleken nep. Als in: vervalst. Bij elkaar geknipte en geplakte en uit de duim gezogen data over gemanipuleerde dan wel verzonnen proefpersonen. Gelukkig heeft de wetenschap een hoge gunfactor (vind ik dan).

p.p.s. de foto is van Wikimedia Commons.

Broeierig

‘Simone straalde echt iets broeierigs uit!’ zei de vrouw die voor mij liep nogal verstaanbaar tegen iemand in haar oortjes. Ze deed me om een of andere reden denken aan Jeanette op wie ik in de brugklas ooit heel erg maar onopgemerkt verliefd was. Ze bewoog driftig met haar armen. De vrouw voor me, bedoel ik.

Dat laatste begreep ik niet goed. Dat wil zeggen, ik kon die bewegingen niet rijmen met wat ze zei. Maar goed, welke armgebaar hoort er wel bij zo’n stelling?

Dit is een retorische vraag.

Ze ging verder: ‘Who the fuck zegt nou zoiets?’

Ah, verbazing! Leek mij. Laat ik het daar maar op houden. Of misschien was het verontwaardiging.

Was zíj misschien Simone? En had iemand dat over haar gezegd? Dat betwijfelde ik. Ze vertelde het verhaal alsof ze er getuige van was geweest. Alsof ze in een gezelschap had gezeten waarvan iemand dat opeens van Simone had gezegd.

Misschien was Simone een van de kandidaten bij een sollicitatie geweest? En zat de vrouw die voor mij liep in de commissie die de beste moest kiezen? Of, soortgelijke situatie, was de vrouw voor mij lid van een ballotagecommissie van een studentenhuis en was die Simone komen kennismaken?

Trouwens, wat is dat, iets broeierigs uitstralen? Wát was er te zien toen Simone dat deed? Ik wilde context, om het eens modern te zeggen.

Nieuwsgierigheid is een mooie eigenschap, maar nu brak het me toch op. Ik wilde heel graag aan de vrouw voor mij vragen wat er precies was gebeurd. Maar zoiets doe je niet natuurlijk. Ik in ieder geval niet. Zeker in dit geval niet. Ze was al verontwaardigd genoeg. En laten we eerlijk zijn, het ging niet om iets waar je het zomaar eens met een voorbijganger over gaat hebben.

Ze ging verder met haar verhaal en zei dat die bepaalde uitstraling er niet toe deed. Dat was privé. Een mens mag uitstralen wat hij/zij/hen wil.

Dat ben ik met haar eens. En niet om politiek correct te zijn. Ik vind het echt. Niet gehinderd door kennis van zaken, overigens. Ik weet namelijk nooit wat ik zelf uitstraal en ik begrijp zelden wat anderen uitstralen. Heel onhandig in het sociale verkeer, kan ik u vertellen.

Ik zette de pas erin om van de kwestie af te zijn. Ik kan behoorlijk aanpoten, al zeg ik het zelf, dus hoorde al snel niets meer van het telefoongesprek. Ik kreeg het wel warm. Toch maar weer iets langzamer lopen. Maar wat nou als ze me zou inhalen?

Eek!

Om niet helemaal gek te worden, stopte ik even om hele harde muziek uit te kiezen en mijn oortjes te zoeken. Maar ik kan nooit iets vinden in mijn tas en ben zodoende altijd bang dat ik van alles kwijt ben, zeker in dreigende situaties als deze, en raakte dus in paniek waardoor ik de vrouw vergat tot ik inderdaad weer door haar werd ingehaald. Net toen ik zwetend het doosje van mijn oortjes op de bodem van mijn tas voelde.

Te laat.

‘Ja, als ze nou een hele blote jurk had gedragen of zo…’ zei de vrouw (terwijl ik de oortjes in mijn hoofd probeerde te proppen).

Ja, wat dan, vroeg ik me af. Staat de uitstraling dan buiten kijf? Hmm… bij zulk uiterlijk vertoon gaat het niet meer om uitstralen maar eerder om uitróépen. Of uitschrééuwen.

Toch?

Er drongen zich meteen nog meer vragen aan mij op: wat is eigenlijk het verschil tussen uitroepen en uitschreeuwen? Uitroepen, dat doe je van vreugde, leek me, en uitschreeuwen doe je in wanhoop. Dat bracht me niet veel verder. Ik probeerde heel erg de verschillen niet voor me te zien. Dat hoefde ook eigenlijk niet, want Simone was zo helemaal niet, had de vrouw gezegd.

Gelukkig. Het was allemaal al ingewikkeld genoeg. Ik ook altijd met mijn gedenk.

Die verzuchting had ik als een waarschuwing moeten zien. Het is meestal namelijk een voorteken van een mentale toestand waarin ik stukje bij beetje minder en minder van de wereld om mij heen waarneem om vervolgens met een roerloze blik voor mij uit te staren. Terwijl ik denk.

Het kan geen kwaad, maar het is wel een beetje ongemakkelijk.

Eerst voor de omstanders, later ook voor mij, als tot me is doorgedrongen dat het weer eens zover was.

Meestal kom ik vanzelf weer bij zinnen, maar nu kwam het doordat ik schrok. Die vrouw stond opeens een paar meter verderop naar mij te kijken. Nog steeds in gesprek.

‘Wacht even, Jeanette, we doen het helemaal anders,’ zei ze. ‘We zetten alles in de eerste persoon, ja: ik-zinnen, en dan maken we van de hoofdpersoon een man. Heb je dat?’ Ze luisterde en knikte. ‘En dan begint het verhaal met dezelfde zin, maar dan gehoord door die man, die toevallig achter mij loopt…’

‘Hè? Ja, in het echt ook, maar nu niet meer.’ Ze liep weg terwijl ze verder praatte. ‘Hij stond te slaapwandelen of zo. Maar nou is hij weer wakker geloof ik. Echt raar…’

Nou moe, ben ik in het blog van een ander terecht gekomen.

p.s. de foto is van Wikimedia Commons