
Het stel dat innig tegen elkaar aan gekropen op mijn lievelingsbankje zat, had geen weet van de rest van de wereld, laat staan van mij, waardoor ze ook niet zagen dat ik behoorlijk teleurgesteld aan kwam lopen, want dat bankje had een erg belangrijke rol in het programma van mijn dag. De wandeling waar ik de helft van had afgelegd, was een trip down memory lane, helemaal door mijzelf uitgestippeld met dat bankje en het bijbehorende uitzicht voor ogen. Ja, mijn hele bestaan scharnierde die dag om dat bankje.
En nu zat dat koppel daar.
Ze waren heel erg verliefd, dat zag ik zo, want al hun aandacht en energie ging dus uitsluitend naar elkaar en de dingen die hun geluk nog groter maakten. Zoals de struik tegenover het bankje.
‘Kijk,’ legde de man uit, ‘bramen! Nog een paar weken en dan kunnen we hier gaan plukken.’
‘Hmm, heerlijk!’ zei de vrouw op een toon alsof hij dat speciaal voor haar georganiseerd had. De man knikte alsof dat ook zo was.
En ik moest aan de bramen van mijn jeugd denken. 1969. (Ja sorry, pensioen doet de raarste dingen met je, veel mijmeren over vroeger hoort daarbij. Mental trips down memory lane, als het ware… maar lees vooral door.) Een vriendje vertelde op een dag namelijk dat hij ergens aan de rand van een bos, vlakbij het dorp van zijn oma bramenstruiken had gezien. Het was maar liefst drie kwartier fietsen, maar mijn moeder vond het goed dat we erheen gingen. Ze gaf ons een megalomane emmer mee die alleen met hangen en wurgen onder mijn snelbinders paste en wenste ons een goede oogst.
De bramenstruiken waren er nog steeds en er groeiden ook nog eens, alsof het niets was, enorme donkerrode, bijna zwarte bramen aan. Magisch was het! Ze waren zo mooi dat we ons even afvroegen of we ze zomaar konden plukken. Op de weg terug maakten we plannen voor wat we de met de bramen konden doen en hoewel we allebei niet wisten hoe je bramenjam moest maken, leek ons dat het mooist.
‘Ach, ja… Avontuur op je boterham… mooie tijden waren dat…’ Koala was ook weer even wakker. Om mijn jeugdherinneringen te verpesten.
‘Ja, maak het maar belachelijk!’ zei ik. ‘Maar in de bramenpluk van mijn jeugd zat meer romantiek dan in de verlekkerde blikken van die twee op mijn bankje, want bramen zijn al lang niet magisch meer. Integendeel, een plaag zijn ze! Als ik ga wandelen, moet ik godbeter’t een kapmes meenemen om me een weg te banen door de om zich heen kluwende jungle van stikstofminnende gewassen, bramen vooraan. Niks drie kwartier fietsen. Overal komen die struiken uit de grond gekropen! Met hun laag-bij-de-grondse scheuten die over je voeten groeien waar je bij staat! The last of us is er niks bij…’
‘Oh, mijnheer Poort mengt zich ook eens in een actuele maatschappelijke discussie. En meteen lekker genuanceerd!’ zei Koala.
‘Ja, ik moest minder nuanceren van de dokter. Om te voorkomen dat ik door al dat denken telkens vastloop in mijn hoofd en er nooit meer uitkom. Ik kan het iedereen aanraden. De wereld gaat nog eens aan nuance ten onder. Of anders gezegd, vrij naar Melvin Udall uit ‘As good as it gets’: ‘we’re drowning while describing the water’.
En dan beschrijven we het ook nog eens veel te omfloerst. Neem bijvoorbeeld ‘stikstofminnend’. Wat is dat voor een lieflijk woord? Laten we gewoon nitrofiel zeggen! Dan weet iedereen tenminste meteen dat dit niet goed is. En wie dat ontkent, is zelf een nitrofiel!’
‘Nou, eh, dat is…’ begon Koala. maar ik luisterde niet en liep naar het liefdespaar.
‘Ja! Jullie zijn nitrofielen!’ riep ik.
In gedachten dan.
Dacht ik.
Eh… niet.
‘Je staat nu dus met rollende ogen rabiaat naar dat tweetal te schreeuwen,’ merkte Koala op.
Oh.
Romeo en Julia maakten zich hand in hand en hals over kop uit de voeten, achterna gezeten door de woekerende uitlopers van een bramenstruik.
Eh… en toen werd ik wakker. Op mijn bankje. Waar de wind de lucht van koeienstront en het lawaai van de A27 in mijn gezicht blies.
‘Hoezo is dit eigenlijk mijn lievelingsbankje?’
‘Dat was het in 1981,’ zei Koala, ‘weet je nog?’
Ik ga dat mijmeren proberen af te te leren.







