Categorie archief: De toestand in de wereld

Bramen

Het stel dat innig tegen elkaar aan gekropen op mijn lievelingsbankje zat, had geen weet van de rest van de wereld, laat staan van mij, waardoor ze ook niet zagen dat ik behoorlijk teleurgesteld aan kwam lopen, want dat bankje had een erg belangrijke rol in het programma van mijn dag. De wandeling waar ik de helft van had afgelegd, was een trip down memory lane, helemaal door mijzelf uitgestippeld met dat bankje en het bijbehorende uitzicht voor ogen. Ja, mijn hele bestaan scharnierde die dag om dat bankje.

En nu zat dat koppel daar.

Ze waren heel erg verliefd, dat zag ik zo, want al hun aandacht en energie ging dus uitsluitend naar elkaar en de dingen die hun geluk nog groter maakten. Zoals de struik tegenover het bankje.

‘Kijk,’ legde de man uit, ‘bramen! Nog een paar weken en dan kunnen we hier gaan plukken.’

‘Hmm, heerlijk!’ zei de vrouw op een toon alsof hij dat speciaal voor haar georganiseerd had. De man knikte alsof dat ook zo was.

En ik moest aan de bramen van mijn jeugd denken. 1969. (Ja sorry, pensioen doet de raarste dingen met je, veel mijmeren over vroeger hoort daarbij. Mental trips down memory lane, als het ware… maar lees vooral door.) Een vriendje vertelde op een dag namelijk dat hij ergens aan de rand van een bos, vlakbij het dorp van zijn oma bramenstruiken had gezien. Het was maar liefst drie kwartier fietsen, maar mijn moeder vond het goed dat we erheen gingen. Ze gaf ons een megalomane emmer mee die alleen met hangen en wurgen onder mijn snelbinders paste en wenste ons een goede oogst.

De bramenstruiken waren er nog steeds en er groeiden ook nog eens, alsof het niets was, enorme donkerrode, bijna zwarte bramen aan. Magisch was het! Ze waren zo mooi dat we ons even afvroegen of we ze zomaar konden plukken. Op de weg terug maakten we plannen voor wat we de met de bramen konden doen en hoewel we allebei niet wisten hoe je bramenjam moest maken, leek ons dat het mooist.

‘Ach, ja… Avontuur op je boterham… mooie tijden waren dat…’ Koala was ook weer even wakker. Om mijn jeugdherinneringen te verpesten.

‘Ja, maak het maar belachelijk!’ zei ik. ‘Maar in de bramenpluk van mijn jeugd zat meer romantiek dan in de verlekkerde blikken van die twee op mijn bankje, want bramen zijn al lang niet magisch meer. Integendeel, een plaag zijn ze! Als ik ga wandelen, moet ik godbeter’t een kapmes meenemen om me een weg te banen door de om zich heen kluwende jungle van stikstofminnende gewassen, bramen vooraan. Niks drie kwartier fietsen. Overal komen die struiken uit de grond gekropen! Met hun laag-bij-de-grondse scheuten die over je voeten groeien waar je bij staat! The last of us is er niks bij…’

‘Oh, mijnheer Poort mengt zich ook eens in een actuele maatschappelijke discussie. En meteen lekker genuanceerd!’ zei Koala.

‘Ja, ik moest minder nuanceren van de dokter. Om te voorkomen dat ik door al dat denken telkens vastloop in mijn hoofd en er nooit meer uitkom. Ik kan het iedereen aanraden. De wereld gaat nog eens aan nuance ten onder. Of anders gezegd, vrij naar Melvin Udall uit ‘As good as it gets’: ‘we’re drowning while describing the water’.

En dan beschrijven we het ook nog eens veel te omfloerst. Neem bijvoorbeeld ‘stikstofminnend’. Wat is dat voor een lieflijk woord? Laten we gewoon nitrofiel zeggen! Dan weet iedereen tenminste meteen dat dit niet goed is. En wie dat ontkent, is zelf een nitrofiel!’

‘Nou, eh, dat is…’ begon Koala. maar ik luisterde niet en liep naar het liefdespaar.

‘Ja! Jullie zijn nitrofielen!’ riep ik.

In gedachten dan.

Dacht ik.

Eh… niet.

‘Je staat nu dus met rollende ogen rabiaat naar dat tweetal te schreeuwen,’ merkte Koala op.

Oh.

Romeo en Julia maakten zich hand in hand en hals over kop uit de voeten, achterna gezeten door de woekerende uitlopers van een bramenstruik.

Eh… en toen werd ik wakker. Op mijn bankje. Waar de wind de lucht van koeienstront en het lawaai van de A27 in mijn gezicht blies.

‘Hoezo is dit eigenlijk mijn lievelingsbankje?’

‘Dat was het in 1981,’ zei Koala, ‘weet je nog?’

Ik ga dat mijmeren proberen af te te leren.

Geluk

Sinds een jaartje staat er regelmatig een mevrouw in de krant die boos kijkt. Soms komt ze ook op het journaal, en dan práát ze ook zo, heel grimmig. Ze vindt alle leuke dingen stom. Lintjes, pretparken en wat al niet meer. Laatst zei ze: ‘het is hier geen vakantieoord’. Je kon aan haar gezicht zien dat een ambtenaar dat woord voor haar had opgezocht.’

‘Hoe heet zoiets ook alweer, waar je heen gaat als je… eh… als je niet werkt?’ had ze gevraagd. En toen hadden ze ambtelijk subversief een woord gezocht in de zevende druk van de Van Dale (1950): ‘vakantieoord’.

Nou, ik ben blij dat dat hier geen vakantieoord is, want het klinkt als een grauwe camping met een hek eromheen waarbinnen het altijd waait en regent. Maar dat bedoelde ze natuurlijk niet. Nee, in de jaren 50 had vakantieoord een positieve vibe en daar is ze dus tegen. Tegen vrolijkheid. Het ging haar erom dat minderjarige asielzoekers goed moesten begrijpen dat er van blijdschap geen sprake kon zijn, dat ze niet de indruk moesten krijgen dat het hier leuk was.

Vandaar dat ze altijd zo nijdig kijkt. Ze denkt natuurlijk: als ik lach dan lijkt het net alsof er hier lol te beleven valt, alsof we te pas en te onpas op snoepreisjes gaan (ook een woord uit die zevende druk van de Van Dale.)

Meestal als zij in de krant heeft gestaan en/of op tv is geweest, komt er een dag later een meneer in de krant en/of op tv die zegt dat de mevrouw gelijk heeft. Die meneer kijkt ook altijd pissig. En hij bleekt zijn haar (soms zijn gezicht ook, om zijn gehele verschijning een beetje in evenwicht te houden, denk ik). Dat peroxidehaar is misschien niet belangrijk om te vermelden, maar ik moet het toch opschrijven, want het blijft me verbazen. Het schijnt dat hij het al sinds zijn 14e doet. Als hij in de media optreedt, zie ik hem in gedachten altijd met zo’n plastic badmuts op in zijn badkamer voor de spiegel staan terwijl het bleekmiddel intrekt. Zou hij dan wel vrolijk kijken?

De mevrouw en/of de meneer zeggen dat asielzoekers hier geen asiel maar geluk komen zoeken. Het zijn gewoon gelukzoekers zeggen ze op een toon alsof dat verwerpelijk is.

Het is natuurlijk de kift. De mevrouw en de meneer en iedereen in hun kielzog zijn al bij voorbaat jaloers op mensen die het zouden vinden. Geluk, bedoel ik. Hoe dom is dat? Want als mensen van heinde en verre in Nederland geluk komen zoeken dan is het kennelijk hier ergens en hebben wij de hele tijd met onze neus gekeken. Ik ken in ieder geval niemand die het gevonden heeft. Die twee chagrijnen van hierboven zeker niet. Maar in plaats van dat ze voorstellen om met z’n allen te gaan zoeken, sturen ze iedereen weg.

p.s. Dit schreef ik allemaal op 1 juni 2025. En ik wist niet of het einde goed genoeg was. Dus liet ik het even bezinken. Nu is het 5 juni 2025. Eergisteren heeft de meneer met zijn hele kielzog het kabinet verlaten. Ik hoop dat ze naar een vakantieoord zijn.

p.p.s. Best wel een goed einde.

p.p.p.s. De foto heb ik van Wikimedia commons geplukt: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Efteling_python_looping.jpg

Slang

Ik hoor vaak dat ik zo openhartig ben, dus ik zal meteen in deze eerste zin zonder omhaal maar toegeven dat dit geen fijn jaar was. Geen annus horribilis, maar het scheelde niet veel. ik was de helft van de tijd min of meer out of my comfortzone, sterker nog zónder comfortzone, of nog sterkerder: ik had geregeld geen flauw idee meer van waar die zone eigenlijk was. In ieder geval niet bij mij in de buurt.

Dus dat was even zoeken. Lieve help, u wilt niet weten waar ik allemaal geweest ben. In krochten waar ik het bestaan niet van vermoedde. Donkere kelders waar ik het licht niet durfde aan te doen omdat er overal spiegels hingen.

Eh… Nu maak ik het te erg, geloof ik. Vergeet de vorige alinea’s. Wat ik wilde opschrijven was dat het leven met één bruikbare arm/hand nóg ingewikkelder bleek dan ik al dacht en dat ik een paar dingen moest veranderen om het weer in de klauwen te krijgen (no pun intended).

En veranderingen, daar hou ik niet zo van. Zeker niet als ze onverwacht zijn.

Niets menselijks is mij vreemd.

Voor de minister-president die eigenlijk geen minister-president meer is, ligt dat anders. Zijn kijk op de dingen is veel simpeler; jezelf veranderen, dat kan gewoon niet. Tegen de Telegraaf vertelde hij dat zijn zelfkritiek grenzen heeft “Het is onmogelijk om jezelf opnieuw uit te vinden. Als een soort slang je huid afwerpen, daar geloof ik helemaal niet in.”

Voor iemand die van alle Nederlanders verwacht dat ze de ene na de andere ministeriële ingreep in hun levens zonder morren accepteren, is dat een nogal verassende stelling.

Hm, ik druk me te voorzichtig uit. Het is de neerbuigende belediging van een zelfvoldane en hooghartige machthebber.

Ja, ik voelde me beledigd toen ik dat las. Vooral plaatsvervangend beledigd. Ik moest namelijk aan mijn werk denken, aan alle mensen die om welke reden dan ook ‘bij de reclassering lopen’ en die, vaak tegen hun zin in, zichzelf wél opnieuw moeten uitvinden. Die hun hele leven moeten omgooien, die niet alleen als een slang hun huid moeten afwerpen, maar die bovendien hun hele ziel en zaligheid moeten blootleggen om die dan ook nog eens te veranderen. Met veel vallen en opstaan, maar die het toch doen.

En die nu in de krant lezen dat de minister-president die eigenlijk geen minister-president meer is, daar niet in gelooft. Jezelf opnieuw uitvinden, zegt hij, dat bestaat niet.

Lees: daar heb ik geen zin in.

Mijnheer Rutte, dan moet u maar zin maken!

Vind ik.

Ik heb het ook gedaan en nu heb ik dus een hele nieuwe comfortzone.

Hoera!

Ik ga niet vertellen waar die is, want hoewel hij veel ruimer is dan de vorige, wil ik niet mijn hand overspelen door iedereen die langskomt meteen binnen te laten. Waarmee ik niet bedoel dat u niet welkom bent. Dat is nou net het mooie van mijn nieuwe comfortzone, de hele wereld past erin. Uiteindelijk.

Iedereen.

Of nou ja, zelfvoldane en hooghartige machthebbers alleen als ze eerst naar de reclassering zijn geweest. Om te re-integreren.

De foto is van Wikimedia Commons

Stilte

Als u aspiraties heeft om ooit sportjournalist te worden en hoopt om op een dag de Olympische Spelen te verslaan, dan heb ik een tip voor uw interview met de atleet (m/v) die zojuist over de streep is gekomen (glimmend van het zweet, rood gevlamd hoofd, misselijk, happend naar adem, het huilen nabij, volslagen van de wereld, midden in een bijna dood ervaring), vraag dan: ‘besef je het wel echt?’

Of iets van gelijke strekking, zoals: het moet zeker nog indalen? Je gelooft het nog steeds niet, hè? Dit doet wat met je, hè? Begrijp je dit van jezelf? Et cetera. Of natuurlijk de alles omvattende vraag: wat is er (in hemelsnaam) gebeurd?

Ik vind dit allemaal nogal domme, volstrekt overbodige, ridicule en respectloze vragen.

Zulke vragen zouden verboden moeten worden. Want waarom moet degene die (net niet) gewonnen/verloren heeft, vertellen wat er gebeurd is?

Het is allemaal al aangrijpend en ontroerend genoeg, toch?

Nee, kennelijk niet. De man of vrouw die (net niet) heeft gewonnen/verloren moet dat namelijk ook nog even zelf navertellen. Zodat we echt alle greintjes emotie in beeld te krijgen. En als het even kan, met onze neus erop en meteen na de finish. In plaats van iemand even op adem te laten komen, gaat zo’n verslaggever triomfantelijk bij de eindstreep zitten te wachten op een van verbazing, verdriet, en/of vreugde hyperventilerende/huilende/hallucinerende sporter (m/v) die dan anderhalve minuut na de race aan hem moet uitleggen ‘hoe dít in vredesnaam kan…’

Een van de commentatoren in de studio ging na zo’n mensonterende confrontatie tussen collega-journalist en sporter doodgemoedereerd uitleggen wat hij en zijn collega’s met hun analyses proberen te ‘duiden’. Het ging, hou u vast, over de verschillen tussen de één die harder liep dan de ander en de ander die dan dus langzamer liep dan die ene. Hoe dat kan. En dan de details daarvan, om precies te zijn, want het ging namelijk om de details, ‘die maken de verschillen’.

Goh.

Alsof het al niet erg genoeg was dat zijn collega aan de andere kant van de wereld iemand had geïnterviewd die niet eens meer op zijn benen kon blijven staan, die letterlijk en figuurlijk uit beeld verdween, maar terwijl hij op de grond zakte toch nog de vraag kreeg of dit er dan bijhoorde, dat je sterretjes zag… (pas de allerlaatste vraag was: gaat het wel goed, wil je wat water?)

Waarom moet iemand beelden en geluiden die voor zich spreken toch nog uitleggen? We zitten er tegenwoordig al zo dicht bovenop dat ik de neiging krijg om mijn ogen neer te slaan omdat ik het te intiem vind en dan komt er een meneer (het zijn bijna altijd meneren) van de tv en die verklaart over de beelden heen in alle ernst dat de atlete haar eigen race heeft gelopen maar dat ze niet door de verzuring heen kwam. Of juist wel. En dat aan alles te zien is wat zij de afgelopen jaren allemaal heeft meegemaakt, wat zij heeft moeten doen en laten om hier te komen. Enzovoorts. Hij kiepert ter lering en vermaak de hele doopceel van de hardloopster over de kijker uit. Terwijl zij zelf naar de microfoon staart en probeert om ondanks desoriëntatie en uitputting niet over te geven aangezien ze het hele verhaal op verzoek van de verslaggever ook zelf nog eens moet bevestigen. In geuren en kleuren graag.

Het lijkt wel alsof we (de kijkers) niet gewoon zelf mogen kijken en er van mogen denken wat we willen. Alsof we niet zelf mogen bepalen wat ons aangrijpt en ontroert. Laat ik voor mezelf spreken, ik wil huilen wanneer ik dat wil, niet wanneer een of andere analist mij uitlegt waarom ik moet huilen. En ik wil al helemaal geen emoties opgedrongen krijgen als degene om wie het gaat liever niet in beeld komt, laat staan om te vertellen wat er gebeurd is.

Eh… Nu ik dan toch zo openhartig ben wil ik ook wel vertellen dat ik om muziek huil. Helemaal alleen, zonder dat iemand dat van mij vraagt of aan mij opdringt.

Welja.

De afgelopen dagen heb ik alle symfonieën van Mahler (weer) beluisterd en bekeken (dat schrijf ik niet op om chique te doen, ik hou gewoon van Mahler). Op Youtube staan ze allemaal in allerlei uitvoeringen, maar ik vind die van het Lucerne Festival Orchestra onder leiding van Claudio Abbado het mooist. (Ik ga dus niet uitleggen waarom.) Maar ik wil wel vertellen dat ik de stilte tussen de laatste klanken van de symfonie en het applaus soms nog het aller mooist vind.

Na het einde van de negende en laatste symfonie blijft Abbado twee minuten stil staan, ogen dicht en verder niets.

Niets. Stilte.

Stel je voor dat er dan iemand in beeld komt die uitlegt dat Abbado met gesloten ogen stil blijft staan en waarom hij dat doet en dat die daarna aan Abbado vraagt of hij het wel helemaal besefte en of hij kon uitleggen wat er nu was gebeurd. Die zouden ze waarschijnlijk met pek en veren besmeren en Lucerne uitrijden.

Waarom pikken we zoiets dan wel van een sportverslaggever? Ik weet het niet.

En waarom kunnen we sporters niet dezelfde eer bewijzen en hun hetzelfde respect tonen als Abbado? Weet ik ook niet.

Dus ik stel voor dat we dat voortaan wél doen, dat we sporters voortaan gewoon in alle rust alleen laten, tot ze weer bij ons terug willen komen. En als ze dat niet willen, ook goed. En als ze niks willen uitleggen, prima.

Misschien moet u maar geen sportverslaggever worden. Zijn er sowieso teveel van.

p.s. Hoe leuk is dit. Gewoon kijken en zelf zien wat er gebeurt zonder dat iemand het uitlegt.

Wolf en Lynx

Nou was er wéér gedoe om een wolf. In Brabant. 

Om een of andere reden vind ik dat ook geen provincie voor wolven. Ja, in het Brabant van de 80-jarige oorlog zou het misschien niet raar zijn geweest. En daarover dan een verhaal van Suske en Wiske: ‘De Winkelse Wolf’. Vraag me niet waar of wat Winkels is, dat heb ik zelf net verzonnen. Het klinkt wel Brabants vind ik.

Maar goed, er was daar opeens zo’n beest en ze wisten zich er geen raad mee. Dus kwamen er experts aan het woord, zoals een meneer van de Zoogdiervereniging… wat ik dan weer hebberig vind, zo’n naam, op het megalomane af, want zo’n vereniging speelt meteen de baas over alles wat min of meer aaibaar is of een zeekoe (die vind ik niet aaibaar). 

Maar goed, die expert van de Zoogdiervereniging… die zei dat ‘bestuurlijk Nederland het moeilijk vindt om samen te leven met de wolf’. 

Goh.

Probeer het zelf eens, zoogdiervereniger!

Ik heb het gedaan, een fijn staaltje van investigative journalism, al zeg ik het zelf, maar het viel niet mee. Zindelijk worden ho maar, meneer ging op pad zo het hem uitkwam en na twee weken waren alle katten in de wijk al op. Als ik hem riep – ‘GW1625m!’ – deed-ie of ik Spaans sprak.

Dus of dat ‘Wolvenplatform’ van gedeputeerde Lemkes gaat werken, vraag ik me af (echt waar, dat platform was/is een serieus idee van een volwassen meneer, ziet u het al in de notulen van een provinciale statenvergadering staan?) Daar blijft-ie nooit langer dan tien tellen op zitten. De wolf bedoel ik, op het platform. En als de wolf blijft zitten, springt gedeputeerde Lemkes er natuurlijk vanaf. Want het zijn geen gezellige dieren, die wolven.

Het gedoe over die wolf was nog maar net gaan liggen, of iemand ving met zijn fototoestel in vier kleuren een Lynx, ergens in de Ardennen. Dat was wat, want “een Lynx is zo onvindbaar dat hij ‘de geest van het woud’ wordt genoemd”. 

‘Zó onvindbaar’? Kennelijk kan een dier onvindbaar zijn, maar ook héél erg onvindbaar. Hoe zit dat? Kun je een onvindbaar dier, bijvoorbeeld een Wolf, af en toe vinden, maar een heel erg onvindbaar dier (bijna) nooit? Ik zou zeggen, een dier is onvindbaar of niet, en zodra een onvindbaar dier gevonden is, is het niet onvindbaar meer.

Of is dit allemaal weer nijd en afgunst tussen Nederlanders en Belgen en willen de Belgen een nóg onvindbaarder dier vinden dan wij al gevonden hebben?

Van mij mogen ze. En van mij mogen ze de wolf en de hele rimram erbij hebben. Want het benauwt me allemaal enorm. De verkrampte bureaucratie die aan het licht komt als er zo’n dier ergens opduikt! En dat gaat dan over dieren, maar ik heb nachtmerries waarin ze míj vinden. 

Ik neem de intelligente lockdown nog steeds heel serieus hoor, maar misschien heeft een of andere fanaat van een vereniging met provinciale subsidie waar ik het bestaan niet van vermoed (van de vereniging noch van de subsidie) ergens in mijn straat een verborgen fototoestel geplaatst. 

En kom ik in de krant, al dan niet in kleur maar hoe dan ook met van die rode ogen en mijn baard in de war; krijg ik een naam die alleen uit cijfers en letters bestaat; blijkt er beleid of een procedure of een maatregel waar ik dan natuurlijk net niet in pas of aan voldoe; krijgt Utrecht ruzie met politiek Den Haag omdat de burgemeester vindt dat er een landelijk kader moet komen voor dit soort gevallen (dat ben ik dus), inclusief budget; komt Rutten op tv om uit te leggen dat het inderdaad een topprioriteit is of zou moeten zijn, want op zo’n manier gaat het natuurlijk snel bergafwaarts met de lockdown; waarna dus het kabinet besluit dat alle boa’s voortaan op pad moeten met uitgebreidere bevoegdheden en een vangnet.

Eek!

P.S. Is het eigenlijk niet verontrustend dat het juist roofdieren zijn die hier weer voet aan de grond krijgen? 

Nog eens eek!

Fysiek

Het woord ’fysiek’ nam met de digitalisering van de wereld in de afgelopen twintig jaar een vreemde wending. Al het stoffelijke dat ook een digitale variant had, heette opeens fysiek.
Dus: fysieke winkels.
Het zal wel aan mij en mijn verdorven geest liggen, maar ik vind dat op de rand van onbetamelijk. Met zulke taal drijf je de mensen helemaal naar het internet.
Maar nu we allemaal anderhalve meter afstand moeten houden en uit arren moede onze toevlucht zoeken tot nog meer digitale varianten van de echte wereld, heeft ‘fysiek‘ er een dimensie bijgekregen. Een nog onbetamelijkere dimensie, als u het mij vraagt.
Een collega die een andere baan had aangenomen, en die in een bijeenkomst van 24 bewegende pasfoto’s op het scherm van mijn laptop afscheid nam, zei dat ze ons graag in betere tijden op haar fysieke borrel zou terugzien.
Eek!
Het zal wel aan mij en mijn verdorven geest liggen, maar ik zie dan hele nare dingen voor me. In het beste geval een soort Twister. Ik ga u niet uitleggen wat dat is, maar onthou dat het heel erg fysiek is. Dus wegwezen als iemand met die veel te vrolijke doos komt aanzetten en dat akelige zeiltje uitvouwt in het midden van de huiskamer, of, god verhoede, van het bedrijfsrestaurant.
Of beter nog, niet naar zo’n fysieke borrel gaan. Daar komt alleen maar gedoe van, dingen die je van zijn leven niet uitgelegd krijgt.
Hmm… nu voel ik voel de behoefte om tóch iets aan u uit te leggen. Anders krijgt U een een verkeerd beeld van mij… Dus, eh… laten we beginnen met die fysieke winkel. Dat klinkt gewoon een beetje raar, maar het blijft een ding. Een groot en ingewikkeld ding, maar wel levenloos. Iets dat zelf niks doet. Laat staan fysiek.
Een borrel daarentegen is een sociale gebeurtenis (heb ik me laten vertellen), een verzameling mensen bij elkaar die allemaal wel degelijk iets doen. En sterker nog, alles wat ze doen is fysiek. Dat kan eigenlijk niet anders.
So far so good.
Maar waarom zie ik dan twister voor me, of iets ergers, transpirerende mensen in een sportschool, ballroomdanseressen met hele grote blote ruggen, glimmende worstelaars, eh…
Dat komt door Olivia Newton-John.
Tja.
Een actrice die, nadat ze in Grease te keurig voor woorden had gespeeld (naast de inmiddels tot cultheld gepromoveerde John Travolta), en daarna met geen mogelijkheid meer van haar hopelessly devoted to you-imago afkwam, besloot om het over een andere boeg te gooien, d’r haar kort te knippen, en dus een liedje uit te brengen met de onheilspellende titel Let’s get physical.
Denk aan beenwarmers over stretchpants en hoofdbanden. En verder kleding die net genoeg te raden overliet.
Ik kan me herinneren dat wij Olivia’s poging om wild en verleidelijk te zijn destijds een beetje sneu vonden, wij van de studentenflat vol links georiënteerde intelligentsia, waarschijnlijk omdat we er niets anders van mochten vinden (terwijl we met z’n allen voor de tv naar haar zaten te gapen), want de ‘feministische moraal of zo’ hing daar tastbaar in de lucht; we sneden er plakjes van om op ons brood te doen.
Dus ik heb haar verdrongen, denk ik.
Tot de lockdown dus.
En de fysieke borrel.
En huidhonger.
Ho, wacht! Dat is echt een heel raar woord!
Echt. Heel. Fout.
Ik bedoel, hebben we dat opeens allemaal? En mag dat?
Stel dat ik afgelopen januari, na een allenige kerstvakantie, op mijn werk was teruggekomen om bij het koffieapparaat te verzuchten dat ik zo’n huidhonger had… Geen begrijpende blikken, geloof mij. Laat staan medeleven. Of iemand die me tegen zich aan zou drukken. Nee, op het matje bij het hoofd van de afdeling, zou ik denken!
Dus, mensen, dat woord moeten we schrappen.
Voor wie niet overtuigd is en/of het wel een poëtisch woord vindt, even een gedachtenexperiment: sluit uw ogen, zucht een paar keer diep en haal uw collega’s voor de geest.
Op een fysieke borrel.
Allemaal met een stevige huidhonger.

(Eek!)

Het gras, de boom, of hoe de lockdown toch nog goed kwam

Op de eerste mooie ochtend van het jaar, na een armoedige stuiptrekking van de winter, wat natte sneeuw en een paar nachten vorst aan de grond, stond de vrouw juist voor het raam toen de zon tussen twee wolken door een monter bundeltje licht de tuin instraalde. Het was niet veel, maar genoeg om met gesloten ogen te wachten tot de warmte weer van haar gezicht vloeide.
Toen ze haar ogen weer opende, zag ze het gras. Of liever, wat er van over was.
‘Zullen we in de lente eindelijk eens iets aan de tuin doen?’ vroeg ze. Haar vrouw antwoordde niet. ‘Of dan in ieder geval het gras…’
‘Huh?’
‘Het gras!’
‘Wat is er met het gras?’
‘Dat ziet er niet uit. Er zitten overal kale plekken.’
Haar vrouw stond op en kwam naast haar staan. ‘Waar dan?’
‘Tss, daar! En daar, en daar…’ Ze wees de plekken aan.
‘Oh, dat. Dat groeit vanzelf weer dicht.’
‘Dat zei je vorig jaar ook. En toen bleef er dus over wat nu hebben… we moeten bijzaaien, denk ik.’ Ze zwegen en keken naar buiten. ‘Er zijn vast wel YouTube filmpjes van.’
Die waren er.
Tientallen.
En onder ieder filmpje weer tientallen vragen en antwoorden. En discussies. Scheldpartijen.
De meningen waren verdeeld, maar dat je niet zomaar even een paar kale plekken in je gazonnetje kon pimpen, dat was wel duidelijk. Het was een soort project. Een plan van aanpak moest je hebben.
Na twee-en-een-half uur, achttien filmpjes en 172 ‘openbare reacties’ wisten ze min of meer hoe ze het veld kon repareren. Ze keken elkaar aan en zeiden: ‘Ooh… dóórzaaien!’
Een raar woord vonden ze. Maar niet zo raar als ‘herstelzaad’.
‘Stel je voor dat wij ook zoiets zouden hebben, wij mensen. De mannen dan. Herstelzaad. Klinkt handig, toch?’
‘Nee dan die verticuteerschoenen!’ Een reuzenschoen met spijkerzolen om over je gras lopen. Om er lucht in te brengen.
‘Mag ik dat doen?’
‘Nee, ik!’
‘Volgens mij is vanmiddag het tuincentrum open!’
Maar die middag kwam het toch niet uit, en de hele week daarna ook niet, en toen kwam de lockdown. En werd het tuincentrum ook het centrum van de wereld. Iedereen was er, en iedereen moest zijn grasveld herstellen. Verticuteren. Kalk geven. Bemesten. Doorzaaien. Afstrooien (dat vonden zij bij nader inzien het mooiste woord uit het hele gazonjargon).
Dus alles was op. Op één zak na, die ze zonder verder te aarzelen meetroonden naar de kassa, dat wil zeggen, naar de rij vóór de kassa. Terwijl ze wachtten en rondkeken, vertelden ze elkaar het verhaal dat ze ooit aan hun kinderen zouden vertellen. Die zouden er niets van geloven.
Thuis gooiden ze de zak op het grasveld om toen pas te zien wat ze hadden gekocht.
Gazongrond. Wat wel fijn klonk, maar verder nutteloos was gezien de staat van hun grasveld.
‘Hadden ze eigenlijk nog tegels?’ vroeg ze tegelijk aan elkaar.
Dat wisten ze niet. Daar hadden ze ook niet naar gezocht. En ze waren ze ook niet van plan naar tegels te gaan zoeken.
Ze gingen naar binnen.
Een paar dagen later begon er een genadeloze droogte, die een paar weken aanhield, waardoor de plastic zak, die nog steeds op het midden van het grasveld lag, verweerde en poreus werd, zodat de inhoud zich tijdens de regenbuien die volgden gulzig volzoog tot de zak bol ging staan als een pas opgeschud kussen, dat tijdens een onweersbui door de bliksem werd getroffen en zacht openbarstte, om een bergje aarde achter te laten, waar de volgende dag al meteen een stengel met blaadjes uit ontkiemde, blaadjes die zo teder waren dat de vrouwen er wel om konden huilen, zo blij werden ze ervan, wat nog maar het begin was, want de scheut groeide in een paar weken uit tot een overweldigende boom die ademloos ontzag wekte bij alle mensen die langsliepen en waar zomers kinderen onder kwamen staan omdat er ijsjes aan groeiden die rijpten en loslieten als je liedjes voor de boom zong, wat zo ongeveer het mooiste geluid is om bij te ontwaken, vonden de vrouwen, die er natuurlijk geen moment aan dachten om ooit nog een grasveldje aan te leggen, laat staan een betegeld plaatsje, zeker niet omdat de boom in de herfst eetbare blaadjes liet vallen waar ze thee van zetten waar ze een soort high van werden, in ieder geval heel vrolijk en zorgeloos, vaak tot ver in de winter, wanneer de boom uitrustte en zich opmaakte voor de lente en zijn bloesem, die zo lekker rook, dat telkens als de vrouwen die inademden ze beter begrepen waarom het leven zin had.

En ze leefden nog lang en gelukkig.

(Die verticuteerschoenen kochten ze toch, gewoon voor de lol, en later omdat hun kinderen dan van het lachen bijna uit hun boomhut tuimelden. Wat natuurlijk niet gebeurde, want de boom hield ze dan tegen.)

Gevoel

wilhelmina
Goed, ik ben nu ongeveer een week nagenoeg in mijn eentje aan het werk geweest, precies zoals het moet, alsof het allemaal gewone dagen zijn, dus op dezelfde tijd uit bed, dezelfde rituelen gevolgd om de dag te beginnen, hetzelfde ritme aangehouden, in beweging gebleven (oefeningen voor mijn zielige arm gedaan), en dus gewoon aan het werk gegaan, of nou ja, gewoon… ik doe niet alles helemáál hetzelfde, want ik kam en boetseer mijn baard niet eindeloos tot-ie in de perfecte vorm zit, en het zal u misschien verbazen, maar ik trek ook geen pak aan. Een t-shirt dat al 20 jaar meegaat, en een op marktplaats bij elkaar gescharreld joggingpak. U zou me eens moeten zien, of nee, eigenlijk liever niet.
Over pakken gesproken, gisteren las de koning op de tv een toespraak voor, wél in een pak. Een pak van bordkarton. Zo zat hij er tenminste bij. (Oké, het was natuurlijk een serieus onderwerp, maar iets meer schwung had wel gemogen, toch?) Hij bedankte zo’n beetje iedere landgenoot en landgenote. 
Altijd gevaarlijk zo’n lijstje, want het is natuurlijk nooit compleet. Toen hij eraan begon werd ik al zenuwachtig, omdat hij vast en zeker een beroepsgroep vergeten zou. Ik ben maar luidruchtig gaan koken, om de opsomming alleen half-en-half te horen. 
Kysia Hekster, die naderhand de analyse deed, had natuurlijk wel goed opgelet. ‘Deze toespraak ging over gevoel,’ zei ze, ‘in tegenstelling tot die van premier Rutte, want die ging over beleid.’
‘Ja,’ riep ik van achter het aanrecht, ‘laten we die twee dingen vooral uit elkaar houden!’
Het maakte me echt pissig!
Ik schrijf namelijk al 20 jaar beleid, en dat doe ik op mijn gevoel. Bij mij gaat het juist fout als ik níét ook en tegelijkertijd mag opschrijven wat mijn hart me ingeeft.
Beleid is emotie.
Ja, romantisch hè?
Puh, van mijn part noemt u het naïef en sentimenteel, maar het is zo.
Daarom stak het mij toch wel een beetje dat de koning niet alle mensen van beleid bedankte, of dan tenminste toch de mensen van beleid die iedere notitie telkens weer uit het diepst van hun hart haalden.
En Kysia hoorde ik er ook niet over, in weerwil van haar ijverige glimoogjes.
Maar goed, waardering of niet, ik ga gewoon door, net als de overgrootmoeder van de koning, Wilhelmina, ‘eenzaam maar niet alleen’. Wat ik opeens niet goed begrijp, die titel bedoel ik, want ik zou hopen dat het juist andersom was: alleen maar niet eenzaam (gemiste kans voor de speechschrijver).
Hoe dan ook, ik ga voor dat laatste. Al dan niet noodgedwongen.
Nee, dat is niet half zo droevig als u zou denken. U kunt er inmiddels over meepraten. Het is helemaal niet droevig.
Ironisch misschien.
Social distancing, eindelijk iets waarin ik uitblink, en niemand die het ziet.

Vrijheid en straf

Wolvenplein1

Op een maandagmorgen ergens in het voorjaar van 1986 kwam hij het huis van bewaring op het Wolvenplein binnen. Hij lachte, zong, en schreeuwde alles wat een ander gewoon zéi en dat dan een paar keer achter elkaar alsof hij telkens vergat wat hij lachte, zong, en schreeuwde. Het was dat jaar de derde keer dat hij zo het vlak op liep en iedereen die hem zag, lachte, zong en schreeuwde met hem mee, met de gek die zich telkens weer liet oppakken.
Hij was in zijn eentje een heel tijdperk avant la lettre. Een verwarde veelpleger met de problemen van tien andere. Maar niemand wist dat natuurlijk, dat hij een voorbode was. Dat niet, en al helemaal niet dat in de decennia daarna de criminaliteit zou groeien, en niet alleen in getal maar ook in de aandacht (de nieuwe commerciële zenders waren er dol op). En niemand kon voorzien dat het soms bijna lieflijke Wolvenplein een even naar gebouw zou worden als alle andere bajesen, die we bij zouden gaan bouwen alsof ons leven er vanaf hing (wat niet zo was). Laat staan dat iemand kon vermoeden dat die nieuwe bajesen tien jaar later gewoon weer leeg zouden staan.
Nee, niemand wist dat allemaal.
Nu wel. Nu weet iedereen dat.
Wij.
Hm… maar wat weten we dan precies? Om het ingewikkeld te maken, weten we wat we weten? En als we dát weten, gaan we het nou dan anders doen? In gewone-mensen-taal: hebben we er iets van geleerd?
Ik help het u hopen.
Want vrijheid, daar doet iedereen nog steeds heel ernstig en krampachtig over, alsof het een of ander onnoembaar heilig ding is. Het hoogste goed.
Vrijheid?
Ja.
Ik denk persoonlijk dat er echt nog wel andere kostbare dingen in het leven zijn, maar goed, iedereen is heel plechtig over vrijheid, zo plechtig dat we er ons hele strafrecht op hebben gebouwd. Letterlijk, zie de bajesen, en figuurlijk, straf is vrijheid afpakken. Dat laatste is theorie. En daar kun je over twisten. Al was het alleen al omdat het een theorie van meer dan twee honderd jaar oud is.
200!
Tijd voor een update.
Vind ik.
In ‘The Sinner’ (een Netflix-serie, ga kijken!) pleegt een op het oog volstrekt gelukkige vrouw een volstrekt onbegrijpelijke moord. Terwijl een hardnekkige detective er alles aan doet om het toch te begrijpen, zit zij in de gevangenis. Stukje bij beetje komt de waarheid boven water (dat is zijzelf) en op een dag krijgt ze in de gevangenis bezoek van haar moeder. Ze krijgen ruzie en ze bijt haar moeder toe: ‘ik ben hier vrijer dan ik ooit bij jou was’.
Geen fijne jeugd.
Waarmee ik maar wil zeggen dat vrijheid ingewikkelder is dan we denken. En vrijheidsbeneming dus ook, die is lang niet zo geschikt om te straffen als we twee eeuwen geleden dachten.
Het leek heel beschaafd (in ieder geval beschaafder dan iemand vierendelen), want mensen opsluiten is iets afpakken waar iedereen evenveel van heeft en waar ook nog eens mee te rekenen is. Een misdaad kost dagen, weken, maanden of jaren vrijheid. Kwaad vergelden met het hoogste goed. Hoe eerlijk en humaan is dat?
Hm… valt tegen.
Ook op Netflix: een mooie persoonlijke documentaire van Francesco Carrozzini over zijn moeder Franca Sozzani, die jarenlang de hoofdredacteur van de Italiaanse Vogue was en die haar hele leven heilige huisjes omver schopte (Chaos and creation heet de documentaire, in 2008 bracht ze bijvoorbeeld een revolutionair All Black nummer van de Italiaanse Vogue uit). Francesco vraagt aan een van zijn moeders fotografen: ‘waarom gaf ze je zoveel vrijheid?’ En die fotograaf antwoordt: ‘ze gaf geen vrijheid maar vertrouwen’.
Vertrouwen! Over andere kostbare dingen gesproken.
Maar als vrijheid eigenlijk om vertrouwen gaat, wat is vrijheidsbeneming dan?
Vertrouwen opzeggen.
Eh… Hoe dom is dat?
In de meeste gevallen erg dom. Of nou ja, er zijn natuurlijk mensen die niet te vertrouwen zijn, gevaarlijk bedoel ik, en dat we die niet zomaar rond laten lopen, snap ik ook wel. Maar dan gaat het om veiligheid (nog zo’n kostbaar ding).
In alle andere gevallen vind ik het erg dom om het vertrouwen in mensen op te zeggen (ja, understatement). Want hoe gaan we hun vertrouwen dan weer terugwinnen? Of andersom, hoe geven wij hun de kans om dat te doen? Niet door hen op te sluiten. Een fout goedmaken is een beetje lastig als je vastzit, en al helemaal als niemand je vertrouwt.
Ligt het nou aan mij of is dit dus niet alleen dom, maar ook nogal omslachtig? Eerst mensen uitsluiten en dan proberen om ze er weer bij te krijgen, dat is toch behoorlijk ingewikkeld.
Gedoe.
Om met Edison te spreken: ‘There is a better way to do it. Find it!’.
Laten we dat doen.
Morgen meteen mee beginnen. (Denk alvast na over de inmiddels bijna barbaars ouderwetse vergelding, want dat begrip zit volgens mij in de weg, en al langer dan twee eeuwen.)
Overigens kreeg de verwarde persoon avant la lettre wel vertrouwen (binnen de muren van het Wolvenplein dan). Maar of hij dat zo begreep, wisten we niet. Hoe dan ook, hij mocht de luchtplaats schoonmaken, het mos van de straattegels krabben – de tegels waar niemand over liep – en kreeg hij een ladder mee om ook de muur eens goed onder handen te nemen. Echt!
Hij zwaaide hij naar de mensen die aan de andere kant van de gracht langsfietsten.
‘Ze zwaaien terug!’ riep hij.
Wat iedereen erg mooi vond, of het nu waar was of niet.
Alleen de gedachte al.

p.s.1: Het HvB ‘Wolvenplein is weer even lieflijk als voorheen, want geen bajes meer. Zie hier. Hoera!

p.s.2: Of het met vertrouwen nog goed komt, weet ik niet. Ik heb geen tv en ben dus zeker in de minderheid, want meer dan drie miljoen mensen keken naar de laatste aflevering van ‘Wie is de mol?’ Even opgezocht wat dat is. Hm… iedereen bedriegt iedereen en dat is leuk? Boeh!

Nul

Epic win

Toen ik pas bij de reclassering werkte (in negentiennegenennegentig! eh… 1999!), kreeg ik op een dag een telefoontje van een jongen die voor school een werkstuk ging schrijven over criminaliteit.
Of hij mij een paar vragen mocht stellen. De eerste was: ‘Hoe veel is de recidive?’
Goeie vraag. Maar een antwoord?
Moeilijk, moeilijk, moeilijk…
‘Wat voor een recidive, bedoel je precies?’ vroeg ik terug. Stilte. Want je hebt recidive en recidive, legde ik uit. Ik gaf een paar voorbeelden. Die herhaal ik hier niet, want hoewel ik er nooit een punt van maak om mijn fouten toe te geven, en ik mijzelf nog levendig voor de geest kan halen met mijn mooie genuanceerde verhaal over speciale, specifieke, algemene, ernstige en weet ik veel welke recidive nog meer (hoogpolige, waarschijnlijk ook), verdring ik de hele scène liever. Dat ik er hier over ben begonnen is alleen omdat ik naar iets mooiers toe wil. Lees dus vooral door. (wie per se in het bos van de recidive wil verdwalen, zie hier)
Hoe dan ook, het viel de jongen allemaal ook wel wat tegen, geloofde ik, want het bleef daarna lange tijd stil aan de andere kant.
‘Hallo?’
Hij was aan het schrijven. En ik zag dat voor me. Een beleidsmedewerker in spe. Telkens als dat beeld mijn gedachten weer binnenkomt, grijpt wroeging me bij de keel. Ik hoop echt van harte dat hij later iets anders geworden is. Of dat hij in ieder geval eerder dan ik begrepen heeft dat je juist moeilijke dingen makkelijk moet maken in plaats van andersom.
Hij duwde een paar keer op het knopje van zijn pen voor hij de volgende vraag stelde: ‘En hoe laag kan de recidive worden?’
Eh…
Dacht ik.
‘Wat bedoel je?’
Vroeg ik.
‘Kan de recidive ook nul worden?’
Vroeg hij.
Geritsel. Hij pakte zijn papieren erbij: ‘En zo ja, hoe?’
‘Fijne duidelijke en korte vragen.’
Zei ik.
Maar ik had geen antwoord.
Want: moeilijk, moeilijk, moeilijk…
Of nou ja, ik wist het gewoon niet. Er was recidive en er zou recidive blijven. Dat wilde niemand en ik natuurlijk ook niet, maar ja, ik wilde zoveel niet. Of juist wel, dat was maar net hoe ik het bekeek.
Dat deed ik erg veel. Bekijken. Er naast staan en er naar kijken.
Analyseren heet dat. Dat kan ik goed. Vaak is dat handig, net zo vaak moeilijk (x 3).
Ik weet niet meer wat ik de jongen heb geantwoord. Dat heb ik écht verdrongen. Maar hij was blij met het antwoord, kan ik me herinneren. En ik heb daar tot de dag van vandaag spijt van gehad. Want het was natuurlijk een kluitje in het riet. En nog erger, een kluitje waar ik mijzelf ook mee het riet instuurde.
Daar bleef ik zeker een paar jaar. In ieder geval tot minister Donner in 2002 opschreef dat ze omlaag moest, die recidive (in zijn de nota Naar een veiliger samenleving). Mooi streven, maar de ene helft van de mensen vond dat hij nogal moeilijk (x 3) deed over hoe laag dan precies (“indicatief – circa 20% tot 25% vanaf 2006 in het vizier”, schreef hij) en de andere helft zei dat het nooit zou lukken.
Want er was nou eenmaal recidive en die zou er altijd blijven.
Ik hoorde trouwens bij de eerste groep. En eigenlijk vind het nog steeds een vaag doel. Heb ik al eerder over geschreven (hier).
Maar vaag of niet, het lukte wel. Kijk maar rond: dalende criminaliteit en minder mensen die zich onveilig voelen. Op het lijstje van onderwerpen die de nieuwe regering volgens Nederlanders moet aanpakken is veiligheid uit de top drie getuimeld.
Hoera!
Hoera?
Nee, dat is niet genoeg.
Denkt u, net als ik tegenwoordig vaak doe, nog eens terug aan de jongen die mij in 1999 opbelde. En kijk dan weer eens om u heen. Dit is de tijd van epic wins.
Huh?
Een Epic win is een term van gamers. “It is an outcome so extraordinary positive, you had no idea it was possible until you achieved it. It was almost beyond the threshold of imagination and when you get there, you’re shocked to dicover what you’re truly capable of.”
En dit is een citaat van Jane McGonigal. In een van haar Tedtalks legt ze uit hoe we met gamen de wereld kunnen veranderen.
Over epic win gesproken
Ik wil ook een epic win.
Ja, dit is de tijd waarin mijn moeder eindelijk gelijk krijgt: ‘kan niet’ ligt op het kerkhof en ‘wil niet’ ligt ernaast. Mijn moeder is en was altijd een gamer, besef ik nu, want “gamers always believe that an epic win is possible and that it’s always worth trying and trying nów.” (Die is weer van Jane.)
Dus ik zou zeggen, we gaan voor de nul. Niet indicatief, circa of in het vizier, maar doodgewoon nul (0!).
Hoe makkelijk wil u het hebben?

(De foto bij dit blog is van Phillip Toledano)