Categorie archief: Mensen

Te mooi

kurk

Bij de slijter stond ik zo lang naar een fles wijn te staren dat het raar was.
Denk ik.
Achteraf beschouwd.
‘Groot Geluk’, stond erop.
Wat de hele situatie alleen maar raarder maakte.
Denk ik.
Achteraf beschouwd.
God zij dank heb ik nog ergens een onderbewustzijn. Als ik al te ver afdwaal van de gewone-mensen-wereld roept altijd een of andere gedachte me wel tot de orde. Ik weet nooit waar die dan vandaan komt. Maar het is wel een creatief fenomeen, al zeg ik het zelf (of nou ja zélf, dat is een ingewikkeld begrip in dit verband, als u begrijpt wat ik bedoel) want iedere keer is het weer een verrassing. Hoe kom ik dáár nou weer bij, vraag ik me dan af. Soms met enige zorg, maar daar ga ik het nu niet over hebben.
De mens is een raadsel, laten we het daar maar op houden.
Eh, terug naar de slijter… Terwijl ik daar met die fles ‘Groot Geluk’ in mijn handen stond, zette mijn onderbewustzijn ergens een klein bovenraampje open waardoor een wijze raad van Marktplaats mijn bewustzijn binnenkwam.
‘Laat uw gezonde verstand spreken: als iets te mooi lijkt om waar te zijn, dan is dat meestal ook zo.’
Kan zo op een tegeltje. Tegel, want het is een nogal lange wijsheid.
De sjieke variant ervan is van Spinoza (oh god, daar heb je hem weer met zijn Spinoza, hoor ik u denken, lees toch maar door): ‘Het kan ook niet anders of iets wat zo zelden gevonden wordt, is moeilijk. Want als het heil binnen handbereik lag en zonder veel moeite gevonden kon worden, hoe zou het dan mogelijk zijn dat het door bijna iedereen werd genegeerd?’ (Voor wie de ziekte van Spinoza ook eindelijk te pakken heeft en de Ethica wil lezen, dit is uit de mooiste vertaling in het Nederlands, vind ik, van Corinna Vermeulen)
Eh… Erg sjiek gezegd dus, ingewikkeld misschien, maar net als marktplaats wil hij maar zeggen dat als geluk voor € 14,85 per 0,75 liter te koop zou zijn, de hele winkel zou vol staan met dromers als ik.
Terwijl iedereen geluk dus heel erg overschat. Je hoort er veel over, maar het valt enorm tegen. ‘De jacht op geluk is een existentiële vergissing’, las ik laatst. Zodra je het zoekt begint de ellende. Zit wat in, want het is een heel gedoe. Maar het is ook wel beetje pessimistisch, zo’n uitgangspunt. Voor de handdoek in de ring sta ik ’s morgens niet op. Dan liever de onomwonden raad van Marktplaats. Of nee, doe de voorzichtigheid van Spinoza maar: het bestaat en we kunnen het bereiken, maar het is wel even een dingetje.
Ik moest aan mijn kat denken. Mijn ex-kat, om precies te zijn. Een schuchter beestje met een ingeschapen angst voor mensen dat ik in een onverklaarbaar opgewekte bui voor € 90,25 uit het dierenasiel had bevrijd om vervolgens een jaar lang te proberen een band met haar op te bouwen, wat ik uiteindelijk opgaf nadat we elkaar het leven onmogelijk hadden gemaakt in de aanloop naar haar halfjaarlijkse vaccinatie tegen weet ik veel wat. Dat zij voor haar eigen bestwil in het getraliede draagmandje moest, kon ik haar niet goed uitleggen en het handgemeen waar ik daarna onbeholpen in met haar terechtkwam, verloor ik .
Toen ik op een gegeven moment mijzelf op mijn buik, met bloedende handen, half onder de bank, oog in oog met haar aantrof en hardop in mijn lege huiskamer tegen haar hoorde zeggen: ‘okay, jij wint!’, wist ik dat het voorbij was.
Exit mijn kat.
Snik.
‘Kan ik u helpen?’
De slijter.
Slijtster. Of hoe noem je een vrouwelijke slijter? Hm. Laten we het op sommelière houden. Dat klinkt romantischer. Hoewel het resolute gebaar waarmee ze meteen de fles uit mijn handen nam en in het rek terugzette me eerst nogal afschrok. Evenals haar glimlach. Meewarig, alsof ze Spinoza ook gelezen had.
Maar ze had enorm rood krullend haar, veel aandoenlijke sproeten en groene ogen, dus toen ze me zonder iets uit te leggen meenam naar de whisky’s, liep ik mee, pakte blind de fles aan die ze me gaf en liep naar de kassa. Resistance was futile. Toen ik afrekende, glimlachte ze weer.
‘Laat me eens weten wat u ervan vindt,’ zei ze.
Toen ik thuis kwam, pakte ik meteen de fles uit: Writer’s tears. Traantje op het etiket.
Zoiets verzin je niet. Of nou ja, die sommelière wel. Een beetje griezelig, dacht ik nog, voordat ik een glas voor mezelf inschonk. Lekker spul. Maar ook een beetje sneu. Self fullfilling promise in a bottle, want na het tweede glas kon ik wel janken, als het ware. ‘Een echte drinker spuugt de kurk weg; een Iers gezegde,’ had ze ook nog gezegd. Die kurk vond ik de volgende dag terug, samen met een paar halve herinneringen. Zie hierboven.
Jammer dat ik niet meer weet waar die slijter is. Helemaal kwijt. Inclusief die sommelière. Van wie ik opeens vermoed dat ze helemaal niet bestaat.
Te mooi om waar te zijn.
Achteraf beschouwd.

Matras voor kerstmis

dienstregeling

De man die gisteren in de schemering toch nog met mijn nieuwe matras verscheen, bracht me ook een herinnering.
De dag voor kerstmis 1974; een zwaar bewolkte en natte dag waarop wij (mijn ouders, mijn zus en broer en ik) na een dag stromeloos winkelen in de stad vlakbij de bushalte een manke jongen van mijn leeftijd tegenkwamen die hinkend een in plastic verpakte matras met zich meezeulde op weg naar het paaltje met de vertrektijden van de bussen. Toen hij een tijdje in het halfdonker naar de staatjes had staan turen, begon hij te huilen.
Mijn vader vroeg wat er aan de hand was. De jongen vertelde dat hij niet meer wist welke lijn hij moest nemen omdat hij in geen enkele dienstregeling zijn dorp kon vinden (wat niet vreemd was, want het was feitelijk geen dorp, maar niet meer dan een kluitje huizen dat ooit in de middeleeuwen een naam had gekregen omdat de rivier waaraan het lag er doorwaadbaar was, wat door de eeuwen heen de enige verdienste bleef, tot de rivier opdroogde en er drie onooglijk en onbetekenende straatjes restten, waar de bus wel stopte, maar alleen als reizigers erom verzochten – allemaal bijzonderheden die ik om een of andere reden wist, maar die ik de jongen bespaarde omdat hij al veel te eenzaam was; dacht ik).
Hij was door zijn ouders op pad gestuurd om het matras op te halen bij kennissen van hen, een koppel met zeven kinderen dat ze ontmoet hadden toen zij tijdens de afgelopen pinkstervakantie in de speeltuin in Nederhemert-Zuid waren geweest. In tegenstelling tot wat hij van die dag nog wist, bleken het nare mensen die naar al hun kinderen venijnige dingen schreeuwden en bij onenigheid daarover elkaar uitscholden of te lijf gingen. Uiteindelijk waren ze de matras gaan halen, maar toen het op betalen aankwam, hadden ze een hoger prijs geëist dan was afgesproken en hem gedwongen om ook het geld voor de terugreis af te geven.
Hij vertelde alles met veel gevoel voor detail en uitgebreide sfeertekeningen (zo weet ik nog steeds dat het bij die mensen thuis naar ‘de kantine van het voetbal’ had geroken, en dat er nergens een tafel om aan te eten had gestaan maar wel een box waarin behalve een peuter ook een wit geitje had staan mekkeren; dat laatste had ik al meteen niet geloofd, maar ik vertel het hier omdat het nu eenmaal in mijn hoofd zit en het tenminste nog íéts vrolijks aan zijn verhaal gaf).
Aangekomen bij de kwestie van het geld was hij weer gaan huilen.
Mijn vader en moeder keken elkaar aan en mijn moeder liep naar het bordje met de dienstregelingen. Ze bestudeerde het en keek op haar horloge.
‘Hij komt over een paar minuten,’ zei ze. De jongen veegde met de mouw van zijn te grote trui de tranen uit zijn gezicht en keek ons een voor een aan.
‘Komt jullie bus? Gaan jullie weg?’
‘Nee, jóuw bus,’ zei mijn vader, ‘die van jóu komt eraan.’
‘Maar ik heb geen geld!’
‘Wij betalen wel.’
Als toen niet meteen de bus in de verte te zien was geweest en wij samen met de jongen aanstalten moesten maken om hem gereed te laten staan met zijn matras, was hij waarschijnlijk weer aan het huilen geslagen.
Met ons erbij.
Toen de bus wegreed en de jongen vanaf de achterbank naar ons zwaaide, zijn andere arm achter het matras alsof het een vriend was, kregen we het toch nog te kwaad. Het duurde niet lang of we stonden daar dicht tegen elkaar aan (als schapen in de wind), te slikken en te sniffen en naar de bus te staren tot die in het donker verdween.
‘Mijnheer!?’ vroeg de man. Ik keek op. Hij glimlachte. ‘Laat mij maar even.’ Hij pakte het matras alsof hij iemand omhelsde en manouvreerde het behoedzaam de trap op terwijl hij zichzelf (en het matras) fluisterend begeleidde met op iedere tree een paar bemoedigende woorden. Hij was terug voor ik er erg in had, de verpakking netjes opgevouwen onder zijn arm.
Van een fooi wilde hij niets weten. ‘Fijne kerstdagen,’ zei hij.
Pas toen hij terug naar zijn vrachtwagen liep, zag ik dat hij hinkte.

Ziel

zwerm

Eergisteren was zo’n gruwelijk lege zondag zonder reden van bestaan. Godvergeten twijfel overal, maar nergens een mens te bekennen, behalve aan de overkant van de straat drie meisjes van een jaar of zeventien waarvan er één opeens riep: ’Ziel!? Wat is dát? Wat héb je daar aan?’ Ze ging voor haar vriendinnen staan en vroeg het nog eens: ‘Zíél..!?’
Echt waar.
Ze had een Marokkaans accent. Dat doet er verder niet toe, ware het niet voor haar ‘z’. Ik kom oorspronkelijk uit Amsterdam, dus ik heb helemaal geen ‘z’ en ben dus al snel jaloers op om het even welke ‘z’, maar de ‘z’ van ‘ziel’ die dat meisje in de lege straat losliet, was echt helemaal geweldig. Hij kwam als een zwerm bijen uit haar omhoog, zwol van een zucht naar een nijdige schreeuw (zchreeuw!) om daarna zacht na te galmen tussen de stille huizen.
‘Zzziel!’
Een verlengde ‘z’. Daar had ik iets over gelezen. ‘Ziel’ is gewoon ziel, maar ‘Zzziel’ is de ziel. Wat het hele voorval een diepere betekenis gaf.
Dacht ik. Ik stond er zeker een halve minuut ademloos naar te luisteren, alsof ik hoopte die betekenis zich op een of andere manier aan me zou openbaren. Ik raad u af om zoiets te doen, want het is raar en al snel verdacht. Zeker als je een man van 58 bent. Maar goed, ik kon moeilijk naar de overkant lopen om er eens met haar over van gedachten te wisselen. Om een of andere reden had ik het gevoel dat zoiets helemaal slecht af zou lopen. Ik zou niet uit mijn woorden komen en zij zou wat ik wel zei als een belediging interpreteren. Ik was immers ook al verward blijven staan om naar haar ‘z’ te luisteren alsof ik stemmen hoorde, wat feitelijk ook zo was, maar zodra ik dat aan haar ging uitleggen, zou ik het vast en zeker niet veel later tegenover haar grote broer moeten herhalen, die alles nog verkeerder zou begrijpen.
Vertel mij wat. Ik heb mijzelf veel te vaak voor schut gezet.
En ik heb een veel te goed geheugen. Dat is ook een last hoor. Neem mijn sneue gestamel van 42 jaar geleden tegenover Jeanette van den Boeijkamp die ik wilde vragen of ze met mij naar het schoolfeest wilde gaan… de herinnering aan die scène komt zeker één keer per maand zo levendig mijn gedachten binnen dat het zweet me weer uitbreekt. Jeanette had ook een broer, trouwens. Die me de volgende dag namens haar op mijn gezicht kwam slaan. Geen woorden maar daden, daar is soms ook iets voor te zeggen (no pun intended).
Goed, terug naar dat meisje en de ziel. Waarom die vragen over de ziel? Zag ze voor zichzelf het nut van een ziel niet of vond ze een ziel in het algemeen – de ziel dus – onzin? Grote vragen, waar zo ongeveer iedere zichzelf respecterende filosoof wel eens zijn/haar hoofd over had gebroken. En nou ik dus ook. En dat meisje.
Op een zondagmiddag in de Kanaalstraat.
Het moet niet gekker worden.
Werd het wel.
Ze bleef staan en riep: ‘Hé, oude man! Ja, jij met je baard. Wat kijk je? Heb ik iets van je aan of zo?’
Dat leek me sterk. Dus ik schudde mijn hoofd.
Grappig.
Vonden haar vriendinnen.
‘Die hoed zou je best wel staan,’ zeiden ze. Ik schudde weer mijn hoofd. Niemand krijgt mijn hoed. Ook een meisje dat heel mooi “Zzzziel?!’ kan roepen niet.
Ze liet haar vriendinnen giechelen.
‘Nou, wat kijk je?’ herhaalde ze.
Hm… Ik moet echt eens leren te liegen. Ik had gewoon ’Niks’ moeten zeggen en met afgewend hoofd naar huis moeten lopen, maar in plaats daarvan bleef ik onbeholpen staan om te zeggen dat ik naar haar ‘Ziel?!’ had geluisterd.
‘En?’
‘Huh?’
‘Heb je ook een antwoord?’
Even ter herinnering, dit speelde zich allemaal op een grauwe zondagmiddag in de Kanaalstraat af, zij met haar vriendinnen voor de schoongeboende winkel van paardenslager van Beek en ik aan de andere kant van de straat ter hoogte van ‘afhaalcentrum Baraka’.
Ik zei toch dat het gekker zou worden?
‘Je ziel, dat ben je zelf’, zei ik. Kan zo op een tegeltje. En dan een foto daarvan op LinkedIn.
‘En wat moet ik ermee?’ (Met haar ziel, bedoelde ze, niet met het tegeltje.)
‘Gewoon, je leven leiden.’
Riep ik in de lege straat, dus eigenlijk met een ‘!’
Hilarisch, bij nader inzien.
‘Dat kan ik wel,’ zei ze.
Ik knikte, want dat leek mij ook. Ze lachte.
‘Bedankt!’
Gekker kon echt niet, dit was opeens mijn mooiste zondagmiddag in jaren.
Ik nam mijn hoed af en groette haar.

Domweg gelukkig

bloem

Mijn overbuurvouw ging uit. Samen met haar vriendinnen.
Ik woon in een smal straatje, en omdat het warm was, hadden we allebei ons raam openstaan, waardoor ik willens nillens de hele voorbereiding van het avondje stappen meemaakte.
Of, nou ja, had kúnnen meemaken.
Want als je een jongen van dertien en een half bent, dan is het op een of andere manier wel te vergoeilijken (hormonen die bij wijze van spreken een eigen leven leiden) dat je de buurvrouw en haar vriendinnen bespiedt terwijl ze elkaars jurken proberen, maar als je zevenenvijftig bent, is dat sneu, op het strafbare af. Los daarvan wil ik zoiets ook helemaal niet zien, dus ik schoof meteen de gordijnen dicht.
Maakte dus niks mee. Ik zeg het maar even.
Ging naar bed.
Niet veel later zetten ze muziek aan en begonnen ze mee te zingen. Om er een beetje in te komen, denk ik. Voor een karaoke-avond of zo. Dat woord viel tenminste een paar keer.
’Nou doen we het karaoke,’ zei iemand dan. En zongen ze nog wat luider.
In koor.
The sound of silence, van Simon and Garfunkel.
Zoiets verzin je niet.
Daarna volgden werken van gelijke strekking. Luisterliedjes van singer-songwriters – jongens/meisjes met zachte gitaren – stante pede gearrangeerd voor drie sopranen.
Heel apart, zal ik maar zeggen.
Tussen twee haakjes: Ik kom hierbij terug op mijn bewering in een ander blog dat vrouwen in tegenstelling tot mannen niet samen zingen in de nacht. Dat doen ze dus wel.
Kennelijk.
Met dit verschil dat ze niet dronken hoeven te zijn. Nee, ze waren niet dronken, dat kon ik horen. Het was allemaal puur en onversneden vreugde om te zingen.
Benijdenswaardige vreugde. Ik kon me niet herinneren wanneer ik zoiets voor het laatst had beleefd. Ja, ergens in de jaren tachtig aan een tafel bier in de kantine van voetvalclub Sterrenwijk. Geen echte onversneden vreugde. De derde of vierde tafel bier, denk ik, bij nader inzien. Dat was daar de standaardeenheid. Een tafel. Minder bestellen kon niet.
Ze zongen ook vals, (ik ben weer terug in het heden, bij de buurvrouw met haar vriendinnen). Alleen máár vals, eigenlijk. Een voor een onderbraken ze de verschuivende harmonieën om kwaad op zichzelf en nogal overbodig naar elkaar te roepen dat ze geen toon konden houden.
Inmiddels wist de hele straat dat al lang. De hele buurt misschien.
Toch zongen ze door.
Ook benijdenswaardig. Zulke volharding.
Met die gedachte viel ik in slaap. Maar niet voor lang, want een buurman van een paar huizen verderop vond na een kwartiertje dat het welletjes was.
‘Dames, kunnen jullie het raam dicht doen?’ riep hij. Het klonk alsof hij naast mijn bed stond. Ik ging kijken. Hij had in zijn ochtendjas midden op straat post gevat. Wijdbeens en armen over elkaar, als een agent.
Hij riep nog een paar keer hetzelfde. Afgewisseld met af ten toe: ‘Dames!’
Ten slotte hoorden ze hem en verschenen ze alle drie tegelijk bij het raam. En schoten ze in de lach.
De sláppe lach.
Het midden in de nacht opnemen tegen drie zingende vrouwen is behoorlijk dapper, zoiets in je ochtendjas doen is dom, maar dan boos naar boven kijken terwijl je je verwarde haren parmantig recht strijkt, dat is gewoon roekeloos.
De maan zette het tafereel onverbiddelijk in een heel akelig licht waardoor zijn blote voeten in zijn wit-met-blauwe plastic adidasslippers opeens in volle glorie uit het donker tevoorschijn kwamen.
De vrouwen sloten grinnikend het raam. De man schudde zijn hoofd, maar hoe meewarig hij ook probeerde te zijn, er was niets meer van zijn decorum te redden. Eenmaal achter glas en gesloten gordijnen, gierden ze het uit.
Niet veel later verlieten ze hun huis. Ze neurieden.
Avond, van Boudewijn de Groot.
Zoiets verzin je niet.
Of toch wel. Sterker noch, ík verzon het, die nacht. Net als zo’n beetje de helft van dit verhaal. Je moet wat als je wakker ligt.
En niks meemaakt.
Dat klinkt zieliger dan het is.
Daarna droomde ik dat de overbuurvrouw opeens prachtig kon zingen, After the goldrush van Neil Young, wat zo ongeveer het mooiste lied is om uit een openstaand raam op je af te horen komen (hoewel ik doorgaans tegen covers ben, ga ik toch voor deze uitvoering, al was het alleen maar omdat het ook drie vrouwen zijn).
Ook dit zelf bedacht.
Domweg gelukkig.

Twijfelen

papegaai

De vrouw die schuin tegenover mij in de trein zat, somde voor haar medereiziger alle reizen op die zij had gemaakt. Ze gaf telkens een beschrijving van de landen inclusief de volksaard van de bewoners, aangevuld met bijzonderheden over de mannen. Ze poneerde alles met een granieten stelligheid en gaf voorbeelden om haar beweringen te onderbouwen die zo levensecht waren dat je er niet onder uitkon. Zo beschreef ze tamelijk gedetailleerd het mes dat ze bij zich had gedragen om de Kazachstaanse mannen van zich af te houden. Want die waren van alle mannen op de hele wereld het opdringerigst, verzekerde ze.
Intussen breide ze iets paars vol kruisende kabels en pluizige bulten. Haar handen deden me aan Charlie Parker denken. Ik leg niet uit wie dat is. Toen ik voor het eerst in een verloren gewaand filmpje z’n handen over zijn saxofoon zag gaan alsof ze een eigen leven leidden, geloofde ik even in God.
Wel ja. Geeft een hoop rust, zeggen ze.
De vrouw had dat niet. Geloof noch rust. Wij medereizigers trouwens ook niet, want haar onaantastbare verhaal was intussen zo groot geworden dat het de lucht uit onze wagon verdrong. In plaats van God, leek de duivel in haar gevaren. Ja, haar breiwerk zag er opeens heel demonisch uit. Een hansopje voor Rosemary’s baby, dat was het, of nee, misschien wel voor haar éígen addergebroed.
Eeek!
Ik dwaal af.
Want die trui daargelaten was het engste aan haar toch wel dat zij niet twijfelde. Neem van mij aan, iemand die niet twijfelt, moet je met grote argwaan tegemoettreden.
Zoals die vrouw, dus, want die wist beslist alles zeker. Ze praatte niet, nee, ze nagelde stellingen aan onze deuren. Het was zo agressief dat ik zelfs een lichte neiging om tegen haar te zeggen dat me dat irriteerde. Feedback geven, daar hoor je best veel goede dingen over tegenwoordig. Maar ik ken mijzelf. Iedere keer dat ik mijn bijdehante kop niet kan houden, loopt het slecht met me af. De pakken slaag die ik heb gekregen omdat ik zonodig ad rem moest zijn, echt sneu! En hoewel ik er in berust heb dat mijn snedigheid ooit een tot roemloze dood leidt, had ik daar nu nog geen zin in. Een breinaald in mijn rug, dat was me net even té roemloos.
Ze ging gelukkig bij het volgende station de trein uit, om plaats te maken voor een man die me meteen bekende dat hij echt niet meer wist wat hij nu moest met de papagaai die hij onlangs via marktplaats voor zijn vrouw had gekocht, die alleen maar ‘kijk uit politie!’ bleek te roepen (de papagaai bedoel ik) en tot overmaat van ramp iets onzichtbaars in de atmosfeer verspreidde wat op zijn longen (die van de man) sloeg, waardoor hij ’s nachts geen oog dicht deed omdat hij de hele tijd bij het badkamerraam zat om naar lucht te happen en zijn vrouw niet wakker te maken met zijn hijgen en hoesten.
En daar keek hij dan maar een beetje naar buiten.En dacht hij na.
Dat had hij weer, gestopt met drinken en roken en alle andere dingen die God verboden had, een vrouw ontmoet die van hem hield alsof het niets was, en dan die vogel.
Zijn hele leven kwam langs, daar bij dat raam.
De dingen die hij verkeerd had gedaan.
Waaronder de papegaai.
Wat moest hij nou? Zijn vrouw was dol op het beest.
En de man op haar.
Dilemma.
‘Vertel het haar,’ zei ik.
‘Alles?’
‘Vooral dat je niet weet wat je moet doen.’
Want als je alles zeker weet, gebeurt er niks leuks meer, dacht ik erachteraan.
En gaan truien zichzelf breien.
Eeek!

Six word story

hemingway

Op marktplaats kwam ik deze advertentie tegen: ‘Vulpen, één keer gebruikt. Voor een brief.’
Ik moest aan Ernest Hemingway denken, die de uitvinder of de ontdekker van het ‘zes woorden verhaal’ zou zijn. Deskundigen zeggen van niet, maar ik vertel het er toch bij om deze blog een beetje sjiek te maken.
Hoe dan ook, ‘six word stories’ bestaan. Het voorbeeld dat Hemingway zou hebben gevonden, ging zo: ‘For sale. Baby shoes. Not worn.’
Het was een advertentie een krant.
Snijdt regelrecht door je ziel.
Ja, ik kan tellen en weet dat het verhaal van marktplaats zeven woorden is. Nog altijd helemaal in de geest van het zes woorden verhaal, want in die paar woorden zit alles wat je van een verhaal verlangt.
Vind ik.
Romantisch als ik ben, zie ik meteen een liefdesbrief. Wat moet je anders met een vulpen schrijven? Ja, ik schrijf alles met een vulpen, maar dat telt niet, want als het schrijven aangaat ben erg ouderwets. Ik begin bijvoorbeeld iedere zin met een hoofdletter en eindig met een punt. Ook als ik sms en/of app, ondanks dat je dan onbetrouwbaar overkomt.
Ja, dat hebben ze onderzocht.
Hoe bizar is dat? Een open einde is geloofwaardiger dan ergens een punt achter zetten. Een uitroepteken is dan weer wel kosjer. Sterker nog, da’s beter dan helemaal niks. Een emoji is ook goed. Als je ergens geen woorden voor hebt, wek je dus meer vertrouwen.Dat is niet bizar, dat is zielig.
Vind ik.
Terug naar de vulpen.
En de brief.
Oh, alsjeblieft!
Eh… ik laat me gaan. Een andere keer misschien een blog over echte brieven, maar deze gaat over de brief uit het zeven-woorden-verhaal. Dat was natuurlijk geen liefdesbrief. Want wie schrijft er nou één liefdesbrief? Om daarna de pen te verkopen?
1!
Da’s niks. Wie alles in één brief kan zeggen, is niet verliefd. Ik bedoel, zou u vallen voor iemand die zijn/haar liefde voor u in één brief kon opschrijven? Ik niet. Liefde is een veelkoppig monster, dus tenminste voor iedere kop één brief. En met je liefde moet je in ieder geval een poging voor de eeuwigheid doen, dus je blijft schrijven, brief na brief.
Vind ik.
Maar goed, ik ben een romanticus.
Misschien was het een liefdesbrief om het uit te maken. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Hoewel het chiquer is om iemand recht in de ogen te kijken en dan de bons te geven, kan een brief ook wel. Maar dan dus wel een echte. Een papieren brief, om met Gerard Reve te spreken, die trouwens met een kroontjespen en een potje inkt schreef. Da’s nog romantischer, natuurlijk. Ik leg niet uit wie hij is. Lees gewoon al zijn brieven (deze aan een minister, bijvoorbeeld, mooie foto’s: let op de stempels).
eh… Is een brief waarin je de liefde opzegt eigenlijk wel een liefdesbrief? Hm, goede vraag. Ik zou zeggen van wel.
Formeel dan.
Een liefdesbrief is een brief over de liefde en liefde kan alle kanten op. Ook naar een einde. Ik heb er veel geschreven om mijn liefde te betuigen, maar ook een paar om te constateren dat het jammer genoeg niks zou worden en te zeggen dat het me speet dat ik anders had gedacht.
Wel mooie brieven, al zeg ik het zelf. Maar dat hielp allemaal niet. Een vaardige pen is handig, maar uiteindelijk gaat het om meer dan woorden alleen.
Alhoewel, Cyrano de Bergerac bewijst misschien wel het tegendeel met zijn brieven aan Roxane. Wel jammer dat hij stierf voordat de liefde overwon.
Terug naar de advertentie op Marktplaats.
Wat mij blijft intrigeren is de tweede zin in het verhaal: “Voor een brief.” Waar zou je een vulpen anders voor gebruiken? Het zal mijn morbide geest wel zijn, dat ik dan meteen aan dood en verderf denk. Misschien had hij er diep in zijn hart liever een echt einde aan gemaakt? Met dat ding? Er zijn vast geheimagenten of huurmoordenaars die weten hoe dat moet. Ik ga daar hier niet over fantaseren. Het is allemaal al droevig genoeg.
Maar goed, het werd dus toch een brief.
Beter.
De oplettende lezer heeft inmiddels door dat ik telkens over ‘hem’ en ‘hij’ spreek. Ja, om een of andere reden denk ik dat de verkoper (m/v) een man is. Ik zie hem ook voor me. Hij is groot en heeft handen als kolenschoppen waarmee hij onhandig de vulpen gereed heeft gemaakt. Gepiel met vullingen die hij steeds laat vallen en een paar keer verkeerd-om in de pen duwt. Uit het niets helder blauwe vlekken op de keukentafel, die hij met een handdoek van het formica blad veegt. De handdoek gooit hij weg.
Dit gebeurt allemaal omdat hij zenuwachtig is. Niet alleen de pen, maar ook de liefde is nieuw voor hem. En dan gaat hij die nog afwijzen ook.
Toen hij de pen kocht, had hij de brief al zo’n beetje in zijn hoofd, maar eenmaal achter het papier is hij alles kwijt.
Writers block.
Twijfel.
‘Lieve’ of ‘beste’.
‘Lieve.’
Dan haar naam.
Komma.
‘Ik niet van jou.’
Geen groeten of ander woord van afscheid. Gewoon zijn voornaam eronder.
Totaal: zeven woorden.
Meer is niet nodig.
Vindt hij.
Ik eigenlijk ook.
Te laat.
Zit nu al op 868.

Curiosity

 

handbag-kelly-in-pelle-azzurra

De man die naast mij liep op weg naar het station was op het eerste gezicht een hele gewone man. Hij haalde wel erg zwaar adem en snoof ook regelmatig met veel geluid extra lucht op. Omdat hij verkouden was, dacht ik. En hij mompelde in zichzelf, wat ik ook niet zo bijzonder vond, omdat ik dat ook wel eens doe. Alleen dan niet zo verongelijkt. Nee, als ik iets tegen mijzelf zeg, is het altijd om te lachen.
Vind ik.
De humor ligt op straat en ik vertel mezelf waar. Zo hadden ze laatst bij de NS een andere stem om mededelingen doen. Een of andere Gooise vileine relnicht. Vraag me niet hoe je dat kunt horen. Maar een spoorwisseling is dan heel erg grappig. En vertragingen, hilarisch! Ik heb toen een trein gemist omdat ik hoopte dat hij ‘wegens een technische storing kan de internationale intercity naar Innsbruck Hauptbahnhof vandaag niet rijden’ (en dat dan ook in het Duits) zou gaan omroepen. Zou mijn hele dag goed maken, dacht ik.
Gebeurde niet. Wel veel plezier gehad met die zin in mijn hoofd oefenen.
Je moet wat.
Verder gaat alles goed.
Terug naar de boze man naast mij, die geen humor op straat zag maar ergernissen. Ja, er zat hem van alles dwars.
Dat snuiven was omdat hij wild werd van de wereld om zich heen.
Ja, dit heb ik allemaal achteraf beredeneerd, want toen hij de mevrouw die ons tegemoet liep opeens heel hard ‘prostitué!’ toeriep, was het wel een soort van verrassing.
Heb ik al eens gezegd dat ik nieuwsgierig ben?
Ik achter de man aan!
Ik wilde wel eens weten wie hij nog meer ging uitschelden.
Hij hield het bij vrouwen. En bij ‘prostitué!’
Allemaal niet erg creatief. Aan de andere kant schreeuwde hij niet naar álle vrouwen, gelukkig maar, want dan zou het al snel saai zijn geworden.
Nieuwsgierigheid is ook een soort ziekte, je hele normen- en waardenstelsel gaat eraan ten onder als je niet uitkijkt.
Hoge hakken, rood gestifte lippen, geblondeerd haar, dat waren de man zijn triggers.
Stimuli, om het wetenschappelijk te zeggen. Ik deed namelijk actie-onderzoek.
Voor het bloggen heimelijk achter een rare man aan. Nou ja, heimelijk. Ik zat hem zo dicht op de hielen dat de eerst volgende vrouw die hij uitschold, dacht dat ik het deed.
Nou ja! Ik ben in de derde feministische golf opgegroeid, tussen de paarse tuinbroeken, en ik heb leren breien om mijn vrouwelijk ik te ontdekken!
Maar ja, leg dat maar eens uit op een vol perron met een aanstormende trein en dito mevrouw. Ik heb dus deemoedig haar verwensingen aanvaard. De aanval met haar Kelly-bag ook (als ik een pak slaag krijg, dan wel een beetje chique natuurlijk).
De man zocht schaterend steun bij een bord met vertrektijden.
‘Lukt iedere keer weer!’ riep hij naar mij.

Domweg gelukkig door de bonuskaart

Bonuskaart

In de rij voor de kassa van de AH stond ik achter een jonge vrouw met een baby in een draagzak. Toen het kind opeens begon te huilen vroeg de kassière aan haar collega van de kassa verderop of ze de avond daarvoor ook het nieuws had gezien over ‘die vrouw die haar kinderen had vermoord’.
Geen antwoord. Iedereen zweeg. De moeder probeerde haar kind te sussen. En ik zag Petra weer voor me.
Die had ook haar kind gedood.
Een onvoorstelbare misdaad die ze me na tien jaar tbs in enkele vlakke zinnen uit de doeken deed om daarna te wachten op wat ik zou zeggen.
Niets.
Ik zweeg.
En probeerde mijn gedachten te bedaren, want hoe matter of factly haar bekentenis ook was geweest, ik zag meteen voor me wat er was gebeurd.
‘Wat er was gebeurd’.
Zo noemde zij het.
Ze was verder gegaan met een nog soberder verhaal. Om uit te leggen waaróm het was gebeurd. Een verhaal over haar leven dat klonk alsof ze het voorlas. Een verschrikkelijk verhaal.
Als het tenminste allemaal waar was.
Want ze vertelde altijd verhalen die tegelijk waar en gelogen waren; al meteen na haar eerste zinnen, wist ik niet meer of ik haar geloven moest. Niet dat het uitmaakte. Hoe je het ook wendde of keerde, wat ze vertelde was allemaal even gruwelijk, de leugens ook.
De kassière van de AH gaf een samenvatting van wat de veroordeelde vrouw had gedaan; dingen waar de jonge moeder de hele nacht aan terug zou denken. Haar kind huilde nog steeds, maar ze was gestopt met zacht heen en weer wiegen om het in slaap te krijgen. Ze staarde naar buiten. Het meisje achter de kassa beschreef de straffen die zij de kindermoordenares toewenste.
Petra was de straf voorbij. Haar hele leven was een straf geweest, vond ze, op de eerste twee jaar na. Daarna was haar geluk op en het weerzinwekkende begonnen. Maar dat had zij pas achteraf gereconstrueerd (gefabuleerd) uit alles wat in de tbs naar boven was gekomen. Gebeurtenissen die ze vanzelfsprekend had gemaakt. Opdat de mensen haar begrepen. Dat wilde ze graag.
Maar zelfs het minste begrip leek meteen op een soort medeplichtigheid, dus de mensen keken wel uit. Als ze begon te vertellen, wendden ze hun blik af, staarden ze in de verte, en lieten ze haar alleen met haar verhalen.
Ik uiteindelijk ook. Ik begreep van lieverlede mijn eigen leven niet meer – gewoon een beetje verdriet en een beetje geluk bij elkaar, eigenlijk wel mooi – dat hoe meer Petra mij vertelde futieler en futieler werd. Maar die gedachte was dan ook weer futiel.
‘Heeft u een bonuskaart?’ vroeg de kassière.
‘NEE!’
Ze deinsde achteruit. ‘Het is voor die mevrouw,’ zei ze zacht.
De moeder glimlachte naar mij terwijl ik mijn sleutelbos uit mijn zak haalde. Ik glimlachte terug. Ook naar het kassameisje. De baby viel stil.
Iedereen blij.
Domweg gelukkig door de bonuskaart.

Het tafel en de vloerkleed

salontafel

Verreweg de aandoenlijkste taalfout die ik ken is het verkeerde lidwoord. Ik had ooit een collega die toen de bel eens kapot was een briefje op het raam plakte met de tekst ’kloppen op de raam’. Ik had haar bijna ten huwelijk gevraagd, zo lief stond dat daar. Ze was twee jaar daarvoor hals over kop haar overspelige vriend achterna gereisd naar Spanje, eerst doodgewoon om hem te stalken onder het motto van het vileine lied ‘I wanna be around’ (to pick up the pieces when somebody breaks your heart; luister naar de versie van Frank Sinatra, grimmig maar toch een beetje verdrietig, hoewel de uitvoering van Eydie Gorme – een vrouw – beter bij dit verhaal past), daarna, toen daarop (een gebroken hart) wachten zinloos bleek, om hem tot inkeer te brengen en weer voor zich te winnen, wat uiteindelijk lukte, maar niet zomaar, laat staan meteen, nee, pas na twee jaar dus, een eindeloze tijd waarin ze haar liefde weliswaar terugvond, maar alle dagelijkse kennis van het Nederlands kwijtraakte, en vooral haar gevoel voor lidwoorden.
De, het, een, ze haalde ze allemaal door elkaar. Hetzelfde met aanwijzende voornaamwoorden. Die, dat, deze, en dit stonden altijd heel schattig te lonken naar de verkeerde zelfstandige naamwoorden, of andersom, dat weet ik niet. Begrijp mij niet verkeerd, zulke vergissingen ontroeren me niet zoals kindertaal wel kan vertederen omdat kinderen zo schattig zijn. Nee, als ik ‘die brood’ lees, krijg ik gewoon een brok in mijn keel. Ik weet niet waarom. Zoiets is je reinste poëzie. Het gaat me dus niet om de mensen die dat schrijven. Ik zeg het maar even, want straks denkt u weer dat ik medemensen uitlach om hun povere kennis van het Nederlands.
Dat ik haar ten huwelijk wilde vragen om haar taalfouten was trouwens niet waar. Ik zou dat eerder hebben gedaan omdat ze verschrikkelijk mooi was. Zo mooi dat ik haar soms niet aan durfde kijken. Ben ik toch al niet zo goed in, oogcontact, maar bij haar had ik het na een kwartier al opgegeven voor de rest van mijn leven.
Echt waar.
Geen goede basis voor een huwelijk, trouwens.
Haar vriend stond dat ook in de weg natuurlijk, want die was na zijn/hun avontuur in Spanje zo verkikkerd op haar geworden dat hij haar toen ze weer in Nederland waren en hun nieuwe huis betraden meteen had gevraagd met hem te trouwen. En zij had natuurlijk ja gezegd.
Aan dit alles herinnerde ze me iedere dag door in elk verloren moment omstandig de catalogus van Brabantia door te bladeren of mij stalen van haar eventuele gordijnen te tonen. Ik moest haar zelfs raad geven over de combinaties van die stoffen met het aanstaande behang. We bladerden naast elkaar gezeten zo’n bijbels dik boek door met achterop de bladzijden de naar elders hunkerende namen van de dessins (ik herinner mij ‘Capri’).
Tja, dat waren geen eenvoudige tijden.
Terug naar die lidwoorden. De moderne oplossing voor die lidwoorden is ze gewoon weglaten. Tegenwoordig zit bijvoorbeeld iedereen ‘om tafel’. Niet om dé tafel, nee, om tafel.
Zonder zitten zelfs. ‘We moeten even om tafel,’ zei laatst iemand tegen me. Dat is dus dat je met elkaar gaat praten. Kan ook met zijn tweeën op een bankje in het park, maar dat is dan weer half en half romantisch of anderszins relationeel, vind ik. Je gaat niet met iedereen op een bankje zitten.
Toch?
Eh.. ‘even om tafel’ kan ook zonder tafel. En al helemaal zonder bankje. Uitvinding van de eeuw. Of, wacht, nu we het toch over tafels hebben… ik weet niet waar u werkt, maar ik kom tegenwoordig overal tafels tegen. Ieder project of programma heeft er tegenwoordig een. Wist u dat? Eerst was er de ZSM-tafel. Ik leg niet uit wat dat is. Maar dat was nog een echte tafel, met de politie, het openbaar ministerie en de reclassering op stoelen er omheen en casussen erop. Maar binnen de kortste keren kwamen er ook tafels die helemaal geen tafel waren, maar gewoon een stel mensen bij elkaar om ergens over te praten. Ja, waarschijnlijk aan een echte tafel, maar dat hoefde dus niet, want tafel werd opeens een ander woord voor werkgroep/overleg/commissie/etc.
Iedereen wilde een tafel, want dat was hip.
Ik schrijf wilde. Verleden tijd. Want het is alweer uit, geloof ik. Die tafels worden ook te klein. De halve wereld schuift aan. Zo zit je aan een tafel (echt of niet) en zo ben je van een netwerk.
Omgeving is de nieuwe term. Een collega van mij zit in/op/bij een ‘verdiepingsomgeving’. Ik zie zoiets dan voor me. Een of ander landschap met een paar teletubbieheuvels waar dan beleidsadviseurs in ronddrentelen of bij elkaar staan. Ja, dat laatste is de super modernste manier van vergaderen, écht zonder tafel. Bij elkaar stáán en dan dingen bespreken. Gaat veel sneller, want iedereen krijgt platvoeten en pijn aan zijn rug of schiet wortel en wil dus snel afronden.
Hoe dan ook, of een tafel nou hip is of niet, mijn toenmalige collega wilde er zeker een, ze kon alleen niet beslissen wat voor een, een ronde, ovale of vierkante. Een salontafel, wel te verstaan. Het burgerlijkste meubelstuk ooit, vond ik toen, maar dronken van haar schoonheid, brak ik samen met haar mijn hoofd over wat het beste zou uitkomen in haar huiskamer. ‘Neem dezelfde vorm als je vloerkleed,’ zei ik. Dat vond ze een goed idee. ‘De vloerkleed is vierant,’ dacht ze hardop, met een hartverscheurende rimpel boven haar rechteroog en een wijsvinger tegen haar onderlip. Toen heb ik haar toch gevraagd of ze met me wilde trouwen.
Nee, heb je…
Maar zo behendig als ik schrijf, zo stuntelig kom ik uit mijn woorden. Zeker als het om de liefde gaat. Dus ik mocht het aanzoek eerst aan mijn baas, en daarna aan haar man uitleggen.
’Nog een keer en ik geef je een klap op de hoofd,’ zei hij.
Ah…
Maar om hém nou ook te vragen…

Dikke Ed en Eddie

figuurzaaag

In de stad zag ik dikke Ed. Een man uit de tijd dat ik ‘cultureel jongerenwerker’ in een buurthuis was (ja, kinderen, dat was in de jaren zeventig; straks leg ik uit wat ik in dat buurthuis deed).
In die tijd was hij een kolossale man die op een onbegrijpelijke maar vanzelfsprekende manier heroïne, bier en overgewicht combineerde met een huwelijk en de opvoeding van zijn zoon. Dat leek lange tijd goed te gaan. Maar de voorlaatste keer dat ik hem zag, probeerde hij dronken, op de rand van laveloos, zwalkend over de stoep een krant te lezen die telkens tegen hem aanwaaide tot de wind er een eind aan maakte en alles uit zijn handen rukte en de straat inblies. Dikke Ed ging er achteraan en graaide wild met zijn handen naar de dichtst bijzijnde bladzijde, als iemand die verdrinkt en iets drijvends zoekt.
Hij viel.
Nadat ik hem overeind had geholpen en op een vensterbank had gemanouvreerd herkende hij me. Hij vertelde me dat hij drie dagen daarvoor wakker was geworden in een ziekenhuis met allemaal plastic slangen in en uit zijn armen, draden op zijn borst geplakt en naast zijn bed ‘van die tv’tjes waar alleen maar bewegende lijnen op te zien waren’.
‘Niks voor mij, zo’n ziekenhuis,’ zei hij. Hij had alles losgetrokken en was naar huis gelopen. Waar zijn vrouw zijn spullen op de stoep had gezet en de sloten had vervangen.
Hij miste Eddie. Zijn zoon.
‘Wil je hem de groeten doen?’
Eddie zat bij mij op ‘de club’. De club, dat was een cultureel werk-fenomeen. In dit geval bestond de club uit zes jongens die onwennig maar gretig aan het begin van hun pubertijd stonden en eens in de week naar het buurthuis kwamen om mij angst aan te jagen. Want hoewel ze ijverig en van goede wil waren, telkens weer bereid om hun ziel en zaligheid in mijn plannen te steken, liep alles altijd in het honderd en mondde iedere activiteit (ik organiseerde ‘activiteiten’) uit in een hilarische apenkooi met mij als een oppasser die bij iedere afwijking van het oorspronkelijke programma twijfelend zijn rol overdacht. Ja, twijfelend, want hoewel ik destijds (ik was nog student) nog geen benul van beleid of ‘doelstellingen’ had, was op het buurthuis wel duidelijk dat het cultureel jongerenwerk natuurlijk niet het zoveelste bolwerk van autoritaire betweters moest zijn. Die waren er al genoeg (bolwerken én betweters). Nee, als er iets van die jongens terecht moest komen, als zij niet verslaafd en crimineel moesten worden zoals de rest van de buurt, dan waren verboden uit den boze. Ze mochten toch al zo weinig.
Dus leerde ik de jongens zelf brood te bakken, asbakken te kleien en kapstokjes of andere huishoudelijke attributen te figuurzagen, en nam ik hen mee op reis met de trein (naar Driebergen-Zeist en weer terug) in de veronderstelling dat zulke activiteiten waren die hun wereld verruimden. Thuis, school en ‘het wijk’ waren benauwend en via cultureel jongerenwerk kon je daar uit ontvluchten.
Dat was de gedachte.
Voor 50 cent kregen de jongens anderhalf uur iets anders dan een kansloos bestaan, met de uiteindelijke bedoeling dat zij dat bestaan zodoende konden verlaten.
Welja. Lang leve de maakbare samenleving.
!!! Spoiler alert !!! dit blog wordt steeds cynischer !!! Sorry !!!
Jaren later kwam Eddie opeens naast mij op een bankje in het Wilhelminapark zitten. Hij sloeg zijn arm om mij heen en drukte me even ruw tegen zich aan. Om het weerzien te vieren, denk ik. Daarna vertelde hij wat hij allemaal had gedaan en meegemaakt sinds de woensdagmiddagen op het buurthuis. Tragisch triomfantelijke verhalen over zijn leven binnen en buiten de bajes met de andere jongens van de club. Dat cultureel werk-fenomeen was namelijk naadloos in een heuse gang overgegaan. Hij somde op waar hij allemaal voor had gezeten (en nog een paar keer zou zitten, maar dat wisten we toen nog niet).
Hij was even groot, zo niet groter dan zijn vader, maar hij heette nog steeds Eddie, al noemde iedereen hem meestal ‘het beest van de Maasstraat’.
Zei hij.
Omdat ook zíjn gulzigheid, net als die van zijn vader, groter dan zijn leven zelf was.
‘Ik weet niet wat het is,’ zei hij, ‘het is gewoon nooit genoeg.’ Hij moest alles meemaken en alles moest daar voor wijken.
Alles.
God mocht weten waarom. Eddie wist het in ieder geval niet.
Tot zover de werking van broodjes bakken en figuurzagen. Zijn ziel en zaligheid was nergens meer te bekennen en de ijver die hij nog had, gebruikte hij voor inbraken, berovingen en vechtpartijen met agenten. Na het gesprek op dat bankje verloor ik hem voorgoed uit het oog.
Maar zijn vader, niet. Die kwam ik nog wel eens tegen, zoals laatst dus in de stad. Hij was allang niet dik meer. Zijn enorme lichaam was verschrompeld tot een scharminkelig lijf met dunne armen en hij zat met een plaid over zijn benen weggezakt in een elektrische rolstoel die zo nu en dan met een schokje naar voren of naar achteren reed omdat hij zijn handen niet stil kon houden. Gewoon opstaan en dan terug naar huis lopen zat er niet meer in.
‘Hé!’ riep hij naar mij. ‘Zeg je niet meer gedag?’ Ik bleef staan. ‘Ken je me niet meer?’
‘Jawel,’ antwoordde ik. ‘Jij bent toch Dikke Ed?’
‘Nee, man! Eddie! Eddie van de club!’