Categorie archief: Mensen

Dikke Ed en Eddie

figuurzaaag

In de stad zag ik dikke Ed. Een man uit de tijd dat ik ‘cultureel jongerenwerker’ in een buurthuis was (ja, kinderen, dat was in de jaren zeventig; straks leg ik uit wat ik in dat buurthuis deed).
In die tijd was hij een kolossale man die op een onbegrijpelijke maar vanzelfsprekende manier heroïne, bier en overgewicht combineerde met een huwelijk en de opvoeding van zijn zoon. Dat leek lange tijd goed te gaan. Maar de voorlaatste keer dat ik hem zag, probeerde hij dronken, op de rand van laveloos, zwalkend over de stoep een krant te lezen die telkens tegen hem aanwaaide tot de wind er een eind aan maakte en alles uit zijn handen rukte en de straat inblies. Dikke Ed ging er achteraan en graaide wild met zijn handen naar de dichtst bijzijnde bladzijde, als iemand die verdrinkt en iets drijvends zoekt.
Hij viel.
Nadat ik hem overeind had geholpen en op een vensterbank had gemanouvreerd herkende hij me. Hij vertelde me dat hij drie dagen daarvoor wakker was geworden in een ziekenhuis met allemaal plastic slangen in en uit zijn armen, draden op zijn borst geplakt en naast zijn bed ‘van die tv’tjes waar alleen maar bewegende lijnen op te zien waren’.
‘Niks voor mij, zo’n ziekenhuis,’ zei hij. Hij had alles losgetrokken en was naar huis gelopen. Waar zijn vrouw zijn spullen op de stoep had gezet en de sloten had vervangen.
Hij miste Eddie. Zijn zoon.
‘Wil je hem de groeten doen?’
Eddie zat bij mij op ‘de club’. De club, dat was een cultureel werk-fenomeen. In dit geval bestond de club uit zes jongens die onwennig maar gretig aan het begin van hun pubertijd stonden en eens in de week naar het buurthuis kwamen om mij angst aan te jagen. Want hoewel ze ijverig en van goede wil waren, telkens weer bereid om hun ziel en zaligheid in mijn plannen te steken, liep alles altijd in het honderd en mondde iedere activiteit (ik organiseerde ‘activiteiten’) uit in een hilarische apenkooi met mij als een oppasser die bij iedere afwijking van het oorspronkelijke programma twijfelend zijn rol overdacht. Ja, twijfelend, want hoewel ik destijds (ik was nog student) nog geen benul van beleid of ‘doelstellingen’ had, was op het buurthuis wel duidelijk dat het cultureel jongerenwerk natuurlijk niet het zoveelste bolwerk van autoritaire betweters moest zijn. Die waren er al genoeg (bolwerken én betweters). Nee, als er iets van die jongens terecht moest komen, als zij niet verslaafd en crimineel moesten worden zoals de rest van de buurt, dan waren verboden uit den boze. Ze mochten toch al zo weinig.
Dus leerde ik de jongens zelf brood te bakken, asbakken te kleien en kapstokjes of andere huishoudelijke attributen te figuurzagen, en nam ik hen mee op reis met de trein (naar Driebergen-Zeist en weer terug) in de veronderstelling dat zulke activiteiten waren die hun wereld verruimden. Thuis, school en ‘het wijk’ waren benauwend en via cultureel jongerenwerk kon je daar uit ontvluchten.
Dat was de gedachte.
Voor 50 cent kregen de jongens anderhalf uur iets anders dan een kansloos bestaan, met de uiteindelijke bedoeling dat zij dat bestaan zodoende konden verlaten.
Welja. Lang leve de maakbare samenleving.
!!! Spoiler alert !!! dit blog wordt steeds cynischer !!! Sorry !!!
Jaren later kwam Eddie opeens naast mij op een bankje in het Wilhelminapark zitten. Hij sloeg zijn arm om mij heen en drukte me even ruw tegen zich aan. Om het weerzien te vieren, denk ik. Daarna vertelde hij wat hij allemaal had gedaan en meegemaakt sinds de woensdagmiddagen op het buurthuis. Tragisch triomfantelijke verhalen over zijn leven binnen en buiten de bajes met de andere jongens van de club. Dat cultureel werk-fenomeen was namelijk naadloos in een heuse gang overgegaan. Hij somde op waar hij allemaal voor had gezeten (en nog een paar keer zou zitten, maar dat wisten we toen nog niet).
Hij was even groot, zo niet groter dan zijn vader, maar hij heette nog steeds Eddie, al noemde iedereen hem meestal ‘het beest van de Maasstraat’.
Zei hij.
Omdat ook zíjn gulzigheid, net als die van zijn vader, groter dan zijn leven zelf was.
‘Ik weet niet wat het is,’ zei hij, ‘het is gewoon nooit genoeg.’ Hij moest alles meemaken en alles moest daar voor wijken.
Alles.
God mocht weten waarom. Eddie wist het in ieder geval niet.
Tot zover de werking van broodjes bakken en figuurzagen. Zijn ziel en zaligheid was nergens meer te bekennen en de ijver die hij nog had, gebruikte hij voor inbraken, berovingen en vechtpartijen met agenten. Na het gesprek op dat bankje verloor ik hem voorgoed uit het oog.
Maar zijn vader, niet. Die kwam ik nog wel eens tegen, zoals laatst dus in de stad. Hij was allang niet dik meer. Zijn enorme lichaam was verschrompeld tot een scharminkelig lijf met dunne armen en hij zat met een plaid over zijn benen weggezakt in een elektrische rolstoel die zo nu en dan met een schokje naar voren of naar achteren reed omdat hij zijn handen niet stil kon houden. Gewoon opstaan en dan terug naar huis lopen zat er niet meer in.
‘Hé!’ riep hij naar mij. ‘Zeg je niet meer gedag?’ Ik bleef staan. ‘Ken je me niet meer?’
‘Jawel,’ antwoordde ik. ‘Jij bent toch Dikke Ed?’
‘Nee, man! Eddie! Eddie van de club!’

Een zin

Touw1
De vrouw die afgelopen vrijdagmiddag op de hoek van de Kanaal- en de Riouwstraat achtendertig keer de revers van haar jas verschoof, dan weer open, dan weer dicht, god mag weten waarom, het was niet koud, het waaide niet, ze had net zo makkelijk zonder jas de deur uit kunnen gaan, maar goed, ik ga daar niet over, gelukkig maar, want ik ben ’s morgens al zo blij als een kind als ik volgens al mijn eigen neurotische kledingvoorschriften ordentelijk buiten sta, color co-ordinated, niet te deftig of te gewoon, precies goed bestand tegen elke te verwachten weersomstandigheid, et cetera et cetera, eh… ik zou jaloers op dat mens moeten zijn, eigenlijk, haar enige zenuwentic is dat ze aan d’r jas frutselt, could I be so lucky, goed, die vrouw dus, die zei tegen de vrouw waar ze mee stond te praten opeens volslagen verstaanbaar:
‘Nou ja, toen hebben we hem maar vastgebonden.’
Bob den Uyl (ik leg niet uit wie dat is, maar geef de urgente raad om alles van hem te lezen, of toch in ieder geval ‘Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam’; ik ben eens haast gestikt van het lachen, echt waar) heeft daar eens een verhandeling over geschreven, over zo’n zin die je ergens op straat of in een café hoort en waar je dan de hele godvergeten dag over blijft peinzen. Een hele zin dus; geen los woord of een flard, en ook niet een paar zinnen achter elkaar, nee, een hele alleenstaande zin, want die bevat net te weinig informatie om meteen te begrijpen waar het over gaat, maar ook weer net teveel om hem meteen te vergeten.
Krankzinnige nieuwsgierigheid.
Het zal wel beroepsdeformatie zijn (je werkt bij de reclassering of niet), of door mijn zieke geest komen, maar toen ik de zin van die vrouw hoorde, zag ik geen onschuldig tafereel voor me, zoals bijvoorbeeld een hond die het bankstel had aangevreten en die ze dan maar in de tuin aan een ketting hadden gelegd om af te koelen, of een klapperend keukenraam dat ze met vliegertouw aan het handdoekenhaakje hadden vastgemaakt.
Nee, ik zag natuurlijk iets strafbaars voor me.
Een hulpbehoevende oude man in een vochtige en donkere kelder. En ik zag zijn gemene neef met diens even gemene vrouw (het mens dat ik op straat passeerde) die ooms persoonsgebonden budget hadden verbrast en hem nu met zelfgestookte jenever en hondenvoer in leven hielden, tot er dus geen land meer met hem te bezeilen was en ze hem met touwen aan de verwarmingsbuizen hadden geknoopt.
Ja, leer mij de mensen kennen. De wereld zit vol slechtheid.
Goed, wat wel verwarrend bleef en wat ik dus in gedachten overhield, was de begripvolle blik van die andere vrouw op straat, aan wie die eerste vrouw over dat vastbinden vertelde. Daar ving ik een glimp van op terwijl zij het verhaal van die heks aanhoorde. Die blik bracht me bij nader inzien nogal in verwarring. Want laten we wel wezen, dat een of ander koppel in een verdorven liefde elkaar vindt en vervolgens van geilheid of zoiets in de criminaliteit belandt, daar zijn gevallen van bekend (ik noem een Bonnie & Clyde, of een Robin Hood en Marian), maar dat zij op de openbare weg hun verhalen daarover aan kennissen vertellen en dat die kennissen dan alles medelevend aanhoren, dat vond (en vind) ik wat lastiger om te begrijpen.
Jammer, want ik was nou net zo fijn op dreef. Ik was al aan het bedenken hoe de neef en zijn vrouw akelig door de mand zouden vallen. Want die oom zou op den duur met dat touw natuurlijk een radiator van de wand trekken, waardoor de verwarming ermee op zou houden, met als gevolg dat het duivelse liefdesstel kou vatte, longontstekingen kreeg die naar binnen sloegen (ja, dat is een complicatie waar mijn achterneef Henk zeven weken voor in het ziekenhuis heeft gelegen, sowieso een neveneffect waar hij altijd last van had, de meest onschuldige kwalen liepen bij hem op levensgevaarlijke ziektes uit omdat ze naar binnensloegen), en hun hele gestel intern wegvraten, zodat ze naar de dokter moesten, die heel toevallig een fan was van Elementary, ja eigenlijk omdat hij Lucy Liu zo mooi vond, maar hij had toch altijd goed opgelet, zodat hij meteen aan zijn water voelde dat er iets niet pluis was met die twee en de wijkagent tipte, waarna het niet lang duurde voordat de politie binnenviel, begeleid door nijdig boven het bouwvallige huis cirkelende helikopters…
Nu ja, zoiets dus…
Of dus niet. Want die begripvolle blik van die vriendin zat in de weg.
Kon ik niet plaatsen.
Irritant, want die zin waar alles mee begonnen was, raakte ik niet kwijt natuurlijk.
Dwaalt nu nog steeds rond in mijn hoofd.
Zondagmiddag!
Had ik nu maar beter opgelet, of even stil gehouden om de rest van het verhaal te horen. Daar heb ik per slot van rekening een cursus voor gevolgd.
Luisteren, samenvatten, doorvragen…
Alhoewel. Nuttig hoor, maar die methode levert niet half zo leuke verhalen op. Meestal alleen de waarheid.
Saai.
Hoe dan ook, nou lig ik vannacht natuurlijk weer de hele tijd wakker om een beetje logisch einde aan het verhaal te breien.
Misschien moet ik die vrouw komende week proberen terug te vinden. Het zou me niks verbazen als ze dagelijks op die hoek staat te beppen. Ze leek me wel iemand die het hart op de tong heeft.
Ach nee, dat gaat niet lukken. Ik moet werken natuurlijk.
Zul je altijd zien.
Eh… misschien een rare vraag… maar als u nou eens rondkijkt? Dat zou ik wel op prijs stellen.
Fijn.
Het is een mevrouw met een groene regenjas van de H&M, en een dito muts-schuine-streep-hoedje. Ze frunnikt dus de hele tijd aan haar kraag.
Als u haar ziet, zou u dan even kunnen vragen wat ze bedoelde? En kunt u mij dan laten weten hoe het zit? Dit alles in vertrouwen natuurlijk.
Alvast bedankt.

Kees

hond2
Kees had Korsakov. Dat zag iedereen meteen, maar hijzelf wilde er niets van weten. Dat hoorde erbij, maar ook daar wilde hij niets van weten. Eigenlijk wilde hij nergens meer van weten. Hij had aan de hele wereld een hekel, en hij maakte er een punt van om te pas en onpas uit te leggen aan wie precies.
Mensen.
Maar hij zei er nooit bij waarom of hield het bij onnavolgbare redeneringen als ‘ik haat … (vul maar een doelgroep in) omdat ik een hekel aan ze heb’, waardoor het vreemd genoeg wel een draaglijke misantropie was, want discussies erover gingen nooit dieper dan een paar krassen in zijn granieten logica.
Hij hield alleen van zijn hond. Waarom dat zo was, hoefde hij dan weer níet uit te leggen, want ook dat zag iedereen meteen. De hond hield namelijk ook van hem. Dat is het mooie van honden, zei iemand me eens: ‘een hond houdt altijd van je, wat je ook hebt gedaan.’
Dat moest wel waar zijn, want Kees had alles gedaan wat God verboden had. Vooral veel mensen in elkaar geslagen. Dat was zijn leven nu eenmaal, zei hij, slaan of geslagen worden (als hij helder was: to beat or not to beat, hij had gevaren en sprak een beetje Engels).
‘Ja, en drinken dan.’
Als hij dronk, zette hij zijn woorden om in daden en werd zijn irritante maar tandeloze haat van het ene op het andere moment een tomeloze woede die geen andere weg kende dan die naar vernietiging. Dan moest alles kapot of dood. Dat laatste was er – tot zijn verbazing nota bene – nooit van gekomen, maar hij had wel een ‘hele stoet mensen in een rolstoel geholpen’.
Dat dus wel.
Tot meerder eer en glorie van hemzelf, vond hij. Want de drank werkte twee kanten op. Woorden werden daden en nu hij door zijn ziekte nog geen veer meer weg kon blazen, maakte hij van zijn daden weer woorden. Na voldoende bier maakte hij van alles wat hij had uitgevreten met wilde gebaren het ene na het andere heldenverhaal.
Met veel oog voor detail.
Ja, veel details.
Als het een film op tv was zou ik wegzappen. En de tv het raam uit gooien. Ik heb vaak gefantaseerd dat ik hem op een of andere manier de mond zou snoeren, om hem gewoon op te laten houden met zijn vuile branie. Maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en morele bezwaren. En ik was natuurlijk veel te schijterig voor zoiets. En te klein. Hij was een kop groter dan ik (dat heb ik dan weer, story of my life).
Daarom was ik zo blij met de hond. Die hielp mij. Want telkens als Kees weer over weet ik veel wat van leer trok, richtte ik mij op zijn hond, die op haar beurt zich weer laafde aan Kees’ triomfantelijk gekraai en gespetter en de nauwelijks te harden kegels die hij met ieder woord de ruimte in stootte. Als Kees om zijn verhalen in te leiden in zijn handen wreef, zijn dikkige paarse handen met zijn worstenvingers die een voor een eigen leven leidden, begon ze al te kwispelen. En als hij om zijn eigen verhaal genieterig ging grinniken, blafte ze mee. Hij grinnikte godverdomme het bloed onder je nagels vandaan, maar de hond vond dat niet erg.
Onvoorwaardelijke liefde. Daar kan een mens nog wat van leren.
Wat ook gebeurde. Want Kees had van lieverlede kennelijk toch wat van de hond opgepikt, zodat hij op een dag tijdens een wandeling aan de praat raakte met een mevrouw die een cocker spaniel uitliet, en er iets tussen hen ontstond terwijl zij uren op een bankje doorbrachten, hij vol van zijn verhalen en zij een en al oor.
Hoe ze het voor elkaar kreeg, bleef een raadsel, maar ze luisterde. Sterker nog, ze vroeg hem naar nieuwe verhalen.
Details.
En van de weeromstuit vergat hij de gruwelijkheden waarmee hij gewoonlijk zijn dikke gepoch schraagde, en vond hij kleine dingen die schoorvoetend uit zijn wankele geheugen tevoorschijn kwamen, herinneringen aan zijn jeugd, de aftershave van zijn vader, hoe een zeebries het rode haar van zijn moeder uit haar gezicht blies, de drie-en-twintig sproeten van een meisje uit de straat.
De verhalden bleven maar komen. Zijn hond kwispelde en blafte, de cocker spaniel ook, en de vrouw grinnikte. Ze grinnikte en lachte en brak zijn hart.
En verdomd als het niet waar is, ze leefden nog lang en gelukkig.