Categorie archief: Overleven

Schaatsen

De olympische Spelen zijn halverwege en wat de mensen van de NPO betreft, heeft Nederland zo’n beetje alle medailles bij het schaatsen gewonnen.

Hoera!

Ik zie u verbaasd uw wenkbrauwen fronsen. Zo’n beetje alle?

Inderdaad.

Dat zit zo.

Eigenlijk zijn alle winnaars en winnaressen een soort van Nederlands. Volgens bovengenoemden.

Huh?

Ja, echt.

Koala en ik hebben ter lering ende vermaak alle geinige weetjes over de olympiërs waar de commentatoren en studiogasten en experts van de NPO hun reportages en analyses mee opleuken geanalyseerd. Dat leverde een verrassend beeld op.

Allereerst onze belangrijkste conclusie na analyse van de NPO-verslaglegging: geen enkele van de medaillewinnaars en -winnaressen had zonder Nederland ook maar iets kunnen winnen.

Leggen we hieronder uit. Let op!

Van de hele groep ‘niet-Nederlanders’ blijkt maar liefst meer dan ongeveer het overgrote deel Nederlandse voorouders te hebben. Meestal een (over)grootmoeder of -vader die ooit geëmigreerd is naar het land waarin de schaatser of schaatsster woont (het land dat – heel flauw – nu de olympische prestaties opeist). Iedereen weet dat bloed kruipt waar het niet gaan kan, dus die medailles zijn eigenlijk gewoon van Nederland.

Een andere deelgroep (niet veel minder dan om en nabij één derde) heeft in Nederland leren schaatsen. Ze zijn ook allemaal ooit met dat doel naar Nederland verhuisd, meestal naar een dorpje vlakbij een schaatsbaan, waar ze dan kost en inwoning kregen bij kennissen van de ijsmeester, op afgelegen boerderijen in uitgestrekte polders, waar de olympiërs in de dop tussen de trainingen door ook gewoon de koeien molken en de stallen uitmestten. Door deze oeroude Nederlandse combinatie zijn ze onoverwinnelijk geworden.

De schaatsers en schaatsers uit de derde subgroep zijn weliswaar geboren en getogen in een ander land, maar die hebben dan een trainer (m/v) uit Nederland. Of een Nederlandse fysiotherapeut(e). Of een kapper/kapster uit Heerenveen. En met een entourage die in de tenminste gedeeltelijk maar vaak helemaal uit landgenoten van ons bestaat, kun je gewoon niet verliezen.

Tot slot is er nog de kleine groep mannen en vrouwen die net als de mensen uit de vorige groep écht niet in Nederland zijn geboren en opgegroeid. Maar tijdens de ritten die deze schaatsenrijders (m/v) wonnen werden zij tot hun (vaak onverwachte en buitenproportionele) prestaties opgestuwd door het overwegend Nederlandse publiek dat gewoon iedereen even enthousiast toejuicht omdat schaatsen hartstikke leuk en spannend is.

Hup allemaal!

p.s. Het schilderij is van Hendrick Avercamp, zie hier.

De wandelclub

De mevrouw die mij op het perron van Station Hollandsche Rading eerst ernstig had gadegeslagen terwijl ik mijn lijstje dwangneurosen afwerkte voordat ik op pad ging om de bossen in de omgeving te bewandelen, stapte ineens op mij af om te vragen of ik ook bij de wandelclub ‘De Wielewaal’ hoorde.

(Oh, trouwens, ik heb de sterke neiging onderdrukt om een lijstje van mijn dwangneurosen in dit verhaal op te nemen. De verleiding was groot, maar het lijstje was/is eigenlijk een behoorlijk lange lijst en dat houdt nogal op. Eh… zoals deze terzijde. Lees vooral door!)

‘Nee, het spijt me,’ antwoordde ik. En wat me ook speet: dat ik nu moest denken aan de wandelclub waar ik wél lid van was geweest. Zij had namelijk ergens in mijn achterhoofd een hele kist vol met herinneringen aan die club opgerakeld.

(Geen goed Nederlands, want een kist kun je niet oprakelen, maar ik laat het staan, omdat ik anders niet verder kom met dit verhaal.)

Dat ik lid was geworden van die wandelclub, kwam door mijn gebrekkige integratie in het leven en de cultuur van het dorpje waarnaar wij, een monter gezin van geboren en getogen Amsterdammers, waren verhuisd om dichter bij het werk van mijn vader te wonen. Al snel bleek dat in het dorp al het andere juist verder weg was. Eigenlijk was voor mij het hele dorp ver weg. Figuurlijk dan.

Dus ik moest ergens bij. Integreren avant la lettre.

Mijn moeder had uitgevonden dat er vier ‘clubs’ waren waar jongens in het dorp lid van konden worden. ‘De verkenners’, een onderdeel van scouting, viel af vanwege mijn moeders oorlogsherinneringen. Ze had die verkenners aan de rand van het dorp, waar een soort bos was, eens bezig gezien met hun activiteiten en ze vond het gewoon een sneue maar even verwerpelijke variant van militarisme. Niks voor haar zoon.

Dat gold ook voor ‘de misdienaars’, geen echte club, maar wel iets waar je lid van kon worden. Wij waren katholiek en we gingen naar de kerk, maar mijn moeder vond ‘in een ongetailleerde jurk en dito overgooier de pastoor tijdens de mis helpen met tafeldekken’, gewoon té katholiek. Lees: overdreven. Niks voor ons.

De voetbalclub leek haar wel wat. Ik weet niet meer wat ik er zelf van vond. Ik werd lid. Maar voetballen, daar kwam het niet van. Ik zat een half jaar op de reservebank, samen met een jongen die ook van elders kwam. Dat mijn moeder al snel haar beklag deed, werkte waarschijnlijk averechts, want dat deed ze natuurlijk veel te Amsterdams, en niet zoals in het dorp de gewoonte was, op gesuikerde toon via een of andere omweg die drie keer zo lang duurde en altijd vernederend was. Dus ik verliet V.V. de Maasboys, a sadder and wiser child.

Restte ons de wandelclub. Die was niet wat mijn moeder ervan verwacht had, want ik was amper lid of ik moest een uniform komen passen bij een mevrouw die haar hele schuur vol had hangen met broeken, overhemden, stropdassen en wat al niet meer. Het wandelen bleek in geen velden of wegen ‘Kom mee naar buiten allemaal…’ Het was niks anders dan op de maat en in gelid mooi en deftig lopen. Ik ontwijk hier het woord marcheren, want dat deed mijn moeder ook. De wandelclub was namelijk haar enige overgebleven hoop op een sociaal leven voor mij, dus zij verdrong dat de wandelclub wel heel erg op een ongewapend en iets vrolijker gekleed leger leek. Want ik ging er vriendjes maken.

Niet.

Iedere zondagmiddag, als ik thuiskwam van een wandelwedstrijd – Een wandelwedstrijd! Het idee alleen al! – ging ik in de huiskamer op de bank zitten en vroeg mijn moeder hoe het was geweest. En dan vertelde ik haar wat ik had meegemaakt.

Niets.

‘Huh?’ zei Koala, ‘Ik dacht dat je nou die “hele kist vol met herinneringen” open ging doen. En ik niet alleen, denk ik. Iedere lezer (m/v/x) die tot hier is gekomen ook. We zaten ons met z’n allen al te verkneukelen.’

‘Oja, die kist…’ zei ik. ‘Die heb ik toch maar dichtgelaten. Hij stond niet voor niets ver weg in mijn achterhoofd.’

‘Hm… Maar wat heb je dan allemaal aan die mevrouw van ‘De Wielewaal’ verteld?

‘Eh… die mevrouw?’

‘Ja, de mevrouw die net een half uur naar je heeft zitten luisteren! Kijk, daar gaat ze.’ Koala wees in de verte, waar ik haar in de richting van het dichtst bijzijnde bos zag lopen. Zónder wandelclub ‘De Wielewaal’. Ze koos zonder op of om te kijken het eerste pad dat ze tegenkwam en verdween tussen de bomen. Gejaagd, alsof ze door spoken werd achternagezeten.

‘Ja, jouw spoken waarschijnlijk,’ zei Koala. ‘Je moet eens leren om gewoon antwoord te geven als iemand iets vraagt. Een kórt antwoord. Geen brain dump van wat er dan allemaal in je opkomt! Daar schrijf je maar een verhaal over.’

‘Oké.’

(Da capo.)

De foto komt van Wikimedia Commons. Zie hier voor details.

Heide (of hoe onbeteugelde flauwekul me weer hielp schrijven)

Schuin voor het bankje met uitzicht op een meertje stond een hek van prikkeldraad en daarvóór een bruin bordje met de verwarrende mededeling: heide in ontwikkeling. (Subtitel: geen toegang.) Verwarrend, want er was in geen velden of wegen heide te zien. Wat niet is, kan nog komen, hoor ik u zeggen, zeker ‘heide in ontwikkeling’. Nou, daar ben ik het niet mee eens, want iets wat in ontwikkeling is, bestaat al wel.

Op ons heelal na dan, zeggen geleerden, dat ontwikkelde zich spontaan uit het niets. Waarvan ik me dan weer afvraag of dat wel ontwikkelen is. Van niets meteen iets. En dan niet zomaar iets. Ik bedoel, een HEELAL!

Trouwens, ze noemen het ontstaan van ons heelal The Big Bang en niet The Big Development.

Dus.

Hoe dan ook, heide is echt wat anders dan een heelal. Heide heeft een begin nodig om zich te ontwikkelen en dat was er nog niet. Dus eigenlijk hadden ze op het bordje moeten schrijven: straks komt hier heide. Of: we gaan hier met heide beginnen. Of: woorden van gelijke strekking. Wat dat ‘geen toegang’ dan weer wel iets voorbarig maakt, lijkt me, maar daar ga ik niet moeilijk over doen. Misschien wil staatsbosbeheer voorkomen dat de aarde straks finaal is platgelopen als ze de heide gaan planten, zaaien…

Eh… Hoe begint heide eigenlijk?

(Ik onderdruk hier de neiging om dat op te zoeken. Ik ben net zo blij dat ik weer eens schrijf. Fact checking is uitstel. Een van de vele soorten uitstel die ik ken.)

Intussen maakte ik me wel zorgen over het meertje, want dát was er al wel. Zou iemand aan dat water verteld hebben dat er heide in aantocht is? Ik hoop het, want die heide zal per slot van rekening een soort nieuwe buur zijn. Sterker nog, misschien ontwikkelt die heide zich wel tot een soort oever. Daar zou ik als ik het meertje was, wel van tevoren even iets over willen weten.

Dat bracht me ineens op het idee om te onderzoeken of dat bordje omgedraaid kon worden, zodat het meertje wist wat er komen ging. Ja, bizar idee, maar als ik twee uur in mijn uppie gewandeld heb, kom ik al denkend in een hele andere wereld terecht, een vrolijk en absurd universum waarin ik echt alle flauwekul serieus neem.

Dus ook dit idee, dat niet alleen absurd maar ook een beetje gevaarlijk was, want de verleiding was groot om eens te gaan voelen hoe stevig dat paaltje nu eigenlijk in de grond stond. Ik zag mezelf in gedachten het ding al optillen (arm om de paal, schouder onder het bordje) 180 graden draaien en weer terugzetten. Leek me zelfs met één functionerende hand/arm goed te doen, als het paaltje zonder moeite los te wrikken was, natuurlijk.

Vanaf mijn bankje stelde ik vast dat het in een veel te groot gat stond. Ik zag aan alle kanten ruimte. Ik keerde terug naar mijn idee en stelde me nog eens voor hoe ik in één vloeiende beweging het bordje zou omdraaien, een foto zou nemen van de nieuwe situatie en dan alles weer in de oorspronkelijke staat zou herstellen. Gewoon ter illustratie van dit verhaal.

En niet alleen ter illustratie, ook voor mijn gemoedsrust, want de hele toestand liet me niet meer los. Ik vind namelijk dat we de natuur serieus moeten nemen zoals we dieren en medemensen serieus moeten nemen, en in dat licht werd de mededeling op het bord opeens een groot ding waar ik niet meer omheen kon. Het meertje móést dat bord lezen. Ja, ik snapte ondanks de twee uur hallucinogeen wandelen ook wel dat het meertje niks zou gaan lezen, maar dat maakt voor mijn innerlijk evenwicht op zo’n moment niks meer uit. Rationeel denken is dan lang zo waardevol niet meer.

(Toch nog een fact gecheckt… dat meertje heet het Pluismeer. Echt schattig toch? Het komt aan die naam doordat er veel Wollegras groeit. Nog schattiger! Reden temeer om niet te licht over die aanstaande heide te denken, want voor je het weet kan dat Wollegras geen kant meer op en dat zou jammer zijn.)

Goed, terug naar dat paaltje. Even voor de gein omdraaien, foto maken, en weer terugzetten. Appeltje eitje. Of misschien, in lijn met 6 7 (six seven): 8 9 (eight nine)?

Eh…

Waar was Koala? Die had me fijntjes eraan kunnen herinneren dat dit soort dingen bij mij altijd anders aflopen dan gedacht.

Koala sliep.

Je bent Koala of niet.

Dat heb ik weer.

Goed… Du moment dat ik dat paaltje uit de grond trok, stond er een boswachter naast me.

‘U weet dat meertjes niet kunnen lezen, hè?’ zei ze.

Huh…?

Ik knikte.

Verbouwereerd.

En toen besloot ik om haar maar gewoon al mijn overwegingen en het bijbehorende plan uit de doeken te doen. Om een of andere reden dacht ik dat ze mij wel zou begrijpen.

Dat was zo.

Wat volgde was een uitgebreide fotosessie van de hele onderneming, inclusief close-ups van heide in ontwikkeling, die er wel degelijk was (ik had niet goed gekeken), en tot slot een paar melige selfies van ons beiden en het Pluismeer. Helaas kan ik de foto’s hier niet publiceren, want dan zou de boswachter in de problemen komen. Alleen de foto van het paaltje in oorspronkelijke toestand mocht ik boven mijn blog zetten. En ik moest vanwege de AVG de naam van het meertje veranderen. Het Pluismeer bestaat wel, maar daar heb ik dit allemaal niet meegemaakt.

Nee, dat was in mijn vrolijke en absurde universum waar echt iedere soort flauwekul serieus is. Ik ben blij dat ik het weer gevonden heb.

Vuurwerk

Dit voorjaar heb ik een heel nieuw soort vuurwerk ontdekt. Echt super mooi! Veel beter dan dat ouderwetse vuurwerk.

Het maakt bijvoorbeeld geen lawaai.

Grote plus.

Nog een plus: het stinkt niet. Sterker nog, het ruikt verrukkelijk.

En wat helemaal mooi is: je kunt er naar kijken zonder dat je droevig hoeft te zijn omdat het verdwijnt waar je bijstaat. Het verdwijnt gewoon heel langzaam, dat duurt wel een paar maanden. Dus je kunt gewoon blijven staren tot de tranen in je ogen staan. Of tot het donker wordt.

Oh ja, da’s ook een voordeel! Dit vuurwerk is overdag veel beter te zien dan midden in de nacht!

En dat allemaal voor bijna noppes. Het is absurd goedkoop!

Wat wil een mens nog meer?

‘Geluk,’ zei Koala. Nooit te beroerd om ambitieuze doelen te stellen.

‘Hm…,’ zei ik. ‘begin volgend jaar nou eerst eens met iedere morgen deze foto te bekijken. Daar word je telkens wéér blij van. En dan wordt 2026 heus een beetje leuker.’ Koala keek met een schuin oog naar de foto. ‘Kijk, Je lacht nu al!’

Rust

In de bossen bij Wolfheze kwam ik er weer eens achter dat de echte wereld zich niks aantrok van de wereld die mijn wandelapp me voorschotelde. Of andersom, dat die app een achterlijke voorstelling van de werkelijkheid had.

Hoe dan ook, toen er een lichtelijk bits ‘Sla rechtsaf’ op het scherm van mijn mobieltje verscheen — echt vriendelijk is navigatiesoftware nooit, daar blijf ik me over verbazen, want hoe moeilijk kan het zijn om mensen gewoon blijmoedig de weg te wijzen? — stootte ik op een soort slagboom waarnaast een bord stond: ‘Verboden toegang Rustgebied voor dieren’ Zonder punten, wat me tot mijn eigen verbazing meer verontrustte dan de verassende constatering dat de route die ik volgde kennelijk niet bestond.

En nu voel ik die onrust weer, terwijl ik de foto bekijk en dit opschrijf. Een zin zonder punt, hoe kort ook, dat is voor mij als een weg die zonder waarschuwing bij een afgrond eindigt. Eng!

De impact (om eens een modieus woord te gebruiken) van die onverwachte verboden toegang viel uiteindelijk wel mee en laat ik eerlijk zijn, dankzij de wandelapp, waarmee ik binnen de kortste keren een alternatief pad vond, om het rustgebied heen.

Wat me meteen aan het denken zette, omdat het een behoorlijke omweg was en ik al wandelend besefte wat voor een enorme oppervlakte dieren kennelijk nodig hebben om te rusten. Een bizarre oppervlakte, mag ik wel zeggen! En dat terwijl rusten doorgaans toch een behoorlijk statische activiteit is. Sterker nog, ik durf wel te beweren dat het helemaal geen activiteit is. Ik heb voor de zekerheid wat woordenboeken erop nageslagen en die wemelden van de synoniemen voor ‘activiteit’ die ‘rusten’ per definitie uitsloten. Ik ga ze hier niet allemaal opnoemen, want dat is saai.

Maar rusten stond er dus niet bij. Dat stond dan weer wel elders in die woordenboeken. Voor de zekerheid schrijf ik die hier wél op: het is de toestand waarin je verkeert als je niks doet.

(Een andere betekenis, die er hier helemaal niet toe doet maar die ik toch even citeer omdat ze echt te mooi is om hier niet te vermelden: ‘Klamp op het voeghout van de vang’. komt uit ‘het molenwoordenboek’. Ja, dat bestaat! Het is pure poëzie.)

Terug naar die rustende dieren. En de ruimte die ze daarvoor nodig hebben. Ik heb het even uitgerekend en kwam op zo’n negen vierkante kilometers. Dat zijn meer dan 1.800 voetbalvelden! Zonder dat er ook maar één dier gaat voetballen!

Dit slaat helemaal nergens op, natuurlijk gaan ze niet voetballen en er zijn in de bossen ook helemaal geen echte voetbalvelden, hoogstens hier en daar een weiland, weet ik ook wel, maar ik móést het opschrijven, vraag me niet waarom.

Wat ik maar wil zeggen is dat dieren onnoemelijk veel ruimte nodig hebben om totaal niks te doen.

Ik doe ook wel eens totaal niks. Of ik dan ook rust, weet ik niet goed, want ik dénk dan wel. Mijn hoofd, dat gaat maar door. Ik weet niet hoe ik dat moet stoppen. Maar goed, voor deze omstandigheid waarin ik me dan bevind, heb ik ongeveer anderhalve (1,5) vierkante meter nodig. Dat is de oppervlakte van mijn leunstoel in de meest horizontale stand (eigelijk in iedere stand, maar om een of andere reden vind ik dan ‘oppervlakte’ een rare eigenschap. Voor de volledigheid, er passen ongeveer 1.500 leunstoelen op een voetbalveld.

Eh… opeens zie ik (Christo indachtig) een weiland in een bos vol met uitgevouwen leunstoelen voor me. En vraag ik me af hoe ik zoiets in het echt zou kunnen realiseren. Ergens op een schitterend groene licht glooiende vlakte, waar dan alle dieren nieuwsgierig op afkomen om verbaasd aan de rand te gaan staan kijken. De stoelen staan niet strak tegen elkaar, maar met wat ruimte ertussen, zodat vogels die over het veld heenvliegen niet alleen de stoelen zien, maar ook mooie groene strepen. De stoelen zijn geel. Of oranje. Weet ik nog niet.

‘Hm. En nu?’

Dat was Koala.

Oja, dat moet ik even uitleggen. Mensen die mijn blogs vaker lezen, weten dat Cavia mij verlaten heeft. Echt iets voor mij, een alter ego dat er met een ander vandoor gaat. Maar intussen is daar dus Koala. Koala slaapt veel, en als die wakker is, dan vooral om te eten, maar ook om bijdehand te doen. Met moeilijke vragen:

‘Weet je wat je nu aan het doen bent?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Je bent om de hete brij aan het draaien.’

Hm. Dat was misschien waar. Opeens besefte ik dat ergens in mijn achterhoofd een heel legertje gedachten aan het werk was geweest om, geheel tegen mijn karakter in want zonder woorden, het begrip ‘rust’ gestalte te geven. En dat alle uitwijding hierboven niet meer dan gedraal was, tekstueel gelanterfant om nergens uit te komen, in ieder geval niet bij het onderwerp van dit verhaal: rust.

Niks doen. Dat wil zeggen: niet meer werken. Want ik ben met pensioen. Ze zeggen wel eens: ‘Partir c’est mourir un peu’ (weggaan dat is een beetje sterven), maar in mijn geval kun je die ‘peu’ (dat ‘beetje’) wel weglaten. In de laatste paar maanden ging ik elke dag wel een paar keer dood van de zenuwen als ik eraan dacht. Want verandering, da’s niks voor mij, zeker niet als die ongewis is.

Maar iedere keer overleefde ik zo’n zenuwinzinking. Ik heet niet voor niets René (Frans voor herboren), dacht ik. Een Koala werd ook steeds enthousiaster.

‘Je kan het!’ riep die telkens als de vertwijfeling weer toesloeg.

Dus ging ik door. Vorige week beleefde ik mijn laatste werkdag.

En wat ga je nou doen? Vraagt iedereen. Weet ik niet… of nou ja, ik blijf natuurlijk gewoon denken en opschrijven wat ik denk. Om mijn neurosen te bedwingen. Zoals nu:

Een zin zonder punt is niet eng

Maar eerst ga ik mooie wandelingen maken in de bossen. En op zoek naar een mooi groen en glooiend weiland waar minstens 1500 leunstoelen op passen.

Met

Cavia legde de krant neer en zei: ‘nou, het Nederlandsche Genootschap voor Eufemismen heeft het woord ‘met’ op haar officiële woordenlijst gezet.’

‘Met?’ vroeg ik.

‘Ja, man! Met! Echt heel handig om niet te zeggen waar het op staat! Als je mensen wilt labelen maar ook weer niet.’

‘Oh? Ik dacht dat labelen politiek incorrect was…’

‘Dat bedoel ik juist! Het is labelen voor wie niet wil labelen.’ Ik keek Cavia glazig aan. Die zuchtte. ‘Okay, een paar voorbeelden: mensen… met een niet-westerse achtergrond; met overgewicht; met ervaringsdeskundigheid; met een (lichamelijke/psychische) beperking; met een hulpvraag; met een verhoogde (psychische) kwetsbaarheid; met een afstand tot de arbeidsmarkt, met een naderend levenseinde.’

‘Oh, ja, nou snap ik je! Dat ik dat niet eerder heb gezien! Wat heb je aan die termen?’ Cavia knikte.

‘Wat denk je van die laatste?’ zei die. ‘Iederéén is een mens met een naderend levenseinde! Jij ook!’

Tja, dat is zo. Maar eh… (ik richt me nu tot mijn lezers): U dus ook. Sorry. Dacht u leuk weer eens een blog van mij te lezen, kom ik met zoiets. Vergeet het. En lees vooral door.

Nog een eufemisme om gek van te worden: ‘mensen met een lastigere uitgangspositie’. Of een uitgangspositie lastig is, lijkt me afhankelijk van wat je wilt bereiken. Als het om de opleiding voor jongleurs gaat, dan heb ik een lastige uitgangspositie. Gaat het om lidmaatschap van de internationale coalitie voor zenuwlijders, dan maak ik een kans. Trouwens, het gaat om een lastigere uitgangspositie. Lastiger voor wie? Of lastiger dan wat? Kennelijk is er een een norm.

‘Oh, die is er altijd,’ zei Cavia, ‘check dat lijstje nog maar eens, in iedere term hebben ze een norm verstopt.’

Inderdaad.

Ik dacht aan verwarde personen. Die waren op een dag ineens ‘personen met verward gedrag’.

Dus personen zijn zelf niet verward, maar hun gedrag. De gedachte erachter is dat mensen meer zijn dan ‘hun’ ‘probleem’ – ja, beide woorden tussen aanhalingstekens, want ik vraag me af: gaat het wel om hún probleem en is het eigelijk wel een probleem? Hoe dan ook, de verwarring is kennelijk een eigenschap. Een label dus. Wat schieten we met dit verschil op? Ik in ieder geval niets. Dat leg ik uit. Met mijzelf als voorbeeld.

Ik gedraag me regelmatig verward (besef ik achteraf), en ben dan dus iemand met verward gedrag, maar soms bén ik dan ook verward. Andersom gedraag ik me wel eens verward, terwijl ik dat dan niet bén. En nóg eens andersom, ik heb in mijn leven heel erg goed geleerd om níét verward te doen terwijl ik (in mijn hoofd) wel degelijk verward ben. Camouflage heet dat. Zenuwslopende en bij nader inzien treurige strategie om me door het leven te slaan.

Oh, dat is een beetje somber. Vergeet het. Of nee, bedenk erbij dat het vaak ook hilarisch was/is. Of dat ik er in ieder geval hilarisch over kan vertellen. Zie al mijn andere blogs. Die zijn mijn redding. En waarschijnlijk onderdeel van de strategie, maar dat mag de pret niet drukken. Ik moet wat.

Het kan nog ingewikkelder. (Ik ben nu weer terug bij mijn vertoog over ‘met’.) Namelijk door de term te ontdoen van regelrechte betekenis. Een nieuw en beter eufemisme. Kennelijk was ‘met verward gedrag’ nog niet vaag genoeg. Dus werd de term: ‘met onbegrepen gedrag’.

Huh?

Wie begrijpt dan welk gedrag niet?

Als ik verward ben, dan is het vooral omdat ík het léven en de wéreld niet begrijp, inclusief alle mensen daarin. Dus ík zou dan zeggen: alle andere mensen zijn mensen met onbegrepen gedrag.

Maar dat dat is de bedoeling van die term niet. De persoon die verward is en/of doet, is altijd degene begrepen of niet begrepen wordt. Het doet er kennelijk niet toe of die zelf begrijpt of niet. Het zijn altijd de anderen die begrijpen, of niet.

Welke anderen? De mensen die de term hebben bedacht! Die bepalen dus de norm. Nogal uit de hoogte, toch? Trouwens, dát ze een naam geven is al uit de hoogte natuurlijk. Blijkbaar hebben ze de inbeelding dat ze zomaar namen aan anderen kunnen geven. Oké, ik geef toe dat het zonder namen voor alles wat er in de wereld is, allemaal wel erg ingewikkeld wordt. Maar waarom dan namen die precies níét doen waar ze voor bedoeld zijn, namelijk zeggen waar het om gaat?

Tja… in een eerdere versie van deze blog volgde op dit punt een hele bijdehante verhandeling waarmee ik verklaarde waarom mensen dat soort woorden gebruiken. Die heb ik dus geschrapt. De verhandeling, bedoel ik. Ik werd namelijk steeds bozer en bozer en dat is voor u ook niet gezellig om te lezen.

Waarom werd je dan boos, hoor ik u al vragen. Dat wilde Cavia ook wel eens weten.

‘So! Waar kwam dat opeens vandaan?’ vroeg die toen ik uitgeraasd was en het zweet van mijn voorhoofd wiste.

Ik wist het niet.

Ik moest wel opeens aan een van m’n laatste sessies in het revalidatiecentrum denken. Ik kreeg een nieuwe uitvinding aangemeten om mijn verlamde arm en hand in de goede stand te krijgen. Te dwingen, eigenlijk, want als je die zomaar een beetje laat hangen, krijg je een verdraaide arm met aan het einde een of andere reuzen vogelklauw.

Toen ik na een half uurtje sjorren opgetuigd voor de fysiotherapeute, ergotherapeute en de uitvinder zelf stond, glimlachten ze. Verbaasd, blij verrast, onder de indruk. ‘Dit is gewoon de normale natuurlijke houding!’ zeiden ze.

Ik staarde naar mezelf in de spiegel. Ook verbaasd. Over mijn weerzin.

‘Dit wilde je toch? vroeg Cavia.

Was dat zo? Ik wist het niet meer. Ja, ik had besloten dat ik alles zou proberen om te revalideren. Maar nu opeens vond ik het wel genoeg. Waarom had ik dat eigenlijk besloten? En wat voor een raar woord is revalideren eigenlijk? Ik zou natuurlijk nooit meer normaal worden, dus waarom al dit gedoe?

En eh… nu ik er nog eens over nadacht… ik wílde helemaal niet meer normaal zijn. Ik wilde gewoon abnormaal zijn.

Oh! Die twee woorden zette ik zonder na te denken achter elkaar: gewoon abnormaal. Dat zou mooi zijn!

Met verdraaide arm en aan het einde een of andere reuzen vogelklauw.

Complot

Op het enorme scherm verscheen ruis. Twee vierkante meter half en half samenklonterende stippen en stipjes. Ik ben opgegroeid in een tijd dat het er gewoon bij hoorde als je tv keek, ruis, en de meest simpele remedie die mijn vader en moeder toepasten, was een klap met de vlakke hand op het toestel. Meestal eerst bovenop en daarna tegen de zijkant. (Voor de jonge lezers, een tv was toen nog een vierkante kast met een glazen scherm aan de voorkant.)

Ook als het niet hielp was dat fijn. Je deed tenminste iets. Gewoon maar zitten wachten tot het overging, dat lag (en ligt) niet in de aard van mijn vader en moeder. Het is erfelijk.

Dus dat was nu ook mijn eerste neiging, opstaan om ergens een klap op te geven. Maar dat hoefde niet, want deze ruis was juist de bedoeling. Het was namelijk een test. Wij, de deelnemers van de workshop, moesten noteren of we iets in die ruis zagen, een patroon of zo.

Ik zag een nijlpaard op een driewieler. Best grappig. Daarna kwamen er nog vier van die dia’s. Telkens andere ruis.

Ik zag achtereenvolgens: Een politieauto met brandend zwaailicht (en duidelijk hoorbare sirene!); mijn oma met een regenboogvlag op de voorplecht van een driemaster; twee hand in hand dansende beren met gebloemde rokjes aan en dito parapluutjes (die gewoon maar een beetje in hun buurt zweefden); en een ondersteboven hangende appelboom inclusief appels die dan weer niet hingen maar als het ware op hun steeltjes stonden.

Na de laatste dia vroeg de man onze hand op te steken als we bij drie of meer dia’s een patroon hadden gezien in de ruis.

Een patroon? Ik had complete schilderijen gezien! Vijf! Dat was niet best, want de test wees uit of iemand geneigd was complottheorieën te geloven en/of te ontwikkelen. En wie bij drie of meer van de dia’s dingen in de ruis zag die er niet waren, had aanleg.

Oh.

En ik maar denken dat ik een levendige fantasie had… Maar was ik in plaats daarvan dan zo iemand die denkt dat de regering uit verklede reptielen bestaat? Dat leek mij sterk (dat ik zo iemand ben, bedoel ik). Maar ik besefte meteen dat ik zelf natuurlijk niet de juiste persoon was om me daarvan vrij te pleiten. Aan de andere kant, als ik ooit zulke verzinsels voor waar had verkondigd, dan zouden familie, vrienden en collega’s toch wel iets gezegd hebben? Of zouden ze met elkaar hebben afgesproken mij in de waan te laten?

Eh…

Ik hield het er toch maar op dat ik gewoon een enorm uitgebreide en gedetailleerde verbeeldingskracht heb. Die ik bovendien, in tegenstelling tot complotdenkers, alleen maar gebruik om de realiteit leuker te maken. Ik verzin namelijk nooit iets dat somberder is dan de werkelijkheid. Zie hierboven.

De onuitgesproken verdenking die er nu op mij geladen was (de hele zaal had zich omgekeerd om naar mij te kijken), zat me toch niet lekker. In de trein besloot ik mijn zinnen te verzetten met lekkere harde muziek.

De meneer tegenover mij sloeg mijn handelingen gade alsof ik een geweer aan het laden was en schudde heftig zijn hoofd toen ik mijn oortjes in wilde doen.

‘Niet doen!’ fluisterde hij. ‘Zo zuigen ze al je gedachten uit je hoofd.’ Ik keek naar de oortjes in mijn hand.‘Echt! De zeven dragers van de schaduwmacht! Die zitten in dat ding!’ Mijn mobieltje.

(Toeval bestaat niet, hoor ik mensen wel eens zeggen, maar waarom is er dan een woord voor?)

Zijn vrouw, die naast hem zat, stond op en verdween naar een andere coupé. Dat had ik als het sein moeten zien om achter haar aan te hollen. Dat deed ik niet. Ik bleef vertwijfeld zitten en de man begon aan mij uit te leggen hoe volgens hem de wereld éígenlijk in elkaar stak, en welke geslepen rol de zogenaamde overheid op last van de zeven dragers daarin speelde. Dat had Edward Snowden hem persoonlijk uit de doeken gedaan in een brief van negentien kantjes.

Dat ik hier zijn hele vertoog woord voor woord zou kunnen navertellen, maakt mij misschien nog verdachter. Zeker als ik toegeef dat ik het een nogal meeslepend verhaal vond waar ik met plezier naar had geluisterd. De man was een bevlogen verteller en hij had werkelijk aan alles gedacht. Er was geen spel tussen te krijgen.

Toch kregen we ruzie. Omdat ik me opeens hardop afvroeg hoe die Snowden aan de man zijn adres was gekomen. Ja, een detail in het geheel der dingen, maar dat zat me opeens niet lekker.

Onze onenigheid liep zo hoog op dat ik in verwarde toestand een station te vroeg uitstapte. Op weg naar de deur kwam ik zijn vrouw tegen, die mij grinnikend nog een hele fijne dag wenste.

En tóén harde muziek. Op een bankje van het station in Hollandsche Rading. Haha! Het zou mij benieuwen hoe hoe de zeven dragers van de schaduwmacht tussen deze tomeloze herrie mijn gedachten konden vinden. En dat ze die zouden opzuigen… get real!

Ik was nog niet thuis of Cavia kwam me vragen waarom ik al die appels had besteld. Kílo’s stonden er op het lijstje van de AH.

Huh?

Ik ontkende iedere appel. Maar toen in de loop van de dag onze marktplaats-feed stukje bij beetje volliep met advertenties voor driewielers, regenboogvlaggen, gebloemde rokjes en dito parapluutjes, biechtte ik Cavia het verhaal van de man op.

‘Oh, maar wacht!’ zei die, ‘wíj hebben ook een brief van Edward Snowden gekregen. Ik vroeg me al af hoe hij aan ons adres was gekomen.’

EEK!

p.s. De afbeelding is van Wikimedia Commons:

Bui

Opeens moest ik aan het journaal denken, want daar had ik laatst sinds lange tijd weer eens naar gekeken, en ik had het zelfs helemaal tot en met het weerbericht volgehouden, of nou ja, tot en met die mevrouw opeens zei: ‘Hier en daar wat regen, maar die buien zijn wel héél lokaal’.

Héél lokaal?

Wat is dat? Op mijn balkon wel regen, maar op het schuurdak van de achterburen niet? (Of andersom?) Ik vind dat wel heel lokaal, maar het kan natuurlijk nog lokaler, bijvoorbeeld op mijn ene plant wel en op de andere niet. (Ik zag ook Iejoor voor mijn geestesoog, de ezelvriend van Winny the Pooh, die als hij somber is een regenwolkje boven zich heeft hangen.) Maar ik vraag me af of het dan nog wel een bui is, zo klein is misschien té lokaal. Een bui heeft natuurlijk een minimale en maximale omvang, en ook nog eens een minimale en maximale tijdsduur. Niet iedere plens regen is een zomaar een bui, vermoed ik.

Eh, wat is eigenlijk de definitie van een bui?

Vroeg ik mij opeens af.

Hm… ik ook altijd met mijn gedenk. Nou moest ik dat opzoeken.

Ik naar het KNMI. Dat wil zeggen, naar de website van het KNMI. Voor iemand als ik, die twijfel waardeert als uitgangspunt voor verder onderzoek, maar die diep in zijn hart het liefste zekerheid wil, is de definitie van de weerlui uit Den Bilt een grote teleurstelling: “Een bui duurt meestal maar kort, in het algemeen minder dan een uur”.

Twee slagen om de arm in een zinnetje van 13 woorden: “meestal” en “in het algemeen”. “Minder dan een uur” vind ik ook niet bijzonder precies, maar vooruit, het perkt de bui tenminste iets in. De duur ervan, dus.

Maar geen woord over de omvang van een bui. De maten ervan, bedoel ik. Het hele woord lokaal komt in de tekst niet voor, laat staan de minimale dan wel maximale lengte en breedte van een bui, of dito diameter-schuine-streep-omtrek. Kennelijk horen de afmetingen van een bui niet bij de kenmerken ervan. Dat is vreemd, want om het verschil met gewone regen uit te leggen, noemt de KNMI zo’n beetje alle eigenschappen die je bij een bui zou verwachten: neerslagintensiteit, gelijkmatigheid, clusteringen, enzovoort. Zonneschijn noemen ze ook nog, en droge periodes, maar dat vind ik rare eigenschappen want dat zijn dus tegenovergestelden van een bui. Ze dachten bij het KNMI: om een bui te definiëren kunnen we natuurlijk ook alles er omheen beschrijven, net als bij zwarte gaten. Dat is misschien zo, maar het blijft behelpen vind ik. En bij zwarte gaten ligt dat anders, die zijn zelf niets, dus dan moet je wel.

Enfin, typisch iets voor weervoorspellers, één minuscuul zinnetje dat een en al voorbehoud is. Toch is dat meer iets voor politici en/of bewindslieden (ja, laat ik eerlijk zijn, ook voor beleidsmakers). Het mooiste voorbeeld van zo’n achterdeurtje op een kier vind ik trouwens nog steeds deze, uit ‘Naar een veiliger samenleving’ (2002) van de toenmalige ministers Donner en Remkes. Dit schreven ze op: ‘Een vermindering van criminaliteit en overlast in de publieke ruimte met – indicatief – circa 20% tot 25% vanaf 2006 moet aldus in het vizier komen.’ Vooral die stapeling van indicatief en circa is al een lekkere brutale zet, maar dat ‘in het vizier komen’ is echt geweldig. Als je scherp wilt doen terwijl je vaag blijft. Ze kwamen er mee weg in de Tweede Kamer.

Terug naar de buien. Nu weet ik nog niet op welke manier het KNMI vaststelt dat ze lokaal zijn en, preciezer, hóé lokaal ze zijn.

Laat ik dan zelf maar iets verzinnen.

Een bui is lokaal als die maar op één plek valt. En nergens anders. Er kan ergens anders ook wel een bui vallen, maar dat is dan een andere bui. Dat bedoelen ze met ‘hier en daar een bui’ dat is dus niet dezelfde. Ik zeg het maar even.

Trouwens ook raar, dat vallen, want de bui valt natuurlijk niet, die hangt, en de regen vált, uit de bui. Die KNMI’ers zeggen maar wat. Stel je voor dat die hele bui zou vallen. Ik moet er niet aan denken.

Wat ik natuurlijk wel doe, op dit moment namelijk, terwijl ik dit schrijf, maar ik zal u besparen wat ik zie, want deze blog is al ingewikkeld genoeg.

Eh… toch nog één gedachte, die een beetje lijkt op de vraag ‘waar is de wind als het niet waait?’ Mijn variant: waar is de bui als het niet regent?

Verder met die definitie. De oplettende lezer heeft natuurlijk al gezien dat ik de definitie als het ware heb verplaatst, van bui naar plek. Zodat de vraag nu is hoe groot dan de plek is waarop de regen uit een bui valt. Ik stel de volgende afmetingen voor…

‘Ahum… een hele interessante verhandeling hoor. Echt.’

Zei Cavia.

‘Maar ik vroeg alleen of het al droog was zodat we een eindje konden wandelen. Je wou toch naar buiten?’

‘Ja, het is droog. En ja, ik wil naar buiten.’

‘Oh yes! Eindelijk!’

Bij jezelf blijven

De twee vol bepakte en bezakte toeristes die te midden van hun spullen naast het bord van de bushalte stonden, wilden van Bunnik naar Rhijnauwen.

Eén halte.

En of ze met hun creditcard konden betalen. Vroegen ze. In het Engels.

De chauffeur dacht na.

‘Just come in,’ zei hij tenslotte. De vrouwen hezen zichzelf en hun tassen en rugzakken en slaapmatjes naar binnen, waarna ze bedeesd een plekje zochten, alsof ze opeens toch een soort gesnapte verstekelingen waren. Hun ‘thank you’ ging verloren in het geraas van de bus die optrok.

De chauffeur zweeg even tot hij aan zijn collega die achter hem stond vroeg: ‘Wat zou jij gedaan hebben?’

‘Hetzelfde denk ik’, zei de ander.

Vervolgens bespraken ze wat je zoal kon doen als mensen expres niet incheckten of om een of andere reden niet kónden inchecken. Ze lieten een ontstellende hoeveelheid voorbeelden de revue passeren inclusief hun specifieke aanpak van de verschillende situaties en typen reizigers.

Ja sorry, in die laatste zin sloop opeens een soort beleidstaal. Dat komt door mijn beroepsdeformatie, maar aangezien ik zo transparant als de neten ben, vond ik het wel zo integer om die zin te laten staan. En als ik dan toch eerlijk ben… ik wil u hiermee ook laten zien dat een beleidsmedewerker even goed heus wel bevlogen is, altijd op zoek naar inspiratie.

In dit geval dus bij twee buschauffeurs die een mooie exposé gaven van de-escalerende technieken. In gedachten categoriseerde ik hun overwegingen in een handig schemaatje, gewoon voor de gein.

Het is een ziekte.

Ze sloten hun gesprek af met de constatering dat het allemaal erop neer kwam dat je dicht bij jezelf moest blijven.

Hm…

Die conclusie viel mij dan weer een beetje tegen. Ik leg straks uit waarom. Lees vooral door.

Ik vond het bovendien jammer dat dit soort jargon nu kennelijk ook al bij buschauffeurs was doorgedrongen. Hou me ten goede, ik verwijt hen niks, ik verwijt eigenlijk helemaal niemand iets, het stelt me gewoon teleur dat vaagheid overal in de maatschappij voortwoekert alsof het niets is. Allerlei verstandige mensen waarschuwen ons voor desinformatie en fake news, maar vague news, daar hoor je niemand over.

Vague news? Ja, dat is zogenaamde informatie die mensen verspreiden als ze een term bezigen waarover iedereen het eens is zonder te beseffen dat niemand weet wat die term precies betekent, of nog erger, zonder te beseffen dat iedereen er iets anders onder verstaat.

Zoals ‘dichtbij jezelf blijven’. Dus.

Wat is dat? Of andersom, wat gebeurt er als je niet dichtbij jezelf blijft? Kan dat eigenlijk wel? Het lijkt mij niks. Niet dat ik zo dol ben op mezelf, maar om nu afstand te nemen van mezelf, dat gaat me te ver.

(Pun intended.)

Ik moest denken aan de trilogie His Dark Materials waarin alle mensen een demon hebben, een dier dat hun ‘innerlijke zelf’ is en dat hen overal volgt. Op de voet, en dus dichtbij, maar naar mijn smaak toch veel te veraf, waardoor ik alle 23 afleveringen van de zenuwen mezelf zat op te vreten omdat ik de hele tijd bang was dat de mensen hun ziel kwijt zouden raken. Of andersom. Ik stelde mezelf dan gerust door telkens te fluisteren dat het maar een film was, dus niet echt.

Net als dichtbij jezelf zijn/blijven. Dat is ook niet echt. Vague news is het. Je bent namelijk altijd dichtbij jezelf. Want waar anders? Beter nog, je bént jezelf. Punt. Want wie anders?

‘Ahum,’ kuchte Cavia, die kennelijk de hele tijd had zitten luisteren. ‘Mag ik daar iets over zeggen…?’

De bus stopte en de vrouwen zochten hun spullen bij elkaar. Een van de twee glimlachte naar mij terwijl ze haar rugzak vastgespte. Ze wees naar mijn schouder.

‘Very cute!’ zei ze, ‘I love your guinea pig!’!

Eek!

De foto heb ik op wikimedia commons gevonden. Hier!

Hart/hoofd

Toen ik op een bankje ergens in de polders bij Tienhoven zat, kwam er een vrouw langs die zo overweldigend in your (my!) face gekleed was, namelijk in een geweldige combinatie van luidkeels groen (satijnen Mao-vestje) en nog luider schreeuwend geel (broek, wijde pijpen, geborduurde bloemen) dat ik haar zonder er verder over na te denken (waarom zou ik?) welgemeend complimenteerde met haar ensemble, een compliment dat zij al even welgemeend in ontvangst nam.

Tot zover niets aan de hand.

Maar toen was ik uitgerust en had ik mijn boterhammetjes op en ging ik weer verder en haalde ik de vrouw in. Want ze slenterde alsof het niets was. Ze was aan het telefoneren.

‘Nou, weet je wat ik doe als ik niet kan slapen? Dan doe ik alsof ik een heel klein mensje ben en loop ik ín mijn lichaam naar mijn hart. Daar ga ik dan tegenaan zitten,’ zei ze.

Dat zag ik voor me. Ze had haar armen om haar opgetrokken knieën geslagen en knikkebolde een beetje, terwijl ze met haar hoofd tegen de wand van haar hart zacht met het kloppen meedeinde…

Ho!

Ze had die prachtige maar heel erg lawaaierige combinatie nog steeds aan! Geen wonder dat ze niet in slaap kon komen. Had ze geen pastel blauwe pyjama of zo? Of iets in oud roze?

Dat leek me niet iets om nu aan haar te vragen. Ik ken mezelf. Hoewel het een volstrekt legitieme vraag was in míjn hoofd, zou zij het vast en zeker beschouwen als een hele slechte eerste zin van een stuntelige poging om een gesprek aan te knopen, of wat dan ook. En ze zou gelijk hebben! Maar ik wilde helemaal geen gesprek aanknopen, laat staan wat dan ook. Ik wilde gewoon wat meer context, zoals dat tegenwoordig heet. Want nu zat ik met die vrouw in mijn hoofd terwijl zij naast haar hart in haar eigen lichaam zat, in een kleurig setje dat prima was voor een fijne wandeling op een zonnige dag, maar echt funest voor je nachtrust.

Maar goed, ik ging haar dus niet om uitleg vragen. Laat staan dat ik haar zou vragen of ik eens een keertje even naast haar mocht komen zitten. Want dat leek me opeens wel gezellig.

Een nog slechtere eerste zin.

Ik vind het romantisch, zei Cavia, ‘en die vrouw misschien ook wel.’

‘De wildvreemde vrouw die ik zojuist heb afgeluisterd, bedoel je? Nee, zoals ik al vaker heb uitgelegd… in een Hollywoodse romcom pakt zoiets na een reeks ongemakkelijke misverstanden geweldig uit voor alle betrokkenen, die aan het einde van de film allemaal huilen van geluk, maar in mijn leven niet. In mijn leven blijft het bij ongemakkelijke misverstanden.

‘Dat zeg je altijd. Je zit daar maar in je hoofd te bedenken hoe alles zal uitpakken, maar heb je ooit gewoon iets geprobeerd?’

Dat was geen vraag.

‘Mag ik hier naast u zitten?’

Dat was wel een vraag. Een heel erg gefluisterde vraag. Twee uur later, ander bankje, op een heuveltje. Andere vrouw, een tegenovergestelde vrouw zou ik haast zeggen, want geheel in camouflagekleuren gekleed. Nadat ze was gaan zitten begon ze zich omstandig maar geruisloos te installeren om eens uitgebreid in de verte naar vogels te turen. Daarvoor had ze maar liefst twee verrekijkers, een kleintje aan een bandje om haar nek en een grote voor zich op poten, die ze allebei behoedzaam uit haar groene rugzak had gehaald. Haar rugzak die van boven tot onder uit ritsen en touwtjes bestond.

Zo’n soort rugzak heb ik ook, maar de vrouw kon er beter mee overweg dan ik, want ze wist door trefzekere en bewonderenswaardige organisatie precies achter welk ritsje welk benodigdheidje zat.

‘Zijn daar YouTube tutorials voor?’ hoorde ik mezelf vragen.

Ze antwoordde met haar wijsvinger ernstig voor haar lippen terwijl ze haar hoofd schudde en naar het landschap voor ons gebaarde.

Stilte!

Vogels!

De vrouw zette de kolossale telescoop voor haar rechteroog.

Ongemakkelijk misverstand; mijn vraag, die eigenlijk een grap was. Niet om te lachen, vond de vrouw. Dus in ieder geval ongemakkelijk. En om dat nog eens te onderstrepen, verloor ik mijn evenwicht toen ik opstond om te vluchten, rolde ik van het heuveltje en stootte ik mijn hoofd tegen een omgevallen boom. Waarom ruimen ze die dingen ook niet op als ze op de grond liggen?

Ik schreeuwde heel hard: ‘AU!’

Alle vogels in de hele polder vlogen verschrikt op om de rest van de dag niet meer terug te keren. De vrouw wenste mij naar de hel.

In plaats daarvan ging ik naar huis, precies het omgekeerde van de hel, want mijn eigen hemel. En daar ging ik weer in mijn hoofd zitten, mijn speciale plaats in mijn eigen hemel.

Naast Cavia.

‘Jij ook altijd met je goede raad,’ zei ik. Cavia zweeg. Na een poosje sloeg die een arm om mijn schouder.

p.s. De tekening is gemaakt door Patrick J. Lynch en te vinden op Wikimedia commons: hier. Ook de tekening van hersenen staat op Wikimedia commons, hier. Ik heb de tekeningen zelf over elkaar gefröbeld.