Slapen, dat is eigenlijk zonde van je tijd. Toen ik klein was vroeg mijn moeder eens (wanhopig) aan me waarom ik maar niet wilde gaan slapen.
‘Dan zie ik niks,’ zei ik.
Ik ben veel te nieuwsgierig voor nachtrust.
Neem bijvoorbeeld gisteren. Ik lag nog niet in bed, of er kwamen twee rammelende fietsen de straat inrijden.
‘Heb je genoten?’ vroeg een vrouw. Zij zat op een van de fietsen.
Nam ik aan.
Hoefde natuurlijk niet. Ze kon ook te voet zijn terwijl er iemand anders op die fiets passeerde. In dat geval had ik maar één fiets gehoord. Ik vroeg me af of het verschil tussen één en twee rammelende fietsen te horen zou zijn. Daar kwam ik niet uit.
Hoe dan ook, stel dat het om één fiets ging, zou die lopende vrouw dan aan die passerende fietser (m/v) vragen of die genoten had? Dat leek me sterk. Hoewel ik altijd in ben voor bizarre scènes en een levendige fantasie heb, kon ik me deze moeilijk voorstellen.
Ik vroeg me niettemin af wat ik zou doen als ik op de fiets een voetganger ontmoette die me zoiets zou vragen. Zou ik antwoorden? Gewoon ‘ja’ roepen en dan verder fietsen? Misschien, als ik redenen had om ergens van te hebben genoten. Aan de andere kant is dat vaak nogal een persoonlijke ervaring. Genot, bedoel ik. Niet iets om het eens midden in de nacht met vreemde voorbijgangers over te hebben. Zelfs als het over eten zou gaan, om eens iets te noemen waar ik nogal eens van geniet, zou ik me beschroomd voelen om daar met zomaar iemand over te praten, om één uur in de nacht in ieder geval wel. Dan is veel communicatie al snel intiem.
Vind ik.
Maar goed, ik concludeerde dat de vrouw die de vraag stelde, fietste, want haar stem bewoog. Als het ware. Ik kan dat niet goed uitleggen, maar u begrijpt hoop ik wat ik bedoel. Vraag het anders aan een vleermuis, die beesten weten precies waar het over gaat.
Eh… er kwam antwoord op haar vraag, ook van een vrouw, die ook op de fiets door de straat reed. Voor de volledigheid: in dezelfde richting (korte samenvatting van het voorgaande: twee fietsen en twee stemmen bewogen van de Kanaalstraat naar de Vleutenseweg). Dat de twee vrouwen elkaar fietsend tegenkwamen en dan in de flits van het voorbijgaan zo’n onderwerp zouden aanroeren, leek me – alweer – sterk.
Zou wel hilarisch zijn.
Ik schoot in de lach.
Midden in de nacht in bed, ja.
En dat die twee vrouwen mij dan weer konden horen lachen, mijn soloschater uit het open raam, leek me nog hilarischer. Ik zag ze met opgetrokken wenkbrouwen naar elkaar kijken. In mijn gedachten, bedoel ik, want ik lag nog steeds in bed.
‘Ja, ik heb wel genoten, ja,’ antwoordde de tweede vrouw. Dat klonk niet overtuigd. Wat eigenlijk niet zo vreemd was, want bij nader inzien had de vraag van die eerste vrouw een beetje sceptisch geklonken. Alsof het haar zou hebben verbaasd dat de ander had genoten. Kennelijk had die dat niet uitgestraald.
Dat had ik weer. Erg vervelend allemaal. Ik wilde slapen en in plaats daarvan moest ik denken. Waar ging dit over? A dirty mind is a joy forever, zeg ik altijd, maar in dit geval schrapte ik toch al snel de mogelijkheid dat ze net ergens met elkaar de liefde hadden bedreven en dit nu op de fiets naar huis evalueerden. Daar was het gesprek te koel voor, zelfs als het helemaal niks was geweest. Als seks mislukt, is zwijgen meer op zijn plaats. Zwaarmóédig zwijgen terwijl je probeert te reconstrueren wat er mis ging.
Nee, ze waren ergens naar toe geweest waar te genieten viel en de een wilde van de andere weten of dat gelukt was. Een verjaardag of een ander feestje, leek me, waar dan die ene het middelpunt van was geweest.
Da’s altijd een gok, iemand centraal stellen. De ene mens vindt dat geweldig, de andere (zoals ik) ligt er wakker van (no pun intended). De vrouw op de fiets was volgens mij van de tweede soort, maar ze had zich er voor één keer overheen gezet, om die ander een plezier te doen, want die had het (stiekem) georganiseerd. Ja, dat zou alle wederzijdse beleefdheid goed verklaren.
Uh… beleefdheid?
Liefde, eigenlijk.
Aah!
Kijk, als ik geslapen had, was dat hélemaal aan me voorbijgegaan.
En aan u.
Categorie archief: Overleven
Tunnel

De vrouw die in Gouda naast mij kwam zitten diepte meteen haar mobieltje uit haar handtas en zei nog voor ze het ding goed en wel tegen haar oor had gedrukt zonder verdere inleiding: ‘Je hebt geen interesse voor wat wat mij bezighoudt…’ Daarna bleef ze even stil.
‘Nee, dat zei híj! Tegen míj!’
Ah! Dat verklaarde haar vreemde stem. Ze had haar man nagedaan. Hij had kennelijk een lijzige toon van praten.
‘Snap jij dat?’ ging ze verder. ‘Ik probeer mijn hele leven al te begrijpen wat-ie wil…’
Stilte.
‘Dat bedoel ik. Hij is nou niet bepaald een open boek.’
Ik zag de man voor me. Aan tafel, tegenover de vrouw, tijdens het avondeten. Vraag me niet waarom. Er zijn honderden situaties te bedenken, maar ik zag deze. Gordijnen dicht om de schemer buiten te houden, tafelkleed over de helft van de eettafel, schalen waar damp uit opwalmt als de vrouw er de deksels van licht. Groenten en aardappelen, vlees. De man wacht tot de vrouw zijn bord volschept. En net voor de eerste happen zegt hij…
Hm. Da’s wel een errug saaie scène.
Deze kan misschien ook: een bankje met zicht op de Lek, waar ze in de zon wachten op het veer naar Culemborg, fietsen met trapondersteuning als gehoorzame paarden op hun standaarden in de berm, en dan een stilte die steeds minder fijn wordt, tot hij het dan toch maar in de groep gooit, als het ware: ‘het kan zoals de achterburen hebben gedaan.’
Vraag me niet hoe ze in Culemborg komen terwijl ze in Gouda wonen, trouwens. Dat weet ik ook niet. Aan de Hollandsche IJssel heb je ook vast leuke bankjes, maar dat veer drong zich aan me op, dus het blijft de Lek.
En het blijft ook een beetje saai, maar lieve help, ik vrees dat we daar niet aan ontkomen. Sterker nog, om dit blog niet helemaal uit de hand te laten lopen hou ik het leven van die twee met opzet aan de gewone kant, want ik ken mezelf, als ik mijn gang ga, hebben die twee binnen de kortste keren iets onwelvoegelijks gedaan, of een delict gepleegd.
Eh… hoe dan ook: de vrouw zwijgt en er volgt een nieuwe stilte (op het bankje aan de oever van de Lek). Daar is zij goed in. Zwijgen. En hij kan daar niet tegenop. Dat weet zij. De man denkt na. Slikt.
‘Ik ben het wezen vragen,’ fluistert hij ten slotte. ‘Het mag zonder vergunning.’
Dat is natuurlijk altijd goed. Dat je gewoon je gang kunt gaan en niet bij de gemeente of andere overheidsinstantie door een bureaucratische molen moet. Bovendien neemt het haar de wind uit de zeilen. Gedoe met formulieren en vergunningen die je toch niet krijgt, dat was nou geen verweer meer.
‘En het kan in twee dagen!’
Triomfantelijk.
Terecht, want in twee dagen ís ook mooi. Langer dan een paar dagen wilde ze er niet mee kwijt zijn, áls ze er al aan wilde beginnen.
‘Dus nou komt er van de week een of ander mannetje langs,’ zei de vrouw.
Let op: we zijn weer terug in de trein naar Den Haag.
‘Om te kijken of het kan.’ Ze luisterde naar de ander. ‘Ja, dat zei ik ook. Had je dat niet beter eerst kunnen doen, checken of het wel kan? vroeg ik.’ Gekraak uit het mobieltje. ‘Hè? Niks. Hij haalde zijn schouders op. Ik zei: Straks past het allemaal niet en dan hebben we elkaar voor niks naar het leven gestaan…’
We reden intussen de buitenwijken van Den Haag binnen. Ze staarde naar buiten.
‘Nou ja, we hebben niet gevochten of zo. Maar er zijn wel een paar harde woorden gevallen. ‘“Ik moest toch een hobby zoeken na m’n pensioen.”’ Ze bauwde zijn stem weer na. ‘Modelspoorbouw, dat klonk wel aardig. Een locomotiefje met een paar wagonnetjes door een Zwitsers dal. Daar kon ik de charme nog wel van inzien… Maar voor ik het wist moest dus de hele achterpui opgetrokken en het dak vervangen worden om zo’n beetje alle alpen op de zolder kwijt te kunnen. Inclusief een tunnel. Ja een tunnel! Dat moest opeens. God mag weten waarom.’
Ze snoof.
‘Je hebt geen interesse voor wat mij bezighoudt…’ herhaalde ze, nog lijziger dan de eerste keer. ‘Weet je wat ik zei? Ik zei: “rij die trein lekker je eigen tunnel in. Hoeven we niks te verbouwen.”’
Ze keek opzij. Ik keek voor me.
‘Ja, dat was misschien té hard… Hè? Nou niks… Hij liep weg en nou zit-ie al dagen op zolder. Het enige dat ik hoor is af en toe het fluitje van die locomotief…’
Zielig

De conductrice riep om dat de trein naar Utrecht zou gaan en onderweg alleen stopte in Gouda.
Of nee, té Gouda.
Waarom ze bij de NS de taal van een halve eeuw geleden spreken is me iedere keer weer een raadsel, maar daarover misschien een andere keer. Dan hoop ik ook een antwoord te hebben op de vraag waarom ze die informatie over de bestemming en tussenhaltes van de trein kort ná het vertrek geven en niet kort vóór vertrek (want dan zou je nog uit de trein kunnen springen als blijkt dat je verkeerd zit).
Maar goed, toch wel een fijne mededeling.
Meteen daarna vond zij (de conductrice) het jammer genoeg nodig om ons ook ongevraagd goede raad te geven. Twee goede raden. Of eigenlijk verordeningen. Ze noemde het verzoeken, maar ze waren onverholen gedrenkt in niet mis te verstane suggestie en ergernis, en dat vind ik bij verzoeken niet passen. Die moeten vriendelijk zijn, niet pissig.
De eerste goede raad, ik bedoel dus verordening, ging over onze tassen. Die konden we beter niet in het gangpad neerzetten, want dan struikelden anderen daarover. En naast ons op een zitplaats was ook niet handig, want dan kon niemand anders daar zitten. En het was nogal druk. Daarna somde ze op wat goede plekken voor tassen en andere bagage waren. Ik weersta de neiging om die plekken hier ook allemaal te noemen. Het was een geweldige lijst, maar er kwam geen einde aan. Het was de eerste keer dat ik een uitputtende lijst hoorde die ook uitputtend was. Ook al doordat de conductrice het allemaal op tamelijk vermoeide toon omriep.
Ze vond ons hardleers.
Geen wonder, we waren doodop toen ze klaar was met haar opsomming.
En daarna kwam de tweede goede raad nog: of we alstublieft geen geld wilden geven aan de mensen die met briefjes om een bijdrage vroegen voor de zakdoekjes die ze op de stoelen of tafeltjes achterlieten.
Of woorden van gelijke strekking.
Om dit advies te onderbouwen, vertelde ze een lang verhaal met veel details (wijdlopig was haar middle name) die ze óók allemaal in minachting had gedoopt. Bijzonderheden over de ware omstandigheden en bedoelingen van deze quasi bedelaars, die dus eigenlijk helemaal geen bedelaars waren, dat zei ze er nog maar even bij, maar flessentrekkers (m/v) die dit al jaren voor hun beroep deden, als het ware. Haar conclusie en onomstotelijke wijsheid die ze gratis en voor niets aan ons ‘meegaf’: dat die mensen dus echt niet zielig waren.
Definieer ‘zielig’, dacht ik hardop. Het meisje naast mij keek me geschrokken aan en dook weer in haar boek.
Uh… een conductrice van de Nederlandsche Spoorwegen op de trein van Den haag naar Utrecht die private hoon in de intercom van de trein roept, dat vind ik wel een goed voorbeeld van zielig.
Dat was niet meer hardop. Zo bijdehand ben ik wel. Voor je het weet, zit je in een hele ongemakkelijke discussie over de enige echte eigenschappen van bedelaars en de morele criteria voor verantwoord doneren aan hen. Als je tenminste niet meteen voor verward versleten wordt. Want hardop praten, da’s al snel verdacht tegenwoordig. Ik doe het vaak als ik racefiets, maar dat is dan meestal ergens op een waaierige dijk, waar de wind iedere schreeuw opvreet voor-ie geklonken heeft.
Eh, waar was ik… O ja, bij zielig. Een onhandig begrip om gedachten over het onderwerp (bedelen-schuine-streep-geld-aftroggelen) te ordenen. Want subjectief. Zie hierboven voor voorbeelden. Ik vind de conductrice zielig, en zij mij.
Waarschijnlijk.
Mijn persoonlijke beleid (ja, beroepsdeformatie, ik maak echt overal beleid voor) is dat ik niet oordeel over bedelaars (zie ook dit blog). Dat is sowieso een goed uitgangspunt in de omgang met mensen, vind ik, maar ik moet eerlijk zeggen dat me dat niet altijd goed lukt. Zie hierboven voor voorbeelden.
Over beleid gesproken, zou het advies van de conductrice Spoorwegenbeleid zijn? Dat zou me nog minder bevallen, want ongefunderde theorieën over zieligheid moeten particulier blijven, vind ik. Kijk maar naar Trump, voor je het weet zijn het wetten.
Een vriendin van mij zei me later dat de conductrice gelijk had. Het zijn geen bedelaars, maar bendeleden. Dat wil zeggen, de vrouwen die in de trein zakdoekjes verkopen moeten dat van de bendeleider.
Geen bedelaars, toch zielig. Of zoiets. In ieder geval niet leuk.
Juist dan vooral geld geven, zou ik zeggen. Ja, zo houden we de bende in leven, maar wat denkt u dat er gebeurt als ze met lege handen thuiskomen?
Dilemma. Ook hier is de oplossing: niet oordelen.
Dat vond de conductrice niet, want als je geld gaf, wisten ze meteen waar je je portemonnee bewaarde.
Zei ze vinnig. Alsof we het nou nog niet snapten.
Tja, waar iedereen zijn/haar portemonnee bewaarde, werd nu ook – heel handig – duidelijk, want alle mensen voelden meteen of hij er nog in goede orde was, en of tas en andere bagage zich nog op een van de vele toegestane opbergplaatsen bevonden.
Wat goed uitkwam, want we waren intussen in Gouda aangekomen, en de conductrice was in één adem door aan haar riedel over het volgende station begonnen. Ze noemde alle denkbare andere richtingen waarnaar we konden overstappen, zuchtte dat we niet moesten vergeten uit te checken, en drukte ons op het hart bij het verlaten van de trein aan onze eigendommen te denken.
Dat is ook een gedoe hoor, aan je eigendommen denken. Tas en portemonnee, dat is nog tot daar aan toe, maar hoewel ik karig leef, bezit ik veel meer dingen. En die dan allemaal in gedachten nemen. Ga er maar aanstaan als je met z’n allen snel de trein uit moet.
Over zielig gesproken.
Je kunt je spullen eigenlijk maar beter weggeven.
Veranderen

Veranderen, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik in ieder geval wel. Maar misschien valt het mij juist op omdat ik er niet van hou. Hoewel, ik stel ook regelmatig dat veranderen juist leuk is.
Hm… ik neem alles terug en beweer het tegendeel.
Eh… da’s verwarrend.
Ik leg het uit.
Je hebt veranderen en veranderen.
Voorbeeld…
Ik moest eens naar Leiden om daar aan een zaal vol eerstejaars criminologiestudenten te vertellen waarom het leuk is om bij de reclassering te werken. Omdat mensen kunnen veranderen, was mijn stelling. Bijkomende stelling: dat is goed.
Het was die dag mooi weer, te mooi, vooral te wárm, en dat dan vooral toen de trein kapot ging en we met de bus verder moesten.
Zo’n verandering vind ik niet goed.
Níét goed!
Over naar plan B. Ik dacht dat we er al bijna waren en dus dat we nog maar tien minuutjes in die bus zouden zitten, en dat ik dat wel zou redden, want ja, warmte, daar kan ik eigenlijk niet tegen, dus ik stapte die bus in, want ik moest immers die jonge criminologen toespreken en ik zag ze al gretig op mij wachten, dus tien minuten met drie schoolklassen pubers opeengepakt in een streekbus, dat moest dan maar.
Wat zijn nou helemaal tien minuten? Dacht ik.
We moesten dus nog een uur. Een úúr! Dat is zes keer tien minuten!
Achtentwintig graden in de schaduw, zo’n vijfendertig in die bus en daar zat ik in mijn pak. Weliswaar een zomerpak, maar de ontwerper had het jaargetijde vooral in de kleur gezocht en niet in de materialen.
Uittrekken (het jasje bedoel ik) ging niet meer, want ik zat ingeklemd tussen een gebeugelde jongen en zijn bepukkelde vriendje, die beiden een oogje hadden op een sereen meisje voor ons en die dat met uitbundig apengedrag probeerden duidelijk te maken. Aan elkaar. Of aan mij. En zodoende dus aan haar.
De mens is een raadsel.
Complicerende factor bij plan B was dat ik die dag ook een huis aan het kopen was. Want ik ging verhuizen.
Verandering!
Dat was goed, ware het niet voor makelaars. Die bellen eigenlijk alleen maar als het niet uitkomt, bijvoorbeeld als je midden in een plan B zit. Dat hebben ze samen afgesproken om de prijzen op te drijven. Want in alle rust denk je nog eens na over een bedrag, maar met drie-en-vijftig tieners die opeens stoppen met snapchatten en belangstellend over je biedingen meedenken, is dat wat anders.
De hele bus weet nu wat ik voor mijn huis betaald heb en wat ik en passant de verkoper heb toegewenst (een lange warme reis in een bus vol scholieren).
Intussen keek het serene meisje naar buiten om daarna doodgemoedereerd op te merken dat de wegomlegging nog steeds niet was opgeheven. Wegomlegging? Jawel hoor, gele pijlen de verkeerde kant op.
Verandering!
Níét goed!
Plan C. Niet mijn plan, maar ik kon geen kant op. Alleen de verkeerde.
Mijn god, wat zijn er veel buitenwijken in de buurt van Leiden, alles is daar buitenwijk. Waarschijnlijk om ten minste ergens al die bushaltes kwijt te kunnen. Op iedere straathoek was er een. En niemand stapte uit, er kwamen alleen maar mensen bij.
Complicerende factor bij plan B-schuine-streep-C was dat ik vóór ik mijn praatje ging houden, een notitie geredigeerd moest hebben om die naar een collega te zenden, die het weer naar een of andere stuurgroep moest zenden. Track changes op een iPhone.
Veranderen tot ik scheel keek.
Níét goed!
Ik moet eens leren om een tekst met rust te laten (zoals dit blog, daar zit ik ook al eindeloos aan te pielen).
Intussen probeerde ik me te herinneren wat ik ook alweer tegen die studenten ging zeggen. Ik had een lijstje van vier punten. Hád! Ik wist opeens alleen de eerste nog. Daar ging mijn vertoog.
Ik had geen vertoog B.
Mensen kunnen veranderen, dat is goed, en dat is ook precies de crux van reclasseren, prevelde ik terwijl ik het trappetje naar de lessenaar van de collegezaal op stommelde en op hoop van zegen de bijgewerkte notitie verzond.
Toen belde mijn moeder. Eigenlijk bellen moeders alleen maar als het niet uitkomt. Omdat ze dat mogen. Ze zijn moeder. Dat gaat maar door, 7 x 24. Ik had opgenomen voor ik er erg in had.
‘Wat vind jij, René,’ vroeg ze zonder verdere inleiding, ‘zal ik de huiskamer opnieuw laten behangen?’
‘Nee, niets veranderen!’ schreeuwde ik. ‘Niet goed!’
Iedereen in de zaal stopte met snapchatten en staarde mij aan. Hoopvol. Popelend. Nu wordt het leuk, zag ik ze denken. Ik staarde terug.
O ja. Leuk.
‘Ik neem alles terug en beweer het tegendeel,’ zei ik.
Horen

Wat willen mensen die hun mailtjes afsluiten met ‘ik hoor graag’? Mijn neef is doof en als hij zoiets zou schrijven, snapte ik het wel. Niet dat hij zoiets zegt trouwens, want hij wil helemaal niet horen. Dat is een frappant fenomeen, want al zijn dove vrienden vinden het ook best zo. Je vraagt je in gerede moede af waarom wij (de horenden) geluid maken. Afgezien van muziek is het misschien gewoon lawaai.
Maar goed, achter ‘ik hoor graag’ bedoelen de mensen natuurlijk ‘van u’ of ‘wat u het beste schikt’. Van die dingen. Ergens zijn die teksten verdwenen. Scheelt weer typen. Wie graag iets hoort, wil snel een antwoord.
Kennelijk.
Maar dan wel schriftelijk… Ja, want nee, het is dus niet de bedoeling dat je echt iets van je laat horen. Toen ik de eerste keer na zo’n mailtje meteen opbelde, bleef het eerst stil aan de andere kant, waarna er argwanend ‘Eh?’ volgde. Op een toon alsof ik een oneerbaar voorstel had gedaan.
Ik kwam van de weeromstuit niet meer uit mijn woorden, waardoor de mevrouw aan de andere kant steeds argwanender werd. En dat ze toen slotte beledigd de verbinding verbrak, was misschien niet zo vreemd, want ik stotterde hele rare dingen, reconstrueerde ik later.
Het leven is één grote worsteling.
Neem nou bijvoorbeeld vergaderingen (ik spring niet van de hak op de tak, dat ‘horen’ komt terug, blijf lezen). Ik heb er iedere dag wel een, maar ik ben er nog steeds niet goed in. Veel mensen bij elkaar, dat is niks voor mij. Ik heb dan maar twee strategieën: stil wachten tot het voorbij is of hyperventilerend het hoogste woord voeren (en dan thuis met terugwerkende kracht proberen te achterhalen wie ik allemaal beledigd heb). Gisteren zat ik binnen de kortste keren in zo’n zenuwslopende opeenstapeling van bijdehante beweringen. Tot de voorzitter op een van mijn stellingen antwoordde: ‘Ik hoor wat je zegt…’
Let vooral op de puntjes. Dat zijn veelbetekenende puntjes. Die zeiden: ‘wat een flauwekul.’
Of iets van gelijke strekking.
Waarom zei die man dat niet gewoon? Kan ik heus wel hebben. Maar nee hoor, niks recht door zee of voor de draad ermee. Dat wierp ik hem dan maar meteen voor de voeten. Ik was toch lekker op dreef.
Hij zei: ‘ik snap wat je zegt…’
Weer die puntjes. Dat snappen lijkt stelliger dan horen, maar is lafhartiger, want nu bekende hij niet alleen dat hij had gehoord wat ik zei, maar ook dat hij erover had nagedacht, het had begrepen, en het alsnog larie vond. En dat alles zonder het te zeggen.
Het is een gave.
Ik hoorde hem ook, en snapte wat hij bedoelde, maar hield mijn mond, want je kan wel bezig blijven met elkaar beleefd af te katten. Daar heb je niks aan.
Ik was bovendien, snel afgeleid als ik ben, alweer erg aan het nadenken over het horen waar iemand anders het over had. Dat bleek jargon voor vérhoren. Ik wist dat niet, en vroeg: ‘hoe ziet dat horen eruit?’
Geniale vraag, toch?
Al zeg ik het zelf.
Jammer dat het andersom niet kan. ‘Hoe klinkt dat zien?’ slaat nergens op.
Het antwoord was trouwens ook geniaal: ‘We gaan langs of bellen op, en stellen vragen. Tot we weten hoe het zit.’
Horen om de waarheid aan het licht te brengen. Wat wil een mens nog meer. Mijn neef was er helemaal voor.
Pesten
Virtual reality, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik wil niet opscheppen, maar dat had ik al uitgevonden voordat Mark Zuckerberg geboren was.
Ik noemde het fantasie.
Echt heel handig.
Vond ik.
Want toen ik klein was, was de werkelijkheid té echt. Zo woonde ik in een dorp tien kilometer van de grote stad waar ik naar school ging, tot nijd van het hoofd van de dorpsschool, die getrouwd was met de zus van onze kapper, die weer een broer had die meester was op een school in dezelfde grote stad, een straat achter míjn school, wat mijn ouders op het idee bracht om hem te vragen of ik met hem mee kon rijden. Dat kon. Voor een dubbeltje minder dan het weekabonnement voor de bus mocht ik iedere dag met hem heen en weer.
So far so good.
Op de heenweg zette hij mij voor mijn school af, maar voor de terugreis moest ik een straat verderop ergens op een hoek op hem wachten. Dat was vanwege eenrichtingsstraten handiger. Of zoiets.
Iedere dag, vijf minuten nadat ik op die hoek was aangekomen, verschenen er twee jongens (een tweeling) die er lol in hadden om mijn tas af te pakken en die in een boom te gooien, of over een heg, of gewoon midden op straat als er juist een auto langskwam. Als ik me tegen hun getreiter verzette, sloegen ze mij. Het was ver voor de tijd van ook maar iets wat op pestbeleid leek en ik wist niet beter of zulke dingen hoorden bij het leven, inclusief de nachten dat ik er wakker van lag.
Shit happens.
Dus ik zweeg erover. Tot de jongens me een keer een tand door mijn lip sloegen en mijn moeder vroeg wat er was gebeurd. Door goed ouderlijk recherchewerk kwam na verloop van tijd alles uit inclusief het toeval dat de pestkoppen in de klas van de broer van de kapper zaten. Mijn moeder lichtte de kapper in en de kapper zijn broer (én zijn zwager, om die een reden te geven de grote stad en de scholen aldaar nog eens te vervloeken), die (de kapper zijn broer bedoel ik) er geen gras over liet groeien. Meteen de volgende dag al vertelde hij mij triomfantelijk welke straf hij de twee gegeven had. Dat stelde mij niet gerust. Hij had ze alleen maar nieuwe argumenten gegeven om mij in elkaar te slaan.
Maar dat deden ze niet. Ze kwamen nooit meer terug. Vraag me niet waarom. Voor mij maakte het bij nader inzien weinig uit, want de angst voor het pesten was erger dan het pesten zelf en die angst sleet maar langzaam.
De mens lijdt het meest aan het lijden dat hij vreest. Kan zo op een tegeltje. Sterker nog, het kómt van een tegeltje, dat mijn opa op het toilet had hangen, wat bij nader inzien wel een rare plaats was, vind ik, want ik weet niet hoe het u vergaat, maar mijn prominente emotie daar is opluchting. En niet omdat ik ergens bang voor ben en het allemaal meevalt, maar doodgewoon omdat ik mezelf van ballast verlos.
Eh… waar was ik?
Oja, angst. Pas jaren later was ik er helemaal van af.
Dat kwam zo.
Ik speelde een voetbalwedstrijd tegen Blauw-wit A7, in welk elftal de tweeling rechtsback en spil bleken te zijn. De ene die mij moest dekken was alleen bezig met de ander verwijten te maken over de gaten die hij in de verdere verdediging liet vallen, en omgekeerd geloof ik, want ze leken erg op elkaar en soms wist ik niet wie nou wie was. Hoe dan ook, ze hadden geen goed woord voor elkaar over en toen ik een doelpunt maakte, kregen ze ruzie over wie mij vrij had laten staan. Nog voor de bal weer op de stip lag, hadden ze elkaar half dood geslagen. Ze werden van het veld gestuurd en hun teamgenoten gingen hoofdschuddend verder met de verzuchting dat het toch droevig was dat een tweeling elkaar zo kon haten.
Dat was mijn genezing! Hoe simpel kan zoiets zijn… hun onderlinge haat beurde me enorm op. (Ja, dat is misschien niet zo harmonieus gedacht van mij, maar hé, ik probeerde van een trauma te genezen.) Ze sloegen gewoon iedereen ajour, zelfs elkaar! Geweldig! Ik was in een klap (no pun intended) van mijn nachtmerries af.
Nou ja, bijna in één klap. De rest verjoeg ik zelf. Lang leve mijn fantasie!
Ik kreeg namelijk verkering met hun buurmeisje, die mij vertelde dat ze opgroeiden voor galg en rad. Wat mij er toe bracht om in de eerstvolgende slapeloze nacht waarin hun pesterijen weer eens terugkwamen, hun roemloze criminele carrières in de penose bij elkaar te verzinnen. Ik verbeeldde me hoe een lokale peetvader de twee vanwege hun rabiate neiging om alles met geweld op te lossen had aangenomen als zijn lijfwachten, waarna ze in het geniep een coup tegen hem beraamden, een onderkruiperige opstand waarvoor ze eigenlijk te dom waren, maar vooral niet eensgezind genoeg, zodat hun plan finaal uit de hand liep, als in een film van Tarantino, maar dan van de weeromstuit zonder het gebruikelijke geweld, en met een navenant schlemieliger einde, namelijk met een eerloze werkstraf in een bejaardencentrum, waar ze de half gekauwde en weer uitgespuwde etensresten van de oudjes moesten opruimen. Ook die van mijn opa, die daar zijn laatste dagen sleet, en die ik bij ieder bezoek dingen te eten gaf die hij niet binnen kon houden zodat ik via hem de jongens een beetje bezig hield.
Ja, gemeen, maar dit was allemaal niet echt hè. Ik verzon het om mijzelf er weer bovenop te helpen.
Eerst verzinnen, dan vergeven was mijn motto. Hielp me mijn jeugd te overleven.
Virtual before virtue.
Mooie naam voor een game.
Waterdicht

Een paar weken geleden stond ik voor een verkeerslicht. Aan beide zijden van de weg popelde een kudde fietsers en naast mij stopte een vrouw. Ze had een groen-geel-rood-paarse rugzak van Hester van Eeghen.
‘Nou ja, ik heb dus zo’n notitie over werkdruk geschreven,’ zei zij tegen de man naast haar.
Dat had ik weer. Die zin ging natuurlijk de hele dag in mijn hoofd rondwaren op zoek naar uitleg. En ja hoor. We waren nog niet overgestoken of het begon al. Hoezo ‘zo’n notitie’? Wat was dat dan voor een notitie?
Ik nam de vrouw als een razende in me op om zoveel mogelijk informatie over haar bijeen te zoeken, want mijn ervaring is dat echt alles helpt om zo’n losse mededeling te duiden.
Ze droeg een goretex outdoorjack met overal waterdichte ritsen.
Hoe de fabrikanten van die jassen het doen, weet ik niet, maar op de een of andere manier weten ze daarvoor kleuren te vinden waarvan je het bestaan nooit vermoedde. Ze geven ‘onbestemd’ een nieuwe dimensie.
Wat zei dit over die vrouw? Dat ze niet iemand was die zelf werkdruk ervaart, leek me. Überhaupt geen geplaagd mens. Ontspannen was ze, ja, op het nonchalante af. Iemand die een jas op nut en noodzaak uitkiest en niet eindeloos voor de kast staat om ensembles bij elkaar te zoeken (ja, zoals ik). sowieso niet iemand die zich afvraagt ‘of iets haar wel staat’.
Bleef ik wel zitten met die groen-geel-rood-paarse rugzak. Dat was een statement van jewelste. Waarschijnlijk niet van haar, bedacht ik, maar van haar geliefde, die de tas cadeau had gedaan in een poging om meer kleur in haar outfit te brengen. Tevergeefs, maar wel schattig, toch? Ik zie de twee voor me in wederzijds geheim gehouden berusting. Liefde is een raar ding.
Hm… Terug naar die notitie. Laatdunkend. Ja, ze had er nogal hooghartig over gedaan, alsof ze het stuk met tegenzin geschreven had. Dat anderen last van werkdruk konden hebben, ging er bij haar niet in. Vooral haar ‘nou ja’, kwam telkens in mijn overpeizingen terug. Die notitie was een goede daad voor de stumperds die gebukt gingen onder taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden.
Die had zij niet. Herstel: voelde zij niet.
Zulke mensen bestaan. Ik weet nooit of ik boos of jaloers op ze moet zijn. ik had veel zin om boos te zijn, op die vrouw, maar dat is zo negatief hoor je wel eens. Dan maar jaloers, ook niet zo heel erg positief, maar iets beters had ik even niet. Het was toevallig wel een geschikte emotie, want ik had de tijd daarvoor enorm veel werk gehad, inclusief bijbehorende druk.
Dingen aan mijn hoofd.
Terwijl ik doorfietste, liet ik ze de revue nog eens passeren. Het begon te regenen en ik dacht aan die vrouw. Een waterdichte jas van onbestemde kleur leek me opeens dé oplossing. Dat bleek ook zo te zijn, maar op een onverwachte manier. Want al na drie tellen in zo’n buitenwinkel met dito mensen rende ik de regen weer in.
Nat worden en daar dan onder lijden is beter dan droog blijven en alles van je af laten glijden.
Dat rijmt. Kan zo op een tegeltje. En een foto daarvan op LinkedIn.
De FAQ van God

Iedereen gaat maar met zijn tijd mee tegenwoordig. Vanmorgen kwamen er twee dames bij mij aan de deur die beleefd een foldertje aanreikten waarop stond hoe ik op de website van de Jehova’s getuigen kon komen.
Punt.
Wel ja.
Een website voor Jehova’s… Alle romantiek verdwijnt uit het leven. Waar zijn de wachttorens en bijbels gebleven?
Ik word oud.
Of nee, dat kan positiever. Ik wórd oud, maar bén het nog niet. Al mijn herinneringen zijn gewoon in kleur en stereo, en heb ik er nog steeds meer dan me lief is, zoals die aan een handgemeen tussen mijn moeder en een man met een aktetas vol van die wachttorens en bijbels. Die wilde hij haar slijten, maar vooral ook een boodschap.
Waar hij echt wel een dingetje van maakte, zal ik maar zeggen.
Zijn verhaal gewoon aanhoren om dan vriendelijk de deur te sluiten, ging niet, want hij stelde allerhande existentiële vragen aan mijn moeder, in onvermijdelijke woorden en op zuigende toon.
Zij moest eraan en erin geloven. Bovendien had hij steels zijn voet op de drempel gezet om de deur te blokkeren voor het geval mijn moeder genoeg van hem kreeg. Toen zij inderdaad na de zoveelste opdringerige kwestie de deur toch dichtduwde, riep hij: ‘au!’ Dat viel me een beetje tegen, want het was veel minder heldhaftig dan op grond van zijn geloofsijver in de rede lag. Het was echt een heel sneue soort martelaarschap. Dat vond hij zelf kennelijk ook, want hij vermande zich, pakte de deurknop en duwde mijn moeder terug terwijl hij bijpassende bijbelteksten siste.
Echt waar.
Dat is het mooie van de bijbel, er staat altijd wel ergens iets wat je kunt gebruiken.
Terug naar die dames. Of nee, naar hun foldertje, want die dames waren verdwenen voor ik mij schrap kon zetten. De titel was: ‘waar vind je het antwoord op levensvragen?’
Dat is op zichzelf ook al een levensvraag, vind ik, wat het allemaal erg ingewikkeld maakt, maar het is flauw om daar over te vallen. Onder aan de bladzijde stonden drie mogelijke antwoorden waar je uit kon kiezen:
1. de wetenschap?
2. de filosofie?
3. de Bijbel?
Hm, vragen die een antwoord zijn op vragen. Zo kan ik het ook. Maar alweer, daar zal ik niet flauw over doen. En ik zal u niet lang in het ongewisse laten, het goede antwoord is natuurlijk de bijbel. Die geeft antwoord op de levensvragen van miljoenen mensen, stond er op de volgende bladzijde.
Alsof je een emmer leeggooit.
Miljoenen!
De drie meest gestelde vragen stonden er ook bij, de FAQ van God (mooie titel voor een roman):
1. Is God verantwoordelijk voor onze ellende?
2. Wat is de zin van het leven?
3. Wat gebeurt er na de dood?
Ik deed voor de gein een gooi naar de antwoorden (met de preken van de man die mijn moeder wilde bekeren opeens weer vers in mijn onnavolgbare geheugen; soms ben ik gewoon bang van mezelf), en ging daarna naar die site.
Ik was het niet met de antwoorden eens. Ik vind bijvoorbeeld helemaal niet dat mijn ellende allemaal mijn eigen schuld is. Ik heb gewoon vaak pech.
Overigens, om een beetje goed onderzoek te doen, voerde ik ‘ellende’ als zoekterm in op die site..
296 hits!
Tweehonderd zes en negentig!
Dat is drie keer zoveel als ‘seks’ (de eerste vergelijking die in me opkwam,a dirty mind is a joy forever). Maar zes keer minder dan ‘dood’ (a gloomy mind is a joy forever). Conclusie: ‘dood’ komt op die website achttien keer vaker voor dan ‘seks’. Allemaal min of meer nutteloze informatie die ik waarschijnlijk de rest van mijn leven met mij mee zal dragen.
Hoe dan ook, geen vrolijke religie… Als u op zoek bent, raad ik aan een andere te nemen. Terwijl ik dit schrijf, luister ik toevallig naar de Matthäus-passion, ook geen vrolijk verhaal, maar toch iets waar ten slotte blijheid in te vinden is. Het loopt goed af, op een bepaalde manier. Ik bedoel opstaan uit de dood; als dat je niet opbeurt, weet ik het niet meer.
Eh… waar was ik. O ja, op die site. Nu ik er toch was, ben ik wat verder gaan surfen en kwam ik gelukkig toch nog bijbels tegen. Duurzame bijbels nota bene. Ja, dat is wel wat. Die dingen moeten namelijk onder alle omstandigheden goed blijven. Wind en regen zijn bekende vijanden op de reizen van getuigen, maar ook dat oneindig bladeren hakt er in. Ze moeten dus tegen een stootje kunnen.
En tegen jongens van acht. Want voor je het weet hebben die om hun moeder te verdedigen zo’n boek in tweeën gescheurd.
De vliegende Forens

In de trein van Boxtel naar Deurne stapte kort voor vertrek een man de coupé binnen die ons allemaal goedemorgen wenste en daarna meteen uitlegde in wat voor een nare situatie hij zich bevond: defecte ov-chipkaart, portemonnee thuis laten liggen, en een familiegeval in Bakel waar hij onmiddellijk heen moest.
Als nou iedereen hem wat geld gaf, dan kon hij gezwind een los kaartje aanschaffen en afreizen. In de stilte die volgde omdat wij dit alles overdachten, bekende hij openhartig dat hij iedere dag met deze trein heen en weer reisde. Waarom dat was, en waarom hij dat vertelde, liet hij aan onze fantasie over.
Moet je net mij hebben.
Ik zal eerlijk zijn, ik vond dat de man er niet als een forens uitzag. Vraag me niet hoe zulke mensen er dan wel uitzien. Het beeld dat ik van hen heb is schimmig, maar als iemand daar niet aan voldoet, voel ik dat meteen. Maar wie ben ik, dus stel dat hij dat toch deed, forensen bedoel ik, waarom dan? Alweer, om nogal vage redenen zag hem niet dagelijks naar een vaste betrekking gaan. Dus hij reisde om iets anders heen en weer.
Dat ‘heen en weer’ hield mij wel bezig, eigenlijk. Dat kwam opeens uitzichtloos op me over, alsof een moderne versie van de Vliegende Hollander was, maar dan voor straf met zijn ziel onder zijn arm op een trein in plaats van op een schip en zwervend op het traject Boxtel-Deurne – kan dat, zwerven op een traject? – in plaats van over de wilde wateren bij Kaap de Goede Hoop.
Maar dus wel zoals in de sage op zoek naar echte liefde.
Eh… ik laat het verhaal over de Vliegende Hollander even zitten. De kern is: onnadenkende kapitein sluit deal met de duivel om snel die kaap te ronden, en moet de rest van zijn leven blijven varen, mag slechts eens in de zeven jaar aan wal om een vrouw te vinden die hem onvoorwaardelijk liefheeft en zodoende van zijn vloek verlost.
Wel ja, iemand die eeuwig van hem houdt.
Die familiekwestie van de man uit Deurne zag ik opeens in een heel ander licht. Hij zat gevangen op het spoor tot een vrouw hem in haar hart zou sluiten! En om het voor ons niet al te erg te maken nam hij zijn toevlucht tot eufemismen.
Een familiegeval, duh!
Hij was eigenlijk nog erger gestraft dan zijn legendarische lotgenoot. Hij moest niet alleen zwerven tot hij de liefde had gevonden, maar ook nog eens bedelen om reisgeld. Hoe cynisch is dat!?
Ja, mensen, met de duivel valt niet te dollen.
Intussen kreeg de hele situatie dus wel universele en tijdloze dimensies. En mijn reisgenoten zaten nog steeds verlegen en onwetend in hun mobieltjes te staren in de hoop dat de Vliegende Forens onverrichter zake zou vertrekken.
Ik besloot hem te helpen (je werkt bij de reclassering of niet) en ging naast hem staan om voor iedereen de diepere betekenis van dit alles uit de doeken te doen.
Dat werkte. De een na de ander keek op en velen staarden mij begripvol aan. Een warm medeleven vulde de ruimte. De man om wie het allemaal ging rilde en wierp een onrustige blik naar buiten, waar de conducteur in beeld verscheen, en staarde wanhopig naar de passagiers, die wel geroerd maar niet vrijgevig bleken. Romantiek en financiën, da’s geen fijne combinatie. Hij wendde zich nijdig naar mij.
‘Zo, professor, volgens mij ga jij dus effe schuiven!’ siste hij. Buiten tuurde de conducteur langs de trein om te zien of we veilig konden vertrekken. ‘Nou?!’
Goed, het kostte een paar centen, maar daarna was ik tot aan Deurne de held van de coupé.
Eh…laat die frase even tot u doordringen: ‘tot aan Deurne de held van de coupé’, sneuer kan niet. Wat voor een leven leid ik eigenlijk?
Uhmm… Hoe dan ook, het was echt ontroerend dat ik de bedelaar zo had geholpen, vond iedereen. En een mevrouw die het niet helemaal had begrepen, zei dat zij dan wel met mij wilde trouwen, want je hele leven op zo’n trein dolen, dat was ook niks, vond ze.
Dat aanbod sloeg ik af.
Zo sneu was het nou ook weer niet.
Voornemen

Dit gedacht, langs de Kromme Rijn van Bunnik naar Utrecht…
Kale bomen met lichtkabels langs hun takken; peuters en studenten (verder niemand, alleen die twee groepen, de mens is een raadsel) met kerstmannenmutsen op; overal, echt overal, in alle winkelcentra, en in liften, en op de radio, en ook doodgewoon op straat waar winkeliers de helft van hun spullen buiten hebben uitgestald, echt overal dus, kerstmuziek met altijd ergens op de achtergrond een zweem van verlangen; en films op tv over mensen die heel erg van elkaar houden maar elkaar kwijtraken en dan na sneeuwstormen en ander slecht weer, of futuristische wereldrampen, elkaar weer terugvinden, geliefden vooral, maar soms ook kinderen, zoals een dakloos zwervertje dat zich helemaal alleen door het leven slaat (neem dat letterlijk) om dan als hij dertien en een half is erachter te komen dat hij een moeder heeft die balletdanseres is, een puissant rijke nog wel, en ook nog eens een mooie en lieve, wat wil je nog meer, en die dan, zo blijkt, op haar beurt al haar halve leven op zoek is naar dat jochie, haar liefdeskind en verloren zoon, die zij van de gemene vader van haar jeugdliefde bij de geboorte moest afstaan toen zij zestien was, of zeventien, dat doet er niet toe, omdat hij haar van te lage komaf vond en haar eigenlijk zelf had willen bezitten, ja dat gebeurt; op iedere straathoek opeens dennenbossen achter hekken, met mannetjes in blokhutjes erbij, mannetjes van wie je nog geen tweedehands auto zou kopen, laat staan een dennenboom; o ja, over blokhutten gesproken, opeens alle café’s met hout betimmerd!; Glühwein, in iedere winkel ruikt het naar kaneel met nog iets en als ik ’s avonds thuiskom, hangt die weeë behaagzieke geur nog in mijn neus; de top 2000, da’s nog tot daaraan toe, maar de verhalen bij die nummers, intieme herinneringen van wildvreemde mensen die alsof het niets is hun harten uitstorten in mailtjes aan de presentatoren, die dat allemaal dan weer zomaar op de radio voorlezen, onzedelijk is het gewoon! om maar niet te spreken over die mannen van 50+ die dan op de tv bij die top 2000 doen alsof ze puberjongens zijn en al even schaamteloos als die wildvreemde mensen hun eigen jeugdverhalen over die nummers te vertellen, maar dan zó, dat het opeens intellectueel lijkt dat je vroeger platen van The Sweet (de vleesgeworden kerstmis) had, lieve help, laten ze dat verdringen zoals het fatsoenlijke mensen betaamt; van die kartonnen opvouwbare sterren voor de ramen met kleine gaatjes erin waar licht uit glinstert, aan een lullig lichtsnoertje dat uit de bovenste punt kronkelt waardoor al het feeërieke verdampt waar je bij staat; op zo’n beetje alle ruiten namaaksneeuwtekeningen van kersttaferelen, vooral veel klokken en hulstblaadjes, of, ook al van namaaksneeuw, tekeningen op de ramen van kleinere ramen waar dan zogenaamd sneeuw tegen aan gewaaid is; en waar je ook kijkt beren, herten, en elanden, gemaakt van gebogen lichtslangen die dan ter verhoging van weet ik veel wat, de sfeer waarschijnlijk, schokkerig aan en uit gaan; Coca Cola reclames waarin ze doen alsof het toverwater is waar je iedere ziekte of bederf mee kan bestrijden (voor zover ik weet is het prima spul om vastgeroeste schroeven mee los te weken, ik bedoel maar) en ze zonder blikken of blozen geluk presenteren alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, zo ongebreideld dat het om gek van te worden is, zo makkelijk kan het nooit zijn, is het ook niet, het spijt me, lees Spinoza en al m’n andere blogs: het is even moeilijk als zeldzaam, en je moet er je stinkende best voor doen; ja neem mij niet kwalijk ik ben cynisch, maar bij zoveel kitsch in één week móet ik mijn kont tegen de krib gooien (pun intended) al was het alleen maar om mijzelf niet te verliezen in mijn chagrijn en van de weeromstuit en stiekem toch vaker dan goed voor me is naar een kerstliedje te luisteren, Have yourself a merry little christmas van Cat Power, het enige kerstliedje waar ik me ieder jaar weer aan vastklamp, god mag weten waarom…
Eh omdat het mooi is… vooruit, ik ben niet alleen cynisch maar ook hoopvol, want als er mooie kerstliedjes bestaan, herstel: als er ééntje bestaat, dan zijn de wonderen de wereld nog niet uit en is een nieuw jaar misschien toch zo gek nog niet, daar kan van alles in gebeuren, dingen die je je niet hebt voorgenomen, maar die toch goed zijn…
Hm…
Misschien moet ik die eens gaan opsommen.
