In de enorme ontvangsthal van het centraal station in Den Haag stonden alle mensen bewegingsloos te staan alsof ze in het echt een maquette naspeelden, wat me wel een creatieve vondst leek om de opening van het nieuwe station mee te beginnen, om de cirkel rond te maken als het ware, maar niemand die op dat idee gekomen was, want ze stonden daar maar, verder niks.
Dus vroeg ik me af of ze misschien van een modern balletgezelschap waren dat op het begin van de muziek wachtte (wat een béétje creatief zou zijn, want zulke flash mobs zijn niet erg origineel meer, ieder centraal station heeft er al eens een op bezoek gehad gehad, op internet sterft het van de filmpjes erover, inclusief eentje die precies gaat over wat ik meemaakte).
Nee, het was anders, besloot ik. Een geniepig verkennersteam van buitenaardse indringers had hen versteend of bevroren of anderszins gefixeerd, op een manier waar wij aardlingen met de beste wil van de wereld de werking niet van zouden kunnen vermoeden.
Over creatief gesproken. Of outer space, dat is pas out of the box!
Vraag me niet waarom ik dit dan allemaal denk als ik ’s morgens om kwart voor zeven van de trein naar kantoor wandel. Ja, gewoon doorlopen in de alledaagse werkelijkheid kan ook, maar dat is verreweg de saaiste variant van alle scenario’s die zich op een dag in mijn hoofd aandienen.
Realiteit, dat is voor sukkels.
In dit geval was de realiteit frappant genoeg wel het ingewikkeldst, want hoe het ook zij, die mensen stonden echt allemaal stil in bizarre poses (ik laat even in het midden wat een bizarre pose is, weet wel dat ik niet snel ergens van sta te kijken).
God mocht weten waarom.
Ik had zelf namelijk geen idee. Ja, de bovenstaande.
Eh… dit leidde tot niets. Ik ging verder.
Ik keek nog een paar keer achterom om na te gaan of het allemaal echt was, want een zinsbegoocheling heb ik zo te pakken, maar er veranderde niets aan de hele toestand en ik besloot erin te berusten.
Leuk voor een blog, dacht ik nog.
Intussen was ik zonder dat ik het doorhad onder de ontmoetingswolk terechtgekomen.
Ontmoetingswolk?
Ja, dat is een nieuwe uitvinding van de spoorwegen, of van pro-rail, ik weet nooit wat het verschil is. Zij zelf ook niet, als ik het nieuws mag geloven.
Hoe dan ook, die wolk.
Dat is geen wolk.
Lijkt er niet eens op. Het is een zwevende kerstboom met veel te veel hyperactieve lichtjes, maar dan zonder de kerstboom.
Echt geen wolk. Laat staan ontmóétingswolk.
Ik heb er zeker tien minuten onder gestaan… Alleen!
Story of my life.
Ho, dat klinkt zieliger dan het is.
Ga ik het nu niet over hebben.
Hoewel het natuurlijk wel een beetje sneu was om daar te staan zonder iemand te ontmoeten, ook al was het een experiment dat ik ter plekke had verzonnen. Ik geef toe, een ander tegenkomen, in plaats van ontmoeten, had ik ook al mooi gevonden. Da’s vluchtiger, maar komt in de buurt.
Tegenkomwolk bekt dan weer niet zo fijn. En is raar, want elkaar tegenkomen is altijd toevallig. In ieder geval niet aan een plaats gebonden, laat staan aan een wolk.
Intussen was het alsof iedereen juist bij die wolk weg probeerde te blijven. Het was bij nader inzien ook wel een eng en dreigend gevaarte. Een kwaadaardig woekerende mistletoe van flitsen die een voor een het licht uit je ogen bliksemden.
Geen wonder dat geen mens zich bij me in de buurt waagde. Of dat was misschien omdat ik daar al een tijdje stond. Een mens kan wel even stilstaan in de hal van het station, maar na een poosje wordt zoiets raar, en nog wat later bizar, op de rand van verdacht.
Zie nogmaals hierboven.
Onder de ontmoetingswolk was ik zelf trouwens ook eng en dreigend, want het telkens verspringende licht maakte mij er natuurlijk niet vriendelijker op. Ik draag een hoed en iedere keer een akelige schaduw over mijn ponem schrikt af.
Snap ik ook wel.
Nee, die wolk was niks, en ik wilde verder lopen maar dat ging niet. Ik was zo stijf als een plank.
Eek!
Goed, toen ik besefte hoe het allemaal in elkaar stak, hadden ze me al bij de andere reizigers neergezet. En niet veel later verscheepten ze ons naar een ander sterrenstelsel. PGC 37617 om precies te zijn.
Daar sta ik nu. Te staan.
In een maquette van hun aanstaande vliegveld, of lanceerbasis, of wat het ook is, deze belachelijk grote vlakte waar ze hun duizenden zogenaamde ontmoetingswolken stallen.
Categorie archief: Overleven
Tiramisu

Ik ging uit eten. Met een hele afdeling beleidsadviseurs.
Wel ja.
Dat is natuurlijk een heel gedoe. Eindeloze voorbereidingen, plannen van aanpak en tenslotte een enorme excelsheet waarop onze namen stonden en in de andere achttien kolommen wat we wel en niet wilden, mochten, konden, durfden eten.
Ik lust alles, dus dat is makkelijk, zou je denken.
Écht niet. Want ik éét niet alles. Zeker niet buiten de deur. Nee, daar heb ik regels voor.
Ik heb overal regels voor.
Mijn leven is een soort verfilming van mijn eigen huishoudelijk reglement.
Goed, de regel is dat als ik uitga, ik altijd dingen bestel die ik zelf nooit maak omdat ze 1) te moeilijk zijn of 2) omdat ik te ver moet fietsen om de ingrediënten ervoor te kopen. Sinds ik ben verhuisd naar een buurt met zeventig nationaliteiten en ik om de hoek dingen kan kopen waar ik het bestaan niet van vermoedde en die ik soms niet eens aan durf te raken, zou ik die tweede regel dus makkelijk kunnen afschaffen, maar ja, ik ben een zenuwlijder, dus zomaar opeens iets overboord gooien, dat is wel een dingetje, eigenlijk.
Ga ik voorlopig niet doen.
Jammer genoeg had er op de menukaart niets gestaan dat aan mijn regels voldeed. Alleen maar dingen die ik zelf ook kon koken en die iedere buurtsuper ook heeft.
Ho, wacht even, voor u denkt dat ik kapsones heb en een etentje van de baas niet waardeer, dat is niet zo. Het gaat hier om de toepassing van een regel, hè! Daar zit ik nu eenmaal aan vast.
Had ik al gezegd dat ik een zenuwlijder ben?
Aangezien ik dus hele gewone dingen had besteld, wist ik niet meer wát.
Paniek!
Alle anderen waren het ook vergeten, maar die voelden zich niet schuldig. Die bloeiden juist op in de vrolijke wanorde die ontstond.
Hoe dat kan, snap ik niet.
De mensen van het restaurant werden er níét vrolijk van. Ze hadden de excelsheet geprint, wat aardig en voorzienig was, maar de mevrouw die aan het hoofd van de tafel kwam staan om onze namen en gerechten af te roepen, keek heel boos. Ze had ook hele lange nagels die ze drie weken geleden rood had gelakt. En een hese rauwe stem. En gitzwarte ongekamde haren.
Nu was ik dus ook nog bang.
En iedereen bleef maar doorkakelen, zodat ik niet kon horen of ze mijn naam riep. O, straks houden ze iets over en dan ziet iedereen dat ik vergeten was wat ik besteld had, dacht ik. De hele tijd dus. Ook nadat ze de gerookte zalm voor mij had neergezet.
Na de zalm kwam een biefstuk en daarna was het over, want we kregen allemaal hetzelfde toetje.
Pardon, dessért.
Dat zei de mevrouw met nadrukkelijke Franse tongval. Vergane chique is eigenlijk erger dan koude kak, stelde ik vast. Ze kwam weer bij onze tafel staan, nu met de kok naast haar. Hij droeg een groot blad waarop met vla gevulde whiskyglazen stonden.
Nu weet ik heus wel dat je van koken vies kunt worden, maar deze kok had het overdreven. Al een paar weken lang. Ik keek naar de spetters op zijn schort en dacht aan Dexter.
Ik was nu toch al bang.
‘Dames en heren, mag ik even uw aandacht?’ riep de vrouw. ‘Henry gaat u vertellen wat het dessért is.’
Henry wilde helemaal niet vertellen wat het dessert was. Hij wilde terug naar de keuken. Hij was niet voor niets kok geworden. Met pannen kon hij nog een beetje overweg, maar mensen… En dan 25 beleidsadviseurs tegelijk!
‘Het is Tiramisu,’ zei hij.
Zelden zo’n subtiel dreigement gehoord.
Kregen we toch nog iets wat ik niet zelf kan maken. Dat wil zeggen, Tiramisu wel, maar niet de variant van Henry. En het was ook meteen iets waar ik heel ver voor moest fietsen.
Op de vlucht dan.
Voor Henry.
Ik moet eens leren mijn brutale mond te houden.
Leidingzoeker

Ik zocht een leidingzoeker. Ja, iets zoeken wat iets zoekt. Leiding nota bene. Die man is helemaal de weg kwijt, hoor ik u denken.
Misschien.
Ik wilde een kapstok ophangen, maar dat durfde ik niet, want gaten in muren boren, dat is eng. Of laat ik voor mijzelf spreken, ík vind dat eng. Ik ben als de dood dat ik iets raak met mijn boor en rampen veroorzaak; de halve stad zonder licht, warm-waterfonteinen in de huiskamer, open verbindingen met de buren, dat soort dingen.
Ik ben een zenuwlijder, weet u nog? Ik zie overal beren op de weg. Maar goed, het leven gaat door en een mens moet wel eens iets ophangen.
Bang of niet.
Eigenlijk is het angst voor het onbekende.
Voor iets vreemds in de muur. Of achter de muur.
Ik ontwijk hier een enorme kans om uit te pakken met een metaforische les over muren en xenofobie. Laat ik dit zeggen: xenofobie los je niet op met een leidingzoeker.
Goed terug naar dat ding.
Prima woord, vind ik.
Leidingzoeker.
Ik ben in mijn carrière een paar keer leidinggévende geweest (ik gebruik dat woord alleen om het verschil met leidingzóéker uit te drukken, want eigenlijk is het een laf eufemisme voor baas of chef) en ik kan u vertellen, dat is eigenlijk de hele dag zoeken.
Twijfelen.
Nu ben ik dol op twijfel, maar je wordt er wel moe van. Iets zeker weten, dat heeft ook zijn voordelen.
Zoals rust.
Vandaar dat ik dat instrumentje zocht. Want het is dé hulp voor zenuwlijders die gaten moeten boren. Het kan zo vreemd niet zijn, wat er in of achter zo’n muur zit, of dat ding vindt het.
Gelukkig voelde de meneer van de ijzerwarenhandel met mij mee (Pijper in Utrecht, ga daar gewoon eens heen, ook als u niets nodig heeft, alle schroom voor techniek en de bijbehorende cultuur van mannen – ja, meestal mannen – die om hun professie voor zichzelf te houden geheimtaal praten, valt van je af als je daar binnenstapt want iedereen daar legt alles uit – de zaak is van een vrouw; ik ken geleerde chirurgen die veel van die mensen daar zouden kunnen leren).
Hij (de ijzerwarenman) was dan wel tussen de schroeven en pluggen opgegroeid, maar vond gaten boren ook een akelig avontuur. Telkens weer (wat ook een pachtig Nederlands lied van Willeke Alberti is, dat ze prompt in mijn hoofd begon te zingen, het gaat over liefde, of eigenlijk de herhaalde en vergeefse pogingen om iemand lief te hebben, wat in een ijzerwarenwinkel een beetje out of place is, maar ja, ik neuriede het al mee).
Nee, de man wist precies wat ik bedoelde (met boorangst, niet met liefdesverdriet, dat wist-ie misschien ook wel, maar daar hadden we het niet over) en trok resoluut een doos te voorschijn, die hij met het plastic venster naar boven op de toonbank legde. Hij liet me er even naar kijken.
Om eraan te wennen, denk ik.
Daarna vertelde hij me wat ik allemaal met het ding kon vinden. Leidingen dus (niet goed!), maar ook metaal (vlechtwerk in beton, niet goed!) en hout (balken achter gipsplaten, goed!).
Was alles maar zo eenvoudig in het leven. Liefde bijvoorbeeld (Willeke zong gewoon door). Een apparaat dat je met lichtjes laat zien wat je zoekt en wat je vermijden moet. Exit twijfel!
Ja, saai, maar ik zou er af en toe (nu ook, op weg naar het nog steeds onzekere einde van dit blog) meteen voor tekenen.
Ik naar huis, zes en dertig keer de batterijen op een andere manier in het apparaat gestopt (ja, dat kan niet, weet ik ook, toch deed ik het, want het ding gaf geen sjoege, geen piep of lampje, niks, tot ik eindelijk de minuscule plusjes en minnetjes op de metalen contactjes zag staan en gelukkig ook op de batterijen, want ik vergeet altijd wat op die dingen plus en min is) en toen tegen de muur gehouden. Vier keer horizontaal langs de muur bewogen, zoals in de gebruiksaanwijzing stond. Geen leiding, geen ijzeren vlechtwerk, niks.
Hm. Daar stond ik, alleen in mijn halletje, alle seinen op veilig, en toch weer twijfel.
Niks exit.
Eigenlijk ben ik daar dus helemaal niet dol op.
Twijfel, me reet.
Zo’n kapstok, wat heb je daar nou eigenlijk aan? Die jassen liggen toch prima op de bank? Daar zit ik toch nauwelijks op. En mijn hoeden, die komen juist mooi tot hun recht op de vensterbank, heel nonchalant en toch ook sjiek.
Ik legde mijn boor neer.
Hm…
Daar trapte ik niet in, oud en wijs genoeg om mijzelf te doorzien, ook al lijd ik aan hele erge cognitieve dissonantie. Ik haalde diep adem en sloot mijn ogen. En ik zag een scène uit Gravity (dat is een film) voor me. De hoofdpersoon zweeft ergens in het luchtledige en wil naar huis, maar ze weet echt niet meer hoe ze terug moet en geeft het op, trekt overal de stekkers uit, en gaat liggen wachten tot ze dood gaat. Dan droomt ze dat haar dode en ogenschijnlijk herrezen collega haar bezoekt, die zegt – ik parafraseer nu en vat samen – ‘ja geef maar op, lekker makkelijk. Dan ga je gewoon niet naar huis.’
Dat boren kreeg opeens reusachtige symbolische betekenis. Angst voor mijn angsten, dat was het eigenlijk. Ik kreeg de zenuwen van mijn eigen zenuwen.
Dat heb ik weer.
Télkens weer (“als een vlam omhoog, uit de oude as“, Willeke was terug).
‘Na, na, nana naa!’ jende m’n boor vanaf de grond. Dwars door Willekes hartverscheurende laatste regels heen. Ik greep het ding beet, boorde als een razende vier gaten in de muur en wachtte hyperventilerend op de rampen.
Niks.
Hoera!
Rust.
Op Willeke na dan, want die bleef maar zingen. lieve help, zo zeldzaam is echte liefde nou ook weer niet.
Toch?
Zeg maar niets meer

André Hazes. Om kwart voor drie in de nacht. Dat wil zeggen, een lied van André Hazes. Hij zelf natuurlijk niet. Ook niet in een of andere bizarre droom. Nee, ik was wakker.
Door dat lied.
‘Zeg maar niets meer.’
Dat was de titel van het lied. Starend in het donker wist ik dat nog niet, want om een of andere reden bleven de jongens van het hengstenbal bij de achterburen (want die zongen het) telkens hangen bij ‘maar dit is de laatste keer!’ Met een uitroepteken dat niet in de officiele tekst staat.
Ik heb dit de volgende morgen opgezocht, of eigenlijk een uur of wat later al, toen ik om niet krankzinnig te worden maar opstond, nee, op de rand van mijn bed ging zitten en die ene godvergeten zin van André googelde om ook de rest van het lied te weten, en te horen, en te zien, want nu wilde ik alles in mij opnemen, in mij opzuigen zelfs, ja ik was niet meer te houden, ik haalde diep en dieper adem alsof ik Hazes zelf was… en alles kwam weer terug!
Kwam weer terug?
Ho, ik ga te snel. Onthoud deze bekentenis en lees gewoon door.
Terug naar dat uitroepteken dat er niet was, maar dat ze wel zongen. Die jongens.
Heel erg zongen.
Om dan vervolgens niet meer te weten hoe het verder ging.
Dat lied. Die zin. Ja, zelfs die ene zin verhaspelden ze iedere keer.
Nou vind ik keihard zingen in de nacht tot daar aan toe, iedereen doet dat wel eens, denk ik, in een bepaalde fase van zijn leven (ja, zíjn leven, vrouwen doen dat volgens mij niet, zingen in de nacht, ik weet niet waarom niet, kan iemand dat eens uitzoeken voor mij?), maar keihard zingen om 02:45 en dan alleen de eerste regel van het refrein, steeds opnieuw, en steeds net verkeerd, dat is irritant.
Strafwaardig, om eens een akelige hedendaagse constructie te gebruiken (iedereen plakt tegenwoordig overal ’waardig’ achter, heel deftig).
Goed, er zijn mensen die voor minder de politie bellen. Die durven dat. Ik bedoel dan dat ze er niet voor terugschrikken om 112 lastig vallen met de klacht dat er een paar dronken gozers lawaai maken.
Ik durf dat niet, omdat ik dan zonder dat de meneer/mevrouw aan de andere kant erom vraagt, ga uitleggen welk lied het is dat ze zingen (die jongens), en me dan vergis en die meneer/mevrouw nutteloos bezet hou omdat ik twijfel over de juiste tekst, interpunctie, melodie, rijmschema, et cetera.
Dus ik blijf wakker liggen en doe niks.
Dat is in mijn leven heel vaak het beste.
Alhoewel, als ik niets dóé, ga ik denken. In mijn bed en in het donker is dat niet goed. Laat staan het beste.
Er was iets met dat lied, drong heel langzaam tot me door. Ik was niet van de branieschoppers en hun gezang wakker geworden, maar van een herinnering.
Maar van welke?
Ik heb er heel veel.
Het was een nare herinnering, dat had ik zo onderhand wel door.
Daar heb ik er ook heel veel van.
U mag er gratis een paar komen ophalen, als u wilt.
Goed, verder verdringen heeft dan geen zin meer, weet ik inmiddels, dus iPhone erbij.
Zo’n lied is niet moeilijk te vinden. Na twee woorden staan de hits (no pun intended) met miljoenen om aandacht te juichen. Angstwekkend is de menigte die zelf niet vreest. Die is niet van mij, maar van Spinoza, die het weer van Tacitus heeft, ja mensen het spijt me dat ik dat allemaal hier optyp, maar ik moet dat, en niet om erudiet te doen, maar om te voorkomen dat ik gek word (die is dan weer van Gerard Reve, die ook een zenuwlijder was, maar mooier schreef dan ik, dat is echt waar).
Ik durfde niets aan te tikken en legde het ding weer weg. Wel knap hoe gevoelig ze die schermpjes tegenwoordig kunnen maken hoor, maar wat een mens allemaal niet teweeg brengt met het minste gebaar, dat is zo’n beetje gevaarlijk aan het worden…
Hazes begon te zingen vanaf mijn nachtkastje.
Hm… er begon me iets te dagen.
ik zette m’n iPhone harder.
God wat kon die man mooi zingen.
Mooier dan ik. Maar ja, hij stond niet ongenodigd op de bruiloft van zijn jeugdliefde te galmen. En hij hoefde niet naar lucht te happen omdat er vijf mannen op hem waren gesprongen.
Tja… geen plan B, dat is altijd mijn makke. Ik had wel de tekst en melodie dertig keer geoefend, maar niet nagedacht over hoe zo’n partycrash op anderen over zou komen. Dus een vluchtweg had ik niet.
Jeanette vond het zelf wel grappig trouwens, meende ik me te herinneren (ja ik zag het allemaal weer helder voor me).
Haar broers en vader dus niet.
Carré zong intussen met Hazes mee.
iPhone nog iets harder. Ik zong ook mee.
Eerst in gedachten.
Zo’n tekst vergeet je nooit meer. Ik haalde diep adem en voegde me feilloos in de zingende massa.
Heerlijk, zo’n samenzang!
Goed, er zijn mensen die voor minder de politie bellen.
Zoals de jongens van dat feest, die inmiddels allemaal moe van het zingen in slaap gesukkeld waren.
Pervers
Perverse prikkels, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ja, een rare term voor iets dat gedrag motiveert om oneigenlijke redenen en zodoende juist het verkeerde gedrag veroorzaakt. Een fenomeen dat optreedt zodra geld de achterliggende drijfveer van beleid is en een telraam de manier om te controleren of dat beleid lukt. Een bekend voorbeeld is dat van Hans de Bruijn over rattenvangers.
Stel je wilt dat dijken heel blijven. Dan moet je iets doen aan muskusratten, want die graven ze kapot. Je stelt rattenvangers aan en betaalt ze per gevangen rat. De rattenvangers gaan ratten fokken. Als je erachter komt dat je wel veel dode ratten hebt, maar geen waterdichte dijken, sta je tot je knieën in een ondergelopen uiterwaard te soppen.
Als ik van mijn werk naar het station loop om naar huis te gaan, moet ik daar altijd aan denken. Aan die perverse prikkels. Niet aan die uiterwaard. Of die knieën.
Trouwens, toen ik eens in het Engels aan een mevrouw van de probation wilde uitleggen wat dat was, een perverse prikkel dus, kwam ik in een heel vreemd en nogal ongemakkelijk gesprek terecht. In een hippe comedy of errors of sitcom met een professioneel acterende stuntel levert dat veel vermaak en een sprookjesachtig einde op, maar niet in mijn leven. Ik was al blij dat zij geen aangifte deed.
Eh… waar was ik?
O ja, op weg naar huis. Dan kom ik altijd langs een reusachtig gebouw in aanbouw of verbouw (het verschil kan ik niet zien, heb ik geen verstand van, maakt voor het verhaal ook niet uit…) met een schutting er omheen en een keet daarachter waarop een bord staat met de tekst: ‘Al 112 dagen zonder ongevallen met verzuim’.
Die 112 heb ik nu verzonnen, want elke dag staat er natuurlijk een ander cijfer, maar ‘..’ (puntje, puntje) typen, dat vond ik niks (dat is ook niks, letterlijk, eh… Letterlijk? Nou ja, u begrijpt wel wat ik bedoel, lieve help dit wordt een lang blog, als ik zo doorga).
Overigens zit ik er niet ver naast met dat getal, want afgelopen week heb ik het volgens mij zien staan.
Onthoud in ieder geval meer dan honderd. Om een idee te hebben.
Er staat geen uitroepteken achter de zin (ik bedoel het citaat), maar dat had makkelijk gekund, want er spreekt triomf uit, vind ik.
Trots.
Mag ook wel.
Want 112 dagen zonder ongevallen, dat is geen kattenpis. Probeer zelf maar eens een beetje te klussen zonder op je vingers te slaan of je hoofd te stoten. Ja, dat noem ik ongevallen. Je moet zo’n begrip ruim zien. Anders stelt dat getal ook geen snars voor. Om een of andere reden zie ik bij al die glorievolle dagen vol ongebeurde ongevallen een indrukwekkend zwaar gebouwde maar ook heel goeiige voorman (denk aan iemand met het postuur van de dokwerker) die de voorzichtigheid zelve is en dat zo overtuigend in zijn bouwput weet uit te stralen dat alle mannen onder zijn hoede magisch onaantastbaar rondklossen.
Ja, soms zie ik dat soort dingen. Misschien zijn het dagdromen. Ik ben op weg naar huis als ik dat bord zie, weet u nog? Dan valt alles van me af.
Maar goed, lang droom ik niet want telkens begint er meteen iets aan me te knagen.
Dat ‘met verzuim’.
Een geniepige kanttekening bij de triomfantelijke veer in eigen reet, die alle glans van de prestatie wegneemt. En mijn droom verpest.
In plaats van de lobbes met zijn mannen, zie ik een of andere dorknoper van personeelszaken die de statistieken van het verzuim rozegeur en manenschijn wil geven.
Ja, noem me een lettervanger, maar zodra dat ‘met verzuim’ in mijn gedachten postvat, denk ik mijzelf: ja, dan kan ik het ook.
De Messiaanse voorman die al zijn mannen toverachtig voor letsels behoedt, verandert in een brute despoot die hen dwingt om met gebroken benen en/of zwerende vingers door te werken en ze ontslaat als ze een dagje thuis willen blijven om een beetje te herstellen van een of andere hoofdwond. Of ik zie, in een minder gewelddadige versie van het verhaal, een of andere construction manager die heel bijdehand en gewiekst alle kwetsuren onder de vlag van ‘ongevallen’ vandaan redeneert door telkens de definitie ervan bij te stellen. Wel een hoop verzuim, maar niet wegens ongevallen, omdat een gebroken been gewoon pech is. Kan iedereen overkomen. Blijf maar lekker thuis, maar noem het geen ongeval.
In beide varianten levert de voorman precies wat zijn chef personeel hem gevraagd heeft, zonder het doel te bereiken.
Dat is pervers.
Of laat ik zeggen, niet de bedoeling.
Averechts.
Contrarily.
Pipa

‘Heb je mijn mailtje gehad? En de bijlage gelezen?’ vroeg een rommelig gekapte vijftiger aan een oudere man die hem en zijn metgezel een natte hand gaf terwijl hij hen probeerde aan te kijken door zijn beslagen bril. Hij knikte en de man met het rare haar knikte ook, alsof hij daar al bang voor was. (Wicky de Viking was mijn hardnekkige associatie, en ik merkte dat ik de hele tijd op zijn triomfantelijk geheven eurekavingertje zat te wachten).
‘Wat vond je ervan?’ vroeg hij met meteen een antwoord erbij: ‘Nou ja, ze bieden wel hoop, ook al is het een afwijzing, want we hebben veel pluriformiteit.’
Het was een bewering die aan het tafeltje weinig meer teweegbracht dan overdenking. De derde man die tot nu toe heen en weer van zijn laptop naar de andere twee had zitten kijken, fronste zijn wenkbrauwen.
Hij snapte er net zoveel van als ik.
Veel pluriformiteit.
Dat klonk als een pleonasme. De helft verbodig.
De hele wickie-man was een pleonasme, trouwens. Kan dat? Weet ik niet, hij was het. Vraag me niet hoe. Alles wat hij deed of zei was dubbelop. Geen herhaling, maar verdubbeling. Vergroting. De scheppen suiker in zijn overvolle kopje koffie verkeerd gingen gepaard met luid gesnuif, het schuim kolkte terwijl hij roerde, en de herrie van zijn geslurp begeleidde hij met uit het niets opdoemend geneurie. Ik weet niet hoe mensen dat voor elkaar krijgen, in hun eentje twee of drie tegelijk zijn. Ik vind één mens zijn al ingewikkeld.
Hun gesprek ging verder en al snel lieten ze hun bespreking van de kennelijk afgekeurde subsidie-aanvraag voor wat het was. Wicky gaf een puntsgewijze samenvatting van de kordate stappen die ze zouden nemen om een herkansing in de tweede termijn te wagen. De stille typte ze in zijn laptop, waarna ze vol vertrouwen in een goede afloop meteen aan de opzet van de pipaworkshop voor pubers begonnen die ze met de subsidie gingen organiseren.
Dit is echt waar.
Een pipaworkshop.
Voor pubers.
Ik ben helemaal gek van muziek en sinds mijn elfde een veelvraat, luister echt naar álles, maar toen een huisgenoot van mij na een vakantie uit China terugkwam met een integrale opname van een pipaconcert dat hij daar had bijgewoond en hij niet rustte voor hij die van begin tot eind op een door hem zelf georganiseerde culturele avond mocht afspelen in het wijkcentrum waar ik vrijwilligerswerk deed, inclusief dia’s en zijn aanvullend ooggetuigenverslag, wist ik waar de grens van mijn liefde voor muziek precies lag.
Bij de Chinese muur (inmiddels niet meer trouwens, dank zijn het Kronos Quartet en Wu Man)
Ik kon me niets meer van die avond herinneren, allemaal verdrongen. Ik googelde ‘pipa’ op mijn iPhone om mijn geheugen op te frissen.
Intussen namen de mannen de workshop door. Ze zongen elkaar frases voor die ze gingen gebruiken (‘ping, pung, peng peng peng, pong!’) vroegen zich had radeloos af waar ze de rij voor de deur heen moesten leiden als het storm liep, bespraken de breedte en kleefkracht van het plakband waarmee ze de posters op gingen hangen, tekenden een plattegrond van de instrumentenopstelling op een groot vel papier, zochten op internet naar voorbeelden van jeugdtaal om een ‘vette titel’ te verzinnen, en om de beurt probeerde een van de drie zich te herinneren waar hij ook alweer iets (een of ander attribuut dat handig zou kunnen zijn) op zijn zolder had weggelegd.
Ik begon die pluriformiteit steeds beter te begrijpen. Het was een ander woord voor warboel.
Ik zuchtte.
Dat had ik niet moeten doen.
Wicky hoorde me, bekeek me, en kwam naar me toe. Voor ik het wist gaf hij me een klap op mijn schouder.
Nogal hard.
Agressief, eigenlijk.
‘René!’ riep hij. ‘jij bent toch René Poort?’
Nee! De huisgenoot!
’Helaas, dat is mijn neef,’ hoorde ik mijzelf zeggen.
Hij bond in en bekeek me nog eens. ‘Tss, ik zou gezworen hebben…’
‘Ja, dat horen we wel vaker. Onze vaders waren een eeneiïge tweeling.’
Hij ging tegenover me zitten. ‘Maar dan ben jij de neef die in China heeft gewoond!’
Ik moet toch eens beter uitkijken met wat ik allemaal bij elkaar fantaseer. Waarom heb ik een neef in China?
Dat wist Wicky: ‘De pipa-kenner!’
Hm, dit werd ingewikkeld. Ik was nu mijn eigen ‘Chinese’ neef, die Pipa-kenner was.
‘René heeft ooit een afspraak tussen ons geregeld omdat jij Liu Dehai naar Nederland zou kunnen halen voor een exclusief optreden in het wijkcentrum.’
En impressario.
‘Ja, hoor. Liu Dehai,’ zei ik. ‘Samen met Seiji Ozawa en the Boston Symphony Orchestra zeker.’
Lang leve internet.
Wicky zweeg. Ons gesprek stokte. ‘Je kwam niet opdagen,’ zei hij ten slotte. ‘En die hele avond ging niet door.’
‘Het spijt me. Ik zat waarschijnlijk gewoon in China.’
’Ja, dat denk ik ook… En nu, terug in Nederland?’ Ik knikte. ‘Maar natuurlijk nog steeds pipa-liefhebber. Als dat instrument je eenmaal gegrepen heeft…’ Hij keek me aan. In zijn blik zag ik langzaam zijn pleonasme weer tot leven komen. Het was eigenlijk meer een soort manie, zag ik nu. Hij ging rechtop zitten en wenkte zijn tafelgenoten. ‘Raad eens wie hier zit!’
Enfin, vijf minuten later zat ik zwetend over hun papieren gebogen, tuurde ik in de laptop om het programma te beoordelen, gaf ik argumenten voor een nog betere subsidieaanvraag, en luisterde ik huiverend naar de composities die zij me voorspeelden.
Op luchtpipa’s!
Na een uur of wat namen we als goede vrienden afscheid.
Nu moet ik alleen iets verzinnen op die workshop. Want die ga ik niet leiden natuurlijk.
En mijn neef ook niet.
Geluk
Als je een niet zo heel smerig maar ook weer niet echt schoon cafétoilet binnenstapt, de lucht van de luchtverfrisser, of misschien wel de waterverfrisser of hoe heet zoiets wat aan de rand van de pot hangt, ruikt, nee opsnuift, opzuigt alsof het een of andere verlossing is, het einde van bedompte ademnood, en je dan bij je eigen denkt, oh god een vrouw die zo’n geur draagt, zou ik meteen ten huwelijk vragen, dan is het tijd om toch maar eens de balans van je leven op te maken – vraag me niet waarom precies dán – of althans die van een mooie afgeronde periode, want je hele leven, dat is echt niet te doen in die paar minuten dat je op die plee zit, dus bijvoorbeeld alleen de tijd die verstreek sinds je alles achter je liet en opnieuw begon, laten we zeggen het hele vorige jaar, waarin je dus opnieuw wilde beginnen, met een schone lei, lege bladzijde, blanco, om alle oude fouten te vergeten en geen nieuwe te maken, goede voornemens uit te voeren, terwijl je tegelijkertijd ingesleten gewoontes die niets dan belemmeringen en balast waren zou afleren, om een leidraad te vinden voor de rest van je leven, welja, om er voor de zoveelste keer achter te komen dat die belemmeringen of balast of wat al niet meer wel mooi de enige houvast vormden – nee vormen, tegenwoordige tijd! – in god beter het om het even welke fase van je leven dan ook, inclusief de toekomst, waarschijnlijk, en je ze niet missen kunt, omdat die, godverdomme-zonde-dat-ik-het-zeg, nou precies dat zijn wat je bent, een bijna oude zenuwlijder die niet zonder zijn zenuwen kan en bij het minste of geringste sentimenteel wordt, ook op de w.c. van een kroeg, kort voor twaalf uur op de laatste dag van het jaar, maar wel met de tegenwoordigheid van geest om dit allemaal te noteren, want, ja, dat doe ik, met mijn duim, letter voor letter typ ik alles in mijn iPhone, die telkens op zwart gaat als ik te lang nadenk over een volgend woord, de precieze betekenis ervan wik en weeg tot ik gek ben, waarna ik het ding weer tot leven wek en als een kind zo blij naar het scherm lach, omdat ik op dat scherm een herinnering heb geïnstalleerd, dat wil zeggen een foto die me aan iets van vroeger doet denken, aan een wandeltocht door de Drunense duinen met mijn vader en moeder, zij hand in hand voorop en wij, de kinderen, in de bolderwagen, die mijn vader voorttrok en voorttrok en voorttrok tot we zoals gewoonlijk verdwaalden, dat voelde ik de hele weg al, hoe mooi is zoiets, dat je zo klein als je bent al ergens in je achterhoofd of je hartje weet dat welke reis je ook met je ouders maakt je altijd ergens anders uitkomt dan de bedoeling is, en dit is geen metafoor, we raakten gewoon altijd de weg kwijt, maar dat was niet erg, want het kwam altijd goed, zoals toen ook, toen we opeens een open plek opreden, een tra van rul zand, waar de wagen in weg zakte zodat we niet verder konden en mijn ouders gewoon op de grond gingen zitten, omdat ze van de slappe lach niet meer konden staan en wij toch alledrie al bijna sliepen, mijn broertje, mijn zus en ik, dus wat maakte het allemaal uit, we hoefden nergens heen, zeiden mijn vader en moeder tegen elkaar, dit was een mooie plek om uit te rusten en niks te doen, dus dat deden we, uitrusten en niks, en ik staarde slaperig omhoog, naar de zon die door de bladeren scheen, en dácht ook niks, of nou ja, ik dacht, wat is niks eigenlijk, wist ik niet, maar als dit het was, deze warme zomermiddag, een onzichtbare deken van zoemende insecten en kwetterende vogels waar het zachte grinniken van mijn ouders langzaam in verdween, mijn broertje en zusje warm en loom tegen mij aan, een ritselende groene hemel boven mij, overal de geur van mos, en alles oneindig alsof de tijd stil stond en dit moment nooit meer op zou houden, als dat niks was, dan was niks het mooiste wat ik ooit had meegemaakt… over balans opmaken en een leidraad vinden gesproken, dat had ik al gedaan, op die middag in dat bos – ja, toen ik zeven was al! – alleen dan zonder dat ik het wist, om er pas vijftig jaar later opeens aan terug te denken bij het zien van een foto ergens op internet en nog wat later pas te beseffen dat het niet zomaar een herinnering was, maar een herinnering aan niks, aan niks hoeven.
Dat heb ik weer.
Nee, positiever.
Ik héb het!
Eindelijk.
Nu vasthouden.
Minstens een jaar.
Geluk, bedoel ik.
Moet ik kunnen.
Ik hoop u ook.
Vergiffenis

Op het jaarbeursplein zag ik mijn fiets.
Mijn gestolen fiets.
Mijn víérde gestolen fiets.
Het weerzien viel nogal tegen, vooral doordat de kennelijk nieuwe eigenaar vertrouwelijk op het stuur leunde alsof hij godbeterhet met het ding verkering had.
Als ik een fiets verlies, ga ik altijd alle fasen van rouw door en bij deze zat ik nog midden in woede, en de nieuwe man van mijn fiets wakkerde die gewetenloos aan.
Ja, hij wist van niks, dat snap ik, maar dat telde niet, vond ik, want ergens kon hij heus wel vermoeden dat die fiets niet kosher was. Toch?
Het was zo’n tegen zijn zin volwassen geworden dertiger. Hipster hoedje, baard, T-shirt van een jaren negentig band waar hij kernnelijk nog steeds aanhanger van was, te grote cargobroek (ik weet dat zoiets baggy heet, maar dat maakt het niet minder potsierlijk) met nodeloze ruiten en dito zakken (een driekwart model trouwens, dus harige kuiten voor de hele wereld zichtbaar, hoe aanmatigend is dat?), en de onvermijdelijke Chuck Taylor All Stars. Of nee, Adidas Superstars geloof ik. Nou ja, wat maakt het uit, alles bij elkaar een compleet fantasieloze, wat zeg ik, bloedeloze outfit en hij hing daarmee pontificaal de eigenaar van mijn fiets uit.
Welja.
Die outfit was tot daaraantoe, hoewel zoiets best ergens in het wetboek van strafrecht mag komen te staan, vind ik, maar hij had ook nog eens zonder iets aan mij te vragen zo’n hippe houten zogenaamde veilingkist op mijn voordrager geschroefd (onvermijdelijke Freitag messenger bag erin, schouderband over de rand) en maar liefst twee kinderstoeltjes op de fiets gemonteerd. Dat voelde toch als een soort inbreuk op de lichamelijke integriteit.
Voor en achter!
Eh, dat staat hier opeens erg raar. Ik bedoel die stoeltjes.
Ik heb helemaal niks tegen kinderen op een fiets in een stoeltje hoor, maar terwijl ik de man, die nog steeds doodgemoedereerd over het stuur van mijn fiets hing, nog eens bekeek, kreeg ik steeds meer sympathie voor W. C. Fields, de man die misantropie in het algemeen en kinderhaat in het bijzonder op een hoger niveau had weten te brengen.
Ja, dat kan.
Mijn haat jegens de dief die ooit mijn fiets gestolen had, was opeens níéts vergeleken bij de weerzin die deze man aan wie hij hem verkocht had, opriep. Die was kennelijk niet te beroerd om een fiets met slechts één paar sleuteltjes te kopen (ja, de dief had ingebroken terwijl ik thuis was en had toen hij daarachter kwam zich beperkt tot plundering van mijn kapstok, waar nogal wiedes mijn jassen aan hingen, waaronder de jas waarin mijn fietssleutels zaten, die hij dus pikte om mijn fiets te mee te nemen).
Als die man (i.e. de heler) dan toch zo graag would be modern wilde zijn, waarom had hij dan niet gewoon de oude zeventiger-jaren-racefiets van zijn vader helemaal gestript en omgebouwd tot een onbestemd grijs gespoten fixie met zo’n lullig recht stuurtje, kurken handvaten en gifgroene banden?
Ja, waar laat je de kinderen op zo’n fiets. Die laat je gewoon thuis bij je vrouw, ook net als in de jaren zeventig. Ja, ik bedoel dan de jaren zeventig van vóór de tijd dat opeens de halve intelligentsia in zelf gebreide paarse tuinbroeken rond ging lopen en iedere ziel excommuniceerde die per ongeluk timmerman zei in plaats van timmermens.
Ja, kinderen zo een tijd heeft bestaan.
Maar laat ik niet te cynisch doen, want ik deed er ook aan mee, heb zeker twee wollen dassen gebreid en één kabeltrui.
Een groene, dat dan wel.
Ja, jeetje, ik dacht toen nog dat ik ergens bij moest/kon horen.
Allemaal verspilde moeite.
Zoals mijn woede, besefte ik opeens. Ik moest denken aan de gierende nijd die me een tijd geleden had overvallen toen iemand op marktplaats me genept had met een regenjas die niet alleen naar natte hond en zware Van nelle rook, maar die ook een nare winkelhaak bij de linkerzak had, en die toen ik hem, alle teleurstelling ten spijt, toch maar eens aantrok – altijd hoopvol blijven, zelfs als je niet weet wat je hopen moet – een damesjas bleek te zijn, die me wonder boven wonder paste, ware het niet dat de coupenaden om vulling schreeuwden, vulling die ik, geluk bij een ongeluk – zie je wel, altijd blijven hopen – niet had.
De correspondentie die ik met ingehouden woede componeerde en aan de man (kon ook een vrouw zijn, ik had geen flauw idee tot hoe ver het bedrog zich strekte) zond, besloot ik ten slotte met een derde bericht vol louterende vergiffenis die ergens uit mijn eigen binnenste opwelde als een of andere openbaring die ik al die tijd over het hoofd had gezien. ‘Ik hoop oprecht dat je iets moois of nuttigs met het geld hebt gedaan’, schreef ik.
Weg woede, ergernis en wat al niet meer.
Vraag me niet hoe ik het deed, ik deed het.
Zou ik het weer kunnen? Bij die man?
Toeval bestaat niet. Zij hoedje waaide af en hij moest kiezen, erachter aan en de fiets alleen laten of de fiets vasthouden en het hoedje nakijken. Ik stapte op hem af en zei dat ik zijn fiets wel even vast zou houden. Hij glimlachte en rende weg.
Je hoeft mij niet te vertellen wat een man allemaal voor zijn hoed overheeft.
Even later keerde hij hijgend terug.
‘Dank je wel,’ zei hij.
‘Graag gedaan.’
Hij pakte het stuur over en keek naar beneden. ’Shit, een lekke band. Dat zie ik nou pas.’ Hij lachte. ‘Nou ja, je kunt niet alles hebben.’ Hij drukte het hoedje wat vaster op zijn hoofd.
Ik knikte.
‘…’
Toch wel moeilijk hoor, vergeven. Zeker twee keer kort achter elkaar. En ik moet die jaren zeventig ook nog verwerken.
He no this
De steeg was eigenlijk geen steeg, maar gewoon een smal straatje. Je kon er zonder problemen in- en uitlopen, en eenmaal onderweg, kon je eenvoudig op je schreden terugkeren.
Dat zag je zo.
In een zuivere steeg is dat allemaal niet zo makkelijk. Dan moet ik over een drempel om erin te stappen (ja, niet echt, figuurlijk), en zou er al na twee, drie stappen aan omdraaien geen denken meer zijn.
Het is een ziekte.
Wie een echte steeg betreed, is roekeloos of wanhopig.
Vind ik.
Dus ik mijd stegen.
Dit smalle nepstraatje niet.
Dom!
Ik zag de man pas toen ik al halverwege was. Te laat. Hij was vastberaden naar mij op weg als iemand die niets te verliezen heeft.
Een bedelaar.
Ik berekende snel hoeveel kleingeld ik nog had. Zes cent. Dat was
niets. Een tientje had ik wel.
Hij hield mij staande en haalde meteen een waaiertje van plastic pasjes tevoorschijn om me een verhaal te vertellen. De pasjes waren de plaatjes.
Bij ieder volgend pasje werd hij treuriger, want het hele verhaal was een inleiding op een ongeluk met zijn broer die hij in Groningen in een ziekenhuis had moeten achterlaten: een wit pasje van het academisch ziekenhuis waar hij naast hem had gelegen.
‘My brother very sick,’ zei hij, ‘and he no this!’ Hij schoof zijn verblijfsvergunning bovenop het stapeltje en zette er met zijn vinger een kruis over.
Ik keek naar zijn bleke pasfoto.
‘He no this!’ hij keek me aan om te zien of ik het begreep. Ik knikte. ‘If better, he must go!’ Hij deed met zijn hand een vliegtuig na. We staarden er achteraan. ‘My brother, I want visit.’
Ik ben van beleid en heb natuurlijk bedelaarsbeleid. Dat is heel eenvoudig: ik geef altijd. Simpeler kan niet. Het tegenovergestelde beleid – nooit iets geven – is ook simpel, maar dat vind ik harteloos. En iedere variant van halfslachtig ander beleid – soms wel, soms niet geven – heb ik verworpen, omdat ik daarvoor moet bepalen welke criteria ik voor geven of niet geven gebruik, al een heel gedoe an sich, en ik dan ook nog eens telkens in enkele tellen alles op een rijtje moet zetten om een juist oordeel over een vreemde te vellen.
Over gedoe gesproken.
Ik ken mijn grenzen, dus dat doe ik niet. Geen criteria. Geen oordelen.
Het laatste pasje dat hij te voorschijn trok was een glimmende pinpas. Hij wilde namelijk geen geld kríjgen, maar lénen en dat ding was het bewijs van zijn bankrekening en dus zijn goede trouw. Ik hoefde alleen maar even mijn eigen rekeningnummer voor hem op te schrijven, zodat hij het bedrag weer kon terugstorten zodra hij weer geld had.
Een geniale zet. Principiële weigeraars zou hij er natuurlijk niet mee winnen, maar twijfelaars zouden niet tegen de absurditeit opgewassen zijn, en gewoon iets geven zonder terugstorting te verlangen, om er vanaf te zijn.
Maar een ‘altijd-gever’ zoals ik, bracht hij met zijn bizarre voorstel in de war. Want moest ik hem een lening verstrekken of zomaar iets geven?
Nou ja, iets… een tientje dus. En ofschoon ik best een tientje kon missen, en ik het graag gaf, leek me nu een tientje opeens meer iets om te lenen dan om te geven. Maar om nou mijn gironummer en andere personalia aan de man te geven, dat vond ik weer iets te ver gaan.
Te intiem.
Langzaam drong tot me door dat ik liever had gehad dat hij gewoon een bedelaar was gebleven.
Het zweet brak me uit. Ik met mijn beleid ook altijd.
Dat zag de man. Hij vatte zijn verhaal nog eens bondig samen, in omgekeerde volgorde: eerst de vermaledijde pinpas; daarna het ding van het ziekenhuis; en tot slot de verblijfsvergunning met een kruis erdoor.
‘He no this.’
Het klonk alsof hij huilde, maar dat kon ik niet zien, want ik tuurde naar het einde van de steeg. Ja, het straatje was opeens een steeg geworden. Ik kon geen kant op. Verstrikt in een stenen fuik.
Ik was blij toen ik eindelijk de markt op stapte.
Aan de man, die voor mij liep, was niets te merken. De steeg had hem niets gedaan. Hij was wanhopig.
Of roekeloos.
En nogal vrolijk, aan zijn tred te zien.
Ik staarde naar de grond om niet te zien waarheen hij verdween.
Het syndroom van Brompton
Tegenwoordig ben ik een forens. Toen ik als kind voor het eerst dat woord hoorde, leek me dat geweldig. Een forens zijn, dus.
Mooi woord, toverachtig fenomeen.
Later (toen ik groot was geworden) had ik hetzelfde met zouaaf. Ook zo lekker geheimzinnig.
Stond me wel aan.
Zouaaf zijn.
Zouaaf?
Hoezo dat?
In het graf naast dat van mijn vader ligt de laatste Pauselijke Zouaaf van Nederland begraven. Ja, dat staat op zijn zerk (van die zouaaf): “hier ligt de laatste Nederlandse Pauselijke Zouaaf”.
Met hoofdletters.
Dus het is niet zomaar wat, dacht ik meteen.
Mysterieus én belangrijk. Wat wil een mens nog meer?
Al meteen de eerste keer dat ik mijn vader bezocht om hem te vertellen hoe het met me ging (dat deed ik vanzelf toen ik voor hem stond en ik kan wel zeggen dat het toen niet zo goed ging, geen wonder, want hij was net gestorven, nogal onverwacht bovendien, echt kut, een ander woord heb ik even niet) dwaalde mijn blik en gedachten af naar die zouaaf. Ik zag een kruising tussen de vaandeldrager van een blaaskapel en Zwarte Piet. En ik zag mooie ceremoniële handelingen.
Vraag me niet waarom.
Allemaal oneerbiedig misschien, maar hij zou het wel begrepen hebben.
Mijn vader, bedoel ik.
Begrip was zijn middle name.
Ik liet die zouaaf tenslotte voor wat hij was, want alles wat ik over hem te weten kwam, zou iets van zijn magie wegnemen. Zoals in de loop van mijn leven al het wonderlijke uit ‘forens’ verdwenen was.
Want een forens is gewoon iemand die heen en weer reist.
Met de trein
Een volle trein.
Vol met mensen.
Voor een amateur misantroop als ik ben, is dat niet goed, want hoe meer mensen, hoe misantropischer ik word.
Nog even en ik ben beroeps.
U wilt niet geloven wat me door de week allemaal overkomt op het spoor. Ik wil best een beetje geduld met de mensen hebben hoor, een hekel aan iedereen hebben gaat je ook niet in de houde kleren zitten, maar ze maken het mij wel moeilijk.
Zoals de vrouw met de parelmoerroze (en deels afgebladderde) nagellak op haar dikke teennagels die op haar te kleine peeptoes langs mij wankelde en me aanstootte, zodat ik mijn hoed liet vallen en ik er tussen de benen van medereizigers naar op zoek moest.
Of de heel luide en duidelijke zakenman die nogal directief met zijn secretaresse de notulen van een of andere vergadering doornam, woord voor woord en komma voor komma, om betweterig de ene na de andere zin in zijn telefoon te dicteren.
Eh… de volwassen man die met zijn grote-mensen-step (ja, zoiets bestaat) over mijn schoenen reed.
In de trein!
Een step!
Grow up! dacht ik.
Nee, schreeuwde ik.
Ja, niet echt.
In mijn hoofd.
Mijn arme hoofd.
Wat ik daar niet allemaal voor me hou om de lieve vrede te bewaren…
Jonge vrouwen die op een halve meter afstand van mij hun bakjes muesli bereiden. En dan zelfgenoegzaam naar binnen lepelen.
Triomfantelijk.
Ja, triomfantelijk!
God mag weten waarom.
Er zijn trouwens ook van dat soort mánnen. Die hebben dan geen muesli bij zich (want dat vinden ze niet stoer, denk ik) maar ruig gesneden boterhammen. En roestvrijstalen thermosflessen met erop geschroefde bekers. Koffie waar ze met volle teugen van genieten.
Neem dat letterlijk.
Of nou ja, genieten. Vorige week zat ik naast een welzijnswerker (tuiglederen schoudertas) die tussen Gouda en Den Haag zes volkoren sneeën met pindakaas wegwerkte. Da’s ook een gave hoor. Een luidruchtige. Maar hij hoorde zichzelf niet, denk ik, want hij bleef laatdunkend om zich heen kijken naar de stakkers die gewoon rustig niets zaten te doen.
Ben ik even efficiënt, zag je hem denken.
Net als de mensen met hun vouwfietsjes. Die lopen met die dingen rond alsof ze de uitvinding van de eeuw hebben gedaan.
Eh, niet om het een of ander, maar een fiets opvouwen om die dan in een trein mee te nemen… hoezo is dat de uitvinding van de eeuw?
Dat is het niet dus, al was het alleen maar omdat ze, als je niet oplet, de vuile vette ketting tegen je broek duwen. Ja, per ongeluk, dat zal heus wel, maar door hun monomane jubel om het technische vernuft dat ze meezeulen en in gangpaden neerzetten, komt er geen enkel kritisch signaal van omstanders bij hen binnen. Ze snappen werkelijk niet waarom je niet meejuicht.
Het syndroom van Brompton noem ik dat.
Ja, mobiliteit is een ziekte. Alles en iedereen de hele tijd onderweg, maar niet heus. Wel onderweg, maar niets achterlaten. Dan kan ik het ook.
Goed, een mens moet wel eens van A naar B, maar de charme daarvan is precies dat: eerst A, dan de weg naar B, en dan B.
Niet alles tegelijk! Efficiency is zonde van je tijd.
Ja, denk daar maar eens over na.
Of niet, ook goed, maar – ik richt me nu tot alle doorgewinterd doelmatige reizigers – anderen hoogmoedig uitlachen omdat ze thuis ontbijten en hun fiets in de stalling zetten, dat vind ik het andere uiterste.
Neem een voorbeeld aan mijn vader. Die begreep mij tenminste.
Begrijpt.
Tegenwoordige tijd.
Als hij niet uit de dood herrezen was om me vorige week vrijdag met lieve woorden uit het bagagerek van de 17.09 uit Den Haag te praten, zou ik daar nu nog van radeloosheid liggen beven als pasgeboren baby.
Ik had veel beter zouaaf kunnen worden.



