Categorie archief: Overleven

Leeg

 Leeg. Dat was nog de beste beschrijving van de man zijn blik. Leeg, dat is niks. Er was helemaal niets in zijn gestaar te ontdekken. Ja, hij staarde dus. Dat zegt natuurlijk wel iets, maar niet veel, want staren is kijken zonder iets te zien. Blijft weinig. Hij staarde naar zijn telefoon.
Desolaat, dat was het tweede woord wat me te binnen schoot. Dat is ook leeg, maar dan als gevolg van iets wat er niet meer is. De man zag er verlaten uit. De hele metro zat vol mensen, maar hij was de enige op de hele wereld.
Heb ik al eens verteld dat ik nieuwsgierig ben? Vast wel.
Hoe dan ook, ik ging naast de man zitten om te zien wat er in zijn mobieltje te zien was.
Ja, ik ben niet alleen nieuwsgierig, maar ook brutaal.
Ik moet namelijk ook blogs schrijven, die komen niet zomaar uit een ei in mijn achtertuin! Ik heb trouwens geen achtertuin. Niet meer. Wel een balkon, maar daar groeien ook geen eieren.
Waarom schrijf ik dit allemaal op? Weet ik niet. Terug naar die man.
Hij had enorme handen met tatoeages op zijn vingers, rechts ‘love’ en links ‘hate’, in vette gotische letters. Hij had zeker de helft van al zijn nagels weggebeten. Een zenuwenlijder. Net toen ik een blik wilde werpen op het schermpje, ging het op zwart. Hij veegde het meteen weer tot leven.
Een appje in beeld: ‘Well now he will lose everything because of his stupidity!!!!!’. Ik telde de uitroeptekens en vroeg me af of degene die de boodschap verstuurd had, dat ook had gedaan. Ik zag haar driftig tikken en op het einde van de zin nadenken over het aantal exclamation marks. Geen vier, geen zes, maar vijf. Wat mij betreft vier teveel, want zo’n teken devalueert waar je bijstaat, iedere herhaling is halvering van de zeggingskracht. Een stuk of tien en geen enkele lezer slaat er nog acht op.
Om een of ander reden ging ik er vanuit dat het een vrouw was die ze getypt had. Vraag me niet waarom. De vrouw van de man om precies te zijn. En hun zoon stond op het punt om alles te verliezen. Wedden? De sufferd. Terwijl de vrouw haar geduld allang op was, dat zag je zo, wat haar betrof was alles verliezen nog schappelijk, had de man naast mij nog medelijden.
Of, nou ja, medeléven.
Hij zag het voor zich, alles kwijt.
Dan heb je niets meer. Lijkt nogal simpel om je voor te stellen, maar dat is niet waar. De man had er zichtbaar moeite mee. Verder dan een lege flat ergens in een buitenwijk kwam hij niet.
Ik trouwens ook niet. Ja, ik zag die jongen nog ergens op een bakje zitten in een kaal park. Intussen vroeg ik me af wat de jongen gedaan had om het zover te laten komen. Dat is een ook een beroepsdeformatie. Ik ben nieuwsgierig en zie overal ontsporingen, kwaad in allerlei gedaanten. In dit geval: domme speculaties op de beurs; drank en dope; foute vrouwen; gokhallen.
Kon allemaal. Hoef ik u niet te vertellen.
Ook dat kwaad zag de man voor zich. De foute vrouwen vooral. Sommigen hadden bij hem op de bank gezeten met gelakte nagels en een glaasje sherry. Om kennis met hem te maken. Hun aanstaande schoonvader. Nu waren ze allemaal weer uit beeld. Vertrokken met huisraad en halve bankrekeningen.
De bitches!
Exclamation mark!
Zijn jochie in het verderf gestort. Als hij ze in zijn vingers kreeg…
Zijn vingers waar ‘hate’ op stond. Het scherm ging weer op zwart, maar nu liet hij het zo. Hij dacht na. Na een poosje bracht hij de tekst weer te voorschijn en begon hij aan een antwoord. Letter voor letter met zijn reusachtige afgekloven wijsvinger.
‘Just like we did. And now we lost him too.’

Feest

scotty
Toen ik vijf werd, was ik ziek. Mijn moeder had geregeld dat mijn vriendjes na school rond een uur of vier langs zouden komen om mijn verjaardag te vieren. Ik weet niet meer of zij nu echt een feestje op het oog had gehad, met spelletjes en zo, of alleen maar wat bijeenzitten met snoep en ranja als een soort uitgebreid ziekenbezoek, maar toen de vriendjes gearriveerd waren, bleek al snel dat wat er ook gepland was, zij eigenlijk alleen maar kwamen vertellen dat ze niet konden blijven omdat zij voor school iets moesten doen. Aan de manier waarop zij de woorden hakkelden, hoorde ik meteen dat zij logen. Ze hadden gewoon geen zin, waarschijnlijk omdat ze onderweg op iets veel interessanters waren gestoten (een dood beest in de berm van de weg, of een gat in de omheining van de nieuwbouw, een pak kranten waar de fik in kon). Ik kon het allemaal in hun schichtige blikken zien.
Dan niet, dacht ik.
Straalde ik uit, om het eens modern te zeggen.
Maar van afgelasten wilde mijn moeder niets weten. Met als gevolg dat ik ten overstaan van de jongens moest meemaken hoe zij mijn zaak bij hen ging bepleiten, onder andere door voorbeelden te beschrijven waaruit zij moesten begrijpen dat ik mij enorm op hun komst verheugd had.
Dat ik haar om het kwartier had gevraagd of het al vier uur was.
En de rest van de dag voor het raam had gestaan om te zien of zij er al aankwamen.
Mijn vriendjes hoorden het gelaten aan. Ik zag ze denken aan het avontuur dat zij hadden uitgesteld. Voor je het wist had een ander dat dode beest gevonden, het gat in het hek ontdekt, de kranten in de hens gestoken.
Toch kreeg ik door de hele situatie wel enorm medelijden met mijzelf. De onverzettelijke tegenzin van mijn vriendjes gecombineerd met de groeiende wanhoop van mijn moeder (die stukje bij beetje in paniek raakte omdat ze geen steek verder kwam met haar op het gevoel van de jongens gerichte verhalen) veroorzaakte dat ik in mijzelf gekeerd naar de grond staarde in een verwoede poging om zo mijzelf en de rest van de wereld te laten verdwijnen (ik wist zeker dat zoiets moest kunnen, god mag weten hoe ik daar bij kwam – het was meer een soort hoop, geloof ik – maar ik denk het nog wel eens en probeer het dan weer, tegen beter weten in, wat voor omstanders vaak een ongemakkelijke situatie oplevert, en voor mij gevaarlijke, want soms willen ze me naar de eerste hulp of de crisisopvang brengen).
Dat lukte (en lukt) natuurlijk niet. Sterker nog, in plaats van dat ik en met mij alles en iedereen verdween, trad ik buiten mijzelf en zag ik mijzelf daar staan, in mijn pyjama en kamerjasje, met mijn sloffen op het linoleum van de gang (ook geen uitrusting waarin je je vriendjes wilt ontmoeten, trouwens), koortsig tegenover mijn onwillige visite, terwijl de hoge stem van mijn moeder als een gummibal door de ruimte stuiterde.
Tja.
Even voor alle duidelijkheid, dit is geen verhaal om een jeugdtrauma te verwerken en en passant mijn moeder een veeg uit de pan te geven. Zij handelde geheel en al uit liefde, dat begrijp ik ook wel.
Toen niet.
Da’s trouwens een algemene eigenschap van liefde, denk ik, dat je die zelden op het moment zelf ziet.
Goh, da’s ook sneu.
Nu ik toch bezig ben, nog zoiets: ik voelde mij toen voor het eerst in mijn leven helemaal alleen in het bijzijn van anderen, maar dat zoiets kon, begreep ik op dat moment ook nog niet.
Gelukkig maar, want alles bij elkaar was het al een verjaardag van niets, daar hoefde zo’n besef niet ook nog eens bij.
Goed. Tot zover de droevigheden.
Uiteindelijk hebben we bij wijze van compromis staande in de gang het snoep naar binnen gepropt alsof het een straf was en de limonade opgedronken als mannen met bier aan de zijlijn van een voetbalveld. Of nee, aan de rand van een graf, eigenlijk, maar zoiets komt natuurlijk niet vaak voor, dus is niet zo’n geschikte beeldspraak, hoewel ik het wel eens heb meegemaakt, een drinkgelag bij iemands kuil, nota bene van een man die aan de drank gestorven was.
Eh… ik wil maar zeggen dat de stemming bedrukt was.
Als ik door een of ander geheimzinnige plooi in de tijd had geweten wie Scotty was-schuine-streep-zou-zijn, had ik hem aangeroepen.
Toen de jongens waren vertrokken, gaf ik over.
Dat was vreemd genoeg het leukste van de hele dag.
Een opluchting.
Wat verklaart waarom ik sindsdien op al mijn verjaardagen steevast ontwaak met de troostrijke herinnering aan het heldere gespetter van oranje braaksel (spekkies en limonade) op het koningsblauwe zeil van ons halletje.
Geluk zit in kleine dingen.

Op reis (4) – Odd one out

tang1

‘He’s fifty-one, goin’ on fifty-two. It’s not like we’re talking about some boy of eighteen,’ zei de ene man tegen de andere. Die liet de mededeling even tot zich doordringen en gaf daarna toe dat zoiets wel uitmaakte.
Fifty-one of eighteen.
De vrouw tegenover hen knikte. ’There áre women, but they’re all comin’ and goin’, none staying.’
De vrouw naast haar snoof, alsof ze daar een paar gevallen van kende. ’So what do you think it is, then?’ vroeg ze.
‘Fear. I think he’s afraid to commit himself.’
Nu knikten ze allemaal. Dat was het. Ze lieten nog een paar van zijn eigenaardigheden de revue passeren om het beeld compleet te maken. Zo at hij al jaren lang alleen maar mosterd op zijn boterhammen en droeg hij nooit sokken in zijn schoenen (in zijn laarzen – Wellies – dan weer wel). Daarna was het wel duidelijk.
Rare snoeshaan.
Case closed.
Hm.
Twee echtparen op leeftijd die hun wederzijdse kennissen de revue lieten passeren. Een soap, maar dan echt en zonder ingewikkelde plots of elkaar kruisende verhaallijnen.
Heerlijk.
Ook hun analyses waren geweldig. Allemaal, zoals hierboven, benijdenswaardig kort en volstrekt zonder nuanceringen, wat ongeveer hetzelfde is. Ze hadden overigens wel alle vier met de ouders van de eenenvijftig-jarige te doen, want kleinkinderen waren juist voor hén wel leuk geweest (wat nogal onheilspellend klonk, vooral ook omdat ze er verder niet over uitwijdden).
Dit alles in William IV, een pub in Guildford, Surrey. Zo’n café waar sinds 1956 niemand meer iets aan gedaan heeft en waar ook in de komende zestig jaar niemand veel aan zal gaan doen. Dat is meestal erg deprimerend, of laat ik voor mijzelf spreken, ik hou zulke etablissementen maar een kwartiertje vol, daarna grijpt het verval me naar de keel, maar in dit geval viel het mee. De verhalen van de twee koppels leidden af, en ook dat de twee kokkinnen hard met de radio meezongen maakte alles draaglijk, ofschoon we soms opeens dachten dat ze ruzie aan het maken waren.
Alleen de ingelijste verzameling van negen levensechte tandartstangen (rond een roze briefje met een kindertekening van een sneeuwpop) aan de muur verontrustte ons, of nou ja, verontrustte… intigreerde is misschien een beter woord.
Ik bedoel, hoe komt iemand ertoe om zo’n collectie als versiering op te hangen?
Kijk, dat je zwart-wit-foto’s uit oude magazines knipt en die één voor één inlijst omdat je iets leuks aan de muur wilt hebben, snapten we. Hetzelfde geldt voor de twee-en-een-halve meter lange loper; als je er maar één hebt, blíjf je twijfelen over op welke tafel dat ding moet. Dus dan maar aan de wand. Stofzuigen is dan wel een beetje onhandig, maar aan de andere kant, niemand morst er iets op, dus zo vaak hoeft dat ook weer niet. Ook het grote schilderij van een jachttafereel vonden we wel logisch. We verbaasden ons er al na een half uur wandelen over dat we nog niet overlopen waren door een field of hounds en een gezelschap toeterende jagers op galopperende paarden. Dat tijdverdrijf zit daar aan het landschap vast en leeft nog hevig onder de mensen. Ook binnenshuis en in kroegen.
Goed, ik weersta nu de neiging om een opsomming te geven van alle dingen die aan de wanden hingen en op scheve kasten stonden om de zaak op te leuken. Ik noem slechts de enorme porseleinen forel die met zijn staart of hoe heet dat bij vissen op een boomstronk balanceerde als een turnster op de balk (zie je niet vaak in het echt, zo’n vis), de drie gedeukte tinnen drinkbekers (waarvan er twee een deksel hadden en één niet), de spiegel met een bouwtekening van een velocipede erop die zó hoog hing (de spiegel) dat zelfs een flinke basketballer er zijn haren niet in kon kammen, en een opgezet varkentje, roze en zwart gevlekt, met zo’n hoedje op dat Britse slagers wel eens dragen.
En dus die tangen.
Negen.
Rond een tekeningetje van een sneeuwpop.
Hoezo dat? De verklaringen die we voor de tangen verzonnen, sneden wel hout, zo lang we het tekeningetje buiten beschouwing lieten. En andersom. Eén verhaal voor het geheel – tangen én tekening – vonden we niet.
Het was een duidelijk geval van odd one out.
Net als die man met zijn bindingsangst.
Intrigerende vent.
Ja, want hoewel de oudjes echt voor fijn vermaak hadden gezorgd, zou ik ze nu alle vier weer vergeten zijn, inclusief de hele parade van hun vrienden en bekenden, als die man niet bij hen over de tong was gegaan.
Díé bleef me bij.
Zo was het ook met de tangen en het tekeningetje. Ik zou de complete menagerie van rariteiten in de pub al lang weer kwijt zijn als die er niet tussen hadden gehangen.
En dan had ik ook dit blog niet geschreven.

Op reis (3). Parking.

safety1

‘You can’t park as strange like that,’ zei de man toen ik vroeg wat hij deed. Het klonk verontwaardigd. Wat ik wel vreemd vond, want op de mouw van zijn glow-in-the-dark-pak was een embleem van de council genaaid en daaronder was met duidelijke letters PARKING geborduurd, en zo iemand is de verbazing voorbij, leek mij. Die heeft wel vaker auto’s gezien die met knipperende lichten half op de stoep staan.
Eh… voor ik verder ga, eerst iets over dat lichtgevende pak. Dat was, um…
In your face!
Hebben ze daar wel eens over nagedacht, over wat zulke kledij met de gemiddelde burger doet? Echt irritant, hoor, die felle kleuren en overal van die extra weerschijnende strepen. Het zijn meer flash!-in-the-dark-pakken. In-the-light trouwens ook. Een mens kan gewoon niet meer denken als er iemand in zo’n pak voor hem staat.
Ik in ieder geval niet.
Bij de parkingman al helemaal niet, want die was zelf heel erg zwart. En hij had rastavlechten tot op zijn rug. Op zijn hoofd een soort politiepet.
Dat doet er natuurlijk allemaal niet toe, maar die combinatie (rastaman, pak, pet) was samen met de opmerking die ik niet kon plaatsen voldoende om me in dit geval van sociaal verkeer in een totaal andere richting te laten lopen.
Waar ik verdwaalde.
Het is een soort ziekte. Denk ik.
‘Ik ga alweer weg,’ zei ik. Of zoiets. In het Engels dan. Wat ik precies zei, weet ik niet meer. Misschien wel iets heel anders. Vaak blijkt bij recontructies van zulke situaties, dat een soort alter ego de kwestie van me heeft overgenomen. God mag weten welk geniaal psychisch fenomeen daarachter zit. Heb ik een verborgen trauma waarvoor die tweede ik mij wil beschermen? Dat moet dan wel heel wat zijn, iets ergers dan wat ik in het echte en actuele leven meemaak, want veel schiet ik er meestal niet mee op.
Vind ik.
Ik heb me wel eens afgevraagd of mijn andere persoonlijkheid misschien een nog grotere zenuwlijder is dan ik al ben.
Zou echt iets voor mij zijn.
Of voor hem.
Terug naar de parkeerwacht. Die reageerde niet op wat ik zei, wat dus misschien wel logisch was, maar hij zéí wel wat. Schoot nota bene in de lach! Dat hij niet tegen mij praatte en lachtte, daar kwam ik jammer genoeg te laat achter.
Hij was dus met iemand aan het bellen.
En hij nam foto’s van mijn auto-half-op-de-stoep.
Allemaal nieuwe informatie die ik niet kon wisselen.
Ik zette de doos die ik in mijn handen had op straat, vraag me niet waarom, leek me het beste om te doen, en hoorde mezelf op hoge toon vragen waar hij eigenlijk mee bezig was.
De man bleef staan en keek naar de doos. Op de straat. Overwoog hij of dat ook een parking offence was?
Nee.
‘What’s in the box?’ vroeg hij.
Dat wist ik niet.
’Stuff. My daughter’s’
‘It says…’ Hij las voor wat er op de doos stond. De specificaties van mijn dochters laptop. Die zat niet meer in de doos, er zaten echt spullen van haar in, maar dat ik dat probeerde uit te leggen maakte mij alleen verdachter. Neem daarbij mijn ‘strange way of parking’ en mijn bizarre Engels, en het was volstrekt geloofwaardig dat ik iemands computer aan het stelen was.
Dat paste wel in het plaatje, om het modern te zeggen.
Hij maakte ook een foto van de doos.
Flash!
Ik zag die foto voor me (doos op asfalt, mijn voeten ernaast), grinnikte.
De man fronste zijn wenkbrauwen. Misschien was ik geen brutale dief die fout parkeerde, maar gewoon niet bij mijn verstand.
Een heel ander plaatje. Kon ook.
Ik vroeg me af of verward ook in Engeland al iets was waar politici kamervragen over stellen. En of mijn gedrag daar een typisch voorbeeld van was. Britse verwarring is natuurlijk heel iets anders dan Nederlandse.
Ik besloot om heel stil te blijven staan en te wachten tot de man vertrok. Zo kon ik tenminste geen andere rare dingen doen. Dat ziet er niet uit, en maakt het misschien alleen erger, maar je moet wat.
‘Wat sta je daar naast die doos?’ vroeg mijn dochter. Een paar minuten later, denk ik.
Ik keek op. De parkeerwacht keek naar mijn dochter. ‘Die meneer is zich dood geschrokken.’
’Is he allright?’ vroeg hij haar.
Ze knikte.
Ik ook.
‘Yes. I’m just a…’ Ik draaide me naar haar. ‘Wat is zenuwlijder in het Engels?’

Reizen (2). Op de boot

zee
Op de boot van Calais naar Dover leef je in een tussenwereld. Ja, nogal wiedes, want het is een veer. Van het vaste naar een eiland. Maar ook tussen thuis en elders. In de anderhalf uur op zee kom je vanzelf in een of andere contemplatieve staat terecht waardoor je voor je het weet de balans van je reis opmaakt en als je niet uitkijkt ook die van je leven.
Welja.
Het is een soort nieuwjaar, maar dan in de ruimte in plaats van in de tijd. Niet een moment, maar een punt om stil te staan. Ja, een hele lange punt. Een lijn. Hm, u begrijpt wel wat ik bedoel.
De zee helpt dan ook om alles eens lekker te overdenken. Die is waar je ook kijkt hetzelfde, zodat er geen verschil is tussen om- en vooruitzien, waardoor ook alles opeens nogal futiel lijkt. En al dat water zet je aan het denken. Dat golft en klotst alsof het niets is. Om te benijden. Gewoon maar één ding doen. Of eh… twee dingen dus. Golven en klotsen. Ook nog te overzien.
Lijkt me wel wat.
Het is in ieder geval beter dan je anderhalf uur lang afvragen of je de auto op slot hebt gedaan of niet, en alle scenario’s die daar het gevolg van kunnen zijn bedenken en uitwerken.
Ja, dat doe ik dan tot ik gek van mezelf wordt. Iedere keer weer, en iedere keer zeg ik tegen mezelf dat ik beter op moet letten. Komt niet meer goed in dit leven.
Daar had de enorme Afrikaan naast mij geen last van. Na twee verveelde selfies met zijn vrouw was hij in slaap gevallen met een boek op zijn kruis.
Hoe mensen dat voor elkaar krijgen, slapen in het bijzijn van vreemden, dat begrijp ik niet. Ik vind slapen, op seks na, zo’n beetje het intiemste wat er bestaat en daar hoef ik dus geen mensen bij die ik niet ken. Laat staan een hele boot vol.
Had die man dus ook geen last van. Hij was al snel behaaglijk aan het snurken en maakte een diep sonoor geluid dat prachtig mengde met het amechtig brommen van de scheepsmotoren.
Het was van een wonderlijke schoonheid, waar hij natuurlijk zelf geen weet van had, en zijn vrouw ook niet, want die was op de bank naast zijn stoel al even diep in slaap. Ze voegde haar eigen geluiden toe. Ik overwoog even om hen op te nemen, want hoe vaak hoor je zoiets moois, en het zou een leuke aanvulling op hun selfies zijn, maar ik wist zo gauw niet hoe ik aan hen in het Engels moest uitleggen wat ik dan gedaan had en zag gebeuren dat ze mijn enthousiasme verkeerd begrepen en me geschokt zouden aangeven bij een veiligheidsbeambte met zo’n lichtgevend gilet aan.
Iedereen heeft tegenwoordig een lichtgevend gilet aan, trouwens.
Zo’n gifgroen hesje.
Ook gewone mensen. Iedereen die gezien wil/moet worden.
Schijnveiligheid.
Pun intended. Ja, als ik een grap zie, maak ik hem. Ook een slechte. Sorry.
De getatoueerde mannen verderop lachten. Wat ik dan wel waardeerde ook al wist ik wel beter. Ze dronken en dan is er altijd wel wat te lachen. Ja, terwijl ik braaf mijn meegenomen boterhammen met kaas opat met een kopje koffie erbij, zaten zij in hun mouwloze t-shirts (waar kun je die dingen nog kopen?) aan een tafeltje vol met pints of lager gezellig met elkaar over van alles en nog wat op te scheppen. Zo zag het eruit teminste. Alsof ze elkaar sterke verhalen vertelden en alles onvoorwaardelijk geloofden.
O, hoe geweldig is dat? Gewoon alles van elkaar aannemen?
Ja, ik wist dat natuurlijk niet zeker, want verstond er niks van, maar ze wisselden geen breipatronen uit, dat was wel duidelijk. Daar kun je echt niet zo hard om lachen. Dronken of niet.
De jongen die hun om de zoveel tijd nieuw bier kwam brengen lachte telkens mee, maar dan een beetje angstig alsof hij bang was dat het niet mocht, wat dan wel weer droevig was, ondanks dat al die bulderende mannen hem ruw maar liefdevol op zijn rug sloegen, vooral omdat hij veel te grote werkkleding droeg, een ontzaglijk wit overhemd dat hij in zijn even ontzaglijke bandplooibroek had gepropt en dat bij iedere klap tussen zijn schouders opbolde als iets dat naar adem hapte.
Zulke dingen zouden verboden moeten zijn.
Zulke dingen.
Ik bedoel dingen waar ik treurig van word.
Zoals bootreizen die een soort oud en nieuw zijn.
Toen ik van de boot reed had de radio zelf een andere zender gezocht en er kwam een viool stukje bij beetje uit het geruis te voorschijn.
Toeval bestaat niet: Bach. Partita no. 2. Chaconne.
Dat is troost.
Altijd.
Waar je ook bent.

Op reis (1). In de auto

scarlett

Ik weet niet hoe het u vergaat met zo’n mevrouw van de routebeschrijving, maar ik praat terug. Niet dat ze iets vraagt, of überhaupt enige reactie verwacht.
Ik doe het toch, kan het niet helpen. Hoe toonloos ze alles ook opdreunt, ik ga op zoek naar wat ze bedoelt, om daar dan een antwoord op te geven. Meestal een gevat antwoord, maar soms ook heel serieus. Ze zet me aan het denken.
Ja, zielig.
Nog zieliger is het dat ik op een gegegeven moment denk haar een beetje beter te kennen. Een soort Her maar dan dus nog sneuer, want in Her was er tenmiste nog sprake van een soort wederzijdse betrekking.
Hm. Dat is eigenlijk wel een interessante bewering. Is dat wederzijdse belangrijk? Waag ik te betwijfelen, met een volleybal kan het ook, zie Cast Away, en die praat niet terug. Samantha uit Her wel, als het ware. Niet echt, maar dat beseft die man niet. Het is gewoon een mevrouw uit een routebeschrijving die kan leren. En hij trapt daar in. De schokkendste scène uit de film is die waarin zij hem bekent dat ze ook op een ander is. Op 641 anderen om precies te zijn.
Je kunt leren of niet.
Kort tussentijds resumé: mannen die alleen zijn klampen zich aan van alles vast om dat niet te zijn.
Eh…
Als we van het ene land naar het andere gaan, zegt de mevrouw van de routebeschrijving heel afgemeten: ‘U heeft de grens overschreden’. Alsof ik ongewenst intiem ben geweest. Moet er niet aan denken. Er zijn grenzen aan mijn fantasie. En mijn zieligheid.
Toch schrik ik dan van haar toon. Hoe bizar is dat?
Ik praat trouwens ook tegen de radio. Maar de mensen die daarop komen, die vragen dan ook wel erg veel. Vooral in de reclames. ’Bent u op zoek naar …? en dan volgt er iets. Goedkope tuinmeubelen, een ‘job uit duizend’ (da’s Vlaams), hoge inruilkorting voor je oude tv, een avondje plezier voor twee…
Daar geef ik dan eerlijk antwoord op. We moeten per slot van rekening samen helemaal naar Engeland.
Alhoewel, in vacatureadvertenties in de krant staan ook altijd vragen en die behandel ik ook altijd heel integer. Zo ben ik nu eenmaal. Als ik de krant uit heb, gaat-ie bij het oud papier, dus het is een vluchtige relatie, maar ik maak het niet uit voordat dat ik netjes alle vragen heb beantwoord.
‘Bent u onze nieuwe beheerder natte infrastructuur?’
’Nee.’ (Dat zeg ik dan hardop).
Ik weet niet eens wat dat is, ‘beheerder natte infrastructuur’. Zie mijzelf dan de hele dag met kaplaarzen aan dingen regelen ergens op een brug of kade. Niks voor mij.
Dus: ‘Nee.’
En nee op alle andere inpertinente vragen. ‘Ben jij een enthousiaste zorgmanager met affiniteit naar ouderen?’
‘Eek!’
Nu ik toch aan het bekennen ben… ik praat ook tegen de chauffeurs (m/v) in andere auto’s. Die horen me niet. Gelukkig maar. Want dan ben ik wel eens intiem. Al dan niet gewenst, dat blijft lekker vaag.
En met de auto zelf voer ik ook gesprekken. Meestal als-ie iets doet wat ik niet begrijp. Dat is zo’n beetje alles. Ik denk niet dat ik nog ooit in mijn leven zal vatten dat ík de baas ben van ons twee. Zo’n wagen leidt een eigen leven en ik hoor daar niet in thuis. Dat stelt me dan wel weer gerust, want je zal toch goed kunnen opschieten met je auto.
Da’s pas zielig. Of eng. Zie Christine
Hoe dan ook, een reis is best wel even een dingetje als je bang bent voor auto’s en autorijden. En als verdwalen een van je basiscompetenties is. Terwijl je absurd genoeg niet tegen vreemde omgevingen en veranderende situaties kunt. En andere mensen niet begrijpt in vreemde omgevingen en/of veranderde situaties. En…
Eh…
Ik zie wel een gat in de markt. Een routebeschrijfster die niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk de weg wijst, die de chauffeur ook coacht, af en toe motiverend toespreekt, complimentjes geeft.
Troost.
Zou Scarlett Johansson daar iets voor voelen?

Ga nooit weg (3)

Koffer

Vakantie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Mooi hoor, als concept, bedoel ik, niet werken maar uitrusten, maar waarom verpesten mensen dat dan weer met de bizarre idee om dat elders uit te voeren?
God zal het weten. Die heeft per slot van rekening ook de zondag uitgevonden.
Maar reizen vast niet. Want dat is niet leuk. Geloof me.
Het beste is dus om nergens heen te gaan. Daar is veel onderzoek naar gedaan, vooral door mij, en de onvermijdelijke conclusie is telkens weer: hier is ver genoeg. Check voor uitgebreidere onderbouwing bijvoorbeeld de boeken van Xavier de Maistre, of Maarten Biesheuvel.
Of neem mij als voorbeeld. Ik ben altijd hier. Dat is ook voor anderen het prettigst. Want dan ben ik altijd te vinden.
Terwijl ik dit schrijf ben ik ook hier. Thuis, in mijn eigen kamertje, achter mijn eigen bureau, met zo’n beetje alles wat mij lief is om mij heen. Dat is heel overzichtelijk. Rustgevend, zelfs.
Ik heb een collega die ongeveer drie keer zo jong is als ik, of zoiets (zulke rekensommen vallen mij altijd tegen dus ik maak ze maar half), die de raad gaf om nooit weg te gaan met bovenstaande beschrijving van mijn bestaan als onderbouwing van dat advies.
Ze zei: ‘Zo, jij lééft!’
Eh… ja, dacht ik.
Maar pas toen ik thuis rustig in mijn leunstoel zat, had ik echt een weerwoord, dat is te zeggen, besefte ik opeens dat ik alle oproer en kenteringen in mijn léven! – ja, met een accent en een uitroepteken – thuis had meegemaakt.
De meeste zelfs gewoon in mijn hoofd.
Of in mijn hart.
Mijn ziel.
Dingen waar ik nóg wakker van lig, thuis, in mijn eigen bed.
Ver weg is dus onzin. Daar gebeurt niks.
En het is ook helemaal niet overzichtelijk. Het is zelfs heel erg rommelig. Ga er níét heen! Het is ginds of daar of weet ik veel waar, en als je er dan bent, dan is het telkens verschillend. De ene keer is daar somber en de andere keer is het juist groen, of soms opeens heel mistig.
Er zijn ook altijd een hoop hulpmiddelen nodig om duidelijk te maken waar je bent als je niet hier bent. Landkaarten, routebeschrijvingen, reisgidsen, tom-toms en wat al niet meer. En er zijn ook allerlei dingen om elders te doen alsof dat hier is. Spullen van hier die je dan mee moet nemen, of waarmee je alles wat te groot is om mee te nemen toch bij je kunt hebben: foto’s van hier en alles wat daarbij hoort, of symbolische voorwerpen die iets van hier voorstellen en die telkens bij aanraking of een blik erop door sentimentele mechanismen het hele hier oproepen. En er zijn natuurlijk apparaten waarmee je een beetje terug kunt. Mobiele telefoons om naar mensen te bellen die heel verstandig hier zijn gebleven en die dan aan de reiziger moeten vertellen hoe het hier is (overzichtelijk en rustgevend).
Dat is allemaal behelpen.
Koffers, tassen, rugzakken, noem maar op, allemaal omdat je zoveel mogelijk spullen van hier naar ginds of daar wilt brengen, of om instrumenten mee te dragen waarmee je met hier contact kunt zoeken.
Op de keper beschouwt ben je onderweg dus met niets anders bezig dan met uit te vinden waar je bent (niet hier), of met te doen alsof je wel hier bent, of met de weg terug te vinden (hier naar toe).
Tamelijk onzinnig, als u het mij vraagt.
Want heimelijk wil iedere reiziger hier zijn, niet weggaan, of als dat om welke reden dan ook niet lukt, terugkomen.
Na een wee is heimwee de kiem van het leven.
Ga dus nooit weg.
Hm.
Dit alles hierboven om mijn cognitieve dissonantie in de hand te houden en mijn angsten te bezweren. Want ik ga een week naar Londen om daar (!) mijn dochter te bezoeken (en haar drop en rookworsten te brengen).
Living on the edge!
Slapeloze nachten.
En reisverhalen.
Straks.
Wordt vervolgd.

Informatie

ADN-ZB/Dewag/25.11.1985 Günter Schabowski, Mitglied des Politbüros des ZK der SED und 1. Sekretär der Bezirksleitung Berlin der SED Aufnahme: 4.5.1982
Informatie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. De een heeft het, de ander niet en voor je het weet, schrijf je in de warboel daartussen geschiedenis. Zoals Günther Schabowski, gisteren overleden, die in 1989 in een persconferentie zei dat DDR-burgers voortaan makkelijker de grens over konden en op de vraag vanaf wannneer, antwoordde ‘voor zover ik weet… vanaf nu’.
Sofort.
Unverzüglich.
Fijne informatie!
Vond iedereen.
Met een spontane bestorming van de grensposten als gevolg. Overdonderde douaniers die niet meer durfden schieten. Mensen met pikhouwelen op de muur. Opheffing van een land.
Maar het was een misverstand, bleek later.
Te laat.
Kwestie van suffen tijdens een vergadering en gebrekkige aantekeningen. Later gaf hij toe dat het zo’n beetje de enige vergissing was waar hij géén spijt van had. Alle andere betreurde hij.
Vanmorgen op de fiets naar het station, dacht ik daar nog eens over na omdat ik ook een vergadering had en verantwoordelijk was voor een ‘punt dat uit de voorgaande vergadering gekomen was’. Ik druk me vaag uit, maar niet vager dan de collega die me er op gewezen had, en die net als ik ook niet meer wist wat het precies behelsde, met dit verschil dat mijn naam er tussen haakjes achter stond en de zijne niet.
Fijne informatie.
Niemand van de mensen die ik gebeld en gemaild had, kon zich te binnen brengen waar het over ging, en ik daardoor al helemaal niet, want in plaats van één mogelijke lezing van de notulen en de daarmede samenhangende agenda voor de volgende vergadering had ik er nu een stuk of vijf.
Uiteenlopende.
De secretaris van het project die het verslag gemaakt had, was tot de dag vóór de vergadering op vakantie in Oezbekistan om daar een deel van de zijderoute na te wandelen. Of hoe noem je zoiets. Maakt niet uit. Hij was onbereikbaar.
‘Analyse realisatie,’ had hij bij punt drie van de agenda opgeschreven. Mijn naam er dus achter, en daar weer achter: ‘stukken volgen’. Wat hij er in de notulen over had vermeld, was zo mogelijk nog schimmiger en in mijn aantekeningen stond niets wat me verder hielp. Als het andersom was geweest had ik het trouwens ook meteen geloofd. Realisatie analyse, klonk even plausibel, vond ik.
Iedereen die ik om hulp gevraagd had ook.
Plausibel.
Punt.
Verder bleef het onbegrijpelijk.
Was ik geschiedenis aan het schrijven?
Leek me sterk.
Bij het station was alles anders dan normaal. Daar houd ik helemaal niet van. Waarom zeggen ze dat niet van tevoren? Overal staan tegenwoordig van die gele borden langs de weg waarop staat: ‘Let op! Situatie gewijzigd!’ Dat is tenminste iets.
Alhoewel, ik denk dan altijd: welke situatie? Ik bedoel, laatst was ik in Daarle en daar stond ook zo’n bord…
Ja, Daarle. Het ene moment weet je niet eens dat er mensen wonen en het andere moment lees je dat de situatie is gewijzigd.
Fijne informatie.
Maar goed, op het station was dus ook een gewijzigde situatie en ik wist van niks. Ik had vast en zeker een of andere flyer gemist (die delen ze daar om de haverklap uit, maar ik denk altijd dat het voor gratis koffie bij McDonalds is).
Mijn favoriete stalplek foetsie. En overal waren mannen bezig fietsen op vrachtwagens te tillen. Geen goed teken.
Dan maar naar de bewaakte stalling. Daar was niemand. Dat wil zeggen, er was wel iemand, maar die stond af te wassen. ik hoorde water klotsen en serviesgoed tegen elkaar tikken. Theelepeltjes op de bodem van een stalen spoelbak.
Ook handig, spitsuur op het station, vliegende haast alom en de fietsenbewaker haalt zijn koffieboel even door het sop.
Ik kuchte. Dat klonk als in een slecht hoorspel. En ook veel te indringend.
‘Ik weet dat u er bent hoor,’ zei de stallingman tegen mij terwijl hij met een theedoek in zijn zijn handen tevoorschijn kwam. ‘Er gaat hier een belletje als er iemand binnenkomt.’
Ah. Fijne informatie.
Ik zei niet wat u nu denkt. In plaats daarvan keek ik heel erg niet naar zijn vuile theedoek en zei ik bedeesd dat ik haast had. Ik bood daar mijn excuses voor aan. Vraag me niet waarom. Hij niette een kaartje aan mijn fiets. Ik gaf hem een tientje.
‘Het is hier gepast betalen,’ zei hij zonder op te kijken.
Dat was zijn wraak.
Hele zoete.
Want toen ik zei dat hij dan het kaartje er maar weer af moest halen, begon hij nauwgezet met zijn dikke nagelloze vingers het nietje los te peuteren.
Dat beeld bleef bij me tot ik eindelijk in de trein zat en mijzelf tot bedaren probeerde te brengen met de stukken voor de vergadering.
Analyse realisatie! Ik las de passage uit het verslag van de vorige vergadering nog eens (drie staccato zinnen met de ambitie van een gedicht), liet alle uitleg weer door mijn hoofd gaan en tuurde naar de oneindige excelsheets die ik had had uitgedraaid, de feestelijk gekleurde staafdiagrammen die ik daarvan gemaakt had, en herhaalde in mijn hoofd de verklaring die ik erbij had verzonnen. Die werd steeds logischer vond ik.
Fijne informatie!
Dat vond de voorzitter van de vergadering niet. Hij gaf me niet eens het woord. Hij begreep namelijk niet wat het punt op de agenda deed, want hij kon zich duidelijk herinneren dat de kwestie in de rondvraag weer van tafel geveegd was omdat het veel te vroeg was voor zo’n analyse.
Of realisatie, dat wist hij ook niet meer.
Let op! gewijzigde situatie!
Zijn ondergeschikten (die ik allemaal een paar keer aan de lijn had gehad) knikten alsof zij dat altijd al geweten hadden. De anderen bogen zich over het verslag. Waarin de rondvraag ontbrak. De notulist bloosde en mompelde hij op vakantie was geweest en dat… nou ja, zo’n zijderoute gaat je niet in je koude kleren zitten. Hij was echt weggeweest.
Nou, dat wilden we wel geloven.
Stilte.
Ik schoof mijn papieren bijeen en pulkte de nietjes eruit.
De rest is geschiedenis.
Een hele kleine geschiedenis.

Herinneringen

strijkijzer1
Mededeling van mijn computer op kantoor: “er is een probleem met het lezen van een of meer herinneringen. Misschien worden enkele herinneringen niet weergegeven”.
Dat heb ik weer.
Vooral dat ‘misschien’ en ‘enkele’ bleef aan me knagen, want vergeten is tot daar aan toe, maar dat het dan volgens een onnavolgbare en toevallige selectie gebeurde, maakte me helemaal gek.
‘Vergeet dan gewoon alles!’ riep ik naar mijn scherm.
Ja, ik praat tegen dingen.
Verder gaat alles goed.
Maar, eh… Vergeten?
Moest ik niet iets onthouden?
Ja, de strijkbout!
Moest ik uitzetten!
Niet gedaan!
Ik zag mijn hele hebben en houden vlam vatten en in rook opgaan. Ik dacht aan de Nederlandse Spoorwegen. “Als u de trein verlaat, denk dan aan uw bezittingen.”
Ik sprong op de fiets en deed het. God, wat ik me allemaal te binnen wist te brengen! Eigenlijk alles behalve de strijkbout.
Toeval bestaat niet; toen ik bezweet van de zenuwen en de haast weer voor mijn huis stond, trof ik daar twee oude mensen aan die ernstig met elkaar stonden te praten over de dingen die voorbijgaan (dat is ongeveer de titel van een boek van L. Couperus dat ik voor mijn literatuurlijst gelezen heb, vraag me niet waarom ik dat nog weet, want ik zou het best wel willen vergeten, het was een heel treurig boek).
Zoiets verzin je niet.
De een zei: ‘Dus ik zeg altijd, je moet genieten van wat er is, want voor je het weet kun je niet meer klokkijken of je schoenen strikken.’ Ik kreeg meteen medelijden met hem, want als dát nou de dingen zijn waarvan je moet genieten… maar dat was dus niet zo, nee, als je niet meer kunt klokkijken, legde hij aan de ander uit, was de teloorgang van je geheugen onomkeerbaar en dementie onvermijdelijk.
Kan het symbolischer? De vergetelheid begint als je niet meer weet hoe laat het is. Noem me cynisch, maar ik vind dat dan wel weer praktisch. Want als de klok niks meer betekent, waarom zou je je dan druk maken over het verleden?
Dat schoenen strikken, kon ik jammer genoeg niet symbolisch interpreteren. Ik moest daardoor weer wel terugdenken aan de tijd dat ik een fanatieke hardloper was (en ik van schoenen strikken een neurotisch ritueel had gemaakt).
Marathons.
Als je je daarvoor inschreef, kon je altijd kiezen of je een herinnering wilde of niet. Ik koos altijd ‘zonder herinnering’, want dat was goedkoper. Nou, dat was dus grote nep, want ik weet echt alles nog! Iedere blaar staat in mijn geheugen gegrift.
Waar was ik? O ja, voor mijn deur. Ik deed die open en rende naar boven, terwijl ik onderweg probeerde te ruiken of er al iets in de fik stond. Nee, niets. De strijkbout tikte onheilspellend, dat wel, en zuchtte af en toe wat stoom.
Pfoe!
Ik ging op de rand van mijn bed zitten. En ik – dit is echt waar, soms hangt alles met alles samen – herinnerde me weer dat mijn matras van memory foam was gemaakt. Memory foam!
Toen ik dat in de beddenwinkel las, kocht ik het meteen, een naïef romantische en daardoor impulsieve aanschaf, want ik had daar gestaan en gedacht: hoe lief is dat? Een matras dat onthoudt wie je bent!
Ja, hoor. Dat matras herinnert zichzélf. Of nou ja, zijn eigen vorm.
Was míjn leven maar zo simpel.
Terug op kantoor meteen de servicedesk gebeld over mijn herinneringen. Mijn favoriete collega’s werken daar. Echt waar. Iedereen die denkt dat hij de mens en de menselijke geest doorgrondt, moet eens een bloemlezing van vragen aan de servicedesk lezen. Je begrijpt opeens waarom de evolutie zo lang heeft geduurd. En je verbaast je dat niet eens in de zoveel tijd iemand daar gillend uit het raam springt.
‘Er is iets mis met je profiel,’ zeiden ze. Vertel mij wat, dacht ik. ‘Maar we kunnen je een nieuwe geven.’
Schatten zijn het.
‘Nou graag!’
Dus dat heb ik nou.
Ben meteen dat vorige alweer vergeten.

Even moeilijk als zeldzaam

Spinoza

Ik weet niet wat er vandaag aan de hand was in mijn lievelingskoffie-thee-en-nog-veel-meer-dingen-huis, maar iedereen voerde ernstige gesprekken.
Het leven, dat was wel even een dingetje.
Er was een tafel waaraan een jonge vrouw haar ouders van iets probeerde overtuigen waar zij in de verste verte niet aan wilden denken. De zinnetjes ‘dat zeggen jullie altijd’ en ‘dat heb je verkeerd begrepen’, kwamen zo vaak in de woordenwisseling voor, telkens na een bewering van een van de drie, dat ik op het laatst een goede gooi naar een analyse van hun conflict had durven geven, inclusief een paar voorstellen voor liefdevolle hereniging. Maar ze zaten elkaar zo in de haren dat ik het er niet op waagde hun dat voor te stellen. Ik zou in hun wederzijdse haat ten onder zijn gegaan. En hun haat wegnemen, dat moesten ze zelf maar doen.
Zoals het jonge stel twee tafels verderop probeerde. Dat is te zeggen, of ze elkaar haatten, kon ik niet zien, maar dat elkaar liefhebben nogal hard werken was, zag ik meteen. Ze zaten hand in hand heel erg te zwijgen en naar elkaar te staren in de stiltes tussen zwaarmoedige zinnen. Die verstond ik niet omdat ze erg zacht praatten, maar nonverbaal schreeuwden ze het uit.
Droevigheid.
Omdat ze op het punt stonden uit elkaar te gaan.
Ondanks dat ze nog erg van elkaar hielden.
Ja, dat lees je steeds vaker tegenwoordig, vooral in boulevardbladen. Beroemde stellen die uit elkaar gaan maar toch zeggen dat ze nog heel dol op elkaar zijn. Misschien heb ik een simpele voorstelling van de liefde, maar zoiets vind ik echt grote nep. Liefde overwint alles, dus als je uit elkaar gaat, heb je verloren. Aanvaard je verlies en ga verder.
En blijf vooral geen goede vrienden. Dat is echt by far de ergste troostprijs ter wereld. De eerste keer (van een hele reeks die volgde) dat een meisje mij de bons gaf, zei ze dat ook, dat ze graag goede vrienden met me wilde blijven. En ik durfde dat natuurlijk niet af te slaan. Maar er kwam helemaal niks van. Binnen een week had ze een ander en zag ze me niet meer staan.
Met zulke vrienden heb je geen vijanden nodig.
Terug naar mijn in treurige lievelingscafé.
Het stel dat uit elkaar ging.
Of een andere levenskwestie probeerde aan te roeren.
Kinderen, misschien.
Want hoe gaat het, je wordt verliefd op elkaar, gaat van elkaar houden en wilt de rest van je leven bij elkaar blijven, wat héél erg lang is, waardoor je haast vanzelf gaat nadenken over wat je dan allemaal kunt gaan doen, behalve van elkaar houden tot in de dood. Ja, dit ‘klinkt’ allemaal nogal matter of factly maar om met Spinoza te spreken: het huwelijk is een rationele aangelegenheid, dus niet alleen seks (“lichamelijke vereniging”) maar ook (of eigenlijk alleen maar, beweert-ie, maar dat is wel erg saai) kinderen verwekken en groot brengen. Hij had zelf vrouw noch kind, dus wat weet hij daar nou van, zou je zeggen, maar dat is nou net het mooie van een denker zijn, je hoeft niet alles zelf te doen en mee te maken om er verstand van te hebben.
Eh, voor alle duidelijkheid, ik haal Spinoza er niet bij om interessant te doen, ik ben een fan van die man.
Ja, dat kan.
Goed, hoe je het ook wendt of keert, op een dag heb je het erover.
Over kinderen dus (ja, over seks ook, maar dat komt dan daarvóór, meestal veel eerder, en kortere gesprekken).
Toeval bestaat niet, dus om het jonge stel te helpen stapte er een heel ernstig jongetje in een supermanpak op ze af om dertig centimeter van hun tafeltje te blijven staan en hen aan te staren. Je hebt van die jongetjes, meisjes ook, die hebben van staren een hogere kunst gemaakt.
Om de zenuwen van te krijgen. Je zag het stel onbewust maar angstig wachten op zijn ‘I see dead people’.
Na een minuut of wat werd het jochie teruggeroepen door zijn vader. Wat zijn moeder dan weer irriteerde, want ze was helemaal in een aangedaan dromen weggezakt. Wat haar betrof, was dat staren van haar zoon vertederend.
‘Laat hem toch,’ zei ze tegen haar man. ‘Hij doet toch niks verkeerds?’
Haar man vond van wel. Maar hij kon niet uitleggen wat dan. Hij riep niettemin het jochie nog eens tot de orde. Het zwijgende stel keek op en zag in één oogopslag hun (eventuele) toekomst: vader, moeder, kind.
Ingewikkeld.
Haat, of iets wat daar op lijkt.
Ze lieten elkaars handen los.
‘Ik ga even afrekenen,’ fluisterde de vrouw.
De man knikte.
‘Ik ben superman,’ zei het jongetje. Zijn moeder glimlachte naar de vrouw, die zonder op of om te kijken opstond, en eerst het jongetje en toen zijn moeder voorbijliep, langs het meisje met haar ouders, die alle drie somber van de uitzichtloosheid zaten te zwijgen, zoals ook de vader en moeder van het supermannetje, dat bij hen terugkwam om háár verder te ontroeren en hém gelijk te geven.
Alles wat mooi is, is even moeilijk als zeldzaam, schreef Spinoza.
Geluk, dat is best wel een dingetje.