Heb ik al eens gezegd dat ik niet van reizen hou? Ja, even naar Den Haag en terug is geen probleem, maar met een vliegmachine naar Barcelona, dat is andere koek.
Dat is echt weg.
Niet goed.
Een van de trucs om mijn angsten te bezweren is dat ik mij zo levendig mogelijk voorstel wat ik ga meemaken. Lang leve google streetview!
Het is ook altijd mooi meer op die beelden.
Geweldig!
Nadat ik eerst thuis alle belangrijke punten die ik denk te moeten bezoeken uitgebreid bekeken heb en onthouden, draai ik alles als een film af voor mijn geestesoog zodra ik de deur achter mij dichttrek.
Het is een gave.
Een niet altijd even handige gave, want terwijl ik aan het einde van mijn straat in gedachten al voor mij zie dat ik op de trein van metrolijn drie naar Place de Catalunya stap, merk ik niet op dat in het heden een mevrouw zich op de fiets in mijn richting trapt. Dat rijmt een beetje en daarmee is het vrolijkste van het voorval meteen gezegd, want een botsing volgt en die mevrouw wordt heel boos. Ze wisselt vloeken af met ‘zonde dat ik vloek’. Daar tussendoor beschrijft ze me haar ledematen die pijn doen, inclusief de bonte kleuren van haar zere plekken, wat nogal knap is, want ze houdt gewoon haar kleren aan.
Gelukkig maar, want de hele situatie is al ingewikkeld genoeg.
In een romcom mondt zo’n scène uit in het wrevelige begin van een haperende maar uiteindelijk romantische relatie vol lieflijke misverstanden die allemaal goedkomen en resulteren in een eeuwig huwelijk, maar in mijn leven gaat dat anders.
Dat ik zenuwachtig ben omdat ik op reis moet en daardoor niet goed om mij heen keek, vindt de mevrouw ronduit belachelijk.
‘Haha!’ schatert ze. Als een waanzinnige.
Ik zal nog eens een keer mijn hart uitstorten.
Een andere, minder twijfelachtige gave van mij is dat ik rustig blijf als anderen in paniek raken. Dus terwijl de vrouw foeterend door de straat stuitert, vraag ik zacht of zij misschien even haar fiets wil proberen om te checken of-ie nog heel is.
Ja, ik moet een trein en een vliegtuig halen, maar met een schuldgevoel over mogelijk gesprongen spaken of gebroken kettingen ga ik niet lekker op pad. Pas na de derde keer blijft zij staan en kijkt zij verbaasd naar haar fiets, alsof ze opeens niet meer weet hoe je zo’n ding gebruikt.
Dat weet ze wel, want ze stapt erop en rijdt zonder verdere plichtplegingen weg, om na 25 meter nog wel te roepen dat ik voortaan beter moet uitkijken!
En nadenken!
Dat laatste snap ik in dit verband niet helemaal, los van het feit dat zoiets altijd goed is, maar ik galm niettemin achter haar aan dat ik het beloof te zullen doen. Ook aan mijzelf beloof ik dat, want door de botsing blijk ik een lekke band te hebben opgelopen. Een geduchte deuk in mijn reisschema. Terug naar huis, fiets op slot en naar het station lopen, dat is een kwartier. Een schaamtevol kwartier, aangezien mijn rolkoffer lawaai maakt dat het een aard heeft en ik de hele buurt wakker ratel.
Denk ik.
Niet onterecht, want in Venetië is het al bij politieverordening verboden om met die koffers over de bruggetjes te trekken.
Door het hele gedoe ben ik alle streetviewbeelden kwijt, besef ik. In plaats daarvan is mijn horrorlijst verschenen: de opsomming van alles wat mis kan gaan. Ik zal een andere keer uitgebreider vertellen welke dingen er op die lijst staan. Absurde, maar gewone dingen, waar u hartelijk om zult lachen. Ik bedoel, dat de vliegmachine spontaan uit de lucht zal storten staat er niet op. Wel dat mijn koffer ondanks dat ik alles drie keer heb nagemeten, toch twee centimeter buiten de toegestane maten valt en ik al mijn spulletjes moet overpakken in een inderhaast aangeschafte en veel te dure maar reglementaire koffer waar dat allemaal net niet inpast, zodat ik kostbare tijd verlies met te kiezen welke sokken dan wel stropdas ik op het vliegveld zal achterlaten.
Dat gebeurt allemaal niet. Ik haal mijn trein en vind de incheckbalie, waar een lieve mevrouw mij complimenteert met de boardingpass die ik helemaal zelf van het internet heb getoverd. De volgende keer mag ik van haar meteen naar de gate!
De vliegmachine vertrekt. Ik slaap. In Barcelona schijnt inderdaad de zon. Daar ga ik inzitten. Om alvast van de terugreis te dromen.
Categorie archief: Overleven
Tipp-ex
De jonge vrouw aan het tafeltje naast mij had haar nagels met Tipp-ex gelakt.
Ja, nee, niet echt, denk ik, zo zag het eruit; rommelig, dof, smoezelig.
Eh… voor de jonge lezers onder u, Tipp-ex, dat is de voorloper van back space of delete. Maar dan in een flesje. Vroeger typten mensen nog gewoon rechtstreeks op papier en als ze dan een fout hadden gemaakt, lakten ze die weg met een soort verf.
Tipp-ex.
Dat spul bleef een halve dag goed, daarna werd het witte modder. Klonterde samen tot Hüttenkäse waar je bijstond. En na nog een halve dag zat het kwastje in het flesje vast. Je kon dan met een bijbehorend oplosmiddel proberen om alles weer vloeibaar te krijgen, maar er stonden zoveel waarschuwingen voor gevaarlijke neveneffecten op dat flesje, dat ik het nooit heb geprobeerd.
Foutloos schrijven, was mijn remedie. En als dat niet lukte veel nieuwe vellen papier.
Ja, zonde.
Helemaal niet schrijven, heb ik ook geprobeerd, maar daar werd ik gek van.
Dus lang leve de moderne tijd. De zinnen hierboven heb ik 38 keer verbouwd. Ik bedoel iedere zin gemiddeld 38 keer en de hele passage ook zoiets. Dat kan helemaal niet, maar ik heb het toch gedaan.
Het is een ziekte.
Verbaas u niet als deze blog morgen volslagen anders is.
Trouwens, ik denk dat de hedendaagse schrijvende mens al in groep drie van de basisschool bij de eerste letter die hij leert, weet dat die net zo snel verdwijnt als verschijnt. De Tipp-ex zit inmiddels in ons bloed, als het ware. Delete en back space als leidraad voor het leven. Niks meer voor de eeuwigheid.
Goh, wat zwaarmoedig opeens.
Vergeet het.
Terug naar de nagels van die vrouw. Tipp-ex van een halve dag oud.
Of misschien was het een restje Titaanwit 118 uit de verfdoos die ze voor haar dertiende verjaardag van oom Karel en tante Tinie had gekregen. Ze leek me wel iemand die zoiets zou doen om haar gelukkige jeugd niet te vergeten.
Hartverscheurende.
Hoe dan ook, het spul hield niet goed, want geen enkele nagel zat nog strak in de lak.
Dat is dan weer deprimerend.
En ongezond, want ze knibbelde het er allemaal zelf af terwijl ze nadacht over wat ze moest opschrijven.
Aandoenlijk.
Topje van een vinger tussen haar tanden terwijl ze naar het scherm van haar laptop staarde.
Kinderrimpels op haar voorhoofd.
Ik overwoog haar ten huwelijk te vragen.
De jongen tegenover haar niet. Hij zag haar niet eens. Hij tuurde ook in zijn laptop.
Dat is de ziekte van deze tijd.
(Pas op, ik ga nu weer zeuren.)
Je ziet wel eens van die uitgebluste stellen die tegen beter weten in uit eten zijn gegaan gaan om dan de hele maaltijd lang zwijgend tegenover elkaar te zitten en drie uur van hun leven te laten verdampen, en ik heb als ik zo’n koppel zag altijd gedacht dat zoiets een gedoemde fase in elke relatie is waar je min of meer per ongeluk in terechtkomt, maar sinds ik regelmatig in hippe café’s werk (waar ik bij binnenkomst de gemiddelde leeftijd met tien jaar verhoog), heb ik ontdekt dat de jeugd van tegenwoordig al meteen na de eerste tongzoen met de voorbereidingen van die tergende situaties begint door zich achter de schermen van hun apparaten te verschansen en er dan monomaan op los te typen.
Of te denken aan wat ze gaan typen.
Of te twitteren wat ze denken te gaan typen.
Of op facebook te zetten dat ze net hebben getwitterd wat ze denken te gaan typen.
Romantisch is anders.
(Ik had u gewaarschuwd.)
Cavia zegt dat ik op Tinder moet. Het is de “leukste manier om nieuwe en interessante mensen om je heen te leren kennen”, las ik. Eh… ze bedoelen gezichten bekijken. “It’s like real life, but better.”
Kunnen we dat soort aanmatigende overschattingen niet strafbaar stellen? De maakbare samenleving, maar dan in een appje.
Mensen roepen maar wat. Overschreeuwen zichzelf zonder het te horen.
Real live, dat is naar rechts vegen als je iemand leuk vindt, naar links als het niks is.
Vegen!
Ik leef eenvoudig, maar zó eenvoudig nou ook weer niet. Niemand, denk ik.
Hoop ik.
Wegens de enorme vraag hebben ze nu ook een rewind button toegevoegd.
Tipp-ex voor je aanstaande date.
‘En wat dan als je tegenover elkaar zit en blijkt dat je je vergist hebt?’ vroeg ik Cavia.
‘Dan pak je je mobieltje. Of je iPad.’ Ik staarde hem aan. ‘Neem voor de zekerheid ook je laptop mee.’
Romantisch is anders.
Dus.
Dat kan beter, vond ik opeens. Ouderwets. Zoals vroeger.
Ik brak op mijn knieën voor de vrouw en vroeg haar ten huwelijk.
Ze dacht na.
Tuurde naar haar scherm.
Beet op haar nagels.
De jongen keek op.
Stond op.
Rewind!
Rewind!
(Live is like Tinder, but worse.)
Identiteit
Soms heb je van die dagen dat je van voren niet weet dat je van achteren leeft. Of andersom. Zo’n dag had ik vorige week, toen het meteen op weg naar het station al mis ging doordat ik de verkeerde hoed op had gezet, misleid door een paar wolken die over alles een onheilspellende geur van regen hadden geworpen (vraag me niet hoe dat kan, het was zo).
Op de hoek van de straat brak de zon door en een straat verderop voelde ik het eerste zweet al onder mijn veel te zwarte winterhoed losbarsten.
Niet veel later bleek dat mijn jas ook geen goede keuze was.
(‘Zweet u ook? Ja, ik dacht al da’k het rook. Ja, ik zweet. van mijn oksel tot mijn reet.’ Wat moet een mens met zo’n geheugen? Het laatste wat ik wil is liedjes van het Leische Studentencabaret zingen, maar ik doe het toch. In mijn hoofd dan. Even erg.)
Goed. Van teruggaan was geen sprake. Ten eerste omdat ik daar niet tegen kan (u wilt niet weten hoe vaak ik verdwaald ben omdat ik doodgewoon weigerde op mijn schreden terug te keren, het is een ziekte), ten tweede omdat ik dus een trein moest halen.
Ik vind hard fietsen leuk, vooral als het druk is. Ik kan dat ook erg goed, al zeg ik het zelf. De meeste verkeersgenoten zien dat anders, maar zeker weten doe ik dat niet, want ja, ik fiets dus erg hard en kijk niet om.
Zeker niet als ik onderwijl ook nog eens mijn jas uit moet trekken.
En op moet vouwen.
Ja, neurose.
De ene mens heeft een lievelingskleur, de ander een favoriete aap in de dierentuin en ik heb een hele fijne plek in mijn enige eigenste fietsenstalling. Alleen, dat weet niemand. Laat staan dat iemand er rekening mee houdt. Enfin, u raadt het al, op ’zo’n dag je dat je van voren, enzovoort…’ is die ene hele fijne klem in het rek linksachter dus bezet.
Woede!
Paniek!
Verdriet!
(In willekeurige volgorde, simultaan kan ook.)
Maar de trein wacht niet, dus mijn rijwiel elders neergezet.
Rechts.
O, alles andersom!
Gruwelijk!
Terwijl de rest van Nederland al god mag weten sinds wanneer met een chipkaart reist, koop ik nog gewoon losse kaartjes omdat ik bang ben dat ik per ongeluk incheck als ik tussen die poortjes doorloop en dan maanden later erachter kom dat ik de spoorwegen nog 6.591,95 euro schuldig ben. Die angst is groter dan de angst dat het kaartjesapparaat mijn pas opvreet. Of dat ik dat kaartje verlies.
Pick your fears, is mijn motto.
Maar daar gaat het nu niet om. Of misschien toch wel. Weet ik niet. Zien we aan het eind van deze blog wel.
Goed, de trein gehaald, vergaderd, veel te veel koffie gedronken, en ergens op een van de wc’s die ik daardoor moest bezoeken niet mijn treinkaartje, maar het kaartje van de fietsenstalling verloren.
Ik kon het nergens meer vinden.
De hele terugweg ernaar gezocht.
Hoeveel broek- en jaszakken heeft een man nodig?
Geen flauw idee.
Maar als je iets kwijt bent, heb je er teveel.
Terwijl ik me voor de zesde keer het rambam schrok van een klef dropje dat in de binnenzak van mijn nutteloze jas een geheim insect nadeed, zag ik de man van de fietsenstalling voor me. Die had een hekel aan mij, dat wist ik zeker, want ik fiets altijd zijn helling op en af en dat mag niet. Regelgeving is prima hoor, maar die helling maakt de jongen in mij wakker en dat is me een overtreding en zijn chagrijn wel waard.
Maar nu had ik dus spijt van die rebellie, want hij zou wraak gaan nemen, wedden?
Zonder kaartje geen fiets. Sterker nog, de politie erbij!
Welnee!
Hij was er helemaal niet. Er was een hele lieve Marokkaanse meneer die ook wel snapte dat je zo’n stom klein briefje makkelijk kwijt raakt. Zeker als je de verkeerde hoed op hebt, en een jas voor niks met je mee moet slepen en je je fiets onvoorbereid rechts moet wegzetten in plaats van links en dat je dan alles precies andersom moet doen en dat je dan dus, eh…
‘Iz wiedusj,’ vond hij.
Het komt nog eens goed met de wereld.
Geen verdere uitleg nodig, ook al wilde ik die graag geven. Maar nee, echt dat hoefde niet.
Alleen mijn rijbewijs wilde hij.
‘Jij gaat fietsj halen, ik jouw identiteit kopjéren.’
Zo gezegd, zo gedaan.
Dus als nu in de stad nog ergens zo’n zenuwlijder ziet rondfietsen, dan weet u hoe het komt.
Ga nooit weg
Na een wee is heimwee de kiem van het leven (kan zo op een tegeltje).
Ik bedoel: alles waar het om draait in het leven is altijd hier.
Ga dus nooit weg.
De keren dat ik dat deed had ik altijd spijt. Onderweg al. En onderweg valt nog mee, de aankomst is pas erg.. Om maar niet te spreken van vertrekken. Dat is echt verschrikkelijk.
Voorkom dat.
Makkelijker gezegd dan gedaan, soms ontkom je er niet aan.
Ik wilde dus alleen maar zeggen dat ik reisangst heb. Maar ja, ik heb een baan (ik ben van beleid), en dan moet je wel eens naar het buitenland om daar met buitenlandse beleidsmensen te praten, dus op een dag moest ik echt iets over supervision gaan vertellen aan een groep policy advisors.
Omdat ik niets anders deed dan uitstellen, had een collega die mij beter begreep dan ik mijzelf, alle voorbereidingen voor mij getroffen en iedere stap die ik moest doen voor mij opgeschreven. Ik had bij haar uitleg toch nog zo hulpeloos gekeken dat ze om mij gerust te stellen op Google Earth van alle plaatsen die ik zou bezoeken panoramafoto’s had gedownload.
Geweldig!
Zij had ook mijn presentatie in begrijpelijk Engels vertaald, want het Engels dat ik gebruikte, bleek helemaal niet te bestaan.
Van de heenreis herinner ik mij alleen dat ik bij een detectiepoortje zo’n beetje al mijn kleren uit moest doen omdat er telkens bellen afgingen als ik eronderdoor liep. Niemand weet hoe je je dan moet gedragen. Het stond ook nergens in mijn instructies. Ik had zoiets wel eens meegemaakt bij de ingang van een bajes en toen was ik gewoon kwaad geworden.
Dat leek me hier geen goede reactie, dus deed ik gehoorzaam de striptease.
Dit was geen goed begin. Zoals Romeinen vroeger op hun schreden terugkeerden als ze bij het vertrek hun voet stootten, had ik ook meteen rechtsomkeert moeten maken; ik bedoel, als struikelen al een argument is om thuis te blijven, wat is in je onderbroek op een vol vliegveld staan dan?
Ja, ik moest een presentatie houden, maar hoe futiel is dat, in het geheel der dingen?
Eenmaal in Cambridge sloot ik mij meteen op in mijn hotelkamer om mijn presentatie te oefenen, want ik ken mijzelf, in den vreemde gelden andere regels en verworven vaardigheden en hele gedeelten van mijn geheugen verdwijnen waar ik bijsta.
Dus alles nog eens oefenen.
Leek me verstandig.
Dus niet.
Ik had overal af moeten blijven – by the way: wat ik in mijn leven allemaal níét had moeten doen, spijt als richtsnoer voor je bestaan, hoe sneu is dat? – want ik sloeg, handig als ik ben, de nieuwe versie van mijn verhaal in een of ander exotisch formaat op dat geen enkele computer van ná 2001 nog begreep, maar daar kwam ik pas achter toen ik voor een volle zaal met Russische belangstellenden mijn dia’s tevoorschijn probeerde te krijgen.
Dat lukte maar half. De dia’s verschenen, maar met de inhoud van een oude versie en in een animatie die vanzelf aan de slag ging zodra ik een toets aanraakte.
Alles leidde een eigen leven, behalve ik zelf.
Het publiek deed welwillend zijn best om mij te begrijpen. Op één meneer na, die mij om de haverklap interrumpeerde.
‘I don’t understand,’ jammerde hij dan. ‘What do you mean with…’ en dan volgde iets wat ik zelf ook niet eens begreep.
Ik begreep niets meer.
Ik was mijn eigen naam vergeten.
Zijn vette Russische accent hielp niet. Ik heb kennelijk in mijn leven teveel spionagefilms gezien want het was alsof ik door de KGB verhoord werd. Dat hij later met een apparaat zou komen om mij ergens op mijn lichaam elektrische schokken toe te dienen, leek me een reëel scenario.
Na zevenendertig vragen gaf hij het eindelijk op.
‘Oh, forgeddabouddit,’ zei hij pissig.
Dat bleek een blessing in disguise. Met die presentatie kwam het niet meer goed, maar later hoorde ik telkens als ik ergens in een benarde situatie terecht kwam (sic!) dat ‘oh, forgeddabouddit’ weer. Wat dus in plaats van verontrustend juist heel louterend uitpakte. Het is sindsdien de leidraad voor mijn leven.
Ik moet alleen afleren om het met een vet Russich accent hardop voor mij uit te roepen, want ik ben al een paar keer uit een station gejaagd door omstanders die schreeuwden dat ik met mijn dronken kop in Verweggistan had moeten blijven.
Het leven gebeurt altijd hier, tenzij je van elders komt.
De anderen
Op perron vier van het station Amersfoort zat een blinde man. Dat is te zeggen, er was daar een bank en op die bank zat die man.
Blind.
Zijn geleidehond – Labrador – stond naast hem, met zijn kop op de man zijn dijbeen. Precies in de zon.
Ogen dicht.
Als ik die man was zou ik het daar eens met hem over hebben, maar wie ben ik.
Niet die man.
Hij (de man) voerde op luide toon en met schelle stem een telefoongesprek. Aan de andere kant een kennelijk oude bekende die niet zoveel van hem wilde weten. In ieder geval geen bezoek.
Veel ongelovige oh’s en ja-dat-begrijp-iks van de blinde man.
Teleurstellingen.
Ik begreep die kennis met zijn afwijzing wel een beetje, eerlijk gezegd. Die opdringerige stem zou meteen mijn hele huiskamer vullen en om een of andere reden leek de blinde man me iemand die ongehinderd door verlegenheid of fatsoen in no time een aanzienlijk gat in mijn voorraad proviand zou eten en drinken. & dan precies de dingen zou opmaken waar ik helemaal voor naar de andere kant van de stad was gefietst. Noem me ongastvrij en -gezellig, maar ik word zenuwachtig van zoiets. En ja, ik zag ik de man voor het eerst in mijn leven, maar dat beeld van hem op mijn bank drong zich zonder al te veel nuanceringen aan me op. Vraag me niet waarom. Ik ben een zenuwlijder.
Hoe het ook zij, zijn oude bekende kon hem ook niet ontvangen want zat midden in een verhuizing. Nee, dat was niet handig, begreep de blinde man. Hij hing op en ging staan. De hond schrok wakker.
Grappig. Want menselijk. Altijd leuk, dieren die mensendingen doen. Poezen die struikelen. Hilarisch. Andersom is het dan weer geheimzinnig (bat-/spiderman) of verwerpelijk (angsthaas, male chauvinistic pig).
Eh… die man.
Pas toen hij stond zag ik dat zijn geleidestok ook een kruk was. Of andersom. Hij liep als de klokkenluider van de notre dame.
Liep. Zonder stok.
Smaken verschillen en stijl is persoonlijk maar ik schrijf toch gewoon op dat de man er raar uitzag. Hij leek op Lambik, maar dan met een te grote slobbertrui in plaats van een overhemd met strikje.
Wel die te korte broek.
Witte kuiten met zwarte haren.
Tja.
Ik zou me geen raad weten als ik blind was. De spiegel is mijn beste vriend. Ik ben namelijk de hele tijd bang dat ik er verkeerd uitzie en mensen mij uitlachen. Omdat mijn sokken niet bij mijn overhemd kleuren. Of mijn hoed niet bij mijn jas. Ik stelde me voor dat ik iedere morgen voor ik vertrok aan de buurvrouw zou vragen of mijn outfit klopte. Want zo’n blindengeleidehond heeft ook zijn grenzen. Los van de communicatieproblemen tussen mens en beest, leken me dat geen dieren met verstand van color co-ordination.
Zeker de Labrador van de man niet. Geen oplettend type.
Vlak voor de rand van het perron plantte de man zijn stok als een soort derde been voor zich en boog hij voorover om er lekker relaxed op te gaan hangen, met zijn hoofd precies op hondenkophoogte. Nu werd ook duidelijk waarom hij zo krom liep. Die hoogte was belangrijk.
De hond ging voor hem staan en likte, nee, tongde de man.
Het hele perron rilde. De man zei: ‘ja, je bent braaf’.
Weer die tong.
En huiver alom.
Ik schoot in de lach. Innerlijk dan. Als wij al in de verleiding waren gekomen om ons afgrijzen open en bloot uit te spelen, omdat de man ons toch niet kon zien, was hij ons voorgeweest. Hij had het omgedraaid en deed gewoon wat hij wilde omdat hij toch niet kon zien hoe wij reageerden. Blind zijn als de weg naar volstrekte vrijheid. Geen hel, want ook geen anderen. Ik leg dit niet uit, zie Sartre.
De trein kwam en we schuifelden naar voren. Ik kwam naast de man terecht.
De hond keek naar zijn baas.
Ik naar de hond.
En van de hond naar de man.
Stapte onhandig in.
Trapte de hond op zijn teen.
Piep! Waf!
De man ging rechtstaan en keek me giftig aan.
‘Ken je niet uitkijken, lul?!’ Schelle hoge stem. Priemende blik.
Eek!
Collectieve verontwaardiging van de omstanders.
Anderen.
De deuren sloten.
Standenstoel
Ik moest een stoel hebben. Een tuinstoel die je kon verstellen. Een standenstoel heet zoiets. En laat nu net bij de Blokker zo’n ding in de aanbieding zijn.
Of was het omgekeerd? Dat weet ik niet meer. Goed mogelijk, want laat mij zo’n folder zien & ik ben verkocht. Heb gekocht. Bedragen met strepen er doorheen, percentages die er dan nog afgaan, kassakorting (wat dat ook moge zijn), in te wisselen gouden dukaten, allemaal dingen die ik niet kan weerstaan.
Hoe dan ook, ik ging erheen.
Nu vind ik winkelen best leuk, maar in de Blokker eigenlijk niet. Deprimerende zaak. Dat komt door de rommel. Er zijn voortdurend allerlei ijverige en bleke pubers bij de schappen bezig om de zaak op orde te houden, maar dat is onbegonnen werk, want achter hen staan altijd klanten te dringen om de spullen weer van de planken te trekken en als het even kan ook uit de verpakking te peuteren om alles dan half geopend elders achter te laten omdat het toch niet was wat ze dachten. Het gevolg is een voortdurende staat van ontregeling waar ik gek van word.
Nee, dan liever de eeuwige en volslagen chaos van de bijna uitgestorven winkeltjes die gewoon alles (en dan ook nog eens onverpakt) verkopen. In Utrecht hebben wij bijvoorbeeld Woortman. Een drogisterij die in 1851 is op- en ingericht en nog steeds dezelfde dingen verkoopt uit dezelfde potten, aangevuld met wat er in de loop der jaren op de drogisterijenmarkt bijkwam.
Ik zal er geen opsomming geven, hoewel ik daar dol op ben (waarover in een volgend blog meer), maar volstaan met de constatering dat ik nog nooit teleurgesteld de winkel verliet. Ze hebben alles. Álles! En de wanorde die er heerst is zo totaal, dat het gewoon nutteloos is om je er aan te irriteren. Er gaat zelfs een soort helende werking vanuit voor zenuwlijders als ik. Alle denkbare zooi bij elkaar in één winkeltje, dat is dan kennelijk weer rustgevend.
Maar dat allemaal terzijde, want ja, die stoel, daar moest ik toch echt voor naar de Blokker. Op weg naar de hoek waar volgens mij de tuindingen moesten staan, kwam ik een vrouw tegen die rondom haar rechteroog zes sterretjes had laten tatoeëren. Van haar wenkbrauw naar haar jukbeen, van klein naar groot.
‘Ik vind de Blokker bij ons leuker,’ zei ze tegen haar dochter, die ongeïnteresseerd oliebollen at en als antwoord een wolk poedersuiker de winkel in blies.
Zulke situaties zijn niet goed voor mij. De idee dat de ene Blokker leuker kan zijn dan de andere en dat er mensen zijn die daar oog voor hebben, dat verontrust mij dus al, maar dat die mensen dan hun oordeel daarover hardop en verstaanbaar ter sprake brengen terwijl ik nog over hun verschijning an sich nadenk, dat maakt me gek. Zoiets blijft allemaal onverwerkt in mijn hoofd rondwaren. Nu, terwijl ik dit schrijf, zie ik nog steeds die sterretjes voor mij (betekenen ze iets, blijf ik mij afvragen, bijvoorbeeld iets dat met liefde of dood te maken heeft, wat mij wel zou aanstaan, of is het veel banaler en stond die vrouw ooit in de tattooshop en dacht ze: hm, sterretjes!; wat ook wel iets heeft, ook al is het absurd), en o, het hongerloze maar toch gretige staren van het meisje in haar papieren oliebollenzak (was die leeg of zat er nog wat in en hoe stemde haar dat?); raadsels waar ik nooit meer vanaf kom.
Maar goed, die stoel!
Die stoel bleek eerst onvindbaar en daarna wel te bestellen, maar dan alleen bij zogenaamde XXL-Blokkers, die een uitgebreider assortiment hebben.
Een XXL-Blokker! X…X…L..!
Die zag ik toen voor me. Een gigantische verzameling rotzooi inclusief die vrouw met haar dochter, die peinzend rondliepen om te bepalen of deze XXL nu leuker was dan die bij hen of niet, waardoor ze verdwaalden in die XXL, zo erg dat ze uiteindelijk moesten overnachten in een plastic tuinhuisje, waar ze ongemakkelijk in een standenstoel probeerden te slapen, met een douchegordijn of een stuk landbouwplastic als een deken over zich heengetrokken, hongerig, ja, ze waren natuurlijk hongerig, zo hongerig dat ze moesten huilen en er een traan over één van de sterretjes van de vrouw biggelde, waardoor die prachtig vergroot op haar wang aan het schitteren ging in het maanlicht.
Die stoel schrapte ik van mijn verlanglijstje. Kassakorting en/of gouden dukaten ten spijt. Wat een mens allemaal vergaart in zijn leven, dat is echt onverantwoord!
Op weg naar huis verzon ik wat ik met het niet uitgegeven geld zou doen.
Een tatoeage!
Opzeggen
Ik ben dol op muziek, maar rekenen, daar heb ik een broertje aan dood. Een mens vraagt zich wel eens af wat erfelijke eigenschappen precies zijn, want mijn vader was boekhouder en ik heb warme herinneringen aan de eindeloze winteravonden die hij peizend doorbracht aan de keukentafel vol met enorme schriften met cijfertjes.
Dat vond hij leuk. Begrotingen, kosten, baten, een balans, dat soort dingen.
Ik niet. Laat me een excelsheet zien en ik spring uit het raam.
Doe dus maar niet.
Maar goed, ik heb inkomsten en uitgaven, een bankrekening waar die posten heel confronterend onder elkaar staan en soms baart het verschil tussen die twee mij zorgen. Dus toen ik zag wat ik allemaal aanschafte via iTunes en tegelijkertijd van moderne mensen hoorde wat Spotify behelsde en kostte, trok ik toch snel de conclusie dat mijn liefde voor muziek goedkoper kon.
Laat spotify nou net zo duur zijn als het lot dat ik iedere maand bij de bankgiroloterij koop! Het lot waar nog nooit iets op gevallen was! (Ik tel dan alle blikken stroopwafels en nutteloze huishoudelijke spulletjes in de kleuren van die loterij niet mee. Dat waren geen prijzen maar straffen voor mijn gulzigheid.)
Ik wilde dus van die loterij af om van het bedrag dat ik zo bespaarde lid te worden van Spotify, of hoe heet zoiets.
Zo gedacht zo gedaan. Dacht ik.
Op de website van de loterij stond ene Robert in een te groot colbertje van een soort fluweel mij enthousiast aan te kijken. Die wist niet wat ik kwam doen. Of misschien wel, want toen ik ging zoeken hoe ik van mijn loten af kon komen, verschenen zijn ouders en schoonouders en andere familieleden en/of vrienden, kennissen, buren, et cetera (zo’n loterij, dat is een en al nepotisme, vertel mij wat), telkens blij in beeld met reuzenvarianten van de cheques die ze kennelijk ontvangen hadden. De astronomische bedragen juichden nog harder dan zijzelf, maar ze vonden het toch nodig om aangrijpende sterke staaltjes van hun geluk te beschrijven. Ze weerlegden alle wetten van de statistiek met voorbeelden van toeval.
Ik werd gek.
Na eindeloos scrollen vond ik twee buttons, waarvan er een ‘blijven meespelen’ heette en de andere ‘toch opzeggen’. Die klikte ik aan, waarna er een meneer van de ‘afdeling goede doelen’ op het scherm verscheen om mij te vertellen wat ik anderen zou aandoen als ik er de brui aan gaf, want al dat loterijgeld was helemaal niet voor de winnaars, maar voor goede doelen.
Ja hoor. De ‘afdeling goede doelen’, dat is een eufemisme voor strijkstok.
Nog eens scrollen, en dan de verlossende mededeling: ‘opzeggen kan het beste telefonisch’.
Ik sprong een gat in de lucht. Weg van die site!
Dom, want telefonisch, dat is contact met echte mensen, en dat is eh, nou ja, niet mijn sterkste competentie, zal ik maar zeggen.
Wachtenden in de rij en enge muziek, maar uiteindelijk kreeg ik een neefje van Robert aan de lijn die mijn wens beantwoordde met een opgewekt ‘helder!’
Inderdaad. Hoe moeilijk kon het zijn.
Voor mij een vraag voor hem een weet.
Hij begon half tegen zichzelf en half tegen mij te prevelen wat hij ging doen. Dat had hij op een cursus geleerd. Stilte is niet goed, heette die les.
‘Ik ga eerst uw gegegevens noteren,’ zei hij.
Wat meer was, hij spelde alles terwijl hij typte en declameerde de vragen die het systeem aan hem stelde voordat hij triomfantelijk ‘Okay!’ zei als hij op ‘Bevestigen?’ klikte. Het was te zielig voor woorden, maar ik zat er met mijn gezonde verstand naar te luisteren alsof Einstein me postuum de theorie van alles uit de doeken deed. Tot hij (de jongen) opeens op bezorgde toon liet weten dat het eigenlijk best wel een slecht moment was om op te zeggen.
Oh?
Ja, want laten ze nou net een hele lucratieve actie op stapel hebben staan!
Goh!
Ja, echt! Iedere dag de kans om 10.000 euro te winnen!
Een kans! En dan iedere dag een!
Één!
Goed, menselijk contact is gedoe, maar in dit soort gevallen krijg ik opeens de geest. Rising to the occasion, noemen de Engelsen dat.
’Nee, ik wil opzeggen,’ snoerde ik hem de mond.
‘Helder.’ Dat ‘helder’ vond hij een fijn woord. De betekenis ervan niet. ‘Maar misschien wilt u toch…’
‘Nee, luister naar me…’
‘U laat me niet uitpraten.’
‘Ik wil het namelijk niet horen.’
‘U weet niet eens wat ik zeggen wil.’
‘Als jij maar weet wat ík zeggen wil. Ópzeggen, om precies te zijn.’
Een zucht.
‘Ik begrijp dat u dit gesprek als vervelend ervaart.’ Weer een zinnetje uit de training. Ik vroeg hem of dat ook zo was. Gewoon uit interesse. Maar ik had hem misschien niet precies na moeten bauwen.
‘Als u zo begint dan hang ik op, mijnheer.’
‘Als u zo begint dan hang ik op, mijnheer.’
Wat hij deed. Nou ja, hij stuurde me digitaal de gang op en ik kwam terug in de wachtrij bij de muziek.
Da capo.
p.s. U kunt het geloven of niet, maar ik had een week daarna het laatste woord van deze blog nog niet getypt of een manische collega van de jongen belde op om me dronken van geestdrift een geweldig aanbod te doen! Iedere dag de kans om 10.000 euro te winnen!
Ik legde mijn mobieltje voor me op tafel en zocht mooie rustgevende muziek bij zijn telkens weifelender roepen. O ja, dat was echt grappig, het ieniemieniestemmetje waarmee hij steeds wanhopiger contact met me probeerde te maken.
Maar ja, contact, daar ben ik niet zo goed in.
Vertrouwen

Onlangs heeft een jonge reporter door de boel op te lichten onterecht een lintje gekregen.
Goh.
Het stond in de krant.
Met een foto van de journalist erbij.
Hij had best een zachtaardig gezicht, in ieder geval niet bepaald het ponem van een flessentrekker. Ik zou zo een tweede hands auto van hem kopen, maar ja, ik heb geen verstand van auto’s. Sterker nog, ik vind ze eng. Heb pas twee jaar mijn rijbewijs omdat ik niet eerder durfde. Het verkeer is te ingewikkeld voor een zenuwlijder als ik. Iedere soort verkeer, eigenlijk.
Maar daar gaat het nu niet over.
De burgemeester die hem het lintje abusievelijk had opgespeld verweerde zich met de standaard mededelingen die burgemeesters voor zulke gevallen op de burgemeestersschool hebben geleerd, namelijk dat hij nader onderzoek zou laten doen naar wat er mis was gegaan (dat begrip ’nader onderzoek’ moeten ze op boot camp in de Ardennen een week lang als een mantra voor zich uit prevelen, of nog langer, net zo lang tot de betekenis is verdampt, een geweldige methode waar ze ook andere termen voorgoed nutteloos mee maken, nutteloos voor gewone mensen dan, zie hieronder).
Hij kan niet anders, dat snap ik ook wel, maar ik zou het niet doen. Dat onderzoek. Er is namelijk niks misgegaan. Dat zei hij later zelf ook, al had hij dat misschien niet door.
‘De procedure berust op vertrouwen,’ zei hij.
En die reporter had dat dus beschaamd.
Case closed, zou ik zeggen, en zeker de Kanselarij der Nederlandse Orden er niet bijhalen.
Want dat beloofde de burgemeester ook.
Toen ik dit blog typte schreef ik het telkens achterstevoren en andersom: de Orde der Nederlandse Kanselarij, of : de Nederlandse Orde der Kanselarij.
Als ik die burgemeester was zou ik, zeker in het licht van de recente gebeurtenissen, even nagaan of die club wel bestaat, want als iedere verhaspeling ook een geloofwaardig naam voor een deftig instituut oplevert, is bedrog niet ver weg. Gewoon googelen. Mijn gok is dat het een departementale commissie uit een Harry Potter-boek is.
Over departement gesproken. De ambtenaar op het ministerie die over de lintjes gaat zei: ‘Als men kwaad wil, dan lukt het.’
En de journalist wilde kwaad. Hm, dat klinkt duivelachtiger dan ik bedoel. Goed, laten we het branie noemen. Hij wilde branie schoppen. Met een aangeplakte baard de burgemeester voor schut zetten.
Dat is gelukt.
Goed zo!
Het knappe is vooral dat hij zo’n beetje het laatste bestuurlijke gebied heeft ontdekt waar nog vertrouwen heerst. En dat heeft-ie meteen voor confiscatie door achterdochtige Dorknopers ontsloten. Want die kanselarij gaat de regels natuurlijk aanscherpen. Of anders die ambtenaar wel.
Dichttimmeren heet dat.
Exit vertrouwen.
Je kon erop wachten. De afgelopen 15 jaar was zo’n beetje het populairste programma op de tv ‘Wie is de mol?’. Dat is niks anders dan misleiding en bedrog. Elkaar neppen en over je schouder kijken als nationaal vermaak, kom er maar eens op. Geniaal, op een akelige manier. En dan zijn er nog mensen die zich afvragen of het programma zelf doorgestoken kaart is.
Duh! Wake up!
De overheid heeft haar beleid natuurlijk van ‘Wie is de mol?’ afgekeken. Wantrouwen en argwaan als leidend principe voor het besturen van de maatschappij, dat moet kunnen, dachten ze in Den Haag na het eerste seizoen. Ze noemden het prestatiemeting en outputfinanciering. Of prestatiefinanciering en outputmeting. Resultaatverantwoording kan ook. Let op, je kan die woorden naar hartelust door elkaar husselen en dat is dus altijd een slecht teken. Zie hierboven. De mantra’s die erbij horen: transparant zijn, inzichtelijk maken, rekenschap geven.
De ironie is dat alle mensen voor wie vertrouwen de kern van hun beroep is, (onderwijzers, verpleegkundigen, reclasseringswerkers, zorgverleners, et cetera) nauwelijks aan hun beroep toekomen omdat ze de hele tijd moeten bewijzen dat ze dat ze te vertrouwen zijn door alles wat ze doen te registreren (dat is: tellen wat ze doen, niet vértellen, wat veel interessanter zou zijn).
Hoe bizar is dat?
Terug naar die lintjes. Ik zie een ambtenaar voor me met excelbestanden en staafdiagrammen waarop iemands verdienste voor de samenleving inzichtelijk en transparant is gemaakt zodat van iedere goede daad rekenschap te geven is.
Ik waarschuw alvast; leuk dat u nu uw hele ziel en zaligheid in vrijwilligerswerk voor de vereniging ‘Weiland en polder’ (of andersom) legt, maar als ik u was zou ik vanaf nu uren gaan schrijven en geredde veldmuizen tellen.
En let op, als u het lintje ophaalt (ik hoop voor u dat één van die muizen niet de tamme van uw buurmeisje blijkt te zijn), moet u niet meteen daarna weglopen. Want dat was de burgemeester wel als verdacht opgevallen, dat de illegale laureaat meteen met zijn onderscheiding het pand had verlaten.
Maar daar had hij verder niet bij stilgestaan in al het feestgedruis.
Hoera!
Een lintje voor goedgelovigheid, dat zou wat zijn.
Of voor valse baarden.
Iedereen blij.
Trevira 2000
Ik kocht bij Giensch in Utrecht een stropdas van Trevira 2000 en moest meteen aan mijn moeder denken, mijn moeder die vroeger zelf mijn kleren naaide.
Ja, jongens en meisjes, moeders naaiden vroeger alles zelf. Van patronen. Grote vellen papier waarop als op plattegronden van de metro tientallen lijnen hun eigen weg gingen in een geheimtaal die alleen moeders begrepen.
Die patronen waren bijlagen bij speciale damesbladen waarin bloedeloze foto’s stonden van keurige en gangbare gezinnen (vader, moeder, zoon, dochters – altijd twee dochters, een oudere van een jaar of zestien, en een jongere van tien of zo) die in al even bloedeloze kleren poseerden met als enig doel die kleren te showen.
Welk ander doel ze zouden moeten hebben, wist ik nooit, maar in ieder geval iets spannenders, hoopte ik dan. Iets echts, met gevoel.
Ik was veertien.
Want hoewel ze altijd een of andere fijne situatie uitbeelden (een picknick met Brabants bonte tafelkleden op nepgras, of een dagje aan het strand, met een vlieger voor de mannen en een glimmende bal voor de meisjes), was altijd ook duidelijk dat het daar niet om ging, niet om ranja en koude kip of vlieger en bal, nee, het ging om coltruien en broekpakken. Plooirokjes en overgooiers.
Ja, op alle foto’s stond er altijd ten minste één meisje met een overgooier aan. Dat was echt het icoon van alle bloedeloosheid. Een rok en mouwloos lijfje aan elkaar vast, staat er in de van Dale. Dat mouwloze lijfje zie ik dan voor me, als zo’n verwrongen lichaam op een schilderij van Francis Bacon.
Ik dwaal af.
In die patroonbladen van mijn moeder stonden ook nieuwtjes over materialen. Stoffen. Trevira 2000 was zo’n stof. Een hypermoderne, geheel van kunstvezels gemaakte stof. Een revolutie was het. Ik herinner mij nog dat de naam in gesprekken van mijn moeder met de buurvrouw viel. O, de ondertoon van geheimzinnigheid, kippenvel kreeg je daarvan.
Het was natuurlijk ook een geweldige naam. Dat kwam door dat getal. Een combinatie van een woord met een getal is altijd prachtig, maar deze al helemaal omdat het ‘2000’ was. In de jaren zeventig was dat getal het summum van de toekomst. Een betoverend jaartal dat ook betekenis had zonder dat je aan een jaar dacht. Het hoefde niet eens te komen. Liever juist niet. Altijd de toekomst. Nog mooier!
Dat mijn moeder de stof eerst nergens kon vinden, was ook enorm spannend. Wij moesten ervoor naar de stad (waarom ging ik eigenlijk mee? Weet ik niet meer). Een half uur in de bus en dan van het station naar steegjes in het centrum, waar winkels met stoffen waren, soms ook met fournituren. Geweldige zaken, waar alles dat met zelf naaien van doen had te koop was.
Ik bedoel dus álles!
Je kon het zo gek niet bedenken of ze hadden het. Knopen, drukkertjes, ritsen, pailletten, koorden, kwasten, garen, bandjes, elastieken, noem maar op. Er was altijd wel ergens een la met vakjes waar voldoende van wat ook maar in zat om er de rest van de dag in twijfel naast te staan, met de stof in de ene hand en dat wat ook maar in de andere hand, om te zien wat het beste bij elkaar paste.
Maar Trevira 2000 was dus zeldzaam in die winkels. Althans in de provincie, waar wij woonden. Niet dat zoiets mijn moeder tegenhield. Zij is niet iemand die zich in dat soort winkels laat afschepen. Zij had zelf ook in zo’n winkel gewerkt en wist meer van de textielhandel dan de verkoopsters lief was. Ze voerde gesprekken met de winkelbedienden op een toon die de meeste van hen in wanhoop over hun verdere carrière achterliet.
Op onze eerste tocht gaf pas in de vierde zaak een vrouw achter de toonbank weifelend toe dat zij wel van Trevira 2000 gehoord had.
Mijn moeder knikte. Meer niet.
En de vrouw slikte.
Daarna volgde een minuut of wat stilte. Waarna de vrouw achter een deur verdween waar ‘privé’ op stond. voor de rest van haar leven, denk ik.
Door dit soort gesprekken was Trevira 2000 voor míj nog mythischer geworden dan het al was. Wie iets droeg dat dáár van gemaakt was, zou meteen een halfgod worden, met fabelachtige eigenschappen. Ik kon niet wachten tot ik iemand zou ontmoeten die iets van die stof zou dragen.
Het liefst een meisje.
Ik was veertien.
Zo’n meisje uit de patroonbladen van mijn part. Ik kende er inmiddels wel een paar die heel verwarrend met een stuk fruit in de handen op een Schots geruite plaid konden zitten.
Ja, ik schreef dan wel stoer dat die fotoreportages bloedeloos waren, maar ja, dat was terugziend. Toentertijd zag ik alles natuurlijk anders. Een dagje naar het strand met zo’n meisje van twee jaar ouder dat dan een jurkje (geen overgooier) van Trevira 2000 droeg, dat leek me geweldig.
En nu heb ik dus een stropdas van Trevira 2000! Thuis heb ik ’m meteen omgedaan en dit allemaal in één roes opgeschreven.
Het blijft magisch spul.
Loslaten
Op weg naar de trein kwam ik terecht in een groep Chinezen die uit de draaideur van een hotel wervelde. ze hadden allemaal dezelfde gelukzalige lach op hun gezicht en dito verwondering in hun ogen. De dag was amper begonnen, maar voor hen kon hij al niet meer kapot. Dit was leuk (vonden zij): de wind in de achterafstraat naast het station, de in zichzelf gekeerde fietsers die er tegenin klauterden, het zwerfvuil dat zich liet rondwaaien, het stuivende zand van de eeuwig opengebroken wegen rondom Hoog Catharijne… kortom, alles.
Je bent op vakantie of niet.
Ze droegen geplastificeerde kaartjes aan touwtjes om hun nek als kinderen op een schoolreisje in de Efteling. Voor schut, maar what the fuck, ze liepen ook allemaal op spuuglelijke sneakers en hun bespottelijk kleine rugzakken klampten zich vol proviand en reisbenodigdheden verbeten als apen aan hen vast, waardoor ze niet anders konden dan hulpeloos met hun armen gespreid rondlopen.
Voor schut, maar ook koddig. Aandoenlijk.
Je zou van Chinezen verwachten dat ze aan fietsers gewend zijn, en dus dat ze mij wel ergens in een ooghoek zouden hebben ontwaard en opzij zouden stappen, maar hun reisvreugde was kennelijk zo sterk dat ze alles wat aan thuis deed denken waren vergeten.
Hadden losgelaten.
Zouden Chinezen dat ook doen, loslaten? Of is dat weer zo’n westers dingetje? Ik had de neiging om de dichtst bijzijnde man te vragen hoe het zat, ik botste toch zowat tegen hem op, maar zag er vanaf omdat het me te ingewikkeld leek om de kwestie voor te leggen en ik bovendien niet zou weten wat ik met het antwoord aan zou moeten. Daar weer nieuwe vragen over stellen, vreesde ik. Stel dat hij zou antwoorden (ik vertaal even alles in het Nederlands): ‘Ja, wij Chinezen laten ook wel eens los.’ Wat zou ik dan moeten zeggen? Okay, bedankt voor de info, logisch, typisch oosters? Nee, dan zou ik natuurlijk meer willen weten. Wat laten ze los? En waarom? wat zijn de ervaringen? Hebben ze het al eens geëvalueerd? Dat soort dingen. Ik ben van beleid, immers.
Of hij zou zeggen: ‘Nee, loslaten, dat doen wij niet.’ Ook raar, zou ik dan denken. Iedereen laat wel eens iets los. Het is algemeen menselijk. Toch? Altijd maar aan alles vasthouden, dat trekt niemand. Maar goed, Chinezen misschien wel. Of ze durven niet anders, bang voor de partijleiding.
(Ja, sorry, ik heb veel vooroordelen, da’s ook menselijk.)
Voor alle duidelijkheid, al deze overwegingen schoten door mij heen terwijl ik probeerde langs en/of door die groep te fietsen en te vermijden dat ik die man aankeek.
Want ik was op weg.
Naar mijn werk.
Een vergadering.
In Den Haag.
Op het ministerie.
Over gewelddadige overvallers.
Echt waar.
De man had ondanks dat ik mijn nieuwsgierigheid geheim probeerde te houden en dus heel erg star voor mij uit staarde, toch mijn vraag gezien want hij sprong zo’n beetje voor mijn fiets en begroette míj zo mogelijk nog monterder dan hij de rest van de wereld al tegemoet trad, klaar om wat het ook maar was leuk te vinden. Dacht ik.
Met zijn vrouw trouwens, die hij god mocht het weten waarvandaan aan haar hand tevoorschijn trok en midden op de straat posteerde.
Hemelse glimlach. Maal twee.
Hij stak zijn mobiele telefoon vooruit.
‘You take picture?’
Leg dan maar eens uit dat je eigenlijk naar het ministerie moet. Die glimlachen waren onweerstaanbaar. Als hij me gevraagd had zijn gympen over te kopen had ik het ook gedaan.
Tijdens de remweg had ik mij alle zenuwentochten uit mijn leven herinnerd, de helletochten die ik iedere dag weer had gemaakt, op weg naar school, college, werk; om bus, trein, vliegtuig, boot te halen; om kinderen tussen crèches en huis heen en weer te fietsen – ja, het leven – maar had ik ook het chinese restaurant in een van de straten waar ik dan telkens doorheen raasde weer gezien, en waar altijd, echt altijd, in een soort mini tempel-schuine-streep-etalage een lichtje brandde voor het beeld van een liggende Boeddha.
Hemelse glimlach.
Ik glimlachte altijd terug. (die seconden loslaten op een dag, dat kon toen wel). Altijd!
Dus ook naar de Chinese man.
‘Yes! I take picture!’
Wel jammer dat ik van de weeromstuit álles losliet. Ook zijn mobieltje. Ja, te flauw voor woorden, maar het was zo.
Goed, die vergadering redde ik niet. Wel een hoop over gewelddadige overvallers geleerd.
Dat heb ik weer.








