Categorie archief: Overleven

Omdat het kan

Op marktplaats bood ik op een paar schoenen. Een behoorlijk uitbundig paar schoenen. Heel erg groen! Zo groen dat ik me af en toe afvroeg ik me af of ik ze ooit zou gaan dragen (lees: zou durven dragen), maar telkens als ik ze zag, vond ik ze weer prachtig. Dus uiteindelijk schopte ik de kogel door de kerk. Of zoiets.

€ 22,50

De verkoper van het pak stuurde me een bericht terug: ‘€40,- vaste prijs’.

Eh…

‘Waarom laat je mensen dan bieden?‘

‘Omdat het kan.’

Huh?

Wat is dat voor een antwoord? Nou, een antwoord van niks. Vind ik. Maar wel een erg populair antwoord van niks. Iedereen gebruikt het te pas en te onpas.

Waarom?

Ik ben van beleid, dus daar heb ik een theorie over.

Ten eerste klinkt het lekker ondernemend. Mensen die ‘omdat het kan’ zeggen, hebben zo’n houding van niet benepen doen en de dingen groot zien. Met ‘omdat het kan’ leggen ze de hele wereld aan hun voeten. En die wereld is een ongebreideld festijn van kansen. Wie die niet grijpt, is een kleingeestige sukkel.

‘Misschien ben jíj wel zo iemand,’ zei Cavia, nooit te beroerd om met me mee te denken, ‘niet kleingeestig, af en toe een sukkel.’

Hm… Ik weerstond de neiging hun om voorbeelden te vragen. Cavia glimlachte.

Fijntjes.

‘Je bent in ieder geval geen risk seeker,’ zei die.

….

Okay, ik ga hier nog even verder met mijn theorie. Lees vooral door!

Ten tweede: ‘Omdat het kan’ is de smoes van mensen die het breed hebben en dito laten hangen. Mensen met een genotzuchtige hang naar extravagante in your face varianten van gewone dingen. Spijkerbroeken met titanium beslag en knopen, cheesecake met bladgoud, koffie van bonen die eerst opgegeten en uitgepoept zijn door katten, even op een neer naar New York om daar met je familie een kopje koffie te drinken, enzovoort. Geld uitgeven omdat het kan. Decadentie als leidraad voor het leven.

‘Da’s de kift,’ zei Cavia. ‘Jij bent het tegenovergestelde van decadent. Je leeft als een monnik op vakantie. Als de dood dat het leuk wordt.’

Hm… Ik was deze blog begonnen omdat ik me ergerde aan anderen en nou had ik een hekel aan mezelf. Waarom had ik Cavia eigenlijk weer in het leven geroepen?

Intussen zaten we op een terras met zicht op de Weerdsluis. Ook met zicht op mensen, trouwens. Voorbijgangers. De ene nog opzienbarender dan de andere.

Zoals de man met zwarte baard en dito krullen op hoge hakken in een geel minirokje aan de arm van een min of meer topless vrouw (twee hartvormige stickers, meer niet, één oranje en één roze) in hotpants en dito hoge hakken. Fans van Mary Quant. Of gewoon fans van uitbundigheid.

‘Of omdat het kan,’ zei Cavia. ‘En gelukkig maar, want anders werd de wereld wel erg saai!’

Dus toen heb ik €40,- voor die schoenen geboden.

Deftigdoenerij (2)*

Er leek geen vuiltje aan de lucht toen ik monter het station binnen liep om de trein te nemen naar de bossen bij Veenendaal om daar eens heel erg te gaan wandelen. Alles beloofde dat het een mooie dag zou worden; ik was ruim op tijd en kon dus nog koffie kopen en opdrinken; er was weliswaar bewolking, maar die dreigde met helemaal niets, sterker nog, ze leek zelfs een beetje angstig (omdat ze natuurlijk de zon voelde aankomen); en iedereen op het perron had zin in de dag, dat zag ik meteen.

Ik had bovendien voor mijn doen een leeg en piekerloos hoofd. Mijn gemoed was als een kalme zee waarin muizenissen alleen een beetje op hun rug meedeinden, meer niet.

Kortom, ik kon wel wat hebben.

Ware het niet voor de omroepster van de Nederlandse Spoorwegen. Ja, ik weet ook wel dat die mevrouw maar half en half bestaat. Ze bestaat wel omdat ze stukjes tekst en woorden heeft ingesproken, maar ze bestaat niet als ze een mededeling doet, want dat is dan weer een computer die haar knipsels aan elkaar plakt.

Dus misschien moet ik iemand anders de schuld geven van wat er vervolgens gebeurde. Al zou ik niet weten wie, dus misschien is het beter om gewoon niemand de schuld te geven, want daar schiet ik toch niks mee op. En uiteindelijk (spoiler alert!) kwam het toch wel goed.

Eh… die omroepster. Of liever gezegd, haar mededeling. Die luidde als volgt:

“Door werkzaamheden elders is de dienstregeling aangepast tussen Boxtel en Eindhoven. Plan uw reis in de app.”

Misschien waren het twee andere stations, dat weet ik niet meer, maar dat doet er ook niet toe, want het kwaad was al geschied; ik ging sowieso over die mededeling na lopen denken.

Eerst dat woordje ‘elders’. Mysterieus! En ook nogal ouderwets, maar als we het vervangen door ‘ergens anders’ wordt het mysterie er niet kleiner op. Mijn grote vraag was (is) waarom we die informatie nodig hebben, wij reizigers. Dat de treinen tussen Boxtel en Eindhoven op andere tijden/perrons komen en gaan, lijkt me het belangrijkst. De oorzaak ervan kan mij niet boeien, laat staan een geheimzínnige oorzaak. Want waar is dat ‘elders’?

Strikt genomen kan het overal zijn.

Hoewel ik best wil toegeven dat ik de werking van het spoorwegennet niet helemaal begrijp, snap ik heus wel dat werk aan het spoor tussen Leeuwarden en Harlingen geen gedoe oplevert tussen Boxtel en Eindhoven. Maar wat als ze een bovenleiding aan het vervangen zijn tussen Breda en Tilburg? Ik heb geen flauw idee. Door de mededeling wil ik dat wel, een idee. En eigenlijk meer dan een idee, ik wil gewoon een verklaring, omdat ik helemaal gek wordt van zo’n vaag oorzakelijk verband.

Dus, tip voor de spoorwegen: geef informatie, maar geen informatie die alles alleen maar vager maakt. Sterker nog – ik doe even pedant – dan is het juist géén informatie, want informatie is vermindering van onzekerheid, en ‘elders’ was precies het tegenovergestelde.

Goed, dan dat ‘door werkzaamheden’. Ook al zo vaag, alsof die geheel buiten de NS om er opeens waren, als een natuurverschijnsel. Dat is natuurlijk niet zo. Die mensen van de dienstregeling staan niet met hun allen naar een scherm te kijken om dan naar hun hoofd te grijpen en ontsteld ‘OMG! Werkzaamheden!’ te roepen.

Welnee.

Ze weten heus wel dat er mensen op het spoor aan het werk zijn. Maar de mensen van de afdeling mededelingen vinden dat veels te gewoon en platvloers om zomaar om te roepen. Werkzaamheden zijn veel indrukwekkender. Deftiger ook. We zullen eens even laten horen wat voor een ernstig bedrijf wij zijn, denken ze daar op die afdeling. Dus zeggen ze ‘door werkzaamheden’ in plaats van ‘doordat we aan het werk zijn op het spoor’ of ‘doordat we werken aan het spoor’.

En dan mijn eeuwige ergernis, die vermaledijde passieve zin. Ik bedoel ‘is de dienstregeling aangepast’. Dat is passief omdat nergens staat wie het heeft gedaan (in beleidstaal: er is geen actiehouder). De mensen van de Nederlandse Spoorwegen hebben die dienstregeling natuurlijk omgegooid. Maar dat durven ze niet te zeggen. Dus ís die dienstregeling aangepast, vanzelf of zo.

En dan heb ik het nog niet eens over die ‘dienstregeling‘. Want dat is ook een nogal verhullende term, vind ik. Wat ze bedoelen te zeggen is dat de treinen op andere tijden en/of perrons aankomen en/of vertrekken. Mijn tip: zeg dat dan!

Altijd goed om te doen, zeggen wat je bedoelt. Dus niet ‘plan u reis in de app’, want dat is spoorwegentaal voor ‘zoek het lekker zelf uit’.

Toen ik verstrooid de bossen inliep omdat ik heel hard probeerde mijn hoofd weer leeg te krijgen – lees: mijn ergernissen te wurgen – vergat ik bijna om naar de vogels te luisteren. En dat terwijl ze mij toch helder en duidelijk tegemoet tjilpten.

‘Hé mijnheer Poort, wat fijn dat u er weer bent!’

Dat vind ik zo mooi van vogels, die tjilpen precies wat ze bedoelen.

* Nummer 2 omdat ik al eens eerder een blog heb geschreven met deze titel. In dat blog leg ik ook uit wat ik met deftigdoenerij bedoel, of liever gezegd, wat Charivarius ermee bedoelde. Zie hier.

De foto is van Wikimedia Commons.

Reflectie

In de bus zat ik achter een glazen tussenschot dat kennelijk goed spiegelde, want aan de andere kant stond een vrouw haar make-up bij te werken. Vooral haar wenkbrauwen vond ze belangrijk, want die bleef ze maar gladstrijken.

Ze had niet door dat ik haar recht in de ogen aankeek, of andersom, dat zíj míj aankeek. Dat stelde me wel gerust, want ik zat al schrap om mij ongemakkelijk te voelen. Ik bedoel, we stonden op een vreemde manier nogal dichtbij elkaar, letterlijk dan, en hoewel ik in de hele situatie niets had ondernomen, voelde ik me figuurlijk toch een soort indringer. Dus dat zij niks doorhad, sterker nog, dat ze mij niet eens zag staan (letterlijk en/of figuurlijk, dat laat ik omwille van mijn zelfvertrouwen liever in het midden) maakte het allemaal wat minder ingewikkeld.

Intussen moest ik aan mijn moeder denken die als zij in de bus naast me had gezeten schamper zou zeggen: ‘Ja, je bent mooi’. Tegen die vrouw dan. Want ze heeft niet zoveel op met ijdelheid. En dat steekt ze niet onder stoelen of banken. Ze steekt eigenlijk nooit iets onder stoelen of banken. Goede eigenschap. Ik was niettemin een beetje blij dat ze niet naast me zat, want waarschijnlijk zou de scène dan toch nog ongemakkelijk zijn geworden.

Of nee, misschien juist niet, want ik zou van de zenuwen en om iedereen (de vrouw in het bijzonder) af te leiden de slappe lach gekregen hebben. Dat is meestal mijn enige en nogal sneue tactiek, die zich voltrekt zonder mijn bewuste inmenging. Rechtstreeks vanuit mijn ruggenmerg komt er dan een zielig gegrinnik tevoorschijn. Echt zielig.

Nou ja, dit was allemaal theoretisch, want ik zat daar in mijn eentje.

Met mijn gedachten.

Die via via afdwaalden naar de hele lange vergadering in Den Haag waar ik een uur daarvoor murw uitgerold was. Een marathonsessie die we monter begonnen waren met een reflectie. Dat is klaarblijkelijk erg in tegenwoordig want iedereen vond het de gewoonste zaak van de wereld. Behalve ik. Opeens reflecteert iedereen. Waarom is dat toch?

Nou, eh… schot voor de boeg: omdat het ongevaarlijk is. Reflecteren, dat is voor de vuist weg je gedachten laten gaan over iets (bijvoorbeeld een notitie) en die gedachten dan zonder oordeel in de groep gooien. ik heb het hier over reflecteren als een ander woord voor bespiegelen. Want dat was het, overpeinzen.

Ja, ik weet ook wel dat reflecteren ingewikkelder kan zijn. Ik ben per slot van rekening ook coach (wel ja) en sinds de opleiding daarvoor reflecteer ik me helemaal te pletter. Het is zo nu en dan alsof ik in zo’n spiegelpaleis op de kermis loop, maar dan in mijn onderbewuste, waar ik zoals dat zo mooi heet, mijzelf en wat ik deed om de haverklap tegenkom, frontaal of van achteren beslopen/besprongen, waar ik ook kijk. Zelfs als ik wegkijk!

Dus vertel mij niks over reflecteren.

Maar de reflectie in die vergadering was niet half zo verontrustend. Wel ongemakkelijk. Vooral toen we mochten reflecteren op de reflectie.

Ik begon van de weeromstuit te verlangen naar de dagen van ‘horizontale feedback naar de ander toe’. Of nee, eigenlijk naar de tijd daarvóór, toen we elkaar gewoon zeiden wat we ergens van vonden. Niets onder stoelen of banken staken.

Ik kon me niet meer herinneren hoe de vergadering was geëindigd. Met een terugblik op het proces, waarschijnlijk. Het is een wonder dat we het einde nog gevonden hebben!

De vrouw achter het glazen tussenschot glimlachte naar mij. Ze wees naar haar linkeroor en daarna naar mijn oor.

‘Mooie baard hoor, maar u bent een stukje vergeten, er zit daar nog een rare krul bij uw oor,’ zei ze.

Feedback!

Nadat ik mezelf weer in de spiegeling van het glas gevonden had, kamde ik zorgvuldig de wilde pluk weg. Grinnikend…

Ik zou gezworen hebben dat ergens achter in de bus mijn moeder in lachen uitbarstte.

Broeierig

‘Simone straalde echt iets broeierigs uit!’ zei de vrouw die voor mij liep nogal verstaanbaar tegen iemand in haar oortjes. Ze deed me om een of andere reden denken aan Jeanette op wie ik in de brugklas ooit heel erg maar onopgemerkt verliefd was. Ze bewoog driftig met haar armen. De vrouw voor me, bedoel ik.

Dat laatste begreep ik niet goed. Dat wil zeggen, ik kon die bewegingen niet rijmen met wat ze zei. Maar goed, welke armgebaar hoort er wel bij zo’n stelling?

Dit is een retorische vraag.

Ze ging verder: ‘Who the fuck zegt nou zoiets?’

Ah, verbazing! Leek mij. Laat ik het daar maar op houden. Of misschien was het verontwaardiging.

Was zíj misschien Simone? En had iemand dat over haar gezegd? Dat betwijfelde ik. Ze vertelde het verhaal alsof ze er getuige van was geweest. Alsof ze in een gezelschap had gezeten waarvan iemand dat opeens van Simone had gezegd.

Misschien was Simone een van de kandidaten bij een sollicitatie geweest? En zat de vrouw die voor mij liep in de commissie die de beste moest kiezen? Of, soortgelijke situatie, was de vrouw voor mij lid van een ballotagecommissie van een studentenhuis en was die Simone komen kennismaken?

Trouwens, wat is dat, iets broeierigs uitstralen? Wát was er te zien toen Simone dat deed? Ik wilde context, om het eens modern te zeggen.

Nieuwsgierigheid is een mooie eigenschap, maar nu brak het me toch op. Ik wilde heel graag aan de vrouw voor mij vragen wat er precies was gebeurd. Maar zoiets doe je niet natuurlijk. Ik in ieder geval niet. Zeker in dit geval niet. Ze was al verontwaardigd genoeg. En laten we eerlijk zijn, het ging niet om iets waar je het zomaar eens met een voorbijganger over gaat hebben.

Ze ging verder met haar verhaal en zei dat die bepaalde uitstraling er niet toe deed. Dat was privé. Een mens mag uitstralen wat hij/zij/hen wil.

Dat ben ik met haar eens. En niet om politiek correct te zijn. Ik vind het echt. Niet gehinderd door kennis van zaken, overigens. Ik weet namelijk nooit wat ik zelf uitstraal en ik begrijp zelden wat anderen uitstralen. Heel onhandig in het sociale verkeer, kan ik u vertellen.

Ik zette de pas erin om van de kwestie af te zijn. Ik kan behoorlijk aanpoten, al zeg ik het zelf, dus hoorde al snel niets meer van het telefoongesprek. Ik kreeg het wel warm. Toch maar weer iets langzamer lopen. Maar wat nou als ze me zou inhalen?

Eek!

Om niet helemaal gek te worden, stopte ik even om hele harde muziek uit te kiezen en mijn oortjes te zoeken. Maar ik kan nooit iets vinden in mijn tas en ben zodoende altijd bang dat ik van alles kwijt ben, zeker in dreigende situaties als deze, en raakte dus in paniek waardoor ik de vrouw vergat tot ik inderdaad weer door haar werd ingehaald. Net toen ik zwetend het doosje van mijn oortjes op de bodem van mijn tas voelde.

Te laat.

‘Ja, als ze nou een hele blote jurk had gedragen of zo…’ zei de vrouw (terwijl ik de oortjes in mijn hoofd probeerde te proppen).

Ja, wat dan, vroeg ik me af. Staat de uitstraling dan buiten kijf? Hmm… bij zulk uiterlijk vertoon gaat het niet meer om uitstralen maar eerder om uitróépen. Of uitschrééuwen.

Toch?

Er drongen zich meteen nog meer vragen aan mij op: wat is eigenlijk het verschil tussen uitroepen en uitschreeuwen? Uitroepen, dat doe je van vreugde, leek me, en uitschreeuwen doe je in wanhoop. Dat bracht me niet veel verder. Ik probeerde heel erg de verschillen niet voor me te zien. Dat hoefde ook eigenlijk niet, want Simone was zo helemaal niet, had de vrouw gezegd.

Gelukkig. Het was allemaal al ingewikkeld genoeg. Ik ook altijd met mijn gedenk.

Die verzuchting had ik als een waarschuwing moeten zien. Het is meestal namelijk een voorteken van een mentale toestand waarin ik stukje bij beetje minder en minder van de wereld om mij heen waarneem om vervolgens met een roerloze blik voor mij uit te staren. Terwijl ik denk.

Het kan geen kwaad, maar het is wel een beetje ongemakkelijk.

Eerst voor de omstanders, later ook voor mij, als tot me is doorgedrongen dat het weer eens zover was.

Meestal kom ik vanzelf weer bij zinnen, maar nu kwam het doordat ik schrok. Die vrouw stond opeens een paar meter verderop naar mij te kijken. Nog steeds in gesprek.

‘Wacht even, Jeanette, we doen het helemaal anders,’ zei ze. ‘We zetten alles in de eerste persoon, ja: ik-zinnen, en dan maken we van de hoofdpersoon een man. Heb je dat?’ Ze luisterde en knikte. ‘En dan begint het verhaal met dezelfde zin, maar dan gehoord door die man, die toevallig achter mij loopt…’

‘Hè? Ja, in het echt ook, maar nu niet meer.’ Ze liep weg terwijl ze verder praatte. ‘Hij stond te slaapwandelen of zo. Maar nou is hij weer wakker geloof ik. Echt raar…’

Nou moe, ben ik in het blog van een ander terecht gekomen.

p.s. de foto is van Wikimedia Commons

Pakje

Van huis uit was ik altijd dol op pakjes, maar de pakjesbezorgdiensten die ze bij mij zouden moeten brengen hebben dat goed vergald.

Ja: ‘zouden moeten brengen’ (onleesbare opeenstapeling van werkwoorden – sorry).

Mijn pakjes zijn namelijk altijd zoek. Bizar genoeg. Want hoe kan een pakjesbezorgdienst ze nou in vredesnaam altijd kwijt zijn? Logisch gezien zou die dan niet moeten bestaan, maar het tegendeel is waar, het sterft van de pakjesdiensten. En allemaal hebben ze ondoorgrondelijk logistieke processen voor de pakjes. Zouden hun managers op een of andere heidag bekeerd zijn door een goeroe die hen in de zweethut heeft laten dromen over de reis in plaats van de bestemming?

Dat is dan goed gelukt, want aan reizen geen gebrek. En dan heb ik het niet alleen over de reizen van de pakjes. De laatste keer dat ik iets zou ontvangen, heb ík de halve stad doorkruist om een pakje te zoeken dat naar een afgelegen (en onvindbaar) ophaalpunt zou zijn gebracht.

Dus niet. Het was daar niet en ook nooit geweest.

Terwijl de vrouw van de winkel nog eens naar achteren liep, vergaapte ik mij aan de spetterende Marokkaanse trouwjurken die ze verkocht. Ik ben niet the marrying kind maar ik stond op het punt om daar anders over te gaan denken.

Dat is dan weer wel het leuke van ophaalpunten, dat zijn altijd winkeltjes waar ik niet in durf en waar ik dan toch binnenstap. Een van mijn makkes is namelijk drempelvrees. Maar omdat ik achter mijn pakje aan ga, moet ik uiteindelijk wel zo’n winkel binnen om er dan altijd blij verrast uit te komen, zelfs als het onverrichter zake is, want het zijn geweldige winkeltjes die al even geweldige dingen verkopen. Alles schreeuwt erom gekocht te worden, met uitbundige kleuren en vrolijk roepende woorden die onbegrijpelijke beloften doen die ik meteen geloof. En de winkeltjes ruiken ook zo lekker. Mijn dichtst bijzijnde ophaalpuntwinkeltje ruikt naar salmiak. Fijne jeugdherinnering.

De eigenaar van de zaak is even relaxed als ik gespannen. Meestal schudt hij zijn hoofd al als hij mij ziet binnenkomen, want hij weet wie ik ben en hij heeft in het magazijntje achter in zijn winkel geen pakje voor mij. Mijn bewering dat ik toch echt een bericht daarover heb ontvangen, wimpelt hij op vriendelijke toon af met het advies om verhaal te halen op de website of in de app van de pakjesbezorgdienst.

Dan moet ik alweer een drempel over, namelijk de mens-machine scheidslijn, om een absurde conversatie (chat is het moderne woord) te voeren met een tekstrobot genaamd Tracy. Pun Intended, vrees ik. Hoe sneu is het dat een pakjesbezorgdienst haar chatbot Tracy noemt!? In het Nederlands: Zoekie!?

Ik ben een mens en ik verlies mijn geduld als Tracy voor de zoveelste keer vraagt: ‘Ik begrijp dat je pakje vertraagd lijkt. Heb ik dat goed begrepen?’ Let vooral op het woordje ‘lijkt’. Ik was al een week naar mijn pakje op zoek en drie keer bij het ‘aangegeven’ ophaalpunt geweest, maar toch een slag om de arm houden en suggereren dat het misschien wél op tijd is.

Ik weer terug naar het winkeltje. Op een zaterdagmiddag. Dat is dom, want dan is het druk. Het is altijd al verbazingwekkend dat er überhaupt mensen in het winkeltje passen, maar nu is het nog verbazingwekkender. Ik sluit achteraan in de rij, die er alleen maar is omdat het de enige manier is om met een zestal mensen in het winkeltje te wachten. We kunnen niet op of om.

Ho, nou lieg ik, want achter in de winkel krijgt een man het voor elkaar om samen met zijn zoontje een sprei voor een twee persoonsbed uit te vouwen om te zien of het wel de goede maat is. Misschien wel, misschien niet, dus ze besluiten het er niet op te wagen en proppen de sprei terug in de verpakking.

Dan ben ik aan de beurt. Ik mag zelf mijn naam in het apparaatje van de man typen. Hij schudt weer eens zijn hoofd. Dat doet hij ook als ik mijn voornaam en de naam van mijn straat en de code van achttien (18!) cijfers en letters typ. Het pakje is er nog steeds niet.

Dat wil zeggen, het is niet gescand. Een subtiel verschil dat in deze moderne tijd onoverkomelijk is. We zijn inmiddels met z’n allen zover dat we niet alleen allerlei taken aan apparaatjes overlaten, maar ook verantwoordelijkheden. Dat het pakje zoek was, lag aan het apparaatje.

Dat het pakje er heus wel kan zijn terwijl mijn naam niet in het apparaatje staat, is old school logica die niet meer telt. Dat de man des ondanks nog eens op zoek gaat naar mijn pakje is gewoon omdat hij aardig is, aardig voor die meneer met zijn grijze baard die het allemaal niet snapt.

Intussen wil ik dat ook helemaal niet meer, zodat ik ook niet hoef te begrijpen welke strategie de man volgt in zijn kleine magazijn. Hij plukt lukraak pakjes van planken en zet ze op andere planken weer terug nadat hij de adresstickers gelezen heeft. Intussen roep ik een paar kenmerken van het pakje naar hem toe, grote, kleur, afzender, et cetera.

Tot verrassing van de aanwezigen blijkt achter/onder de sprei een vrouw in een witte tuinstoel te zitten die druk aan het telefoneren is. Haar woorden komen tevoorschijnals een zwerm duiven en fladderen even rond tot de vrouw stil is en naar de persoon aan andere kant luistert.

De man van de winkel luistert niet, maar scandeert mijn achternaam, alsof hij verwacht dat een van de pakjes ‘present!‘ zal roepen. Ik kijk verlegen achterom naar de mensen in de rij. De vrouw in de tuinstoel schaterlacht aanstekelijk. ik zet mijn hoed af en wis het zweet van mijn voorhoofd. De vader en zijn zoon halen een tweede sprei uit de verpakking. Ik ga op een grote baal rijst zitten, staar naar de enorme pakken waspoeder tegenover mij in een wandrek en denk aan de legendarische hut-scène uit A Night in Casablanca van de Marx Brothers. Intussen galmt de man nu mijn achternaam, de mensen in de rij zingen met hem mee. Het wordt een dolle boel en ik heb het gevoel dat ik jarig ben.

Nou alleen het pakje nog, denk ik heel toepasselijk, en vol hoop, want iedereen lacht naar mij.

Dan gaat de bel. De bel? Ik rol uit mijn leunstoel.

Eek!

Even later doe ik slaperig de voordeur open. Mijn overbuurvrouw.

‘Is dit misschien voor u?’ vraagt ze. ‘Het staat al dagen bij ons in de gang.’

Ik ben niet the marrying kind, maar ik heb haar toch ten huwelijk gevraagd.

De foto is van Wikimedia Commons.

Vandaag in de natuur

Op het centraal station van Utrecht, of eigenlijk net daarbuiten, aan het begin van de winderige promenade die ze aan de Seijpesteinkant hebben aangelegd, hangt een bord met van die kleine ledlampjes om letters mee te vormen, waar iets of iemand teksten over gebeurtenissen in de natuur vertoont, vreemde boodschappen waarvan ik, als ik geen gezond verstand had en daarbij een beetje wantrouwig was of argwanend (ik wist even niet welk woord ik nou het mooiste vond dus ik heb ze alle twee maar opgeschreven, misschien dat ik er later nog een schrap, en anders doet u het maar) meteen zou geloven dat het codetaal was van een geheime afdeling van de spoorwegpolitie, hoewel ik niet geloof dat de spoorwegpolitie geheime afdelingen heeft, of fake news van door China betaalde Russen die Baudet in het zadel hebben geholpen en houden met dit soort wartaal – wat ik eigenlijk wel logisch zou vinden, want hoe zou anders zo’n hooghartig glanzende prins ongestoord op het tweede kamer-pluche kunnen blijven zitten?

(Eh, sorry voor die lange beginzin, ik kon het einde niet vinden en toen de zin er eenmaal stond vond ik hem eigenlijk wel mooi. Lees vooral door.)

Maar gelukkig heb ik een gezond verstand en ben ik altijd van goed vertrouwen. Dus de mededelingen zijn geen code, nee, ze betekenen gewoon iets. Daarmee bedoel ik: ze zeggen iets over de werkelijkheid.

Maar wat?

De mededelingen beginnen altijd met de datum en dan ‘Vandaag in de natuur:’ en dan iets als volgt: ‘Braakliggende terreinen en wegbermen kunnen rood kleuren van de klaprozen.’

Dat klinkt als een bijwerking van een of andere ingreep van rijkswaterstaat. Maar niets om je ongerust over te maken. Ik krijg In ieder geval niet de neiging om meteen naar een vergeten stuk land te rijden om te zien of alles nog goed gaat.

Hm…

Nog een: ‘Jonge zwaluwen zijn zo groot dat ze het nest verlaten’. Die vind ik alarmerender. Die zwaluwen gaan niet uit vrije wil het huis uit. Ze moeten wel, want ze passen er niet meer in. Ze tuimelen gewoon over de rand . Maar goed, Ik ga de dierenambulance niet bellen om ze te laten opvangen. Daar is geen beginnen aan. En trouwens, de natuur moet haar beloop hebben. Wij mensen moeten ons niet overal mee bemoeien.

‘De eerste houtsnippen arriveren voor de overwintering.’

Wacht, misschien moeten we toch iets doen. Iemand moet die vogels welkom heten, toch? Anders komen ze volgend jaar niet meer, gaan ze naar een ander land. Ik stond onder dat bord en keek rond, maar niemand leek aanstalten te maken om ze ergens op te gaan wachten. Snap ik eigenlijk ook wel, want waar moet je zijn? Misschien zijn er andere dieren die dat weten en de houtsnippen onthalen. Dat zou ik wel mooi vinden van de natuur. En nog een goede reden voor de mensen om er buiten te blijven, figuurlijk dan.

Wat me opeens doet denken aan een heus nieuwsbericht over een mevrouw die aangevallen was door een everzwijn. In Meerssen, Limburg. Het gebeurde afgelopen week toen zij zeven honden aan het uitlaten was.

Zeven!

‘Levensgevaarlijk’, vond de mevrouw. Dat zwijn dan. Die zeven honden zijn misschien ook levensgevaarlijk, daar durf ik wel een theorie over op te zetten, maar laat ik het bij dat zwijn houden. ‘Daar moet iets aan gedaan worden,’ zei ze. Verbolgen.

Serieus? Wat dan?

Ik heb al heel snel last van beroepsdeformatie, dus ik zag die mevrouw meteen een locatieverbod voor die beesten bepleiten bij de provincie. Dat is met de huidige technologie vast wel te organiseren. Ieder zwijn een enkelband en dan speciale boswachters om in de gaten te houden of alle zwijnen wel netjes binnen hun digitaal afgezette gebied blijven. (Ik hoorde een hilarisch lawaai van toeters en bellen die de hele dag afgingen.)

Maar waarom alleen everzwijnen? (Ik combineer mijn beroepsdeformatie vaak met een levendige fantasie, zodoende ben ik strategisch adviseur geworden.) Er zijn nog veel meer dieren die mensen belagen. Ik herinner mij de eikenprocessierups, een uil in Noord-Holland, en laat ik het niet over de wolven hebben, die tot verbazing en ergernis van alle rechtgeaarde mensen ons land zijn binnen komen lopen alsof ze hier al jaren wonen om vervolgens onaangekondigd en lukraak te hervatten waar ze een eeuw geleden mee waren gestopt, namelijk dat wat in hun aard ligt.

Laat me niet lachen. We moeten helemaal niets aan die zwijnen doen! Zodra die mevrouw ook maar ergens opduikt met een petitie om die zwijnen aan banden te leggen (no pun intended) sta ik klaar met een wetsvoorstel tegen groepsgewijze uitlaat van honden. Of zoiets.

De reactie van de gemeente was trouwens lekker down to earth: er zijn nu eenmaal zwijnen en die doen niks, behalve als ze zich opgejaagd voelen. Mij dunkt dat een roedel van zeven honden een mooi voorbeeld van opjagen is. Dus laat die mevrouw maar thuisblijven!

Wacht, ik weet nog iets beters. Laten we haar ervaring opnemen in de mysterieuze mededelingen op het centraal station van Utrecht (‘Vandaag in de natuur: wilde zwijnen vallen een vrouw met zeven honden aan’.) Utrecht is wel een eind uit de buurt, maar samen met de borden die de gemeente Meerssen gaat plaatsen (‘Kijk uit voor wilde zwijnen’ of iets van gelijke strekking) moet het helemaal goedkomen.

Met de mensen.

Writer’s block (en een poging om eruit te komen)

De twee mannen die ontspannen op hun sturen leunden, fietsen frontaal tussen hen in, zwegen. Oude kennissen, leek mij, die elkaar hier op een paadje in het park waren tegengekomen. Ze hervatten hun gesprek met de unisono conclusie dat ‘dit verhaal’ alleen maar verliezers had. Ze knikten er bij alsof ze niet alleen het verhaal, maar ook de verliezers goed kenden. Ik ging iets verder op een bankje zitten.

Op gehoorsafstand.

Ja, als je na een paar maanden writer’s block opeens vermoedt dat je eindelijk weer eens iets om over te schrijven op het spoor bent, mag je wel een keer je medemensen onfatsoenlijk afluisteren. Of misschien niet, maar ik zat al en het leek me vreemd om nu met mijn vingers in mijn oren op een bankje in een park te gaan zitten. Dan zou ik helemaal de aandacht van die mannen trekken. En zouden ze mij misschien wel ter verantwoording roepen. Terwijl ik nog helemaal niets gehoord had! Nee, dan kon ik beter uitleggen waarom ik hen had afgeluisterd nadát ik iets gehoord had.

(ik heb trouwens geen flauw idee hoe ik in een writer’s block terecht kwam. Opeens was ik er, of was het block er. Of nou ja, ik zag het wel aankomen, want ik had veel dingen aan mijn hoofd die al het andere verdrongen. Grote gedachten over van alles, waaronder het leven zelf, het zal eens niet.)

Eh…

Ik vroeg mij af of dat eigenlijk wel kon, dat iedereen verliest. Kennelijk. Maar om één of andere reden zat het me niet lekker. Het was zo moedeloos. Alsof er niets anders op zat dan te berusten in het noodlot. Veel te gemakzuchtig, vond ik opeens.

Ja, gemakzuchtig (wat dan weer een nogal arrogante bewering is van iemand die geen fatsoenlijk woord op papier krijgt en dat writer’s block noemt om toch íéts de schuld te kunnen geven).

‘Maar goed,’ gingen de mannen verder alsof ze mij gehoord hadden, ‘wij hebben makkelijk praten. Probeer de draad maar weer eens op te pakken als je zoiets hebt meegemaakt.’

Ik wist niet wat er meegemaakt was, maar wel dat de draad weer oppakken ook zonder dat je iets hebt meegemaakt een hele toestand kan zijn. Een opgave, om het eens in beleidsjargon te zeggen. Sterker nog, probeer maar eens door te gaan als er helemaal niks gebeurd. Als je níéts meemaakt. Een hels karwei, want er komt geen eind aan. Tenzij er dus iets gebeurt. En zegt u nou niet dat je dan zelf iets moet laten gebeuren, want dat is de hele makke, dat je met twee linkerhanden staat te kijken naar de stilstand als een aap naar een defecte handmixer.

‘Alleen maar verliezers’ is misschien nog erger dan tweede worden, besefte ik, omdat je dan geeneens jaloers op de winnaar kunt zijn. Soms helpt dat: afgunst. En als je dan alleen maar verloren hebt door het noodlot of nog ongrijpbaarder, door het bestaan in het algemeen, valt er nauwelijks ergens troost uit te putten. Je hebt verloren, punt.

Ho, wacht! Eigenlijk een fout woord, ‘verliezers’! Of nee, denken dat het om een wedstrijd gaat, dát is fout! Mijn fout om precies te zijn. Of misschien ook wel van die mannen, of misschien wel van iedereen, maar ík heb het hier opgeschreven, dus laat ík de schuld maar op me nemen.

Sorry dat ik u op het verkeerde been zette. Vergeet al het voorgaande.Er zijn geen verliezers. En ook geen winnaars. Hou dat vast!

Hoera!

Opeens moest ik aan mijn ongeluk denken. Ja, dat komt voor u misschien uit de lucht vallen, maar voor mij niet, want er zijn van die dagen dat in mijn hoofd alle wegen naar Rome leiden, als het ware, in mijn geval dus naar een bocht in de dijk bij Lexmond, tegenover nummer zoveel aldaar (ik weet heus wel welk nummer het was, maar het lijkt me niet netjes om dat hier te noemen), waar bizar genoeg een jonge verpleegkundige woonde (een week daarvoor met vlag en wimpel afgestudeerd!) die samen met enkele voorbijgangers (waaronder ook weer een verpleegkundige, een ziekenautoverpleegkundige nota bene) zich over mij ontfermde en over de man die mij had aangereden, dat wil zeggen, ontfermen was het bij die laatste niet echt, want ze was heel erg boos op hem, vertelde ze me later, en gaf die man zijn vet, waarna ze zei dat hij ook wel eens wat mocht doen, bijvoorbeeld ervoor zorgen dat ik in een goede houding bleef liggen (stabiele zijligging), wat hij dus deed, onbeholpen waarschijnlijk, want hij was zo te zien dan wel ongedeerd (hoorde ik later van een politie agent) maar ook in shock (bleek twee jaar later in de rechtszaal) en durfde mij nauwelijks te zien, bang dat zijn blik op iets verschrikkelijks zou stuiten, laat staan dat hij mij dorst aan te raken, wat het des te dapperder maakte dat hij ten slotte mijn hand pakte en zijn andere hand op mijn schouder legde, mijn schouder die helemaal aan gort was, maar dat wisten we toen nog niet, en zo naast mij bleef zitten tot de ambulance kwam.

‘Alleen maar verliezers’, herhaalden de mannen. Of: ‘alleen maar slachtoffers’.

Dat weet ik niet goed meer (wat ze precies zeiden bedoel ik) en dat deed er opeens niet meer toe, want ik zat (lag) nog met mijn gedachten op de dijk bij Lexmond. Ik herinnerde mij hoe zacht het gras van de berm was geweest en hoe overweldigend langzaam de wolken boven mij voorbij waren gedreven tot opeens de zon weer tevoorschijn kwam.

Ruimte

‘Goed, nu geef ik hem dus meer ruimte,’ zei de vrouw tegen haar reisgenote (we zaten in de trein). Die knikte begripvol. ‘Waar ik kan,’ voegde de vrouw toe.

Quod non, dacht ik (ja, pedant, dat Latijn, maar dat was in mijn hoofd en daar sta ik het mezelf soms toe, want anders krop ik het maar op). Dat ‘waar ik kan’ leek me namelijk een nogal rekkelijke grens van die ruimte, waar de vrouw naar eigen smaak mee kon doen wat ze wilde. De ruimte die ze gaf kon ook meteen weer nemen als het toch niet zo goed uitkwam. Dan kun je volgens mij net zo goed niks geven, want wat heeft een ander aan ruimte waar die niet zeker van kan zijn? Ik zou niet uitgebreid gaan leven als beperking voortdurend op de loer lag. Ik zou het houden bij de ruimte die ik had. Maar ja, ik ben helemáál niet avontuurlijk. Een ander zou waarschijnlijk grijpen wat hij/zij kon en maar zien waar het schip strandde.

Wat mij betreft had die vrouw het dus alleen maar erger gemaakt. Ze gaf helemaal niet meer ruimte, ze veroorzaakte verwarring en onzekerheid. Geen goede voorwaarden voor eens lekker breed leven.

Maar goed, ik had nog een hele reis voor de boeg en ik had geen zin om daar een hele ongemakkelijke reis van te maken, dus ik hield mijn mond.

Toch zat het me niet lekker, dat begrijpt u wel, en ik kon natuurlijk niet stoppen met erover na te denken. Ik had veel vragen. Mijn eerste was: wíé gaf ze meer ruimte? En mijn gok was: haar man. Ja, klassieke en niet zo bijster creatieve keuze, maar andere gegadigden voor extra ruimte zag ik zo 1, 2, 3 niet, hoewel ik nog wel even aan een huisdier heb gedacht, een grotere kooi voor de cavia bijvoorbeeld, maar dat leek me bij nader inzien geen serieus gesprek met een vriendin waard.

Vandaar dat ik op haar man kwam. Die voelde zich misschien bekneld door hun relatie. Altijd maar samen leuke dingen doen, dat was hem opeens te veel geworden. Hij wilde ook wel eens gewoon niks doen. Dat willen mannen wel eens. Niks doen. Kunnen ze goed. (Voor wat het waard is, ik ben er echt heel slecht in.)

Eh… Probleem, en een tweede vraag: Heb je ruimte nodig om niks te doen? Logischerwijs zou ik zeggen van niet, niks is precies nul ruimte, maar die man voelde dat waarschijnlijk toch anders. Denk ik. Zonder dat hij dat goed kon uitleggen. Ik kon me dan ook voorstellen dat ze daar in lange gesprekken veel tijd mee hadden verspild, met urenlange haarkloverij over waar hij de ruimte voor nodig had.

Dat was toevallig ook mijn derde vraag. De vrouw leek mij wel iemand die een lijstje van activiteiten wilde hebben om te bepalen hoeveel ruimte ze moest geven. Niet iemand die ‘niks’ zou accepteren als een geldige activiteit om in de grotere ruimte te beoefenen.

Ze was er nog moe van hoorde ik aan haar stem. Die ruimte had ze ten langen leste dan maar beloofd, ondanks dat ze er weinig fiducie in had. Haar man zou die ruimte gaan verprutsen, ze zag het zo voor zich.

Haar reisgenote zag dat ook, maar had niet de tact om het er bij te laten, dus vroeg: ‘maar wat gaat hij dan doen met die ruimte?’

‘Nou ja, dat vond ik dus eigenlijk best wel moeilijk,’ antwoordde de vrouw. En toen kwam het hele verassende verhaal eruit, een nogal persoonlijk en intiem verhaal dat ik zelf niet ten overstaan van een volle treincoupé aan vriend of vriendin zou hebben toevertrouwd.

Ik checkte nog eens de ritsen van mijn koffer en schoof het ding en paar keer naar links en rechts. Iets anders kon ik niet verzinnen.

‘Meneer, kunt u die koffer misschien ergens anders zetten?’ vroeg de vrouw aan mij, ‘ik kan geen kant op!’

En toen moest ik zo nodig weer pedant doen, maar niet alleen in mijn hoofd.

‘In het leven gaat alles over ruimte, behalve in de ruimte zelf, daar gaat het over macht,’ zei ik.

Kan zo op een tegeltje, en daar dan een foto van op LinkedIn. Het was een variant op een al even vage en discutabele wijsheid, waarvan niemand weet wie die bedacht heeft: ‘Alles in het leven gaat over seks, behalve seks. Seks gaat over macht.’

Ik had er niet op gerekend dat de vrouw even pedant was als ik en dus meteen mijn parafrase doorhad. Ze keek me aan alsof ze me eigenlijk best wel wilde vermoorden en stond op.

Vijf minuten later had ik vier zitplaatsen voor mijzelf en mijn koffer. Maar geen flauw idee wat ik met al die ruimte aanmoest. Want ik ben helemáál niet avontuurlijk.

Toch nog een ongemakkelijke reis.

De foto is van NASA: http://hubblesite.org/newscenter/archive/releases/2014/27/image/a/

Brutaal

‘Nou ja, alsof wij zo makkelijk waren!’ zei de jongeman tegen de mevrouw, die kennelijk zijn moeder was, want hij herinnerde haar ter illustratie meteen aan enkele voorvallen uit zijn jeugd waaruit bleek dat hij en zijn broer ook geen lieverdjes waren geweest.

Zijn moeder hoorde het met tegenzin aan, alsof ze die verhalen al zo vaak had gehoord en al even vaak had gezegd dat er niets van waar was. Ze schudde haar hoofd. Verveeld.

De zoon werd nu echt een beetje boos, want hij vond dat zijn moeder ‘reuze onheus’ deed. Ze moest niet zo onverzoenlijk oordelen over een kleinkind – dat pas vier was notabene ! – omdat het naar haar zin te brutaal was. Hij zelf vond ook dat het kind (niet zijn kind, waarschijnlijk een nichtje) weliswaar brutaal was, ‘maar op een goede manier’.

Terwijl ik mij nog aan het afvragen was wat het verschil was tussen brutaal op een goede en op een foute manier, verhief zijn moeder haar stem om nogal luid ‘Nee!’ te roepen. Her en der keken mensen verschrikt op, maar dat maakte haar niet uit. Ze ging verder: ‘Jullie waren echt ideále kinderen. Gehoorzaam. En helemaal nooit brutaal.’

De zogezegde gebeurtenissen waar de jongeman het over had, kon zij zich ook niet herinneren. Maar na enig aandringen van haar zoon, die levendig en met een fijn oog voor details de scenes verder inkleurde, gaf zij toe dat die dingen inderdaad waren gebeurd, maar dat ze niet te vergelijken waren met het obstinate gedrag dat het kleinkind te pas en te onpas liet zien.

‘Nee!’ herhaalde ze. Onvermurwbaar. Ze deed alsof er een rilling over haar rug liep. Het idee alleen al, haar kinderen brutaal!

De vader hield zich intussen afzijdig. Haast letterlijk, want hij zat min of meer dwars op zijn stoel en keek weg, naar niets in het bijzonder, ergens in de verte.

‘Zeg jij nou ook eens iets, Gerard,’ zei zijn vrouw, ‘waren de jongens vroeger brutaal?’ Hij hoorde haar niet. Of deed alsof hij haar niet hoorde, daar kwam ik niet achter, want wat hij ook deed, hij deed het erg goed. De vrouw bekeek hem een paar tellen, opende haar mond om nog iets te zeggen, maar slikte het weer in.

Toen kwam er een vrouw vragen of ze al een keuze hadden gemaakt. Ze leek op mijn nicht Vivian, vooral in haar doen en laten.

Hoera!

(Riep ik in gedachten tegen mijzelf, want de stilte die inmiddels was gevallen, kon ik echt niet aan. Dit heb ik weer, dacht ik, ga ik naar buiten om eens onder de mensen te komen, kom ik naast een tergend familiedrama terecht. En met mijn nicht Vivian kun je lachen, dus misschien kwam het toch nog goed.)

Op een of andere manier had Vivian (zo noemde haar maar, want dan werd het meteen spannend) ook meteen in de gaten hoe het zat. Ze zei ‘een keuze gemaakt‘ op zo’n toon dat je meteen kon horen dat ze er geen fiducie in had. Dit wordt gedoe, hoorde je haar denken.

‘Jij mag het eerst zeggen wat je wilt,’ zei de moeder feestelijk tegen haar zoon, ‘het is jouw verjaardag.’ Ook dat nog. Ik weet niet waarom, maar dat leek het allemaal nog veel erger te maken. Na lang denken ging hij voor de appeltaart. Hij staarde naar de tattoo op de onderarm van de Vivian.

‘Met slagroom?’ vroeg ze.

Hij knikte. Zij glimlachte. Grijnsde. Of nee, iets ertussenin. Hoe dan ook, hij bloosde. Tóén grijnsde ze.

‘Oh, nee, laten wij dat maar niet doen, hè Gerard? Dat is veel te vet voor ons..’

De man schrok op. Zweeg. Vivian keek hem aan. Monter. Ze pakte de kaart van de zoon af, jarig of niet, en gaf die aan zijn vader.

‘Waar heeft u zin in?’

De man bloosde ook. En als ik niet een tafeltje verderop had gezeten, en mijn nicht Vivian goed kende, zou ik ook gebloosd hebben.

‘De brownies zijn awesome!’

‘De… wat?’

‘Brownies Gerard!’ herhaalde zijn vrouw. ‘Ze zegt dat ze lekker zijn.’ De man knikte. ‘Denk je wel aan je maag? Straks slaap je weer zo onrustig!’ Hij knikte nog eens.

‘The next best thing. Chocolade,’ zei Vivian.

‘To what?’ vroeg de zoon opeens érg nieuwsgierig, bijna gretig.

‘To anything you want but cannot get,’ zei Vivian. ‘Het is universele troost. Werkt altijd.’

Glimlach.

Rood hoofd.

De moeder kuchte en bestelde voor haar en haar man kopjes thee zonder iets, het koekje dat erbij hoorde was echt genoeg snoepen voor vandaag. De man sloeg zijn benen over elkaar en staarde weer verder.

Een paar minuten later kwam Vivian terug met de bestellingen. Ze zette de dranken neer en midden op tafel een lange schotel vol met brownies.

‘Ja, dat leek me gewoon het beste,’ zei ze tegen het onthutste drietal. Brutaal, maar dan op een goede manier.

De foto is van Wikimedia Commons.

Niets

De afgelopen weken wist ik niets om over te schrijven. Ik bedoel, meestal vind ik altijd wel een grap of iets moois in wat ik zie of meemaak en daar schrijf ik dan over, maar nu zat ik alleen maar verbluft naar het nieuws te staren.

Als ik durfde.

Totdat ik in de krant las dat er haast geen klassieke antimilitaristen meer waren. Was ik opeens zeldzaam geworden.

De politieke partijen die gewapend geweld afzweren moet je al helemaal met een lampje zoeken. Ben ik nou de enige die dat verontrustend vindt?

Of ben ik ouderwets?

Daar ga ik niet vanuit. Ik vind dat je niemand dood moet schieten, ben tegen elke oorlog, en wapens zijn volgens mij dus zonde van het geld. Als dat ouderwets is, dan ben ik dat maar. Ik heb er inmiddels de leeftijd voor, dat scheelt weer.

Terwijl ik boven de krant over de schoonheid van dit soort eenvoudige en vuurvaste standpunten aan het mijmeren was, vroeg ik me opeens af of ik mijn gebroken geweertje nog ergens zou hebben. Hmm…

Zoiets moet ik mij nooit afvragen, want dan rust ik niet voor ik het gevonden heb, of voor ik definitief hebt vastgesteld dat ik het ergens in voorbije jaren ben kwijtgeraakt. Dat het bijvoorbeeld nog op de revers van mijn zwarte corduroy manchester jack (standaard uitrusting van de jaren 80-activist) zat toen ik die jas bij een verhuizing aan een huisgenoot naliet. Maar dat wilde ik dus zeker weten.

Ik op zoek.

Ik weet niet hoe dat u vergaat, maar als ik een relict uit het verleden zoek, moet ik opeens ook aan allerlei andere onvindbare spullen uit ongeveer dezelfde tijd denken, of aan spullen die er volgens mijn verstand kennelijk op een andere manier mee te associeren zijn.

Daarom wilde ik plotseling ook weten waar toch dat lieve kleine massief zilveren aapje zou zijn dat ik voor mijn 16e verjaardag vroeg (en kreeg) omdat een groot deel van de aanschafkosten aan het wereld natuurfonds geschonken zou worden. Ja, ik was al politiek bewust voordat de term bestond. Nu vind ik dat eigenlijk een beetje sneu, al weet ik niet waarom. Het was een of andere vroomheid waar ik nu een beetje ibbel van word.

Goed, dat chimpanseetje vond ik niet en het gebroken geweertje ook niet. Ik verdreef de gedachte dat dit misschien symbolisch was. Ik vond wel twee sleutelhangers die mijn kinderen hadden gemaakt voor vaderdag. En de allereerste luierspeld die mijn allereerste luier bijeen had gehouden. En nog een hele hoop andere parafernalia uit mijn verleden waar ik weemoedig van werd, nog weemoediger dan ik al was.

Ook al omdat ik aan een liedje van Tom Waits moest denken, Soldier’s Things, wat me weer terug bij de vermaledijde oorlog bracht, en dan bij een soort gewone-mensen-versie van het Militair-Industrieel Complex, een fenomeen dat wij in de jaren 80 vaak als een monsterlijke bedreiging in de eindeloze discussies voorafgaand aan een actie (axie!) in de groep gooiden om te rechtvaardigen wat we van plan waren. Dat hielp mij meestal tot ik oog in oog stond met de vertegenwoordigers van dat complex, vaak gewone mensen net als ik, maar dan aan de andere kant van een hek.

Dat was ongeveer even absurd als de (koude) oorlog waar ik tegen was.

Wat me uiteindelijk ertoe bracht om geheel tegen mijn natuur in alle intellectuele rimram uit het geharnaste (pun intended) anti-militaristische discours (dat is een jaren 80-woord voor narratief) te slopen tot ik overhield wat ik hierboven al opschreef: niemand doodschieten, geen oorlog voeren, wapens zijn zonde van het geld.

Dat zei ik uiteindelijk ook toen ik in dienst moest. In de jaren 80. Tegen een met koorden en kwastjes en tressen behangen officier. Hij was het niet met mij eens.

Vervolgens natuurlijk een hoop gedoe, maar dat was het me wel waard.