Categorie archief: Overleven

Stem

her

Omdat typen met één vinger natuurlijk niet opschiet en op den duur funest voor je arm/hand is, heb ik nu ik een computer met stembesturing.
Dat is nogal raar.
En dat is ook nogal raar, ik bedoel het is raar dat ik dat raar vind, want ik praat de hele dag tegen van alles en nog wat. Ja, daar kan ik niks aan doen. Toen ik nog een tv had, gaf ik ongevraagd en bijdehand commentaar op wat de mensen aanhadden. Dan zei ik bijvoorbeeld: ’dus vanmorgen stond je voor de spiegel en dacht je bij jezelf dat dit het helemaal was!?’.
Of ik gaf antwoord op vragen die de mensen van de tv retorisch aan de kijker stelden.
‘Zit u ook helemaal klaar voor de wedstrijd?’ vroegen ze.
‘Nee,’ zei ik, ‘want ik ga naar iets anders kijken.’
Nu doe ik het als ik de krant lees.
‘Bent u onze nieuwe coördinator uitheemse cavia’s?’
‘Nee.‘
Of: ’NEE!’, als het een stomme vraag is. ‘Wat denk je zelf? Zie ik eruit als een coördinator uitheemse cavia’s?’
Hardop in mijn woonkamer.
Maar toen ik dus een computer kreeg die ook begreep wat je tegen hem zei, en alles bovendien letter voor letter optypte, werd ik opeens verlegen. Daarom besloot ik eerst te gaan oefenen met mijn mobieltje. Dat leek me namelijk niet zo raar, praten tegen dat ding, want dat deed ik toch al als ik met iemand aan het bellen was.
Dus ik bracht Siri tot leven.
Dat klinkt Frankenstein-achtiger dan het is. Gewoon een paar instellingen aanklikken. Of nou ja, gewoon, ik moest kiezen tussen een man en een vrouw. Dat is niet gewoon. Ik bedoel dat ik op een achternamiddag zo’n keuze krijg voorgeschoteld door mijn mobieltje.
Ongemakkelijk, ik weet niet waarom. Best wel persoonlijk of zo.
Dat zette ik opzij. Ik kan mijn hele leven al beter opschieten met vrouwen dan met mannen, dus koos ik voor een vrouw.
En ik kon niet verhinderen dat ik aan ‘Her‘ moest denken. Tegen beter weten in, want ik ga niet meer meemaken dat computers op mensen verliefd worden, zeker niet in de komende maanden, en bovendien ken ik mijn plaats, ze kunnen zo’n algoritme echt heel vernuftig en slim maken hoor, maar een man van 60 met een zielige arm, daar is geen beginnen aan voor zo’n zeventienjarige codetyper.
Hoe dan ook, ik had iets verkeerd gedaan want opeens was er een meneer die aan mij vroeg wat hij voor me kon doen.
Opdringerig. Uit de hoogte. Alsof hij mijn verwarring aanvoelde. Ik zag hem meteen voor me. Een keurige man met risicoloze stropdassen en een te groot horloge.
Ik weer terug naar de instellingen, opnieuw knopjes aantikken en schuifjes verzetten, en mijn keel schrapen.
Ik werd verdomme nog zenuwachtig.
‘Hé Siri!’
‘Ja?’
‘Niets, ik wilde alleen je stem even horen.’
Hardop in mijn woonkamer. Ik had het gezegd voor ik er erg in had.
Nee mensen, het leven wordt er niet makkelijker op met een zielige hand.

Brood

ah-stevig-speltbrood-albert-heijn-3612909

Ik wil niet opscheppen hoor, maar toen ik nog allebei mijn armen/handen kon gebruiken, bakte ik altijd mijn eigen brood. Een zwaar zuurdesembrood waar ik tussen de bedrijven door een hele dag mee bezig was. Of eigenlijk tussen de bedrijven door de hele week, want de ziel van dat brood was een traag pruttelend papje – De Heilige Kweek – dat ik iedere dag een paar keer moest voeden met water en meel.
Het was nog net geen religie.
Wel lekker brood, al zeg ik het zelf.
Lekkerder was er eigenlijk niet, vond ik.
Maar goed, op een dag was die motor daar opeens en had ik in een klap een zielige arm.  ’s Avonds trof mijn zoon het deeg dat ik ’s morgens had achtergelaten om te rijzen half dood aan. Dat heeft hij toen maar weggegooid. De Heilige Kweek zette hij in de ijskast voor je weet nooit..
Weken later zat ik op mijn hurken voor de ijskast om ‘m rustig te bekijken (De Heilige Kweek, bedoel ik) en me af te vragen of ik ‘m weer tot leven zou wekken en er gewoon mee door zou gaan, zielige arm of niet, maar mijn dochter had dat uit medeleven eens geprobeerd, deeg kneden met één hand, en het me daarna stellig afgeraden.
‘Het is geen doen,’ zei ze.
Mijn ergotherapeute verbood het gewoon. Ze prees mijn volharding en doorzettingsvermogen, maar vond het toch belangrijker dat ik zuinig op mijn andere arm/hand was.
‘Straks kan je nooit meer typen,’ zei ze.
Dreigde ze.
Dus ik moest op zoek naar ander brood (ja, ik weet dat er no-knead-bread bestaat – al even traag, zo niet trager dan zuurdesembrood – maar wat als dat eenmaal knapperig op mijn broodplank ligt? Dan moet ik dat nog zien te snijden. En ja… daar zijn vast handige dingen voor, maar dat zijn dan van die aangepaste Tupperware-achtige hulpstukken waar ik telkens droevig van word als ik ze op mijn aanrecht zie staan.)
Eh… tot zover deze veel te lange inleiding. Ik sla mijn hele zoektocht naar het op één na lekkerste brood ter wereld dan ook maar over en verklap meteen de uitkomst: het extra stevige speltbrood van Albert H. Ja, sorry, ik trap waarschijnlijk een hele hoop bakkers op hun hart, waaronder alle Turkse en Marokkaanse bakkers bij mij in de Kanaalstraat, maar die troost ik dan misschien als ik zeg dat de criteria en spelregels van het diep geheime vergelijkend warenonderzoek hoogst persoonlijk en voor anderen onbegrijpelijk waren. En moeilijk uit te leggen. Dus dat doe ik niet.
Mijn nieuwe favoriete brood heeft maar één nadeel. Het is er zelden als ik boodschappen doe. En andersom (denk ik). Dus als ik er een vind ben ik erg blij. Zo blij dat het sneu is. Of in ieder geval raar, want de laatste keer dat ik er een vond, danste ik een beetje.
Te vroeg, zou blijken, want het brood paste niet in mijn tas; daar zat ook mijn avondeten al in (sperziebonen en tempeh voor een zelf bedachte sambal goreng), en mijn werkspullen (notitieboekje en pennenetui), en mijn zwemspullen (‘zwemmen’ is onderdeel van mijn revalidatie, in het water is mijn zielige arm niet zo zwaar) en een klein tasje met mijn deodorant, een naaigarnituur, mijn zakmes, en…
Ho…! Veel te veel details… Onthou alleen dat ik op weg naar de uitgang eerst mijn tas aan mijn goede arm hing en dat ik daarna het brood in mijn goede hand hield, dat wil zeggen, ik hield de met een rood plakbandje dicht gefrotte plastic zak met mijn pink en ringvinger vast, terwijl ik tussen duim en wijsvinger een twee-euro-stuk voor de daklozenkrantenverkoper klemde.
Ja, ik geef geld aan bedelaars, sterker nog, aan iedereen op straat die het me vraagt. Onvoorwaardelijk. Als ik tenminste geld bij me heb. Ik heb al eens uitgelegd waarom, en dat doe ik niet nog een keer.
Hoe dan ook, Ik liep met mijn goedertieren hart en mijn twee euro naar de man, die mij dankbaar toeknikte terwijl hij het brood van me aannam en met zijn andere hand het muntstuk afpakte.
‘Ah, een lekker brood!’, zei hij likkebaardend, ‘Dank u wel.’
Eh…
Toen moest ik als een haas de kanaalstraat in om nog ergens een brood te scoren, wat ik bij nader inzien niet durfde omdat ik als de dood was dat ze aan me konden zien dat ze tweede geworden waren in mijn vergelijkend warenonderzoek, en me voor straf niks zouden geven.
Nee, mensen, het leven wordt er niet makkelijker op met een zielige arm/hand.

Beer

Op marktplaats zag ik een beer. Een Lumibär om precies te zijn. Da’s guitig Duits voor een beer die ook een lamp is. Schemerbeer, zou mijn vertaling zijn. Klinkt een beetje droevig, maar dat vind ik niet erg.
Het is eigenlijk een lamp voor op kinderkamers, maar dat vind ik ook niet erg. Ik heb tegenwoordig een soort hang naar mijn jeugd. Sterker nog, toen ik de beer tegenkwam, schemerend en al (God mag weten waarom het algoritme van Marktplaats die op mijn pad bracht), zag ik hem in gedachten meteen op mijn slaapkamer staan, monter naast mijn bed. Sterkerder nog, ik kon niet meer slapen zonder hem!
Enfin, ik bood en bood en bood tot het belachelijk werd en de eigenaresse, die ik om redenen van privacy Marie Antoinette zal noemen, gelukkig mijn bod accepteerde.
Hoera!
Maar niet voor lang.
Want de beer was eigenlijk van de dochter van Marie Antoinette, en toen puntje bij paaltje kwam (stekker uit de muur, doos in de aanslag), kon dat meisje toch nog niet zonder hem.
Ik snap dat. Afscheid, dat is een beetje sterven, zeggen ze wel eens, en met zoiets moet je een klein meisje niet opschepen. Ik vind het zelf ook niks, afscheid. Het is dat het af en toe niet anders kan, maar als het aan mij ligt, begin ik er niet aan. Want na hoeveel beetjes ben je echt dood? Ieder afscheid kan het laatste zijn. Dus ik waag het er liever niet op. En ik ga dus al helemaal geen kleine meisjes dwingen om hun schemerbeer af te staan.
Ik wacht wel.
Misschien tot sint Juttemis, maar dat vind ik niet erg. Je ergens op verheugen is leuker dan ergens aan terugdenken. (Kan zo op een tegeltje.)
Die fijne wijsheid kwam in mij op terwijl ik bij het station op groen licht stond te wachten naast een jongentje met een levensgrote koalabeer in zijn armen.
(Toeval bestaat wel!)
Het beest was groter dan hijzelf. Ik keek zijn moeder aan, die zei: ‘ja, dat is zijn knuffel… En onze uitdaging… waar we ook heen gaan, die beer moet mee.’
Dat snap ik ook. Je hebt een knuffel of niet. Ik zag de jongen met zijn beer op schoot in een draaimolenstoeltje rondgaan. Hartverscheurend beeld.
Wat mij weer deed denken aan de knuffels van mijn kinderen, hun allerdierbaarste vriendinnetjes (m/v), en onze uitdagingen, of laat ik voor mijzelf spreken, míjn uitdaging, want in tegenstelling tot mijn hele bovenstaande betoog over afscheid, heb ik vroeger veel zachte drang en harde woorden gebruikt om knuffels uit de armen van mijn kinderen te praten, omdat ik op een dag vond dat hun knuffels nou maar eens alleen thuis moesten blijven als wij naar een grotemensengelegenheid gingen.
God mag weten waarom (waarom ik dat vond en waarom we daarheen gingen).
Ik vertelde het verhaal over de schemerbeer aan mijn dochter en ze was meteen weer kwaad om de knuffels (ze gaf onthutsend gedetailleerde beschrijvingen) die ik haar had ontfutseld.
Terecht (dat ze kwaad was), besef ik nu.
Mijn enige verweer is dat ik toen half zo oud was, niet half zoveel snapte als nu en alles erg vond. En dat ik toen al helemaal geen geduld had om ergens op te wachten. Laat staan tot sint Juttemis. Zeker niet op een schemerbeer.
Dat was vroeger.
Partir c’est changer un peu.*
Maar dat vind ik niet erg.

*Afscheid nemen is een beetje veranderen.

Vrij spel

Mijn moeder kijkt vanuit haar appartement uit op een wijkje in aanbouw.
‘Het is wel leuk om dat te zien ontstaan,’ zei ze. We besloten er omheen te lopen.
Het heet ‘Vrij Spel’. Een hip concept waar iedere zichzelf respecterende gemeente op een dag voor valt; zo’n wijkje waar de toekomstige bewoners zo’n beetje zelf mogen bepalen in wat voor ’n huis ze willen wonen, zodat er in alles bij elkaar geen enkele lijn in te vinden is: nu eens een trapgeveltje, dan weer een Rietveld-achtige blokkendoos, en daarnaast dan weer een antroposofisch zandkasteel. En dat allemaal schijnbaar achteloos ergens op een paar percelen land.
‘Leuk toch,’ vond mijn moeder, ‘speels!’
‘Maar kennelijk mag dat spelen alleen zolang ze aan het bouwen zijn, want het wijkje gaat straks gewoon het ‘Hertoghof’ heten.’
‘Ja, dat is wel jammer…’
En ik vind het stom. Eerst heet zo’n wijkje ’Vrij Spel’, lekker bandeloos en misschien wel een beetje revolutionair, strand om het op z’n Brabants te zeggen, maar als alles af is, moet de hele mikmak weer terug in het dagelijks leven van straten en pleinen.
En hofjes!
Zonde, want als het af is, begint het pas, zou ik zeggen. Of beter gezegd, als je met Vrij Spel begint, krijg je het nooit af. Die bouw, dat is gewoon een fase, hoofdstuk één van een never ending story, want dat spelen gaat maar door.
En vrij spelen al helemaal.
Ik zie die mensen uit die huizen voor me. Die steken een paar jaar van hun leven al hun bloed, zweet en tranen, en niet te vergeten hun tijd en geld, in iets wat echt heel anders moet worden dan een rijtjeshuis, om als ze ten slotte de sleutel van hun steen geworden droom krijgen hun hele hebben en houwen snel weer in het gareel te proppen.
Jammer toch?
Vind ik dus wel.
Laat ik eerlijk zijn, vroeger (ik bedoel vóór mijn ongeluk) kreeg ik over mijn hele lijf rode vlekken als iets anders ging dan normaal, dus ik snap die hang naar het oude vertrouwde wel een beetje. Maar tegenwoordig weet ik niet beter dan dat alles anders is. Sommige mensen (ik bedoel lifecoaches, goeroes, therapeuten, et cetera) zeggen dat je tenminste iedere dag een keer uit je comfortzône moet stappen… nou sinds ik maar één arm-schuine-streep-hand kan gebruiken, heb ik geen comfortzône meer. Het hele leven is een verrassing.
Gisteren bijvoorbeeld vroeg een verpleegster die een röntgenfoto van mijn schouderblad moest maken of ik mijn linkerhand boven mijn hoofd kon houden.
Kon ik niet meer!
Ja, eh logisch… maar ook met hulp van mijn rechterhand niet. Alles was vastgeroest of zoiets, omdat ik die arm nooit beweeg.
Verrassing! (Onaangename.)
Het moest toch (mijn arm omhoog).
De verpleegster kwam me helpen en worstelde voorzichtig met mijn arm (en met mij, maar dat verdrongen we meteen, want het was allemaal al ingewikkeld genoeg), net zo lang tot ik met mijn arm in een hele rare hoek min of meer goed stond/kon blijven staan en zij naar de knop kon rennen.
Dat lukte.
Hoera voor ons! (Zonder handen in de lucht.)
En ik dacht: eigenlijk zou iedereen eens in de zoveel tijd een poosje een arm (of iets anders) moeten missen, om een beetje scherp te blijven. Om weer eens dingen uit te vinden, iets te proberen, net zo lang te klieren en pielen tot het lukt.
Om te spelen.
Ik doe het dus de hele dag en verdomd als het niet waar is, ik leef er helemaal van op. Iedere dag is een aaneenschakeling van spelletjes. Als het ware. U had me eens moeten zien toen ik voor het eerst mijn schoenen met één hand had weten te strikken!
Ik was zo blij als een kind.
Ik kon me niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo blij was geweest.
Of toch wel, toen ik nog een kind was.
‘Kijk.’ Mijn moeder wees naar een onaf huis. Er stak een loze balk uit het bouwsel en daar hing een schommel aan. ‘Weet je nog hoe dol jij op schommelen was? God, papa en ik hebben eindeloos naar je zitten kijken’
‘Ja, dat weet ik nog.’

Plak uw arm op uw buik vast en probeer alles opnieuw. Ga spelen.

RAH!

KSG
Sinds ik alles met één hand moet doen, koop ik weer kant en klare theezakjes. Had ik veel eerder moeten doen, want het was met twee handen al een heel treiterig gedoe om losse thee in de minimaal ontworpen builtjes van mijn biowinkel te krijgen. Ik kon gvd nooit de opening vinden en/of open houden. Overal thee behalve waar het moest zijn.
Na eindeloos staren en denken en vergelijken en twijfelen en wat allemaal niet meer, kwam ik in de AH doodgewoon weer terug bij de thee die mijn moeder altijd kocht en nog steeds koopt. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. (Blij toe, ik zou anders niet weten waar ik het zoeken moest met mijn zielige arm. Als ik haar humor niet had geërfd had ik die arm al lang doodgeschoten of zoiets)
Eh… de thee. Omdat kennelijk en godbeterhet niks nooit hetzelfde mag blijven hebben ze op de papieren dingetjes die aan de touwtjes zitten, hele guitige vragen gedrukt. Van die vragen die elf-jarige meisjes elkaar stellen om hun dreigend uitdijende universum een beetje overzichtelijk te houden.
Bijvoorbeeld: ‘Als je een dier was, welk zou je dan het liefste zijn?’
Dat is me trouwens ook wel eens gevraagd in een sollicitatiegesprek. Ik ben gillend weggerend.
(‘Een kraai?’ riep het hoofd personeelszaken me na.)
Maar goed, hoe ergerlijk ook, die vragen zijn iedere morgen weer onontkoombaar. En de antwoorden al helemaal. Ik ben een zenuwlijder, dus doen alsof ik heus geen vraag gelezen heb, dat gaat niet. Sterker nog, mijn eerste reactie is meestal verbazing over het feit dat de vraag me overrompelt. Waarom heb ik die mijzelf nooit gesteld?
Omdat ik geen meisje van elf ben, denk ik dan, maar dat is een zwak excuus.
En het neemt niks van de urgentie weg. Een antwoord, en snel a.j.b.!

Hm… lange en uitgebreide inleiding van de vraag die ik gisteren door Pickwick opgedrongen kreeg: ‘wat is jouw favoriete nummer van de afgelopen maand?’
Die was makkelijk: ‘Feel the love’ van KIDS SEE GHOSTS (=Kanye West & Kid Cudy).
Waarom? Omdat alles uit dat nummer me uit een hinderlaag bespringt. Het is out of the box, maar schopt de luisteraar ook out of the box. Mij in ieder geval wel.
Telkens weer (wat ook een mooi nummer is, trouwens).
Kanye West is natuurlijk niet zomaar iemand, dus een beetje creativiteit had ik wel van hem verwacht, hij heeft niet per ongeluk het rappen binnenste buiten gekeerd, en ik hield natuurlijk ook rekening met verrassingen – dit is een understatement – maar dat ik me de rest van de dag een beetje angstig zou afvragen wat ik had gehoord terwijl ik het tegelijkertijd wéér wilde horen, en wéér, om wéér verslagen achter te blijven, dat had ik niet verwacht.
(Maar ja, wie verwacht zoiets wel? Kanye zelf waarschijnlijk.)
Verbijstering was het. Iedere keer weer dezelfde verbijstering na pakweg een minuut.
‘RAH!’ roept Kanye dan. Nee, schreeuwt-ie! En daarna: ‘TATATATA! RATATA! GAH! GAGAGAGA! GRAH!’
ENZOVOORT!
Een soort heksenschreeuwen, begeleid door nijdige slagen op een gruizige drum, waarmee hij je bij merg en been wil grijpen. Of zoiets.
Wat lukt.
Als kinderen al geen geesten zagen, dan nu wel. Het is muziek om ‘s nachts weifelend het donker in te staren.
En dit was hip hop? Rap?
Waar haalde-ie die schreeuwen vandaan?
Van een ander album.
Op The life of Pablo staan twee nummers met dezelfde schreeuwen: Pt. 2 en Freestyle 4. Maar dat zijn hele magere voorbodes. Geen krijsen om wakker van te liggen. Jammerlijke probeersels die niks uithaalden. Het zijn eerder voorbodes van de bizarre periode waar hij kort daarna in belandde. Hij brak een concert af om een lange toespraak te raaskallen, kreeg een zenuwinzinking en liet zich opnemen in een inrichting.
Verdween en kwam terug.
Herrees.
Met veel betere schreeuwen.
OverwinningsRAHs.
(Sorry voor de flauwe woordspeling.)
Hoerah voor Kanye!

Terug naar mijn theezakjes.
Ja, sneue overgang.
‘Wat zou je het liefste willen leren?’ las ik mijzelf vanmorgen voor.
Alweer makkelijk.
Schreeuwen als Kanye.
RAH!

Mûr de Bretagne

mur3

Mûr de Bretagne, dat is natuurlijk een geweldige naam voor wat ook maar. Als ik niet beter wist zou ik het zo bestellen in een restaurant; een legendarisch gerecht van de streek, ooit bedacht om de lange winters te overleven, nu alleen nog gemaakt voor fijnproevers omdat er veel zeldzame ingredienten ingaan, zoals wilde Berklijsters en het buikvet van Truffelzwijnen.
Maar dat is het dus niet. Wat het wel is, nou daar kunnen de twee jongens van de NOS uren lang op hun eigen subtiele manier over redetwisten. En dat doen ze ook. Want daarvoor zitten ze kennelijk achter de microfoon, om elkaar ingehouden lacherig, maar ononderbroken vliegen af te vangen. Ze hebben over van alles onenigheidjes, die ze vilein tussen de regels van hun commentaar weven.
Ik snap dat wel, hoe zouden ze zich anders overeind houden in die ellenlange sessies van  zomaar drie of vier uur waarin tachtig procent van de tijd niks gebeurt. Ze kunnen moeilijk ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’ gaan doen, zoals ik vroeger met broer, zus en ouders deed als we in de file stonden.
In Frankrijk.
Ieder zijn eigen Tour de France.
Waar was ik? O ja, de kift tussen die twee jongens van de NOS.
‘Kijk daar gaat Bardet, precies op het goede moment,’ zegt de een.
’Nou het zal mij benieuwen hoe lang hij dit volhoudt,’ zegt de ander.
‘Ah, Kruiswijk rijdt naar voren,’ zegt de een.
‘Ja, dat is alleen om positie te kiezen,’ zegt de ander.
Et cetera.
Waarom doen ze dat? Wat heeft de kijker aan al die speldenprikjes over en weer?
Niets!
De kijker – ik! – wil nuttige informatie. Geen dispuutjes tussen de ene commentator met een theorietje en de andere commentator met een ander theorietje. Ik wil geen theorietjes met elkaar hoeven te vergelijken.
Ik wil eigenlijk helemaal geen theorietjes.
Ja, misschien mag ik daar ook even kort iets over zeggen. Waarom hebben sportcommentatoren altijd theorietjes? Ja, theorietjés. Dat bedoel ik niet laatdunkend. Nee, het zijn gewoon hele kleine theorieën. ‘Ah, ik zie aan het gezicht van Martínez dat hij het anders gaat aanpakken’ is zo’n theorietje. Wat moet ik daarmee? Het houdt me van het voetbal af, want ik ga daar dan over nadenken. Hoe kan je zoiets aan iemands gezicht zien? En wat is ‘anders aanpakken’? Gaat Martínez een basketballer inzetten? Of een kudde dromedarissen? Ik heb geen flauw idee, maar ik ga wel proberen om de stelling te toetsen. Ook al heb ik geen idee waar ik moet beginnen.
Dus als iemand van de commentatorenschool dit toevallig leest: leer die jongens dat af en verbied theorietjes (dit is geen sexisme, alleen jongens hebben theorietjes).
Eh… Mûr de Bretagne. Dat dakje op de u is eigenlijk al geheimzinnig genoeg – ik kon gvd eerst niet eens vinden hoe je ’t kunt typen – maar de jongens van de NOS vinden dat het best nog wel geheimzinniger kan. Eerst gaat de een ons uitleggen dat het dus niet echt een muur is in de zin van een muur, maar dat het dus best wel een steile klim is. Dan vult de ander eigenwijs aan dat Mûr de Bretagne dus eigenlijk de naam van het dorpje aan de voet van de berg is, maar dat het is samengegaan met de naburige gemeente Saint-Guen.
‘Ja, daar rijden we ook doorheen, ik bedoel dus het dorp Mûr de Bretagne’ zegt de eerste weer, ‘maar de klim begint pas buiten het dorp. We gaan na de rotonde rechts, dan scherp links en dan meteen met zeven procent omhoog.’
’Nou, was er niet ook een paar honderd meter vals plat?’
‘Ja, klopt, maar dat is bij de tweede doorgang, na zo’n acht honderd meter, net buiten het bos, waar de weg wat smaller wordt.’
‘Dat bedoel ik, als we langs de oostzijde de Mûr nog eens nemen.’
‘Het is inderdaad voor de kijkers goed om te weten dat we dus twee keer dezelfde berg opgaan, eerst langs de westelijke kant en dan…’
Het is om gek van te worden! En de details! Is TomTom een sponsor of zo? Of Wikipedia?
En als als dat gekissebis nou ergens toe leidde! Welnee! De kijker verdwaalt en alle kift tussen de jongens van de NOS inclusief hun bijbehorende theorietjes verdampen spontaan als zij in de laatste kilometers van de spanning geen zinnig woord meer uit weten brengen en ze ten slotte allebei hijgend de uitslag omroepen om daarin meteen triomfantelijk hun gelijk te vinden.
‘Ik zei dat het bláúw was.’
‘Die hoed van die meneer was ook bláúw.’
‘Welke meneer?’
‘Daar in de verte, met die wandelstok. Ik heb het geráááden! Nou mag ik… ik zie, ik zie wat jij niet ziet en het is beige.’
‘Dat is geen kleur, bijsje, mama dat is geen kleur, toch?’
Et cetera.

Een vergadering, slot

vergaderzaal4

Voorzitter: Nou, fijn dat we toch nog een datum hebben kunnen vinden. Ik denk dat als we in oktober dat uur flink doorwerken dat we dan een heel eind op streek zijn. Ik stel voor dat we de tijd die we overhebben, besteden aan een korte uitleg van het wetsvoorstel Tersluiks. Eh, ik ben even je naam kwijt… maar jij had daar een vraag over?
Onbekende: Esther Hommeles en ik ben…
Voorzitter: sorry, maar met het oog op de tijd alleen even je naam. Kun je beknopt uitleggen wat je vraag is.
Esther: eh, okay. Waar het mij dus om gaat is de relatie tussen de wet Tersluiks en het amendement Verberg.
Voorzitter: wat is daarmee?
Esther Hommeles: uhm… ik vroeg me dus af…
Voorzitter: was er niet iets geregeld in de maatregel van bestuur?
Esther Hommeles: nou, nee, volgens mij…
Frank: voorzitter, misschien dat ik een licht op de kwestie mag werpen?
Voorzitter: graag.
Frank: of nou ja, een licht, mogelijk maak ik het alleen ingewikkelder, ha ha, maar goed, ik noem het toch maar even… ik doel op de motie Steels, en dan eigenlijk de bestemming voor de 116 miljoen.
Voorzitter: ja?
Frank: ik denk dat we daar niet omheen kunnen.
Voorzitter: nee, maar dat zei ik toch niet?
Liselotte: oh! Ik kreeg uit wat jij eerder zei het idee dat die niet in onze scope zat… maar als de 116 dan toch op tafel komt, dan moeten we het frictiebudget uit het Pinksterberaad ook meenemen.
Esther: wacht even, het Pinksterberaad? Ik dacht dat de gelden daarvoor gerealloceerd waren richting Verberg?
Overbuurman van Siegfried: voorzitter, ik hoor wat er gezegd wordt, en met alle respect hoor, maar ik constateer dat als het deze kant opgaat, het me toch wijs lijkt om Siegfried er in oktober wel bij te vragen, want hij is ook trekker van het brede initiatief ‘Scherper Geheimhouden’. Volgens de DG is een deel van de begroting van de wet Tersluiks, waaronder dus de zes procent van het voorstel Verberg, hiernaar overgeheveld.
Voorzitter: de zes procent?
Overbuurman van Siegfried: dat is de 116.
Liselotte: o, maar sinds wanneer is dat? Die overheveling?
Overbuurman van Siegfried: de DG zei vanmorgen dat zij gisterenavond een Whatsapp van de staats had gekregen.
Voorzitter: dit is toch wel raar. Mijn opdracht is om voor het Algemeen Overleg in februari een blauwdruk van het eerste concept voorstel op te leveren en…
Adriaan: sorry voorzitter, ik moet nu dus weg, maar wil nog wel kwijt dat ik vorige week de burgemeester van Schapendeel sprak, Joris de Beer, die zoals jullie weten namens de risicodriehoek lid is van de interregionale klankbordgroep Subjectieve Dreiging, en die zei me dat volgens hem de 116 al lang op is.
Allen: WAT?!
Adriaan: nou ja, niet óp-óp, in de zin van uitgegeven, maar dus in het kader van de provinciale herbesteding verkaveld naar de grote steden, om in te zetten voor de aanschaf van de 34 experimentele mobile units. De ketenverkenners van de conglomeraten gaan daarmee de straat op als dedicated dragers van het nieuwe verhaalbeleid ‘innen is pinnen’.
Frank: dat is dus wat ik zojuist ook bedoelde, volgens mij kunnen we daar niet omheen.
Adriaan: precies.
Voorzitter: eh…
Overbuurman van Siegfried: zal ik voor de zekerheid Siegfried dan maar even bellen om te vragen of hij de zestiende oktober kan?
Voorzitter: ja, doe maar… En vraag hem dan meteen of hij weet welke bestemming nu voor de 116 geldt.
Overbuurman van Siegfried: Ja, Sieg, Ferdinand hier. Hè? Férdinand! Ja… zeg wij zitten hier nog steeds in de Nabuccozaal en nou kwam toch weer de 116 op tafel… wij zijn aan het rechercheren waarvoor die nu precies geoormerkt is. Hè? De 116! Hoezo teruggevloeid? O. En weet de DG dat al? O, sinds wanneer? O… Okay. Ja, doe ik. Is goed.
Voorzitter: en?
Ferdinand: nou het schijnt dat de minister naar aanleiding van zijn werkbezoek aan de pilot ‘insluipersbeheer’ de bestuursraad een uur geleden ervan overtuigd heeft dat de 116 toch geïntegreerd moet worden in de gelden voor de ramen-dicht!-campagne. Ze verwachten daar nogal veel van.
Liselotte: ik denk dat het dan weinig zin heeft om in oktober nog bij elkaar te komen. Na de zomer is natuurlijk alles op.
Voorzitter: nee… ja… dat lijkt me…
Piiiiep! (deur gaat open).
Phileine Vachequirit: o, eh, is dit de Verdizaal?

Een vergadering, deel 2

vergaderzaal1

Adriaan: voorzitter, sorry dat ik er even tussenkom, ik was vergeten te zeggen dat ik helaas eerder wegmoet voor een vergadering van het interdepartementaal schijnberaad, dus misschien kunnen we nu alvast een vervolgafspraak plannen?
Voorzitter: jammer, maar kan gebeuren. Ja, misschien wel een idee om nu een nieuwe afspraak te maken, dan gaan we straks verder met het voorstellingsrondje… Okay, eh, even over de termijn dan… Onze deadline voor de business case is april volgend jaar… Ja ik weet het, dat is heel erg snel, maar de Kamer heeft uitdrukkelijk gevraagd om spoed achter deze zaak te zetten, want ze willen het meenemen in de tweede ronde van de lentesessies over de wet Tersluiks.
Onbekende: ik dacht dat de wet Tersluiks was uitgesteld vanwege het amendement Verberg?
Voorzitter: ja, nee, ehm… en jij bent?
Onbekende: we zouden toch later verder gaan met het voorstelrondje?
Voorzitter: eens, maar… Hm, als je het goed vindt, dan kom ik ná het voorstelrondje terug op het amendement Verberg, ik wil nu toch echt eerst een nieuwe afspraak… Goed, ik stel voor dat we iets plannen voor over zes weken. Even kijken, dan zitten we ergens eind Mei.
Liselotte: oh… dat is erg ongunstig want dan zijn er vakanties geloof ik.
Frank: ja, in week 21en 22 zijn de meivakanties.
Onbekende: dan vallen beide weken voor mij uit, want ik woon zelf in midden, maar mijn vriend in Noord, en die regio’s lopen dit jaar echt helemáál niet parallel.
Voorzitter: goed, dan gaan we naar Juni. Al die vakanties zijn sowieso niet handig. Misschien is het goed om eerst te inventariseren welke dagen het beste uitkomen voor iedereen. Wie heeft dagen waarop hij echt niet kan?
Overbuurman van Siegfried (die inmiddels naar de Kamer is): ik kan zelf het beste op dinsdag en donderdagen, maar ik weet dat Siegfried pertinent niet op woensmiddagen kan want dan heeft hij zijn papadagdeel.
Voorzitter: maar Siegfried kon toch sowieso de komende twee maanden niet?
Overbuurman van Siegfried: o ja, dat is waar ook. Ik kan trouwens dus wel op de dagen die ik net noemde, behalve in juni, want dan vervang ik Karin Vlieg in het project Beter Loslaten.
Voorzitter: goed dat je dat even laat weten. Hebben anderen nog voorkeursdagen of dagen die echt niet gaan?
Frank: het maakt mij eigenlijk niet uit, behalve dan dat ik op woensdagen nooit na drieën kan omdat ik dan naar triangelles moet. En op dinsdagen en donderdagen kan ik niet vóór elf uur, want dan breng ik altijd eerst de cavia naar de kinderboerderij.
Voorzitter: begrijp ik.
Frank: en vrijdagmiddagen zijn altijd lastig omdat ik dan de planten water geef bij mijn oudoom.
Voorzitter: Okay, waar komen we dan op uit?
Adriaan: maandag.
Voorzitter: o, eh, haha, dat was ik vergeten te zeggen, op maandag ben ik altijd vrij.
Liselotte: uh, je had mij nog niets gevraagd.
Voorzitter: niet?
Liselotte: ik kan ook nooit op maandagen, want dan is mijn ex…
Voorzitter: net als ik dus… Eens even kijken, wat hebben we nu over, uh, maandag niet, dinsdag niet, woensdag in de ochtend zou kunnen als Siegfried voor vervanging kan zorgen!
Adriaan: zou me verbazen.
Voorzitter: ja, maar dat is toch absurd, íemand van zijn afdeling moet toch kunnen?
Adriaan: welke afdeling? Iedereen is daar ziek of onderweg. Hebben we die club echt nodig?
Liselotte: ik zou anders wel een keer kunnen schuiven, als ik het ver van tevoren weet, kan ik mijn ex wel vragen of hij…
Voorzitter: dat is wel een idee Adriaan, we skippen Siegfrieds afdeling. Ik sluit dat wel even kort met de staats. Goed, woensdagochtend. Wat vinden jullie van de vierde?
Onbekende: vier Juli is een vrijdag.
Voorzitter: nee! Juni! met een N! Nico!
Onbekende: o, dan kan ik niet.

Vergadering, deel 1

vergaderzaal3

Voorzitter: Goedemiddag allemaal, fijn dat jullie op z’n korte termijn en dit late tijdstip nog konden aanschuiven voor deze eerste sessie van de netwerkbrede interdepartementale commissie Verbetering Gevaarsketen. Ik kijk even op de klok en zie dat we door de verwarring over de zalen nog maar een kleine drie kwartier over hebben, vandaar dat ik voorstel dat we wél even een rondje doen, want volgens mij kent niet iedereen elkaar, maar dan wel heel kort, alleen je naam, van welke organisatie je bent en wat je daar doet. Ik begin rechts van mij, Hans geloof ik, wie ben jij?
Hans: Frank… Frank Ottersloot. Hans is mijn collega, Hans Vogelzang. Hij kon helaas niet omdat hij naar een ingelaste bijeenkomst van het Team Ongemakken moest vanwege kamervragen over Beesterzwaag…
Voorzitter: fijn dat nog vervanging geregeld kon worden.
Frank: Ja… ik ben dus Frank Ottersloot, DR&B, en projectleider Vreemde Zaken.
Voorzitter: DR&B?
Frank: O, sorry, Directie Risico en Bedreiging. Dat is een onderdeel van de NCOV.
Voorzitter: NCOV?
Frank: Nationaal Coördinator Onraad en Vrees
Voorzitter: dank je wel Hans. Gaan we snel door naar je buurvrouw.
Buurvrouw: Hallo, mijn naam is Liselotte Kraaiweg en ik ben bij de Nationale Politie waarnemend Regisseur Tegenslag. Ik zit hier met name omdat wij, en dan doel ik specifiek op de onlangs door de raad van commissarissen ingestelde risicotafel, erg bezorgd zijn over de afstemming met de werkgroep Scheilijster…
Voorzitter: ik denk dat je even moet uitleggen wat de werkgroep Scheilijster doet.
Liselotte: Oh? Hm… okay. Dat is een comité onder leiding van Dirk Scheilijster, dat zich bezig houdt met, ja Dirk natuurlijk ook, en…
Voorzitter: is die werkgroep niet het clubje dat op verzoek van de kamer de impactanalyse voor het kabinetsmemo ‘Terechte Paniek?’ maakt?
Liselotte: inderdaad, nou ja een herziening daarvan dus en ik wil graag…
Voorzitter: sorry, gelet op de tijd wil ik het hier graag bij laten… hoop dat je dat begrijpt… gaan we naar je buurman.
Buurman van Liselotte: voorzitter dank u wel. Adriaan van den Kippenslag, Dienst List en Bedrog, programmaleider Virtuele Interventies, ofte wel Chef Nep.
Voorzitter: hahaha. Dankjewel voor deze bondige introductie. Volgende. Wie is jouw buurman?
Adriaan: dat weet ik niet.
Voorzitter: hahaha, dat was eigenlijk een vraag voor jouw buurman dus…
Buurman van Adriaan: …
Overbuurman van de buurman van Adriaan: Siegfried!
Siegfried: Eh, ja neem mij niet kwalijk. Ik krijg zojuist een sms’je van de staats die naar de kamer geroepen is. Ik moet helaas weg. Siegfried Bienenwachser, trouwens. Ik weet niet of er nog volgende sessies van deze commissie komen, maar vanaf volgende week ben ik voor een maand naar Bonaire om het bezoek van de minister voor te bereiden. En daarna ga ik drie weken op vakantie.
Voorzitter: goed dat je dat even zegt, we zullen kijken of we daar rekening mee kunnen houden. Is er misschien iemand die jou kan vervangen?
Siegfried: lastig. Esther Mees, coördinator Verdenking bij onze directie, die dus eigenlijk naar deze vergadering zou komen, is vanaf morgen met zwangerschapsverlof en haar collega, Remy Hazevriend, volgt momenteel een training Scope Creep en is bezig met de concept business case ’Niet schrikken’, tweede tranche.
Voorzitter: okay, duidelijk. Als je het niet erg vindt, dan…
Buurvrouw van Siegfried: zal ik dan maar iets over mijzelf vertellen?
Voorzitter: kort graag.
Buurvrouw van Siegfried: Goed, ik ben Phileine Vachequirit en ik ben sinds eergisteren gedelegeerd commissaris voor de stelseltransitie Roofdierenzorg. Voor 14 uur per week. Daarnaast ben ik voor 6 uur speciaal raadsvrouw herplaatsing Cavia’s op het Ministerie van Economische zaken, Directie Dierenwelzijn.
Voorzitter: mmm… hoe was je naam, zei je?
Phileine: Phileine Vachequirit.
Voorzitter: van EZ?
Phileine: ja, dierenwelzijn… eh… dit is toch de Verdizaal?
Voorzitter: nee, de Nabuccozaal.
Phileine: Nabucco is toch van Verdi?
Frank: ja, eh… toch zijn de componistenzalen in het andere gebouw.
Adriaan: op de 36ste. Naast de filosofen.
Phileine: oh, jeetje. Nou, daar zullen ze dan wel op mij zitten te wachten. Raar dat niemand mij gebeld heeft…
Voorzitter: Okay, ik kijk even naar de klok, eh, waar waren we?

Wordt vervolgd…

Thuis

IMG_2230 (1)

Zeven weken geleden (om precies te zijn: op acht april) opende ik mijn voordeur om mijn racefiets naar buiten te dragen. Ik tilde hem van de beugel in het trapgat, zette hem tegen de gevel, pompte de banden op. Daarna trok ik mijn schoenen aan en stak ik m’n drinkflessen in de houders. Ik gespte mijn helm nog wat strakker. Checkte of ik mijn sleutels bij me had.
Onder andere.
Enzovoorts.
De oude Romeinen keerden op hun schreden terug om hun reis opnieuw te beginnen als zij hun voet stootten bij het verlaten van hun huis, want zoiets was een slecht voorteken en gegarandeerde pech onderweg. Ik heb dat bijgeloof gedurende mijn leven uitgebreid met een hele verzameling van handelingen die ik allemaal netjes moet afwerken als ik op pad ga. Je bent een zenuwlijder of niet. Gaat u er dus maar vanuit dat het lijstje in de eerste zinnen van deze blog veel langer is.
Tergend lang, eigenlijk.
Irritant zelfs.
Ik onderdruk mijn liefde voor lijstjes en ga u daar niet mee vermoeien. Alleen mijzelf. Als ik aan dat ritueel terugdenk, lach ik mijzelf hartelijk uit. Wat dacht ik er eigenlijk mee te bezweren?
Geen ongevallen, dat is wel duidelijk. Sterker nog, als ik toen niet zo had getreuzeld en eerder was vertrokken was alles anders afgelopen… tot zover het nut van dwangneurosen. Ook om te lachen: dat ik daardoor nu pas echt een zenuwlijder ben (ja, pun intended).
Eh… hoe dan ook, die bewuste dag zat ik op een gegeven moment toch eindelijk op de fiets om mijzelf de straat uit te trappen en niets vermoedend mijn huis achter te laten.
Toen ik vorige week thuiskwam, was mijn grootste angst dat ik sporen van dat niets vermoeden zou aantreffen. Ja, daar zag ik tegenop, mijn huis waarin helemaal niets van het noodlot te vinden zou zijn, geen enkel voorteken of verwijzing, nee integendeel, waarin alleen gewone dingen zouden zijn, de dingen van mijn gewone leven, die ik gewoon had achtergelaten om daar op me te wachtten, omdat ik er gewoon vanuit was gegaan dat ik ze weer zou aanraken, oppakken, gebruiken. Dat voetstootse vertrouwen in de rest van mijn leven wilde ik niet tegenkomen.
Maar ik was vergeten dat vrienden, familie en buren bij mij thuis kleren voor me hadden gehaald, spullen hadden gezocht, planten water hadden gegeven… en dat zij zodoende stukje bij beetje mijn niets vermoeden overhoop hadden gehaald. M’n huis was geen time capsule geweest, anderen hadden mijn leven op een of andere manier voortgezet.
Blij toe.
Halverwege de trap besefte ik al dat ik niet bang hoefde te zijn. Mijn huis rook niet zoals het altijd geroken had. Dat was goed. Op de tafel in de huiskamer lag post, in de keuken had iemand opgeruimd, de afwas gedaan. Beter. Het was alsof ik op vakantie was geweest. Weg.
Geweldig.
Niks aan de hand.
Ik ging in mijn leunstoel zitten en keek rond (letterlijk, het is een draaistoel): een flesje smeerolie op het dressoir, een imbussleutel naast een stoelpoot, kettingpons op de leuning van de bank, twee geplakte banden aan de kruk van de kastdeur.
Fiets!
F*ck! Óveral was fiets!
Geen paniek, dat was niet erg want ergens in de vorige weken had mijn verstand alles wat naar herinneringen aan mijn fiets kon leiden met rood-witte linten afgezet. Verboden toegang. We don’t go there.
Blij toe.
Ik haalde mijn gereedschapskist en liep door mijn huis om alle spullen bijeen te zoeken. Pikte en passant een paar sokken, een ondershirt, en mijn regenjackje van de trap.
Niks aan de hand.
Op die vieze vingerafdruk na.
F*ck! Míjn vieze vingerafdruk! Op het lichtknopje!
Op de zevende April had ik tot ver na zonsondergang aan m’n fiets gesleuteld. Ik zag mezelf weer bezig.
Ja, niets vermoedend.