Categorie archief: Reizen

Vakantie

Vakantie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik doe daar nooit aan mee, want dat is uit mijn comfortzone. Ik heb weliswaar ooit aan de psycholoog van het revalidatiecentrum in een montere vlaag van ‘het roer moet om’ beloofd dat ik niet alleen uit mijn hoofd zou komen, maar ook uit mijn comfortzone (in mijn geval vaak hetzelfde), bijvoorbeeld om mensen te ontmoeten, maar daar heb ik nooit echt werk van gemaakt. Behalve dan een paar jaar geleden, toen ik ben gaan wandelen in Zuid Limburg.

Veel natuur daar. Vrolijke bossen, lome akkers, heuvels die ze bergen noemen. En mensen. Dus veel te ontmoeten.

Dat begon al meteen bij het eerste ontbijt in de eetzaal van het hotel. Terwijl ik probeerde het gesteven servet uit te vouwen, zetten een jonge man en vrouw met glimmende trouwringen de buit die zij bij het buffet gescoord hadden voor zich op tafel en begon naast hen een mevrouw aan haar tafelgenoten nogal luid uitleg te geven van de pillen die zij bij het ontbijt moest slikken. Ze wees ze één voor één aan, vermeldde de namen en voor de zekerheid de kleur, en vertelde waarvoor of waartegen ze waren. Als ze er niet uitkwam, hielp haar man, en een enkele keer de vrouw tegenover haar, die kennelijk ook verstand van zaken had. Ik wist niet goed wat ik met al die informatie aan moest, zeker niet in combinatie met de jonge mensen die toen ze in hun croissants hapten lang niet zo gelukkig keken als ik verwachtte, waardoor ik me opeens afvroeg of ze inderdaad op huwelijksreis waren zoals ik vermoedde, én me afvroeg hoe gelukkig je dan precies moet kijken als je pas getrouwd bent, want daar is natuurlijk geen norm voor, maar vast wel een soort ondergrens en…

‘Wat weet jij daar nou allemaal van?’ vroeg Cavia. (Jammer genoeg was die erbij toen de psycholoog mijn hele ziel en zaligheid had blootgelegd.)

‘…’

‘Jíj zat daar helemaal in je dooie eentje op je muesli te knabbelen, zoals iedere morgen waar je ook bent! Dus het is nou niet zo dat je veel verstand van dit soort situaties hebt!’

Eh…

Wandelen!

Op mijn eerste tocht was het al meteen raak, want ik was amper het dorp uit of er naderde een tamelijk absurde optocht van twee paters die een rommelige groep jongeren aanvoerden. Allemaal gothics. Die jongeren bedoel ik. Het was alsof de geestelijken een bende duivelsdiscipelen gevangen genomen hadden. Dat was niet zo. Sterker nog, ze keken allemaal erg vrolijk. Wat ze gingen doen, was onduidelijk. Mijn gok was dat ze op weg waren om gedoopt te worden, daar is Limburg namelijk erg geschikt voor want het wemelt er van de beekjes, die allemaal kabbelen alsof het niks is. Dat laatste is niet per se nodig om iemand te dopen, maar het maakt de hele scène wel romantischer.

Goed, ik liep verder, een bos in. Dat is daar niet zo moeilijk. Ik kwam een uur lang helemaal niemand tegen en tot mijn eigen verbazing maakte ik me daar zorgen over. Zo kwam er niks van ontmoeten!

Gelukkig kwam ik al snel bij een huis waarvoor een meisje op een stoeltje zat, naast een kleedje vol zacht glanzende Pokemonkaarten, die me deden denken aan mijn kinderen en hun enorme verzameling kaarten die ik, Joost mag weten waarom, in gedachten probeerde te vinden in een huis waar ik al in geen eeuwen was geweest, in hun kamers, op de zolder en de vliering, in kasten en/of oude schoenendozen, kortom overal en nergens terwijl ik gaandeweg zwetend in paniek raakte. Had ik nou al een zonnesteek? Zou echt iets voor mij zijn.

Nee, het meisje vroeg mij of ik Pokémonkaartjes wilde kopen en dat verstond en begreep ik goed. Dus niks aan de hand. Maar ik hoefde geen Pokémonkaartjes, zelfs niet toen ze zei dat ze soms heel veel waard zijn, want zij had er eens eentje verkocht voor € 91! Dat wist ik, dat ze veel waard zijn, want ik was eens op Catawiki gaan zoeken naar een enorme en levensechte roze (!) Pikachu van kunststof omdat ik daar ooit op had geboden om ten slotte af te haken toen het bedrag niet meer in redelijke verhouding stond tot de blijdschap die het vrolijke monstertje me telkens gaf als ik hem bekeek. Ik vond een kleine honderd euro voor een glimlach bij het zien van een roze Pikachu te veel.

Later kreeg ik daar natuurlijk spijt van. Ik had ook uitgerekend dat als ik 83 zou worden en ik iedere dag één keer zou glimlachen om die roze Pikachu, één glimlach niet meer dan twee cent zou kosten (inclusief veilingkosten en verzending), wat dan weer een belachelijk schijntje was voor zeker tien seconden onvoorwaardelijke vreugde. Wat me er dus toe bracht om alsnog op die veilingsite te gaan zoeken, om alleen maar Pokémonkaarten te vinden en me te verbazen over de astronomische bedragen die mensen daarvoor wilden neerleggen.

Aan de stoffige rand van het bos voor het beduimelde huis flakkerde m’n verlangen naar die roze Pikachu weer een beetje op, terwijl ik nog maar eens mijn hoofd schudde. Het meisje knikte begripvol, alsof zij precies wist dat ik in de rest van mijn leven duizenden glimlachen van nog geen twee cent per stuk zou gaan mislopen.

Daar was ik nog diep over aan het nadenken toen ik langs een wei vol geiten liep. En dus géén schapen die net geschoren waren, ik zeg het maar even, want dat maakte een langsfietsende vader zijn zoontje in het stoeltje wijs, een misser die hij halsstarrig volhield toen ik in de lach schoot, ‘ja, die meneer moet lachen om de scháápjes, hij vind ze ook leuk,’ riep hij, waarna het jongentje prompt aan het huilen sloeg. Dat laatste was doodgewoon toeval, maar ik wil het hier toch even vermelden.

Een van deze geiten lag op haar zij naar adem te happen. Dat leek me niet goed. Maar wat moest ik doen? Flink doorstappen om de meneer die verderop in een tuintje aan het schoffelen was te waarschuwen. Hij zag me aankomen en antwoordde al nog vóór ik iets had gezegd: ‘Ja, net goed! Lekker laten liggen!’ zei hij.

‘Uh… Hè?!’

Het bleek dat die geiten regelmatig het hek om zijn tuin omverduwden om zich vervolgens vol te vreten met hij ook maar aan het verbouwen was.

‘Zelfs tomaten!’ zei hij meer verbaasd dan boos. Ik wist nog maar net te voorkomen dat ik hem vroeg waarom dat zo raar was, want hij leek me iemand van uitgebreide litanieën over alles wat hem tegenzat, waaronder dus die brutale geiten.

Maar goed, toen stonden we daar. De man vol wrok en ik in dubio, want wat moest er nu met die geit? Het was alsof dat beest mijn dilemma ergens uit de lucht oppikte, want toen ik omkeek, krabbelde zij weer op om meteen naar ons toe te drentelen en ons van een afstandje uit te lachen.

‘Gefopt!’, mekkerde zij.

Dacht ik.

Daar werd de tuinier echt boos om. Hij greep een riek en deed een stap naar voren. De geit bleef gewoon staan. Onverstoorbaar. Tot razernij van de man die na een korte aanloop de riek naar de geit wierp. Een nogal sneue actie, die onverwacht prachtig afliep, want de riek landde na een perfect boogje met de vier tanden tegelijk in het gras om daar heel even na te trillen. Daar had de man niet van terug.

Ik ook niet. Dat leek me een mooi teken om te vertrekken. Ik knikte naar de man en hervatte mijn wandeling.

Er volgde een gevarieerde reeks korte ontmoetingen, die ik eigenlijk niet in dit verhaal wilde opnemen omdat ik niet goed wist wat ik ermee aanmoest, maar die ik ook niet uit mijn hoofd kreeg, wat me van liever lede echt in de weg ging zitten, zodat ik ze ten slotte toch maar opschreef. Hieronder.

Twee vrouwen die achter elkaar fietsten terwijl ze een onverstaanbaar gesprek schreeuwden waaruit opeens de volgende min of meer verontwaardigde mededeling opvloog: ‘Nou ja, je moet niet vergeten dat hij motorcrosser is geweest!’ Nee, dank u, dat zal ik de rest van mijn leven niet meer vergeten…

Een klein peloton soldaten in volle bepakking dat op vrolijke fanfaremuziek uit een kolossale ghettoblaster erop los marcheerde alsof het niets was, terwijl iedere rij soldaten ook nog eens een lange boomstam (zo dik als een doelpaal) op de schouders droeg.

Een vrolijke familie die, zo vertelde een vrouw mij enthousiast, op weg was naar weer een andere familie om daar suikerfeest te vieren. Ze droeg een jongetje op haar schouders dat was uitgedost als een minikoning in een goud bestikte djellaba.

Eh… Ik verzin best veel in deze blogs, of liever gezegd, ik maak de werkelijkheid een beetje leuker, maar wat ik tot nu toe geschreven heb, is allemaal echt gebeurd. En het volgende ook, tot mijn eigen verbazing…

Een jongen kwam mij hand in hand met zijn moeder tegemoet terwijl hij, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, een dik boek aan een touwtje meetrok door het stuivende zand in de berm van de weg.

Zijn vastberadenheid was even onbegrijpelijk als troostrijk. Soms, als ik bij het opstaan helemaal geen zin heb in de dag, denk ik aan hem terug om mijzelf op te monteren. Wat hij kon, kan ik ook, denk ik dan. Gewoon doorgaan, hoe absurd het ook is, alles. En dan ben ik wéér blij dat ik niet achter de twee ben aangerend om te vragen waar dat boek over ging. Het moest een beetje mysterieus blijven. Om een of andere reden versterkte dat de hoop die ik uit de hele ontmoeting putte.

‘Smoesjes,’ zei Cavia, ‘je durfde het gewoon niet te vragen.’

‘Heus wel…’

‘Nee man, lees nog eens terug wat je hierboven allemaal hebt geschreven. Je hebt met niemand een woord gewisseld! Lekkere ontmoetingen! Dus maak mij nou niet wijs dat je heus wel een gesprek had aangeknoopt met die twee.’

‘…’

Ik verzin best veel in deze blogs, of liever gezegd, ik maak de werkelijkheid een beetje leuker, dus eh…

Een jongen kwam mij hand in hand met zijn moeder tegemoet terwijl hij, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, een dik boek aan een touwtje meetrok door het stuivende zand in de berm van de weg.

We waren elkaar al gepasseerd toen ik opeens besefte dat dit té absurd was om zomaar voorbij te laten gaan. Ik keerde om en rende achter ze aan. Nog voor ik iets gevraagd had, trok de jongen het boek naar zich toe tot het tussen ons in op de weg lag.

‘Kijk zelf maar,’ zei hij. Ik pakte het op en bladerde er doorheen. Allemaal lege bladzijden op de eerste twee na. Ik begon te lezen: “Vakantie daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik doe daar nooit aan mee, want dat is uit mijn comfortzone.”

Uh… Hè?

Ik sloeg snel de bladzijde om en las de laatste zin: “De jongen glimlachte. ‘Je mag het boek wel houden,’ zei hij.”

p.s. De foto is van wikimediacommons. Zie hier.

Ontmoetingen

IMG_1516

Een paar kilometer voor Zaltbommel – Op vakantie kom je nog eens ergens! – ging de trein steeds langzamer rijden, zo langzaam dat ‘Sprinter’ echt nergens meer op sloeg, en de conducteur vond dat hij het uit moest leggen.
‘Goedemorgen, zoals u gemerkt heeft, rijden we wat langzamer dan normaal. Dat komt doordat er personen op het spoor lopen.’ Ik zag meteen een paar baldadig vitalistische pubers voor me, maar dat was weer te snel en makkelijk gedacht, want de mededeling was nog niet af: ’Zij proberen een ontsnapt schaap te vangen.’
Dat zag ik ook voor me. Exit pubers, enter een heel boerengezin, vraag me niet waarom een heel gezin, leek me gewoon gezelliger, vader, moeder, en drie kinderen, in donkerblauwe overalls en zwarte rubber laarzen, enfin een gezin dus, dat behoedzaam maar toch ook gehaast, want ja, die Sprinter wil verder, het eigenwijze schaap probeerde te omsingelen of dan toch tenminste van het spoor te drijven.
Veel leuker dan pubers die misschien aangereden (willen) worden!
Vooral ook omdat de gebeurtenis ergens in mijn hoofd de deur opende naar alle vreemde en soms wel eens beangstigende ontmoetingen die ik tot nu toe tijdens mijn fietstochten had.
Ik ga de leukste hieronder veel te uitgebreid opschrijven. Ik word gek als ik het niet doe en het ruimt lekker op.
Om bij dieren en boerderijen te blijven, ergens in de Alblasserwaard nabij het gehucht Minkeloos (wat een goede naam is, want ik ken iemand die Minke heet en ik heb haar daar nog nooit gezien, ja flauw, maar ik kan niet laten om iedere keer weer te checken of ik haar toch niet ergens zie, je bent een zenuwlijder of niet), rende eens een mooi roze varken op me af, wat op zich al grappig was, maar wat nog grappiger werd toen uit het struikgewas in de berm plotseling een vrolijk lachende Hindoestaanse jongen opdook met een soort lasso om haar te vangen.
Echt waar.
Ik laat u zelf het verhaal erachter verzinnen. Ik ken dat niet, want racefietsen is racefietsen, dan heb ik geen tijd om om overal bij stil te staan (pun intended). En soms is iets juist grappig omdat het onverklaarbaar is. Dus ik laat het zo.
Maar nu ik het toch over een berm heb gehad, even terzijde, kan iemand mij vertellen wat het verschil tussen een zachte en een gevaarlijk berm is? Ik bedoel, een zachte berm lijkt me ook gevaarlijk, want als je erin terechtkomt, zak je weg en val je om.
Of zoiets.
Maar een gevaarlijke berm dan? Is die sowieso gevaarlijk, ook als je er niet inrijdt? Grijpt-ie je als je te dichtbij komt? Raadselachtig fenomeen, wat me telkens weer bezighoudt als ik langs zo’n waarschuwing rijd.
Maar goed, andere ontmoeting, met dezelfde kernkleur… Afgelopen winter, ’s morgens om een uur of negen op weg naar Geldermalsen kwam ik een oude leernicht tegen op een roze scooter, zijn met studs beslagen jas lekker open zodat de wind met zijn borsthaar tekeer kon gaan en ik me af moest vragen, of ik nu wilde of niet, hoe in vredesnaam iemand zo puntgaaf glanzend bruin en verzorgd kon blijven na een nacht doorhalen. Ja, een nacht doorhalen, dat verzon ik om de hele scène nog een beetje in mijn wereldbeeld te laten passen, want hoewel ik een levendige fantasie heb, kon ik me niet voorstellen dat hij nu op weg was naar een of andere genderneutrale oecomenische dienst van een hippe dominee in Meteren.
Om eens iets te noemen.
Niet zo bizar, maar wel prachtig om aan terug te denken was het verliefde stel dat op een bloedhete zomermiddag vlakbij Made met de armen wijd aan de rand van een aardappelveld was gaan staan om zich stil en met gesloten ogen door de sproei-installatie te laten beregenen. Ze waren al behoorlijk nat. In de zij (= glanzend als zijde), noemden ze dat vroeger in Vlaanderen, wat ik wel mooi gezegd vind. Ik heb nog steeds wel eens spijt dat ik niet bij hen ben gaan staan, omdat het me wel een goeie grap leek en ik graag hun gezichten had gezien op het moment dat ze erachter zouden komen. Maar ja, ik ben doorgereden, want in een roman van John Irving is zoiets het geniale begin van een weergaloos verhaal over een onwaarschijnlijke maar eeuwige liefde, maar in mijn leven draait het vast en zeker uit op een arrestatie, ontslag en een sneu bestaan tot aan mijn eenzame dood in een caravan ergens op het erf van een uiteengevallen commune in Oost Groningen.
Ja, op de fiets kom je nog eens ergens, ook in je hoofd.
Wat me op mijn laatste ‘ontmoeting’ brengt, met een ander raadselachtig ‘verkeersbord’, dat vlakbij mijn huis staat, langs het water bij het bruggetje van Oog in Al naar de Munt.
‘Strijk zeilwerk’ staat erop.
Ja, raadselachtig is het eigenlijk niet, want ik weet heus wel wat ermee wordt bedoeld, maar dat is niet leuk. Dus telkens als ik het lees, zie ik de mensen op een boot snel de zeilen laten zakken terwijl anderen de strijkplank en -bout uit de kajuit halen opdat ze dan met z’n allen in de weer te gaan kunnen om al die vierkante meters gekreukte stof weer netjes glad te krijgen. En dat dan allemaal omdat wij in Utrecht het varen graag een beetje sjiek houden.
Ja, dat vind ik dan hilarisch.
Ik hoop u ook.

Vakantie

Op de Lekdijk bij Lexmond moest ik wachten op een kudde koeien die overstak van de boerderij naar de wei in de uiterwaard. Nu staan racefietsers erom bekend dat ze altijd haast hebben, en meestal vind ik ieder oponthoud inderdaad nogal irritant, maar zo’n optocht kuierend vee brengt je op andere gedachten. Dwíngt je tot andere gedachten, want regelmatig blijft een van de beesten staan om je eens nauwkeurig te bekijken, met een soort onverholen minachting die je van zo’n dier niet verwacht en die je dan ook volslagen uit evenwicht brengt, want je bent niet op zondagmorgen in alle vroegte van huis vertrokken om je ten overstaan van 83 koeien opeens zo futiel te voelen als een stofje in het zonlicht.
Of zoiets.
Waarom ik wel was vertrokken, wist ik niet meer. Dat wil zeggen, ik kon geen goede reden bedenken. Behalve dan dat ik graag heel hard over dijken fiets, maakt me niet uit waarheen.
‘Doe je dat iedere dag?’ vroeg ik aan de jongen die her en der een koe op haar rug klopte en bemoedigend toesprak (‘Goed zo, loop maar door!’).
‘Nee, want ik werk alleen op zondag,’ antwoordde hij.
Goed antwoord!
Nog een vraag: ‘Maar gebeurt het wel iedere dag?’
’Ja, het gebeurt wel iedere dag. ’s morgens gaan ze naar de wei en ‘s avonds weer terug naar huis, om gemolken te worden.’ Hij wees naar een weitje achter de boerderij. ‘En daar slapen ze.’
Veel gedoe en toch saai, wilde ik denken, cynisch als ik ben, maar ik was nog maar kort daarvoor door een zwartbonte Holstein klein gestaard tot iets wat mensen gedachteloos van hun revers vegen, dus ik verdrong het. Bovendien lachte de jongen alsof het allemaal de vondst van de eeuw was.
Ja, de vorige eeuw, dacht ik… toch nog (het is een ziekte).
De kudde was overgestoken en de laatste koe keek nog even om. Nee, jij met je racefiets, zag je haar denken, om zeven uur het huis uit, zo snel mogelijk het halve land door fietsen en dan weer naar huis… dat is zeker geen gedoe? En niet saai?
‘Nee,’ zei ik (ja, hardop!), ‘dat is vakantie.’
‘Nou, veel plezier dan maar!’ zei de jongen.

Verdwalen

Annatunnel

De oude man had zijn half vergane oranje grote-mensen-driewieler voor de behangpapierwinkel van Priem in Gent geparkeerd en was op een zwarte kist ernaast gaan zitten. Van ver leek het alsof hij op een troon zat. Een beetje zoals Solomon Burke vroeger, op een zetel. Maar dichterbij bleef er van de vergelijking niets over, want de man was alles behalve majesteitelijk, zelfs niet op de schertsmanier van Burke. Hij droeg een bleek geruit houthakkershemd onder zijn vuile fleecejack, een donkerblauwe vettig glimmende trainingsbroek met opgerolde pijpen, en ongeveterde wit met zwarte Adidasschoenen (Run DMC!) aan zijn voeten, die hij als ankers voor hem op de kaseien had gezet. Daartussen lag een hoed met een steen erin.
Want hij speelde viool.
Met zijn ogen gesloten, roerloos, op zijn armen en handen na, die hij in alle rust hun gang liet gaan, misschien omdat hij niet anders kon, misschien omdat hij wist dat het wel goed zou komen.
Dat laatste was in ieder geval zo. Het kwam goed. Erg goed. Ik kan hier niet beschrijven hoe goed, maar neem dit als voorbeeld (en denk dan de keurige jongeman met zijn schoonzonenhaar even weg, want daar gaat het niet om).
Zo goed dus.
En mooi.
En wij mochten daarnaar luisteren.
Móésten daarnaar luisteren. Ons afwenden en verder lopen zou heiligschennis zijn. Geld geven eigenlijk ook. Die hoed lag er voor de vorm. Toen ik uiteindelijk naar voren durfde stappen om geld in zijn hoed te laten vallen, speelde hij gewoon door. Hij wist waarschijnlijk niet eens dat ik er was. Kon hem ook niets schelen. Hij speelde om te spelen. Niet voor geld, niet voor mij. Voor niemand. Voor zichzelf misschien.
De vrouw naast mij fluisterde: ‘Het is maar net welke afslagen je neemt in je leven. Ik bedoel, je hebt een god gegeven talent en dan zit je op een dag hier, óf je staat in een zwarte pandjesjas op het Vrijthof in Maastricht je zoveelste Weense wals te spelen’.
Ik dacht aan mijn eigen afslagen. Doodlopende wegen. Rotondes waar ik maar niet af wist te komen. Ja, een versleten metafoor, maar ik was de vorige dag vanuit Utrecht komen fietsen, onderweg hopeloos verdwaald in Antwerpen, om ten slotte in ware doodsverachting langs één rechte lijn naar Gent te rijden over een bizar smal fietspad op het asfalt van een vierbaans provinciale weg, dus de vergelijking tussen levensloop en de weg zoeken was moeilijk te ontwijken.
Mijn conclusie daarna was dat elke weg die je niet zelf gekozen hebt klote is. Da’s niet zo’n heel geweldig inzicht, laat staan een houdbare stelling, maar ik neem haar niet terug. De tegengestelde bewering is niet veel briljanter, maar ook die schrijf ik ook op, om verder te vertellen over de violist: iedere zelfgekozen weg brengt je dichter bij het geluk. (Kan zo op een tegeltje. En daar dan een foto van op LinkedIn. Ga ik niet doen.)
En de violist leek me eigenlijk volstrekt gelukkig. Bij nader inzien. Ik (en de vrouw misschien ook) was er vanuit gegaan dat de man ergens een afslag gemist had, of een verkeerde had genomen, maar dat was helemaal niet zo. Eindeloos dezelfde Weense walsen spelen wilde hij niet, maar iets anders wat de meeste mensen met god gegeven talenten (of enige andere) doen ook niet. Hij wilde viool spelen voor de behangpapierzaak van Priem in Gent, alleen te midden van publiek dat hij niet wilde zien.
Ik had zijn hele hoed vol met geld willen gooien als ik hem had mogen vragen waarom.
Of nee, hóé. Hóé hij dat voor elkaar had gekregen. Want opeens had ik het gevoel dat ik toch iets gemist had. Een geheim olifantenpaadje, of zoiets.
Dat komt ook weer door dat fietsen. Veel mensen mijmeren vaak: ‘ja, je verstand op nul en dan naar de einder, dan ben je helemaal weg’, maar dat is niet zo. Niks geen verstand op nul. Ja, dat gaat wel op een laag pitje, maar heel stiekem gewoon zijn eigen gang. In mijn geval op zoek naar herinneringen waarvan ik dacht dat ik ze had weggegooid. Dingen die ik vergeten wilde.
Op weg naar Gent waren er zeker tien boven water gekomen.
Ze gaan meestal over situaties die ik verkeerd aangepakt heb. Daar heb ik er nogal wat van. En telkens als mijn verstand zoiets dan weer treiterig voor me afspeelt, souffleert een stem in mijn hoofd – mijn verstandiger ik, waarschijnlijk – wat beter ware geweest.
Meestal is dat: ‘Nee! Niet doen!’
Daar had ik natuurlijk niks aan, ik wilde weten wat wél moest doen.
Maar goed, ik ging dat niet aan die man vragen.
Op de terugweg verdwaalde ik dus weer. En kwam ik geheel onbedoeld in de St. Annatunnel terecht, zakte via de mooiste roltrappen van de hele wereld 31 meter onder de grond, naar een grote buis van zowat een eeuw oud, alleen voor voetgangers en fietsers, die allemaal net als ik hun lol niet op konden, zo leuk was dit.
Een weg zonder afslagen.
Hm, die is te makkelijk.
Ik laat ’m toch staan.
Maar de stelling over wegen die je niet zelf gekozen hebt, neem ik terug. Die zijn niet allemáál klote.

De vliegende Forens

vliegende-trein

In de trein van Boxtel naar Deurne stapte kort voor vertrek een man de coupé binnen die ons allemaal goedemorgen wenste en daarna meteen uitlegde in wat voor een nare situatie hij zich bevond: defecte ov-chipkaart, portemonnee thuis laten liggen, en een familiegeval in Bakel waar hij onmiddellijk heen moest.
Als nou iedereen hem wat geld gaf, dan kon hij gezwind een los kaartje aanschaffen en afreizen. In de stilte die volgde omdat wij dit alles overdachten, bekende hij openhartig dat hij iedere dag met deze trein heen en weer reisde. Waarom dat was, en waarom hij dat vertelde, liet hij aan onze fantasie over.
Moet je net mij hebben.
Ik zal eerlijk zijn, ik vond dat de man er niet als een forens uitzag. Vraag me niet hoe zulke mensen er dan wel uitzien. Het beeld dat ik van hen heb is schimmig, maar als iemand daar niet aan voldoet, voel ik dat meteen. Maar wie ben ik, dus stel dat hij dat toch deed, forensen bedoel ik, waarom dan? Alweer, om nogal vage redenen zag hem niet dagelijks naar een vaste betrekking gaan. Dus hij reisde om iets anders heen en weer.
Dat ‘heen en weer’ hield mij wel bezig, eigenlijk. Dat kwam opeens uitzichtloos op me over, alsof een moderne versie van de Vliegende Hollander was, maar dan voor straf met zijn ziel onder zijn arm op een trein in plaats van op een schip en zwervend op het traject Boxtel-Deurne – kan dat, zwerven op een traject? – in plaats van over de wilde wateren bij Kaap de Goede Hoop.
Maar dus wel zoals in de sage op zoek naar echte liefde.
Eh… ik laat het verhaal over de Vliegende Hollander even zitten. De kern is: onnadenkende kapitein sluit deal met de duivel om snel die kaap te ronden, en moet de rest van zijn leven blijven varen, mag slechts eens in de zeven jaar aan wal om een vrouw te vinden die hem onvoorwaardelijk liefheeft en zodoende van zijn vloek verlost.
Wel ja, iemand die eeuwig van hem houdt.
Die familiekwestie van de man uit Deurne zag ik opeens in een heel ander licht. Hij zat gevangen op het spoor tot een vrouw hem in haar hart zou sluiten! En om het voor ons niet al te erg te maken nam hij zijn toevlucht tot eufemismen.
Een familiegeval, duh!
Hij was eigenlijk nog erger gestraft dan zijn legendarische lotgenoot. Hij moest niet alleen zwerven tot hij de liefde had gevonden, maar ook nog eens bedelen om reisgeld. Hoe cynisch is dat!?
Ja, mensen, met de duivel valt niet te dollen.
Intussen kreeg de hele situatie dus wel universele en tijdloze dimensies. En mijn reisgenoten zaten nog steeds verlegen en onwetend in hun mobieltjes te staren in de hoop dat de Vliegende Forens onverrichter zake zou vertrekken.
Ik besloot hem te helpen (je werkt bij de reclassering of niet) en ging naast hem staan om voor iedereen de diepere betekenis van dit alles uit de doeken te doen.
Dat werkte. De een na de ander keek op en velen staarden mij begripvol aan. Een warm medeleven vulde de ruimte. De man om wie het allemaal ging rilde en wierp een onrustige blik naar buiten, waar de conducteur in beeld verscheen, en staarde wanhopig naar de passagiers, die wel geroerd maar niet vrijgevig bleken. Romantiek en financiën, da’s geen fijne combinatie. Hij wendde zich nijdig naar mij.
‘Zo, professor, volgens mij ga jij dus effe schuiven!’ siste hij. Buiten tuurde de conducteur langs de trein om te zien of we veilig konden vertrekken. ‘Nou?!’
Goed, het kostte een paar centen, maar daarna was ik tot aan Deurne de held van de coupé.
Eh…laat die frase even tot u doordringen: ‘tot aan Deurne de held van de coupé’, sneuer kan niet. Wat voor een leven leid ik eigenlijk?
Uhmm… Hoe dan ook, het was echt ontroerend dat ik de bedelaar zo had geholpen, vond iedereen. En een mevrouw die het niet helemaal had begrepen, zei dat zij dan wel met mij wilde trouwen, want je hele leven op zo’n trein dolen, dat was ook niks, vond ze.
Dat aanbod sloeg ik af.
Zo sneu was het nou ook weer niet.

Naar Almelo

Livingstone1

Ik moest naar Almelo.
Dat is heel ver weg.
Voor iemand als ik.
Had ik al eens verteld dat ik niet van reizen hou?
Naar Almelo, dat is dus een reis.
Ja, lach maar.
Ik moest ook nog met een mevrouw van een onderzoeksbureau iets doornemen, dus we spraken af dat we elkaar op het station zouden ontmoeten, bij de Starbucks om precies te zijn, en dan, nog preciezerder, dus de Starbucks die het dichtst bij het jaarbeursplein ligt, om de hoek van spoor 21.
Ik geef deze inleiding om aan te tonen dat thuisblijven meestal het verstandigst is. Let maar op, alles gaat mis. Heen en weer fietsen naar de supermarkt of een winkel in de stad, dat is echt avontuurlijk genoeg. Verder weg, dat is gedoe; allemaal rituelen en dwangneurosen. En die dan altijd tevergeefs.
Het is een ziekte.
Maar goed, een mens moet de deur wel eens uit. Ik ook. Dus op een gegeven moment stond ik bepakt en bezakt en gehoed beneden bij de voordeur… om dus opeens te niet zeker te weten of ik alle ramen goed had gesloten. Sommige mensen gaan dan in gedachten hun handelingen na en concluderen dat alles in orde is. Anderen halen hun schouders op, mompelen ‘het zal wel’, en vertrekken.
Eek!
Ik kan dat niet. Ik moest dus terug naar boven. In haast. Want hoewel ik ruim de tijd had genomen, ik ken mijzelf, begon inmiddels toch de tijd te dringen. God mag weten hoe ik die telkens weer vermors.
Alles was natuurlijk gewoon dicht en het gas was uit, de achterdeur op slot, en ik hoefde helemaal niet te plassen. Maar toen ik weer beneden stond, voelde ik opeens een kou op mijn kop en besefte ik dat ik mijn hoed in de wc had laten hangen. Want ja, van al dat gejaag had ik het warm gekregen en om nou met dat ding op mijn kop dáár te gaan zitten… dat vind ik raar. Ja, ook als ik helemaal alleen in mijn eigen huis en onzichtbaar voor alle andere mensen ben. Daar heeft Sartre hele ingewikkelde dingen over geschreven die ik hier niet kan reproduceren en ook niet ga opzoeken. Cruciaal citaat is: ‘De hel, dat zijn de anderen.’ Ook als ze in geen velden of wegen te bekennen zijn. Onthou dat. Of nee, doe maar niet, dat maakt uw leven een stuk draaglijker.
Ik rende naar boven voor mijn hoed, om teruggaans mijn kuitspier of weet ik veel wat te scheuren toen ik overmoedig van halverwege de trap naar beneden op de grond sprong.
Viel.
Dat heb ik weer. Toch maar naar het station gestrompeld. Ja, fietsen gaat sneller, maar de tijd die ik daarmee win verlies ik vervolgens in de megalomane stalling van het station. Het zal wel aan mij liggen, maar iedere keer als ik daar kom, zijn er alleen maar plaatsen in die pesterige bovenrekken.
Had ik al eens gezegd dat ik nogal klein ben? Ik zou een lange verhandeling kunnen schrijven over de trauma’s die ik daarvan heb, vooral romantische, maar dat doe ik niet, want dit blog moet voor u ook een beetje leuk blijven. Weet in ieder geval dat mijn lengte me sinds mijn eerste verkering achtervolgt, alle mooie gedachten over innerlijke schoonheid ten spijt. Een goed hart en een groot verstand, daar heb je niks aan als je voortdurend naar boven moet kijken en de ander naar beneden.
Eh… Ik ging dus lopen.
Trekkebenen.
In de Starbucks probeerden een groep ouden van dagen wijs te worden uit het menu. En ik dacht dat ík ontheemd was (‘Koffie?’ riep het meisje achter de balie panisch uit. De mens is een raadsel.)
Groene schoenen. Aan de telefoon had de vrouw van het onderzoeksbureau gezegd dat ze die zou dragen. En ik had gezegd dat ik een hoed had.
Groene schoenen bleken nogal in de mode. In zes minuten tijd kwamen er acht vrouwen (en een man die zijn midlifecrisis bezwoer) met groene schoenen langs. En ik moest die ene hebben die op zoek naar een hoed was. Ik zal niet uitweiden over de misverstanden die ik veroorzaakte bij de vrouwen die ik hoopvol aansprak nadat ik eerst naar hun schoenen had gestaard (want je hebt groen en groen, en sommige zaten
net tegen turquoise aan, heus waar).
Zoiets is dan min of meer verdacht en ik weet niet wat ik daar aan kan doen. Maak het alleen maar erger.
Toen ik haar eindelijk dacht te zien, was ik te laat. Ze liep al zo’n beetje het station uit, bedaard maar gehaast, in een soort zwembadpas (ik leg dat niet uit) achter een hipster met een strogeel vakantiehoedje aan.
Nou ja!
Ook als ik géén gescheurde weetikveel had gehad, was ik blijven staan. Een hoed is een hoed. Geen raffia vogelverschrikkersding. Dat ze me kennelijk aan de telefoon voor zesentwintig versleten had (en 1,87 meter!), was vleiend, maar maakte het niet goed.
Dus ik liet haar gaan. Het was trouwens toch al te laat om nog te overleggen. Ik moest naar de trein.
(Later vernam ik – vraag me niet hoe – dat ze die jongen met zijn hoedje vertwijfeld aangesproken had – dat is dan weer niet verdacht – en dat hij haar natuurlijk had moeten teleurstellen, of nou ja, dat viel wel mee, want omdat ze net als ik geconcludeerd had dat wíj elkaar niet meer zouden treffen, en die conclusie met een nog vertwijfeldere zucht voor zich uit gepreveld had, had hij haar ter troost, op een kopje thee getrakteerd, en later, omdat het toch al een eind in de middag was, op een glas wijn, dit alles terwijl ze samen van het ene vrolijke onderwerp in het andere tuimelden, en ten slotte, moe van het lachen en in elkaars glanzende ogen kijken, naar zijn huis waren vertrokken om daar in elkaars armen op de bank in slaap te vallen).
Intussen was ík in Almelo ingehinkt. Op mijn bestemming aangekomen moest ik aan iedereen uitleggen hoe ik in hemelsnaam zo ver van huis verzeild was geraakt en hen toch had weten te vinden (mijn reputatie neemt altijd een trein eerder).
Wel ja. Één uur en twintig minuten over het spoor en ik was al even legendarisch als Livingstone.
Hoewel die langer was.
En geen zenuwlijder.
Denk ik.
Want dan word je geen ontdekkingsreiziger, dunkt mij.

The Old Black Horse Inn

OBH

De pub was volgepakt met luidruchtig drinkende twintigers die voor een tv zaten,  zo groot als biljarttafel, maar dan dus op zijn kant als het ware, sterker nog, dat was het eerste dat ik dacht te zien, een biljarttafel zonder poten tegen de muur geplakt, nogal vreemd, maar niet vreemder dan de hele situatie waarin ik terecht was gekomen, waarover later meer; het was trouwens een voetbalwedstrijd, op die tv, ook groen, dus zo raar was mijn associatie niet.
Goed, voor die reusachtige tv dus een kleine menigte Mancunians of Gunners of wat voor een koosnamen die voetbalfans ook hebben, ik had geen tijd, laat staan de rust om ook nog eens te checken wie er tegen wie speelden, en daaromheen zaten vijf of zes, ik heb ze niet geteld, op hun barkruk ingedutte oude mannen die om het allemaal nog spannender te maken daar telkens bijna vanaf vielen en dan precies op tijd wakker schrokken om enigszins besmuikt hun evenwicht te herstellen en mee te juichen of joelen, al naar gelang de algemene stemming. Het leek op zo’n act met bordjes op van die wiebelige dunne stokken, maar dan met een of andere  variété-engel als jongleur, die ergens tussen hemel en aarde vilein zijn act stond te oefenen.
Het meisje achter de toog had blauw haar.
Dit had ik allemaal niet verwacht. De pub niet, de drinkende voetbalfans niet, de suffende oudjes niet, het meisje niet.
Haar blauwe haar daarentegen stelde me wel gerust. Mooie kleur. Zeker temidden van de verder volstrekt grauwe en donkere, om niet te zeggen duistere kroeg.
Dat is-ie in mijn herinnering tenminste.
Maar ja, in zulke situaties is mijn geheugen niet zo heel erg goed. Want toen ik daar stond en me heel sneu en eenzaam aan het blauwe haar van dat meisje vastklampte (ja, figuurlijk, ik zeg het maar even, het was allemaal al bizar genoeg) zou ik gezworen hebben dat The Old Black Horse Inn op de foto’s die ik op internet bekeken had een aller schattigste kruising was van het geboortehuis van miss Marple (ik leg niet uit wie dat is) en een eftelingattractie.
Een echt Engels hotel.
The Old Black Horse Inn, hoe Brits wil een mens het hebben?
Dat old klopte. Zo’n beetje alles was oud. Behalve dan het meisje achter de bar dan, dat eruit zag als dertien. Misschien was ik verkeerd? Moest ik bij The New Black Horse Inn zijn? Zo’n stijf en statig, geheel uit dik tapijt en veloers gordijnen opgetrokken paleis met overal glimmende lakeien en een heuze receptie met mahoniehouten balie waarachter een bijna hooghartige matrone (een vrouw, drie en een half keer zo oud als het meisje) kamers toewijst alsof het haar eigen persoonlijke en hele creatieve ingeving is.
‘Hi there, how are you today?’ vroeg het meisje. Die vraag snap ik nooit. Dat wil zeggen, ik heb dan altijd de neiging om uit te gaan leggen hoe ik me die dag voel, maar da’s niet de bedoeling geloof ik, want als ik dat doe, krijg ik altijd glazige blikken terug.
Vraag het dan niet, wil ik dan zeggen, maar hoe dat beleefd pissig in het Engels moet, weet ik niet.
Dus ik zei: ‘I’ve booked a room here.’
Wat u niet kunt horen is de vertwijfeling in mijn stem. Het leek me nog steeds sterk dat ze in The Old Black Horse Inn kamers verhuurden. Maar het meisje knikte en vroeg me mijn naam. Tóén schrok ze. Ze herhaalde wat ik zei alsof het een vloek was, of nee, alsof ik ‘hij-die-niet-genoemd-mag-worden’ in hoogst eigen persoon was, en ging hulp halen.
Dat was een jongen die een formulier had waarop mijn naam stond, inclusief enkele beloften die ik moest doen en een stippellijntje om mijn handtekening op te zetten.
Ik tekende zonder iets te lezen of vragen te stellen, veel gekker kon het niet worden, leek me, en daarna brachten ze me samen naar mijn kamer.
Ho, dat klinkt gezelliger dan het was. Vergeet dat.
Het meisje bleek nieuw en de jongen verzon ad hoc een training on the job: zij moest alles doen en zeggen terwijl hij haar zou coachen en soufleren.
Wat ík moest doen, zei hij niet. Gewoon wat alle gasten doen, dacht ik dan maar, maar lieve help, gewoon was inmiddels het laatste wat in mij opkwam. Mijn leven zou sowieso heel anders zijn geweest en gelopen als ik meteen vanaf het begin had begrepen wat gewoon was. Zie mijn andere blogs.
Eh…
We gingen met zijn drieën door een deur naast de bar om uit te komen in een smal gangetje dat naar een al even smalle trap leidde. Daar kwam de jongen erachter dat we in de verkeerde volgorde liepen. Hij voorop, ik in het midden en het meisje achteraan, dat moest natuurlijk precies andersom.
Bovendien had hij de sleutel in zijn hand en dat was ook de bedoeling niet. Hij gaf hem aan mij, zonder te zeggen dat ik hem aan het meisje moest geven, want hij was veel te druk om haar met gebaren en gefluisterde aanwijzingen naar de kop van onze kleine optocht te dirigeren. Toen dat stukje bij beetje tot haar doordrong, overlaadde hij mij met een serie nauwelijks te aanvaarden verontschuldigingen (hoe doen ze dat daar toch, excuses maken waar jíj je dan vervolgens schuldig over voelt?) terwijl hij voor mij langs ging op weg naar het meisje dat op haar beurt aan de andere kant van mij naar voren toog.
Als u met mij wil medeleven, neem dan in gedachten dat híj mijn koffer droeg en zíj mijn tas en dat het trappetje dus erg smal was. Er pasten nog net een paar nieuwe excuses bij.
‘We’re going to the first floor, room two,’ zei de jongen toen we goed stonden. Het meisje keek panisch in het rond. Door al het gedoe was ze vergeten dat de eerste verdieping naar boven was. Ze botste tegen me op toen ze weer terug wilde, nee, stommelde in mijn armen.
Synchroonblozen, is dat een woord?
Doet er niet toe, we deden het.
Heel erg.
Toen ik me weer kon bewegen, wees ik naar een deur tegenover de trap, waar een grote 2 op was geschilderd. Ze glimlachte.
Wij erheen.
Nadat we er een paar tellen stil hadden getsaan, zei de jongen: ‘Now you open the door.’
Sleutel kwijt!
Ja, die had ik in mijn hand, maar dat waren we alle drie vergeten.
Ik sla het verslag van de uitgebreide en hilarische zoektocht naar dat ding over. Ons gezamenlijk lachen daarna ook.
Deerniswekkend was het enige woord dat in me opkwam toen ik tien minuten later op de rand van het bed ging zitten.
En opzij zakte.
En mijn ogen sloot om niet gek te worden van de stotterende tl-buis.
En naar het gedruppel van de douche luisterde.
En in slaap viel.

Op reis (4) – Odd one out

tang1

‘He’s fifty-one, goin’ on fifty-two. It’s not like we’re talking about some boy of eighteen,’ zei de ene man tegen de andere. Die liet de mededeling even tot zich doordringen en gaf daarna toe dat zoiets wel uitmaakte.
Fifty-one of eighteen.
De vrouw tegenover hen knikte. ’There áre women, but they’re all comin’ and goin’, none staying.’
De vrouw naast haar snoof, alsof ze daar een paar gevallen van kende. ’So what do you think it is, then?’ vroeg ze.
‘Fear. I think he’s afraid to commit himself.’
Nu knikten ze allemaal. Dat was het. Ze lieten nog een paar van zijn eigenaardigheden de revue passeren om het beeld compleet te maken. Zo at hij al jaren lang alleen maar mosterd op zijn boterhammen en droeg hij nooit sokken in zijn schoenen (in zijn laarzen – Wellies – dan weer wel). Daarna was het wel duidelijk.
Rare snoeshaan.
Case closed.
Hm.
Twee echtparen op leeftijd die hun wederzijdse kennissen de revue lieten passeren. Een soap, maar dan echt en zonder ingewikkelde plots of elkaar kruisende verhaallijnen.
Heerlijk.
Ook hun analyses waren geweldig. Allemaal, zoals hierboven, benijdenswaardig kort en volstrekt zonder nuanceringen, wat ongeveer hetzelfde is. Ze hadden overigens wel alle vier met de ouders van de eenenvijftig-jarige te doen, want kleinkinderen waren juist voor hén wel leuk geweest (wat nogal onheilspellend klonk, vooral ook omdat ze er verder niet over uitwijdden).
Dit alles in William IV, een pub in Guildford, Surrey. Zo’n café waar sinds 1956 niemand meer iets aan gedaan heeft en waar ook in de komende zestig jaar niemand veel aan zal gaan doen. Dat is meestal erg deprimerend, of laat ik voor mijzelf spreken, ik hou zulke etablissementen maar een kwartiertje vol, daarna grijpt het verval me naar de keel, maar in dit geval viel het mee. De verhalen van de twee koppels leidden af, en ook dat de twee kokkinnen hard met de radio meezongen maakte alles draaglijk, ofschoon we soms opeens dachten dat ze ruzie aan het maken waren.
Alleen de ingelijste verzameling van negen levensechte tandartstangen (rond een roze briefje met een kindertekening van een sneeuwpop) aan de muur verontrustte ons, of nou ja, verontrustte… intigreerde is misschien een beter woord.
Ik bedoel, hoe komt iemand ertoe om zo’n collectie als versiering op te hangen?
Kijk, dat je zwart-wit-foto’s uit oude magazines knipt en die één voor één inlijst omdat je iets leuks aan de muur wilt hebben, snapten we. Hetzelfde geldt voor de twee-en-een-halve meter lange loper; als je er maar één hebt, blíjf je twijfelen over op welke tafel dat ding moet. Dus dan maar aan de wand. Stofzuigen is dan wel een beetje onhandig, maar aan de andere kant, niemand morst er iets op, dus zo vaak hoeft dat ook weer niet. Ook het grote schilderij van een jachttafereel vonden we wel logisch. We verbaasden ons er al na een half uur wandelen over dat we nog niet overlopen waren door een field of hounds en een gezelschap toeterende jagers op galopperende paarden. Dat tijdverdrijf zit daar aan het landschap vast en leeft nog hevig onder de mensen. Ook binnenshuis en in kroegen.
Goed, ik weersta nu de neiging om een opsomming te geven van alle dingen die aan de wanden hingen en op scheve kasten stonden om de zaak op te leuken. Ik noem slechts de enorme porseleinen forel die met zijn staart of hoe heet dat bij vissen op een boomstronk balanceerde als een turnster op de balk (zie je niet vaak in het echt, zo’n vis), de drie gedeukte tinnen drinkbekers (waarvan er twee een deksel hadden en één niet), de spiegel met een bouwtekening van een velocipede erop die zó hoog hing (de spiegel) dat zelfs een flinke basketballer er zijn haren niet in kon kammen, en een opgezet varkentje, roze en zwart gevlekt, met zo’n hoedje op dat Britse slagers wel eens dragen.
En dus die tangen.
Negen.
Rond een tekeningetje van een sneeuwpop.
Hoezo dat? De verklaringen die we voor de tangen verzonnen, sneden wel hout, zo lang we het tekeningetje buiten beschouwing lieten. En andersom. Eén verhaal voor het geheel – tangen én tekening – vonden we niet.
Het was een duidelijk geval van odd one out.
Net als die man met zijn bindingsangst.
Intrigerende vent.
Ja, want hoewel de oudjes echt voor fijn vermaak hadden gezorgd, zou ik ze nu alle vier weer vergeten zijn, inclusief de hele parade van hun vrienden en bekenden, als die man niet bij hen over de tong was gegaan.
Díé bleef me bij.
Zo was het ook met de tangen en het tekeningetje. Ik zou de complete menagerie van rariteiten in de pub al lang weer kwijt zijn als die er niet tussen hadden gehangen.
En dan had ik ook dit blog niet geschreven.

Reizen (2). Op de boot

zee
Op de boot van Calais naar Dover leef je in een tussenwereld. Ja, nogal wiedes, want het is een veer. Van het vaste naar een eiland. Maar ook tussen thuis en elders. In de anderhalf uur op zee kom je vanzelf in een of andere contemplatieve staat terecht waardoor je voor je het weet de balans van je reis opmaakt en als je niet uitkijkt ook die van je leven.
Welja.
Het is een soort nieuwjaar, maar dan in de ruimte in plaats van in de tijd. Niet een moment, maar een punt om stil te staan. Ja, een hele lange punt. Een lijn. Hm, u begrijpt wel wat ik bedoel.
De zee helpt dan ook om alles eens lekker te overdenken. Die is waar je ook kijkt hetzelfde, zodat er geen verschil is tussen om- en vooruitzien, waardoor ook alles opeens nogal futiel lijkt. En al dat water zet je aan het denken. Dat golft en klotst alsof het niets is. Om te benijden. Gewoon maar één ding doen. Of eh… twee dingen dus. Golven en klotsen. Ook nog te overzien.
Lijkt me wel wat.
Het is in ieder geval beter dan je anderhalf uur lang afvragen of je de auto op slot hebt gedaan of niet, en alle scenario’s die daar het gevolg van kunnen zijn bedenken en uitwerken.
Ja, dat doe ik dan tot ik gek van mezelf wordt. Iedere keer weer, en iedere keer zeg ik tegen mezelf dat ik beter op moet letten. Komt niet meer goed in dit leven.
Daar had de enorme Afrikaan naast mij geen last van. Na twee verveelde selfies met zijn vrouw was hij in slaap gevallen met een boek op zijn kruis.
Hoe mensen dat voor elkaar krijgen, slapen in het bijzijn van vreemden, dat begrijp ik niet. Ik vind slapen, op seks na, zo’n beetje het intiemste wat er bestaat en daar hoef ik dus geen mensen bij die ik niet ken. Laat staan een hele boot vol.
Had die man dus ook geen last van. Hij was al snel behaaglijk aan het snurken en maakte een diep sonoor geluid dat prachtig mengde met het amechtig brommen van de scheepsmotoren.
Het was van een wonderlijke schoonheid, waar hij natuurlijk zelf geen weet van had, en zijn vrouw ook niet, want die was op de bank naast zijn stoel al even diep in slaap. Ze voegde haar eigen geluiden toe. Ik overwoog even om hen op te nemen, want hoe vaak hoor je zoiets moois, en het zou een leuke aanvulling op hun selfies zijn, maar ik wist zo gauw niet hoe ik aan hen in het Engels moest uitleggen wat ik dan gedaan had en zag gebeuren dat ze mijn enthousiasme verkeerd begrepen en me geschokt zouden aangeven bij een veiligheidsbeambte met zo’n lichtgevend gilet aan.
Iedereen heeft tegenwoordig een lichtgevend gilet aan, trouwens.
Zo’n gifgroen hesje.
Ook gewone mensen. Iedereen die gezien wil/moet worden.
Schijnveiligheid.
Pun intended. Ja, als ik een grap zie, maak ik hem. Ook een slechte. Sorry.
De getatoueerde mannen verderop lachten. Wat ik dan wel waardeerde ook al wist ik wel beter. Ze dronken en dan is er altijd wel wat te lachen. Ja, terwijl ik braaf mijn meegenomen boterhammen met kaas opat met een kopje koffie erbij, zaten zij in hun mouwloze t-shirts (waar kun je die dingen nog kopen?) aan een tafeltje vol met pints of lager gezellig met elkaar over van alles en nog wat op te scheppen. Zo zag het eruit teminste. Alsof ze elkaar sterke verhalen vertelden en alles onvoorwaardelijk geloofden.
O, hoe geweldig is dat? Gewoon alles van elkaar aannemen?
Ja, ik wist dat natuurlijk niet zeker, want verstond er niks van, maar ze wisselden geen breipatronen uit, dat was wel duidelijk. Daar kun je echt niet zo hard om lachen. Dronken of niet.
De jongen die hun om de zoveel tijd nieuw bier kwam brengen lachte telkens mee, maar dan een beetje angstig alsof hij bang was dat het niet mocht, wat dan wel weer droevig was, ondanks dat al die bulderende mannen hem ruw maar liefdevol op zijn rug sloegen, vooral omdat hij veel te grote werkkleding droeg, een ontzaglijk wit overhemd dat hij in zijn even ontzaglijke bandplooibroek had gepropt en dat bij iedere klap tussen zijn schouders opbolde als iets dat naar adem hapte.
Zulke dingen zouden verboden moeten zijn.
Zulke dingen.
Ik bedoel dingen waar ik treurig van word.
Zoals bootreizen die een soort oud en nieuw zijn.
Toen ik van de boot reed had de radio zelf een andere zender gezocht en er kwam een viool stukje bij beetje uit het geruis te voorschijn.
Toeval bestaat niet: Bach. Partita no. 2. Chaconne.
Dat is troost.
Altijd.
Waar je ook bent.

Op reis (1). In de auto

scarlett

Ik weet niet hoe het u vergaat met zo’n mevrouw van de routebeschrijving, maar ik praat terug. Niet dat ze iets vraagt, of überhaupt enige reactie verwacht.
Ik doe het toch, kan het niet helpen. Hoe toonloos ze alles ook opdreunt, ik ga op zoek naar wat ze bedoelt, om daar dan een antwoord op te geven. Meestal een gevat antwoord, maar soms ook heel serieus. Ze zet me aan het denken.
Ja, zielig.
Nog zieliger is het dat ik op een gegegeven moment denk haar een beetje beter te kennen. Een soort Her maar dan dus nog sneuer, want in Her was er tenmiste nog sprake van een soort wederzijdse betrekking.
Hm. Dat is eigenlijk wel een interessante bewering. Is dat wederzijdse belangrijk? Waag ik te betwijfelen, met een volleybal kan het ook, zie Cast Away, en die praat niet terug. Samantha uit Her wel, als het ware. Niet echt, maar dat beseft die man niet. Het is gewoon een mevrouw uit een routebeschrijving die kan leren. En hij trapt daar in. De schokkendste scène uit de film is die waarin zij hem bekent dat ze ook op een ander is. Op 641 anderen om precies te zijn.
Je kunt leren of niet.
Kort tussentijds resumé: mannen die alleen zijn klampen zich aan van alles vast om dat niet te zijn.
Eh…
Als we van het ene land naar het andere gaan, zegt de mevrouw van de routebeschrijving heel afgemeten: ‘U heeft de grens overschreden’. Alsof ik ongewenst intiem ben geweest. Moet er niet aan denken. Er zijn grenzen aan mijn fantasie. En mijn zieligheid.
Toch schrik ik dan van haar toon. Hoe bizar is dat?
Ik praat trouwens ook tegen de radio. Maar de mensen die daarop komen, die vragen dan ook wel erg veel. Vooral in de reclames. ’Bent u op zoek naar …? en dan volgt er iets. Goedkope tuinmeubelen, een ‘job uit duizend’ (da’s Vlaams), hoge inruilkorting voor je oude tv, een avondje plezier voor twee…
Daar geef ik dan eerlijk antwoord op. We moeten per slot van rekening samen helemaal naar Engeland.
Alhoewel, in vacatureadvertenties in de krant staan ook altijd vragen en die behandel ik ook altijd heel integer. Zo ben ik nu eenmaal. Als ik de krant uit heb, gaat-ie bij het oud papier, dus het is een vluchtige relatie, maar ik maak het niet uit voordat dat ik netjes alle vragen heb beantwoord.
‘Bent u onze nieuwe beheerder natte infrastructuur?’
’Nee.’ (Dat zeg ik dan hardop).
Ik weet niet eens wat dat is, ‘beheerder natte infrastructuur’. Zie mijzelf dan de hele dag met kaplaarzen aan dingen regelen ergens op een brug of kade. Niks voor mij.
Dus: ‘Nee.’
En nee op alle andere inpertinente vragen. ‘Ben jij een enthousiaste zorgmanager met affiniteit naar ouderen?’
‘Eek!’
Nu ik toch aan het bekennen ben… ik praat ook tegen de chauffeurs (m/v) in andere auto’s. Die horen me niet. Gelukkig maar. Want dan ben ik wel eens intiem. Al dan niet gewenst, dat blijft lekker vaag.
En met de auto zelf voer ik ook gesprekken. Meestal als-ie iets doet wat ik niet begrijp. Dat is zo’n beetje alles. Ik denk niet dat ik nog ooit in mijn leven zal vatten dat ík de baas ben van ons twee. Zo’n wagen leidt een eigen leven en ik hoor daar niet in thuis. Dat stelt me dan wel weer gerust, want je zal toch goed kunnen opschieten met je auto.
Da’s pas zielig. Of eng. Zie Christine
Hoe dan ook, een reis is best wel even een dingetje als je bang bent voor auto’s en autorijden. En als verdwalen een van je basiscompetenties is. Terwijl je absurd genoeg niet tegen vreemde omgevingen en veranderende situaties kunt. En andere mensen niet begrijpt in vreemde omgevingen en/of veranderde situaties. En…
Eh…
Ik zie wel een gat in de markt. Een routebeschrijfster die niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk de weg wijst, die de chauffeur ook coacht, af en toe motiverend toespreekt, complimentjes geeft.
Troost.
Zou Scarlett Johansson daar iets voor voelen?