Categorie archief: Taal

Gunnen

Je hoort het tegenwoordig niet zoveel meer, ik in ieder geval niet, dat mensen een gesprek waarin iemand om één of andere reden over de tong gaat, beëindigen met de conclusie dat die persoon wél een hoge gunfactor heeft. Vaak is het eigenlijk geen conclusie, maar een verklaring voor het feit dat hij/zij/hen in weerwil van allerlei miskleunen maar kan blijven knoeien alsof het niks is.

Zo’n persoon is bijvoorbeeld mijnheer Versteegh, tweede nestkastcommissaris van het rayon Zutphen-West, die nog geen specht van een boomklever kan onderscheiden, maar desondanks wel heel vrolijk en enthousiast is, plezierig in de omgang, en vogels in het algemeen een enorm warm hart toedraagt.

In de vergadering over zijn functioneren zegt dan tenslotte iemand zoiets als: ‘maar hij heeft natuurlijk wel een hoge gunfactor’.

Dus hij blijft, met als gevolg dat er verkeerde vogelhuisjes aan de verkeerde bomen komen te hangen en de boomklevers (letterlijk) voor een dichte deur staan, wat spechten om voor de handliggende redenen juist heel erg leuk vinden, ik bedoel: heel erg leuk hadden gevonden, want zij op hun beurt zitten te kijken met hele rare hokjes, met een ingang aan de zijkant, waar ze echt geen snars van begrijpen.

En dat dus dankzij de gunfactor van mijnheer Versteegh. Hóge gunfactor, om precies te zijn. Waaruit ik trouwens altijd heb opgemaakt dat eigenlijk iedereen een gunfactor heeft, maar dat alleen de mensen met een hoge gunfactor het vermelden waard zijn. Wat natuurlijk wel logisch is, want prutsers met een lage gunfactor vliegen er meteen uit (no pun intended) en daar hebben we het niet meer over. En succesvollen hebben geen gunfactor nodig, want die hebben alles al. Of nou ja, bijna alles.

Ik ontwijk hier de vraag die ik mezelf zou kunnen stellen: heb ik een gunfactor, en zo ja, is die hoog of laag? Ik ben nooit te beroerd om kritisch naar mezelf te kijken, maar er zijn grenzen aan wat ik op een zondagmiddag aankan. Dus als u het goed vindt, verdring ik de vraag nog even.

Wat me brengt bij een recenter fenomeen, dat ook over gunnen gaat (en over verdringen). Het ligt in het verlengde van de gunfactor. Het is een soort kleineren met een omweg, maar dan nadát iemand finaal door de mand gevallen is. Na zo’n afgang zeggen de omstanders: ‘je zou hem/haar/hen gunnen dat…’ waarna een eigenschap of omstandigheid volgt die de persoon niet heeft maar die wel zou hebben geholpen in diens loopbaan, of die zelfs zou hebben voorkomen dat het zo ontluisterend afliep.

Stel dat meneer Versteeg geen hoge gunfactor had en dus zijn loopbaan als nestkastcommissaris roemloos had moeten eindigen, dan zouden mensen zeggen: ‘je zou hem gunnen dat hij het zelf gezien had’, of: ‘je zou hem gunnen dat iemand hem dat eerder had gezegd’.

Nu ik het zo opschrijf, vind ik het nogal schijnheilig. Eigenlijk. En laf. Al die omstanders die opeens doen alsof ze geen oordeel hebben/hadden. Nee, niemand heeft de ongelukkige mijnheer Versteegh het laatste zetje gegeven, de hele ontmaskering was welbeschouwd een onvermijdelijke lotsbeschikking.

Eh… dit blog wordt steeds grimmiger, geloof ik. Leest u vooral door, ik ga proberen er een draai aan te geven.

Met een hele bijdetijdse en fijne variant van gunnen, die niemand niks aangaat, maar alleen onszelf. Hoe leuk is dat!?

Heel erg leuk, want het is dé manier om iets te doen wat je eigenlijk niet wilt doen (om welke reden dan ook).

Laat ik mezelf als voorbeeld nemen, zodat u niet denkt dat ik de hele tijd op anderen (inclusief u) zit te vitten.

Ik ben dol op brownies. Maar mijn betere ik vindt dat niet goed, want veel te veel suiker en vet en noem maar op. Dus als ik ze toch eet, sterker nog als ik ze eerst zelf maak en dan ook nog eens zelf opeet, zeg ik: ‘dat gun ik mijzelf gewoon’.

Tegen niemand in het bijzonder en vooral tegen mijzelf.

Het is volgens mij een klassiek geval van cognitieve dissonantie reductie.

Eh…

Wat ik doe (brownie eten) komt niet overeen met hoe ik over mijzelf denk (weldenkende man die om zijn gezondheid geeft) en dus probeer ik dat recht te breien, in dit geval door van de brownie een geschenk te maken dat ik mezelf geef. Niks geen ongezonde suikers en vetten maar een prachtig cadeau dat die aardige meneer Poort mij uit de goedheid van zijn hart welwillend toestopt!

Snik…

De hele truc om van dissonantie naar consonantie te komen (=rechtbreien), en tevens een fijne bijkomstigheid, is dat ik dus tegen mijzelf zeg dat ik het verdien. Mag ik ook eens genieten? Ja!

Vraag me niet waarom, want dat doe ik óók niet. Die brownie is een onvoorwaardelijke gunst.

Jezelf verwennen is het helemaal!

Hoera!

Doe het ook!

En geniet ervan!

(Pfoe… blog gered.)

p.s. De theorie over cognitieve dissonantie is zo ongeveer de enige nog overeind gebleven theorie die ik tijdens mijn studie psychologie leerde. Alle andere bleken nep. Als in: vervalst. Bij elkaar geknipte en geplakte en uit de duim gezogen data over gemanipuleerde dan wel verzonnen proefpersonen. Gelukkig heeft de wetenschap een hoge gunfactor (vind ik dan).

p.p.s. de foto is van Wikimedia Commons.

Achterzak

Wij van beleid hebben natuurlijk jargon, dat is een speciale taal die alleen wij begrijpen. Dat wil zeggen, ik meestal niet, wat het des te grappiger maakt om er over te schrijven. Al zeg ik het zelf.

Wij van beleid hebben ook speciaal gedrag, wat ik hier níét ga beschrijven, ook al zou dat ook echt wel grappig zijn. Dat doe ik niet omdat mijn collega’s en ik, net zoals u en uw collega’s, straks weer op elkaars lip zitten in een kantoortuin en ik wil voorkomen dat we dan heel ongemakkelijk en/of gênant gaan doen om dat gedrag te uit de weg te gaan. Wat waarschijnlijk opnieuw erg grappig zal zijn, maar zo blijf je bezig.

Wat ik wel kan (durf) te beschrijven is iets tussen taal en gedrag in, wat ik voor het gemak een gebruik noem. Een zo’n gebruik is (ik zet het even tussen aanhalingstekens, want anders staat het heel raar, vind ik) iemand (meestal een manager) ‘iets meegeven voor in zijn achterzak’. Daarmee bedoelen we een A4’tje waarop in het kort de grote lijn van een betoog staat, inclusief eventuele alternatieven voor het geval zo’n betoog verkeerd uitpakt. Soms staan er ook ‘cijfermatige onderbouwingen’ bij, dat zijn berekeningen van de kosten van het betoog, want gratis betogen bestaan niet. Soms zijn het (ook) statistieken, want kosten zonder prognoses bestaan ook niet.

Voordat ik hier verder over uitweid, wil ik eerst nog iets vertellen over ‘de tas’. Ja, dat lijkt een vreemde wending, en dat is het misschien ook, maar niet in míjn hoofd.

De tas, dat is de tas van een minister, of een staatssecretaris, of een ander hoog persoon op een ministerie, althans op het ministerie dat ik ken. Een gevleugelde vraag is daar (meestal op vrijdagmiddagen): ‘hoe laat gaat de […]tas van de [functie] dicht?’ Dat is belangrijk om te weten als je de grootvizier (of hoger) een notitie mee wil geven om te lezen. Niet zelden jutten de mensen elkaar dan ook op met de onheilspellende mededeling: ‘De […]tas van de [functie] gaat om 15.00 uur dicht!’

Eek!

Bij de puntjes moet je invullen om welke tas het gaat. Ja, het gaat weliswaar steeds om dezelfde tas, maar die heet telkens anders. Zo heet de tas die de [functie] voor de kerstvakantie mee naar huis neemt heel toepasselijk ‘de kersttas’. U kunt zelf wel verzinnen welke namen de tas nog meer kan krijgen. De geinigste vind ik altijd ‘de weekendtas’, omdat ik dan niet alleen te lezen documenten in die tas zie, maar ook schone sokken, ondergoed, een pyjama, tandenborstel et cetera. Ja, misschien kinderachtig, maar dat is mijn manier om een persoonlijk tintje aan die opgefokte deftigdoenerij te geven.

Pardon my French.

Bij ‘functie’ gaat het natuurlijk om van wie de tas is. Eerst hoorde je lange tijd alleen maar over tassen van de minister en van de staatssecretaris, maar in de loop der tijd kwamen daar andere hoge mensen bij. Mijn verklaring (psychologie van de koude grond) is dat zo’n tas status geeft, dus iedereen die aanzien wil, neemt ook zo’n tas. Wel sneu, wan die tas moet natuurlijk gevuld.

Wat er in een tas mag/moet, weet ik niet. Daar zijn vast regels voor, want anders propt iedereen zo’n tas vol met van alles en nog wat en moet iedere manager met zo’n golfkarretje naar de uitgang van het departement.

Terug naar de achterzak. Die is in tegenstelling tot de tas niet sekseneutraal, vind ik. Want hoewel vrouwen ook heus wel broeken dragen en ook heus wel broeken met achterzakken, zijn het toch vooral mannen die achterzakken hebben.

Ik heb lang nagedacht over een alternatief. Dat viel niet mee. Zoals mannen altijd een achterzak hebben, hebben vrouwen altijd een handtas, maar om één of andere reden, klinkt dat niet ernstig genoeg, ‘iets meegeven voor in haar handtas’. Het is een beetje geheim agent-achtig, alsof het om een handgranaat in de vorm van een flesje parfum gaat, of zoiets.

Een ander alternatief kwam van mijn achternicht uit Zwamfoort die me zei dat veel vrouwen iets wat zij mee moeten nemen onder het schouderbandje van hun bh schuiven. Hun mobieltje bijvoorbeeld. Nou, ik ga niet eens opschrijven wat je dan zou moeten zeggen, dus die optie verviel ook.

Goed, waar brengt ons dit? zou mijn goede vriend O. vragen. Ik weet het niet goed. Wat mij betreft schrappen we gewoon het hele gebruik. Er is toch niemand die nog papier gebruikt, dus waarom zouden we het nog over achterzakken of handtassen hebben? Misschien dat ik daar eens een notitie over moet schrijven. Een hele korte: ‘We schrijven voortaan gewoon op waaraan je aan moet denken tijdens een gesprek, en meer niet. Maar ook niet minder.’

Notitie? Misschien is een appje eigenlijk wel voldoende. En ik hoef niet te weten waar iemand zijn/haar mobieltje bewaart.

Fysiek

Het woord ’fysiek’ nam met de digitalisering van de wereld in de afgelopen twintig jaar een vreemde wending. Al het stoffelijke dat ook een digitale variant had, heette opeens fysiek.
Dus: fysieke winkels.
Het zal wel aan mij en mijn verdorven geest liggen, maar ik vind dat op de rand van onbetamelijk. Met zulke taal drijf je de mensen helemaal naar het internet.
Maar nu we allemaal anderhalve meter afstand moeten houden en uit arren moede onze toevlucht zoeken tot nog meer digitale varianten van de echte wereld, heeft ‘fysiek‘ er een dimensie bijgekregen. Een nog onbetamelijkere dimensie, als u het mij vraagt.
Een collega die een andere baan had aangenomen, en die in een bijeenkomst van 24 bewegende pasfoto’s op het scherm van mijn laptop afscheid nam, zei dat ze ons graag in betere tijden op haar fysieke borrel zou terugzien.
Eek!
Het zal wel aan mij en mijn verdorven geest liggen, maar ik zie dan hele nare dingen voor me. In het beste geval een soort Twister. Ik ga u niet uitleggen wat dat is, maar onthou dat het heel erg fysiek is. Dus wegwezen als iemand met die veel te vrolijke doos komt aanzetten en dat akelige zeiltje uitvouwt in het midden van de huiskamer, of, god verhoede, van het bedrijfsrestaurant.
Of beter nog, niet naar zo’n fysieke borrel gaan. Daar komt alleen maar gedoe van, dingen die je van zijn leven niet uitgelegd krijgt.
Hmm… nu voel ik voel de behoefte om tóch iets aan u uit te leggen. Anders krijgt U een een verkeerd beeld van mij… Dus, eh… laten we beginnen met die fysieke winkel. Dat klinkt gewoon een beetje raar, maar het blijft een ding. Een groot en ingewikkeld ding, maar wel levenloos. Iets dat zelf niks doet. Laat staan fysiek.
Een borrel daarentegen is een sociale gebeurtenis (heb ik me laten vertellen), een verzameling mensen bij elkaar die allemaal wel degelijk iets doen. En sterker nog, alles wat ze doen is fysiek. Dat kan eigenlijk niet anders.
So far so good.
Maar waarom zie ik dan twister voor me, of iets ergers, transpirerende mensen in een sportschool, ballroomdanseressen met hele grote blote ruggen, glimmende worstelaars, eh…
Dat komt door Olivia Newton-John.
Tja.
Een actrice die, nadat ze in Grease te keurig voor woorden had gespeeld (naast de inmiddels tot cultheld gepromoveerde John Travolta), en daarna met geen mogelijkheid meer van haar hopelessly devoted to you-imago afkwam, besloot om het over een andere boeg te gooien, d’r haar kort te knippen, en dus een liedje uit te brengen met de onheilspellende titel Let’s get physical.
Denk aan beenwarmers over stretchpants en hoofdbanden. En verder kleding die net genoeg te raden overliet.
Ik kan me herinneren dat wij Olivia’s poging om wild en verleidelijk te zijn destijds een beetje sneu vonden, wij van de studentenflat vol links georiënteerde intelligentsia, waarschijnlijk omdat we er niets anders van mochten vinden (terwijl we met z’n allen voor de tv naar haar zaten te gapen), want de ‘feministische moraal of zo’ hing daar tastbaar in de lucht; we sneden er plakjes van om op ons brood te doen.
Dus ik heb haar verdrongen, denk ik.
Tot de lockdown dus.
En de fysieke borrel.
En huidhonger.
Ho, wacht! Dat is echt een heel raar woord!
Echt. Heel. Fout.
Ik bedoel, hebben we dat opeens allemaal? En mag dat?
Stel dat ik afgelopen januari, na een allenige kerstvakantie, op mijn werk was teruggekomen om bij het koffieapparaat te verzuchten dat ik zo’n huidhonger had… Geen begrijpende blikken, geloof mij. Laat staan medeleven. Of iemand die me tegen zich aan zou drukken. Nee, op het matje bij het hoofd van de afdeling, zou ik denken!
Dus, mensen, dat woord moeten we schrappen.
Voor wie niet overtuigd is en/of het wel een poëtisch woord vindt, even een gedachtenexperiment: sluit uw ogen, zucht een paar keer diep en haal uw collega’s voor de geest.
Op een fysieke borrel.
Allemaal met een stevige huidhonger.

(Eek!)

Het gras, de boom, of hoe de lockdown toch nog goed kwam

Op de eerste mooie ochtend van het jaar, na een armoedige stuiptrekking van de winter, wat natte sneeuw en een paar nachten vorst aan de grond, stond de vrouw juist voor het raam toen de zon tussen twee wolken door een monter bundeltje licht de tuin instraalde. Het was niet veel, maar genoeg om met gesloten ogen te wachten tot de warmte weer van haar gezicht vloeide.
Toen ze haar ogen weer opende, zag ze het gras. Of liever, wat er van over was.
‘Zullen we in de lente eindelijk eens iets aan de tuin doen?’ vroeg ze. Haar vrouw antwoordde niet. ‘Of dan in ieder geval het gras…’
‘Huh?’
‘Het gras!’
‘Wat is er met het gras?’
‘Dat ziet er niet uit. Er zitten overal kale plekken.’
Haar vrouw stond op en kwam naast haar staan. ‘Waar dan?’
‘Tss, daar! En daar, en daar…’ Ze wees de plekken aan.
‘Oh, dat. Dat groeit vanzelf weer dicht.’
‘Dat zei je vorig jaar ook. En toen bleef er dus over wat nu hebben… we moeten bijzaaien, denk ik.’ Ze zwegen en keken naar buiten. ‘Er zijn vast wel YouTube filmpjes van.’
Die waren er.
Tientallen.
En onder ieder filmpje weer tientallen vragen en antwoorden. En discussies. Scheldpartijen.
De meningen waren verdeeld, maar dat je niet zomaar even een paar kale plekken in je gazonnetje kon pimpen, dat was wel duidelijk. Het was een soort project. Een plan van aanpak moest je hebben.
Na twee-en-een-half uur, achttien filmpjes en 172 ‘openbare reacties’ wisten ze min of meer hoe ze het veld kon repareren. Ze keken elkaar aan en zeiden: ‘Ooh… dóórzaaien!’
Een raar woord vonden ze. Maar niet zo raar als ‘herstelzaad’.
‘Stel je voor dat wij ook zoiets zouden hebben, wij mensen. De mannen dan. Herstelzaad. Klinkt handig, toch?’
‘Nee dan die verticuteerschoenen!’ Een reuzenschoen met spijkerzolen om over je gras lopen. Om er lucht in te brengen.
‘Mag ik dat doen?’
‘Nee, ik!’
‘Volgens mij is vanmiddag het tuincentrum open!’
Maar die middag kwam het toch niet uit, en de hele week daarna ook niet, en toen kwam de lockdown. En werd het tuincentrum ook het centrum van de wereld. Iedereen was er, en iedereen moest zijn grasveld herstellen. Verticuteren. Kalk geven. Bemesten. Doorzaaien. Afstrooien (dat vonden zij bij nader inzien het mooiste woord uit het hele gazonjargon).
Dus alles was op. Op één zak na, die ze zonder verder te aarzelen meetroonden naar de kassa, dat wil zeggen, naar de rij vóór de kassa. Terwijl ze wachtten en rondkeken, vertelden ze elkaar het verhaal dat ze ooit aan hun kinderen zouden vertellen. Die zouden er niets van geloven.
Thuis gooiden ze de zak op het grasveld om toen pas te zien wat ze hadden gekocht.
Gazongrond. Wat wel fijn klonk, maar verder nutteloos was gezien de staat van hun grasveld.
‘Hadden ze eigenlijk nog tegels?’ vroeg ze tegelijk aan elkaar.
Dat wisten ze niet. Daar hadden ze ook niet naar gezocht. En ze waren ze ook niet van plan naar tegels te gaan zoeken.
Ze gingen naar binnen.
Een paar dagen later begon er een genadeloze droogte, die een paar weken aanhield, waardoor de plastic zak, die nog steeds op het midden van het grasveld lag, verweerde en poreus werd, zodat de inhoud zich tijdens de regenbuien die volgden gulzig volzoog tot de zak bol ging staan als een pas opgeschud kussen, dat tijdens een onweersbui door de bliksem werd getroffen en zacht openbarstte, om een bergje aarde achter te laten, waar de volgende dag al meteen een stengel met blaadjes uit ontkiemde, blaadjes die zo teder waren dat de vrouwen er wel om konden huilen, zo blij werden ze ervan, wat nog maar het begin was, want de scheut groeide in een paar weken uit tot een overweldigende boom die ademloos ontzag wekte bij alle mensen die langsliepen en waar zomers kinderen onder kwamen staan omdat er ijsjes aan groeiden die rijpten en loslieten als je liedjes voor de boom zong, wat zo ongeveer het mooiste geluid is om bij te ontwaken, vonden de vrouwen, die er natuurlijk geen moment aan dachten om ooit nog een grasveldje aan te leggen, laat staan een betegeld plaatsje, zeker niet omdat de boom in de herfst eetbare blaadjes liet vallen waar ze thee van zetten waar ze een soort high van werden, in ieder geval heel vrolijk en zorgeloos, vaak tot ver in de winter, wanneer de boom uitrustte en zich opmaakte voor de lente en zijn bloesem, die zo lekker rook, dat telkens als de vrouwen die inademden ze beter begrepen waarom het leven zin had.

En ze leefden nog lang en gelukkig.

(Die verticuteerschoenen kochten ze toch, gewoon voor de lol, en later omdat hun kinderen dan van het lachen bijna uit hun boomhut tuimelden. Wat natuurlijk niet gebeurde, want de boom hield ze dan tegen.)

Mûr de Bretagne

mur3

Mûr de Bretagne, dat is natuurlijk een geweldige naam voor wat ook maar. Als ik niet beter wist zou ik het zo bestellen in een restaurant; een legendarisch gerecht van de streek, ooit bedacht om de lange winters te overleven, nu alleen nog gemaakt voor fijnproevers omdat er veel zeldzame ingredienten ingaan, zoals wilde Berklijsters en het buikvet van Truffelzwijnen.
Maar dat is het dus niet. Wat het wel is, nou daar kunnen de twee jongens van de NOS uren lang op hun eigen subtiele manier over redetwisten. En dat doen ze ook. Want daarvoor zitten ze kennelijk achter de microfoon, om elkaar ingehouden lacherig, maar ononderbroken vliegen af te vangen. Ze hebben over van alles onenigheidjes, die ze vilein tussen de regels van hun commentaar weven.
Ik snap dat wel, hoe zouden ze zich anders overeind houden in die ellenlange sessies van  zomaar drie of vier uur waarin tachtig procent van de tijd niks gebeurt. Ze kunnen moeilijk ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’ gaan doen, zoals ik vroeger met broer, zus en ouders deed als we in de file stonden.
In Frankrijk.
Ieder zijn eigen Tour de France.
Waar was ik? O ja, de kift tussen die twee jongens van de NOS.
‘Kijk daar gaat Bardet, precies op het goede moment,’ zegt de een.
’Nou het zal mij benieuwen hoe lang hij dit volhoudt,’ zegt de ander.
‘Ah, Kruiswijk rijdt naar voren,’ zegt de een.
‘Ja, dat is alleen om positie te kiezen,’ zegt de ander.
Et cetera.
Waarom doen ze dat? Wat heeft de kijker aan al die speldenprikjes over en weer?
Niets!
De kijker – ik! – wil nuttige informatie. Geen dispuutjes tussen de ene commentator met een theorietje en de andere commentator met een ander theorietje. Ik wil geen theorietjes met elkaar hoeven te vergelijken.
Ik wil eigenlijk helemaal geen theorietjes.
Ja, misschien mag ik daar ook even kort iets over zeggen. Waarom hebben sportcommentatoren altijd theorietjes? Ja, theorietjés. Dat bedoel ik niet laatdunkend. Nee, het zijn gewoon hele kleine theorieën. ‘Ah, ik zie aan het gezicht van Martínez dat hij het anders gaat aanpakken’ is zo’n theorietje. Wat moet ik daarmee? Het houdt me van het voetbal af, want ik ga daar dan over nadenken. Hoe kan je zoiets aan iemands gezicht zien? En wat is ‘anders aanpakken’? Gaat Martínez een basketballer inzetten? Of een kudde dromedarissen? Ik heb geen flauw idee, maar ik ga wel proberen om de stelling te toetsen. Ook al heb ik geen idee waar ik moet beginnen.
Dus als iemand van de commentatorenschool dit toevallig leest: leer die jongens dat af en verbied theorietjes (dit is geen sexisme, alleen jongens hebben theorietjes).
Eh… Mûr de Bretagne. Dat dakje op de u is eigenlijk al geheimzinnig genoeg – ik kon gvd eerst niet eens vinden hoe je ’t kunt typen – maar de jongens van de NOS vinden dat het best nog wel geheimzinniger kan. Eerst gaat de een ons uitleggen dat het dus niet echt een muur is in de zin van een muur, maar dat het dus best wel een steile klim is. Dan vult de ander eigenwijs aan dat Mûr de Bretagne dus eigenlijk de naam van het dorpje aan de voet van de berg is, maar dat het is samengegaan met de naburige gemeente Saint-Guen.
‘Ja, daar rijden we ook doorheen, ik bedoel dus het dorp Mûr de Bretagne’ zegt de eerste weer, ‘maar de klim begint pas buiten het dorp. We gaan na de rotonde rechts, dan scherp links en dan meteen met zeven procent omhoog.’
’Nou, was er niet ook een paar honderd meter vals plat?’
‘Ja, klopt, maar dat is bij de tweede doorgang, na zo’n acht honderd meter, net buiten het bos, waar de weg wat smaller wordt.’
‘Dat bedoel ik, als we langs de oostzijde de Mûr nog eens nemen.’
‘Het is inderdaad voor de kijkers goed om te weten dat we dus twee keer dezelfde berg opgaan, eerst langs de westelijke kant en dan…’
Het is om gek van te worden! En de details! Is TomTom een sponsor of zo? Of Wikipedia?
En als als dat gekissebis nou ergens toe leidde! Welnee! De kijker verdwaalt en alle kift tussen de jongens van de NOS inclusief hun bijbehorende theorietjes verdampen spontaan als zij in de laatste kilometers van de spanning geen zinnig woord meer uit weten brengen en ze ten slotte allebei hijgend de uitslag omroepen om daarin meteen triomfantelijk hun gelijk te vinden.
‘Ik zei dat het bláúw was.’
‘Die hoed van die meneer was ook bláúw.’
‘Welke meneer?’
‘Daar in de verte, met die wandelstok. Ik heb het geráááden! Nou mag ik… ik zie, ik zie wat jij niet ziet en het is beige.’
‘Dat is geen kleur, bijsje, mama dat is geen kleur, toch?’
Et cetera.

Limiet

rood

Goed, de Tour de France is weer achter de rug en hét woord van dit jaar was ‘limiet’. Vorig jaar was het ‘hongerklop’, maar de redactie had bij de evaluatie waarschijnlijk geconcludeerd dat dat een nogal mager begrip was om alles wat er te zien was mee te verklaren en bovendien geconstateerd dat de mannen achter de microfoon zich er behoorlijk belachelijk mee hadden gemaakt.
Goed gezien!
Want hongerklop als de kern voor een theorie van alles, daar heb je niet zoveel aan. Had ik hun ook wel kunnen vertellen. Het heeft maar één hele letterlijke betekenis en geen enkel fijn synoniem, dus je bent al snel klaar met variaties op het thema, en al helemaal met variaties op de uitleg van wat de wielrenners allemaal doen.
Ik bedoel, het is nogal simpel: te weinig eten = hongerklop = langzaam fietsen. Meer is er niet van te maken. Ja, eventuele aanvulling: heel langzaam fietsen = omvallen. Maar dan heb je het wel gehad.
Nee, dan ‘limiet’. Dat is een geweldig begrip! De commentatoren van de televisie begonnen er al meteen in de eerste week flink mee te oefenen en ik kon horen dat ze er echt plezier aan beleefden. Om te beginnen probeerden ze alle voorzetsels die ze maar konden vinden. Een renner was ‘op de limiet’, ‘aan de limiet’, ‘over de limiet’, ‘in de limiet’, et cetera. Vervolgens experimenteerden ze met ‘zijn limiet’ in plaats van ‘de limiet’, om het wat persoonlijker te maken, denk ik, en zodoende de indruk te wekken dat ze van alle renners gegevens hadden over hun privé-limieten.
Dat was natuurlijk niet waar. Want zoals gewoonlijk kwamen ze telkens na een bewering over iemands limiet daar weer van terug, meestal omdat ook de renner weer terugkwam, maar dat was nu net het heerlijke van ‘limiet’, want dat bleek een rekkelijk begrip.
Ook heel handig.
Daar had de redactie natuurlijk over nagedacht.
Een ’limiet’ heeft bandbreedte. Als de verslaggevers een slag om de arm wilden houden, en dat wilden ze de hele tijd, ook al zou je dat niet denken gezien de eeuwige stelligheid van hun beweringen, dan zeiden ze: ‘hij rijdt in het rood’. Daarmee maakten ze het spannend door onzekerheid in het spel te brengen, terwijl ze toch heel deskundig overkwamen.
Er zijn zeker twaalf etappes gewonnen door mannen die in het rood reden. Heroïsch! Want dat rood waar die mannen in zaten, ik heb daar studie van gemaakt, dat is dus wel ‘door de limiet’ maar niet ‘over de limiet heen’, kortom, het ging over renners die ‘ver aan hun reserves zaten’ en toch doorfietsten.
Op ‘pure wilskracht’.
Dat is ook heel erg heldhaftig.
Wilskracht, dat is wat je overhoudt aan het einde van je Latijn. Een doorgewinterde fietser kan dan zijn grenzen nog wel oprekken, maar iedereen weet dat een mens zoiets niet ongestraft kan doen. Ook oprekken houdt een keer op. Na rood komt toch onvermijdelijk zwart.
Ja, wielrennen is afzien, dat bleek maar weer eens en ‘limiet’ was het veelbetekenende woord waarmee alles wat daaronder viel telkens het mooist te beschrijven was.
Het was zo’n beetje de redding van de hele Tour de France-verslaggeving.
Blijven we wel met de vraag zitten welk woord de mannen volgend jaar kunnen gebruiken.
Ik zou ’evenwicht’ nemen. Dat woord heeft net als ‘limiet’ een letterlijke en een figuurlijke betekenis, oneindig veel synoniemen die al even dubbelzinnig zijn, en het raakt de kern van wielrennen: je moet op je fiets blijven zitten.
Dat bleek dit jaar wel een dingetje, en, geloof mij, dat is volgend jaar hét excuus voor iedere roemloos verloren etappe. Ik voorspel nog meer Nederlanders die tegen de grond gaan en meteen na de val uit (hun) evenwicht zijn.
Of ván hun evenwicht.
Door de balans.
Buiten het lood.
Terwijl Froome gewoon weer naar een top van de berg kluunt of onderweg drie maal van fiets wisselt en doorrijdt alsof er niks aan de hand is.
In het geel.

Woorden

Jeuk2

Jeukwoorden, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ja, zo veel, dat ‘jeukwoord’ ook weer een jeukwoord wordt. Kreeg er meteen uitslag van. Niet van het woord zelf, maar van de hele hausse er omheen.
Op eens is dat iets.
Bij mij op het werk deed iemand op intranet een oproep om al die woorden eens met z’n allen op te sommen. Hoe bizar is dat, ambenaren vragen naar irritante woorden? De wereldkampioenschappen boter op je hoofd.
Ja, ik ben zelf ook een ambtenaar. Lastig om dan kritisch te zijn, want voor je het weet, doe je uit de hoogte en ben je een soort matennaaier.
Hm… Toch dit blog.
Lees vooral verder.
Jeukwoorden verzamelen is ook veel te makkelijk. Taal is overal en iedereen bemoeit zich er mee of heeft er verstand van, dus binnen de kortste keren heb je enorme lijsten van ‘krabwaardige’ woorden (om er eens een te noemen, ik bedoel ‘waardig’, dat plakt iedereen tegenwoordig overal achter alsof het niets is… eh, het is ook niets, ja, een klef allemansvriendje voor gemakzuchtige schrijvers).
Het gaat dan ook niet om die woorden, maar over mensen, want die gebruiken al die woorden.
Of misbruiken ze, dat mag u zelf zeggen.
Hoe dan ook, ze doen dat niet zomaar. De mensen.
Mensen? Ik zal specifieker zijn en de hand in eigen boezem steken, ik bedoel beleidsmakers. Notitieschrijvers.
Ik heb daar een theorie over en die is heel simpel.
Ja, dat kan ook.
Hier komt-ie.
Taal heeft twee doelen: verhullen en onthullen. Beide met hetzelfde resultaat: vaagheid.
Eerst verhullen.
In tegenstelling tot wat iedereen denkt, gebruiken veel mensen taal om dingen níét te zeggen, om iets vaag te houden.
Veel mensen zijn namelijk nogal eens bang om te zeggen waar het op staat. Als ze bijvoorbeeld moeten opschrijven dat er minder subsidiegeld komt voor zwemlessen aan goudvissen (op zich een begrijpelijke maatregel), maar boze reacties vrezen van de vereniging van zweminstructeurs, dan schrijven ze op dat ‘de financiële budgetten neerwaarts worden bijgesteld’. Zwart op wit ziet het er dan niet zo harteloos uit en bovendien laten ze heel handig in het midden wie dat geld heeft geschrapt.
Zie hier: verhullen.
Helpt niet. Want die instructeurs worden toch pissig en komen voor het kantoor van de beleidsmakers demonstreren met spandoeken (‘Geen les voor vis is een gemis!’).
Verhullen is van korte duur.
Ónthullen al helemaal.
Beleidsmakers zijn natuurlijk vooral denkers. Hun grootste zorg is om op papier te krijgen wat in hun hoofd zit. Op zich een goed begin, maar wat in hun hoofd zit, begrijpen ze meestal alleen zelf.
Of heb ík dat alleen?
Hoe dan ook, wel jammer.
David Ogilvy, schreef eens een memo met tien ‘hints for good writing’. Zijn stelling was dat ‘people who think well, write well’. Ik waag dat te betwijfelen, want je hebt denken en denken. Een tijdje gelden hoorde ik een minister op het nieuws zeggen: ’Onnodige geluidsniveaus die te hoog zijn gaan we beperken’.
Ik bedoel maar. Zo iemand kan heus wel denken. Maar sommige denkers zijn al blij als wat ze hebben bedacht eruit is. Hun doel is om te onthullen. Wat daarna komt, zien ze later wel.
Meestal onbegrip en verwarring.
Beide doelen, verhullen en onthullen, resulteren dus in vaagheid.
Een goed woord kan dan helpen.
Die raad heb ik niet van mijzelf. Het is regel één van de vorig jaar overleden William Zinnser: ‘Don’t make lazy word choices’.
Het zou namelijk al heel wat zijn als iedereen eerst goed nadacht over wat een woord precies betekent. Dat staat in een woordenboek.
Ja, jongens en meisjes, dat is gedoe, maar daarna is er veel minder verwarring. en dat is fijn.
Mijn aanvulling zou zijn: gebruik geen toverwoorden.
Daar zijn jeukwoorden niks bij; die zijn irritant, maar daar heb je het dan wel mee gehad. Toverwoorden daarentegen zijn bedrieglijk. Vileine woorden die heel wat lijken, maar niks zijn. Toen ik voor het eerst in een notitie het woord ‘betekenisvol’ las, heb ik – ongelogen! – een dik uurgeprobeerd om erachter te komen wat de schrijver (en een tiental andere schrijvers die ik op internet tegenkwam) ermee wilde(n) zeggen.
Zoiets verzin je niet.
Ik bedoel, betekenisvol!
Vaag!
Toch had je in die tijd in één klap een vergadering aan je zijde als je zei dat iets wel of niet betekenisvol was. Zat iedereen te knikken of te schudden.
Gewoon gevaarlijk!
Later gebeurde hetzelfde met ‘de bedoeling’. Als je je ernstig liet ontvallen dat het niet om het doel maar om ‘de bedoeling’ ging, stond iedereen paf om zoveel inzicht. En niemand die vroeg wat je bedoelde.
Eh… dat is niet grappig bedoeld.
En dat ook niet.

Af en uit!

kakkerlijk

Weet u wat ook steeds vager wordt? Het voorzetsel ‘uit’. Dat zetten mensen tegenwoordig maar te pas en te onpas voor een werkwoord. Wat eerst met ‘in’ gebeurde (inregelen, inkopiëren, inplannen), gebeurt nu ook met ‘uit’ . Laatst kreeg ik van iemand een automatisch antwoord op een mailtje: «Ik ben momenteel niet aanwezig. Deze inbox wordt niet uitgelezen.»
Hm. Je inbox uitlezen? Dat is sowieso al geestig. Je outbox inlezen, kan vast ook. Maar goed, wat als je hem uit hebt, die inbox? Aan iedereen vertellen hoe mooi het was? Moet er niet aan denken.
Een mevrouw vroeg mij laatst of ik al een antwoord op haar uitvraag had. Pardon? Uitvraag? Had ik een romantisch signaal gemist? Zou me niets verbazen, maar dat was het niet. Nee, uitvragen, dat was… eh, weet ik eigenlijk niet.
Onzinnig.
Vind ik.
Derde voorbeeld: uitzetten. In een vergadering zei iemand dat zij beleid had uitgezet. Maar ze bedoelde dus aan.
Eigenlijk.
Beleid uitzetten is ermee beginnen. Aanvangen. Implementeren (ik wacht trouwens popelend op de eerste die inplementeren schrijft, lijkt me geweldig! Maar dan om het evenwicht te bewaren ook imvoeren schrijven). Mijn eerste associatie was trouwens paling. Kun je ook uitzetten. Zou handig zijn bij sidderalen. Eh… Volgt u mij nog? Nog een voorbeeld dan: uitonderhandelen (twee voorzetsels achter elkaar, het kan niet op). Je doet zaken en een hele tijd rommel je op hoofdlijnen wat afspraken bij elkaar om die dan op het laatst uit te onderhandelen. Dan ga je verder op de details in, denk ik. Tot je het eens bent. Of je houdt er mee op, kan ook. Ik ben heel vaak uitonderhandeld. Heb ik er gewoon genoeg van. Ik kan er trouwens ook niks van.
Laatste: uitbehandeld zijn. Die is ook verwarrend, want de betekenis hangt af van de persoon die het zegt. Als een dokter uitbehandeld is, zit zijn werk erop, als zijn patient het zegt, zit zijn leven erop. Tenzij de dokter dus zelf ziek is, maar dat begrijpt u ook wel.
Korte tussentijdse mijmering: ik weet dus niet waarom dit fenomeen van die overbodig vastgeplakte voorzetsels de kop op steekt. Ja, voorzetsels. Meervoud. En niet alleen ‘in’ en ‘uit’. Met ‘af’ kan het ook.
Een politieman op de tv zei laatst dat hij een verdachte had afgehoord. Dat bleek horen en afronden tegelijk. Of zoiets. Finaal verhoren.
Afhoren, zou ook een eilandengroep bij IJsland kunnen zijn
Dat ‘finaal’ als een betekenis van ‘af’ leek me nog wel plausibel, tot ik op de tv een ongediertebestrijder hoorde zeggen dat hij de hele kolonie kakkerlakken had afgedood.
Eh… afdoden?
Eek!
Dat is heel erg vermoorden, denk ik. Als je het googelt krijg je er ook plaatjes van te zien, maar die zijn dan van een old school death metalband uit Denemarken, Undergang, hun eerste album om precies te zijn: Indhentet af Døden (ingehaald door de dood). Toepasselijk, maar maar ik wordt oud denk ik, want old school death metal? Ik vind dat om een of andere reden sneu klinken, maar voor die jongens is het hun hele leven.
Ook wel weer grappig.
Eigenlijk.
Maar goed, die voorzetsels voor werkwoorden. Mijn analyse van de koude grond is dat het gewoon deftigdoenerij is. Hoe langer een woord hoe interessanter. Nergens voor nodig, dus niet meer doen.
Of het is verholen twijfel. Heimelijk een schepje er bovenop om te verhullen dat je het niet zeker weet.
«Ik heb die kakkerlakken echt helemaal tot op de bodem doodgemaakt! Heus!»
Terwijl ze dus nog een beetje bewegen.
Voorzetsel erbij om niet ingehaald te worden.
Door de waarheid.
Da’s vaak veel enger dan de dood.
Afschuwelijk.

Schelden

Geit

Toen ik zes was – in 1964! – verhuisden we vanuit Amsterdam naar een dorp in Gelderland. Er woonden 1600 mensen (in dat dorp) en wij waren het derde gezin van buiten.
Allochtonen.
We moesten integreren en dat mislukte. Of nou ja, ík moest integreren en dat mislukte.
Laat ik, om uitgebreide en nutteloze analyses te voorkomen, zeggen dat het dorp en ik gewoon niet goed met elkaar konden opschieten. En laat ik bekennen dat ik niet veel deed om onze relatie te verbeteren. Ik had heimwee en wilde Amsterdammer blijven. En het dorp vond mij raar. Waarschijnlijk ook als ik geen Amsterdammer had willen blijven. Misschien wás ik wel raar. Zou niet uit moeten maken, vind ik, maar dat bleek lastig.
Op een dag stond er achter op ons schuurtje: ‘René Poort stik de moord in Amersfoort en doe de rest in Boedapest’.
Of Boekarest. Dat weet ik niet meer. En nu ik dit zo typ, besef ik dat de tweede regel helemáál anders was: ‘en krijg de pest in Boekarest’.
Het rijmde, dat vond ik wel goed. Maar ik weet nog dat die tweede regel me stoorde. Ik bedoel, als je al de moord gestikt bent in Amersfoort, hoezo dan nog de pest Boekarest? Eerst de pest en dan dood, zou ik zeggen. Wel een eind rijden, trouwens, Boekarest-Amersfoort. Zeker als je aan de pest lijdt.
Eh…
‘Schelden doet geen pijn,’ zei mijn moeder. Dat is niet waar. Of misschien wel, maar dit was geen schelden. Ik wist heus wel wat schelden was. Ik had zelf wel eens iemand uitgescholden, mijn neefje, en ik was wel eens uitgescholden, door mijn neefje.
Maar het gedicht achterop ons schuurtje, dat was iets anders. Dat was haat.
Een facebookcampagne avant la lettre.
Weinig bezoekers, laat staan likes, want er kwam haast niemand door onze brandgang, alleen wijzelf en onze buren, dus een actie van niks.
Toch pijn.
Een beetje.
Niettemin vind ik vrijheid van meningsuiting een mooi recht. Ik zou er wel twee nieuwe voorwaarden aan willen verbinden. De eerste is dat een mening wel een beetje logisch moet zijn. Zuiver gedacht. Ja, veelgevraagd, maar voor minder doe ik het niet. Dus voor het geval dat degene die mij in 1964 dood wenste dit blog leest, hieronder en betere versie van zijn hekeldicht:
René Poort,
krijg de pest
in Boekarest
en stik de moord
in Amersfoort.

De tweede voorwaarde is dat de úíting creatief moet zijn. Zeker als het schelden is.
Dus niet ‘geitenneuker’. Dat is volgens de nieuwe wet dan verboden, want dat is een heel erg versleten belediging, zeker als-ie bedoeld is voor mensen uit landen waar veel geiten leven.
Ik bedoel, als je een iemand wilt beschimpen en je bent een beroemde komiek en je hebt een populaire show op de televisie en je mag zeggen wat je wilt, dan moet je echt met iets beters komen. Dat geldt ook voor de bewering dat de meneer die je wilt beledigen een kleine piemel heeft. Dat is wat vijf-jarige neefjes elkaar voor de voeten werpen.
Echt sneu.
Neem een voorbeeld aan Dorothy Parker (ik leg niet uit wie dat is). Ze zei van zichzelf dat ze ’s morgens eerst haar tanden poetste en daarna haar tong scherp sleep. Toen ze hoorde dat de oersaaie president Coolidge gestorven was, vroeg ze: ‘How could they tell?’
Dat is creatief.
Of neem Gerard Reve, die Cees Nooteboom (allebei schrijvers, ik zeg het maar even) niet moest en hem ‘het zieke aapje N.’ noemde. Dat is even onschuldig als vernietigend.
Bravo!
Of – en daarna hou ik op – Monty Python. In hun film ‘Monty Python and the Holy Grail’ scheldt een Franse soldaat de Engelsen uit: ‘I unclog my nose in your direction, sons of a window dresser. So, you think you could outclever us french folks with your silly, knees-bent, running-about, advancing behavior? I wave my private parts at your aunties, you cheesy-leather, second-hand, electric donkey bottom biters.’
Veel leuker dan geitenneuker.
Laten we dus voortaan als we onze vrijheid van mening uiten origineel zijn. En laten we afspreken dat als het niet leuk is, dat het dan haat is. En dat dat niet mag.
Want dat doet pijn.

Deftigdoenerij

rood potlood1

Had ik al eens verteld dat ik een kommaneuker ben? Daar kan ik niets aan doen, zo ben ik geboren. Ja, met een rood potloodje in mijn hand. Ik kwam met een schreeuw ter wereld omdat de vroedvrouw ‘Hij heb mooie zwarte haar,’ riep toen ze m’n kruin zag.
Een schreeuw van afschuw, ja.
Het is een ziekte.
Een soort allergie. Ik krijg van een allerlei dingen jeuk. Zoals van deftigdoenerij. Dat is de neiging om gewone dingen ingewikkeld op te schrijven met het doel om belangrijk over te komen. Schone schijn in tekst.
Een voorbeeld.
Het begint met een gewoon woord (zinnen kun je ook eindeloos deftig maken, maar ik begin simpel). Neem ‘samen’. Dat vind ik wel een mooi woord. Het is ook fijn om te gebruiken. ‘Mijn goudvis en ik gaan samen naar zwemles.’ Daar houd ik van, van dat soort mededelingen. Lekker duidelijk. Je ziet het meteen voor je.
Maar om een of andere reden willen sommige mensen dan iets anders met zo’n woord. Iets deftigers. Ik weet niet waarom. Doet er ook niet toe. Maar als ze het doen, deftig, komt er een zin als deze: ‘Mijn goudvis en ik gaan gezamenlijk naar zwemles.’
Opeens heeft goudvis in plaats van zijn blauw-met-gele-stippen-zwembroek zo’n hansop uit de 19e eeuw aan. Heel fatsoenlijk hoor, maar ik ga wel stil op de tribune zitten wachten tot de les is afgelopen.
Mensen die deftig willen doen niet. Die zien nog meer mogelijkheden: ‘Mijn goudvis en ik gaan in gezamenlijkheid naar zwemles.’ Het is nu gekleed zwemmen, en als het even kan zonder water, om te voorkomen dat zijn goeie goed eronder lijdt.
‘In gezamenlijkheid’, wat is dat? Iets heel akeligs. En ook iets ingewikkelds, want ‘in gezamenlijkheid’, dat is toch iets anders dan ‘samen’. Ik zie nu heel plan van aanpak voor me, waarin taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden staan, want zo’n zwemles, dat is een heel project, met kansen (diploma) en bedreigingen (verdrinking), mijlpalen (het diepe), doelen, resultaten, kortom, het echte werk.
Dat is saai. Ik wil gewoon samen met goudvis naar zwemles. Dus dat hebben we gedaan. We zijn gewoon gegaan, goudvis en ik.
Samen.
En weet u wat? Mijn rode potloodje blijft drijven!

p.s. 1: Het fenomeen deftigdoenerij is uitgevonden door Charivarius, een vermaard kommaneuker uit de eerste helft van de vorige eeuw. Ja, kinderen, dat was toen alles nog mono, zwart wit en 2D was.

p.s. 2: Tja, in mijn vorige blogs figureerde nog wel eens een cavia, maar die heb ik weg moeten doen. Iemand die mijn blogs altijd leest, wees me erop dat er een boek is verschenen van Pauline Cornelisse, getiteld ‘De verwarde Cavia’. Gaat ook over een cavia met menselijke trekken. Hoe bizar is dat? Om nu te voorkomen dat iedereen denkt dat ik dat idee van haar heb gestolen, is Cavia nu dus een goudvis. Mocht die Pauline het idee van mij hebben gestolen (god mag weten hoe), wordt ze bedankt. Ik heb zowat een middag lopen nadenken over een ander dier.