Af en uit!

kakkerlijk

Weet u wat ook steeds vager wordt? Het voorzetsel ‘uit’. Dat zetten mensen tegenwoordig maar te pas en te onpas voor een werkwoord. Wat eerst met ‘in’ gebeurde (inregelen, inkopiëren, inplannen), gebeurt nu ook met ‘uit’ . Laatst kreeg ik van iemand een automatisch antwoord op een mailtje: «Ik ben momenteel niet aanwezig. Deze inbox wordt niet uitgelezen.»
Hm. Je inbox uitlezen? Dat is sowieso al geestig. Je outbox inlezen, kan vast ook. Maar goed, wat als je hem uit hebt, die inbox? Aan iedereen vertellen hoe mooi het was? Moet er niet aan denken.
Een mevrouw vroeg mij laatst of ik al een antwoord op haar uitvraag had. Pardon? Uitvraag? Had ik een romantisch signaal gemist? Zou me niets verbazen, maar dat was het niet. Nee, uitvragen, dat was… eh, weet ik eigenlijk niet.
Onzinnig.
Vind ik.
Derde voorbeeld: uitzetten. In een vergadering zei iemand dat zij beleid had uitgezet. Maar ze bedoelde dus aan.
Eigenlijk.
Beleid uitzetten is ermee beginnen. Aanvangen. Implementeren (ik wacht trouwens popelend op de eerste die inplementeren schrijft, lijkt me geweldig! Maar dan om het evenwicht te bewaren ook imvoeren schrijven). Mijn eerste associatie was trouwens paling. Kun je ook uitzetten. Zou handig zijn bij sidderalen. Eh… Volgt u mij nog? Nog een voorbeeld dan: uitonderhandelen (twee voorzetsels achter elkaar, het kan niet op). Je doet zaken en een hele tijd rommel je op hoofdlijnen wat afspraken bij elkaar om die dan op het laatst uit te onderhandelen. Dan ga je verder op de details in, denk ik. Tot je het eens bent. Of je houdt er mee op, kan ook. Ik ben heel vaak uitonderhandeld. Heb ik er gewoon genoeg van. Ik kan er trouwens ook niks van.
Laatste: uitbehandeld zijn. Die is ook verwarrend, want de betekenis hangt af van de persoon die het zegt. Als een dokter uitbehandeld is, zit zijn werk erop, als zijn patient het zegt, zit zijn leven erop. Tenzij de dokter dus zelf ziek is, maar dat begrijpt u ook wel.
Korte tussentijdse mijmering: ik weet dus niet waarom dit fenomeen van die overbodig vastgeplakte voorzetsels de kop op steekt. Ja, voorzetsels. Meervoud. En niet alleen ‘in’ en ‘uit’. Met ‘af’ kan het ook.
Een politieman op de tv zei laatst dat hij een verdachte had afgehoord. Dat bleek horen en afronden tegelijk. Of zoiets. Finaal verhoren.
Afhoren, zou ook een eilandengroep bij IJsland kunnen zijn
Dat ‘finaal’ als een betekenis van ‘af’ leek me nog wel plausibel, tot ik op de tv een ongediertebestrijder hoorde zeggen dat hij de hele kolonie kakkerlakken had afgedood.
Eh… afdoden?
Eek!
Dat is heel erg vermoorden, denk ik. Als je het googelt krijg je er ook plaatjes van te zien, maar die zijn dan van een old school death metalband uit Denemarken, Undergang, hun eerste album om precies te zijn: Indhentet af Døden (ingehaald door de dood). Toepasselijk, maar maar ik wordt oud denk ik, want old school death metal? Ik vind dat om een of andere reden sneu klinken, maar voor die jongens is het hun hele leven.
Ook wel weer grappig.
Eigenlijk.
Maar goed, die voorzetsels voor werkwoorden. Mijn analyse van de koude grond is dat het gewoon deftigdoenerij is. Hoe langer een woord hoe interessanter. Nergens voor nodig, dus niet meer doen.
Of het is verholen twijfel. Heimelijk een schepje er bovenop om te verhullen dat je het niet zeker weet.
«Ik heb die kakkerlakken echt helemaal tot op de bodem doodgemaakt! Heus!»
Terwijl ze dus nog een beetje bewegen.
Voorzetsel erbij om niet ingehaald te worden.
Door de waarheid.
Da’s vaak veel enger dan de dood.
Afschuwelijk.

Curiosity

 

handbag-kelly-in-pelle-azzurra

De man die naast mij liep op weg naar het station was op het eerste gezicht een hele gewone man. Hij haalde wel erg zwaar adem en snoof ook regelmatig met veel geluid extra lucht op. Omdat hij verkouden was, dacht ik. En hij mompelde in zichzelf, wat ik ook niet zo bijzonder vond, omdat ik dat ook wel eens doe. Alleen dan niet zo verongelijkt. Nee, als ik iets tegen mijzelf zeg, is het altijd om te lachen.
Vind ik.
De humor ligt op straat en ik vertel mezelf waar. Zo hadden ze laatst bij de NS een andere stem om mededelingen doen. Een of andere Gooise vileine relnicht. Vraag me niet hoe je dat kunt horen. Maar een spoorwisseling is dan heel erg grappig. En vertragingen, hilarisch! Ik heb toen een trein gemist omdat ik hoopte dat hij ‘wegens een technische storing kan de internationale intercity naar Innsbruck Hauptbahnhof vandaag niet rijden’ (en dat dan ook in het Duits) zou gaan omroepen. Zou mijn hele dag goed maken, dacht ik.
Gebeurde niet. Wel veel plezier gehad met die zin in mijn hoofd oefenen.
Je moet wat.
Verder gaat alles goed.
Terug naar de boze man naast mij, die geen humor op straat zag maar ergernissen. Ja, er zat hem van alles dwars.
Dat snuiven was omdat hij wild werd van de wereld om zich heen.
Ja, dit heb ik allemaal achteraf beredeneerd, want toen hij de mevrouw die ons tegemoet liep opeens heel hard ‘prostitué!’ toeriep, was het wel een soort van verrassing.
Heb ik al eens gezegd dat ik nieuwsgierig ben?
Ik achter de man aan!
Ik wilde wel eens weten wie hij nog meer ging uitschelden.
Hij hield het bij vrouwen. En bij ‘prostitué!’
Allemaal niet erg creatief. Aan de andere kant schreeuwde hij niet naar álle vrouwen, gelukkig maar, want dan zou het al snel saai zijn geworden.
Nieuwsgierigheid is ook een soort ziekte, je hele normen- en waardenstelsel gaat eraan ten onder als je niet uitkijkt.
Hoge hakken, rood gestifte lippen, geblondeerd haar, dat waren de man zijn triggers.
Stimuli, om het wetenschappelijk te zeggen. Ik deed namelijk actie-onderzoek.
Voor het bloggen heimelijk achter een rare man aan. Nou ja, heimelijk. Ik zat hem zo dicht op de hielen dat de eerst volgende vrouw die hij uitschold, dacht dat ik het deed.
Nou ja! Ik ben in de derde feministische golf opgegroeid, tussen de paarse tuinbroeken, en ik heb leren breien om mijn vrouwelijk ik te ontdekken!
Maar ja, leg dat maar eens uit op een vol perron met een aanstormende trein en dito mevrouw. Ik heb dus deemoedig haar verwensingen aanvaard. De aanval met haar Kelly-bag ook (als ik een pak slaag krijg, dan wel een beetje chique natuurlijk).
De man zocht schaterend steun bij een bord met vertrektijden.
‘Lukt iedere keer weer!’ riep hij naar mij.

Schelden

Geit

Toen ik zes was – in 1964! – verhuisden we vanuit Amsterdam naar een dorp in Gelderland. Er woonden 1600 mensen (in dat dorp) en wij waren het derde gezin van buiten.
Allochtonen.
We moesten integreren en dat mislukte. Of nou ja, ík moest integreren en dat mislukte.
Laat ik, om uitgebreide en nutteloze analyses te voorkomen, zeggen dat het dorp en ik gewoon niet goed met elkaar konden opschieten. En laat ik bekennen dat ik niet veel deed om onze relatie te verbeteren. Ik had heimwee en wilde Amsterdammer blijven. En het dorp vond mij raar. Waarschijnlijk ook als ik geen Amsterdammer had willen blijven. Misschien wás ik wel raar. Zou niet uit moeten maken, vind ik, maar dat bleek lastig.
Op een dag stond er achter op ons schuurtje: ‘René Poort stik de moord in Amersfoort en doe de rest in Boedapest’.
Of Boekarest. Dat weet ik niet meer. En nu ik dit zo typ, besef ik dat de tweede regel helemáál anders was: ‘en krijg de pest in Boekarest’.
Het rijmde, dat vond ik wel goed. Maar ik weet nog dat die tweede regel me stoorde. Ik bedoel, als je al de moord gestikt bent in Amersfoort, hoezo dan nog de pest Boekarest? Eerst de pest en dan dood, zou ik zeggen. Wel een eind rijden, trouwens, Boekarest-Amersfoort. Zeker als je aan de pest lijdt.
Eh…
‘Schelden doet geen pijn,’ zei mijn moeder. Dat is niet waar. Of misschien wel, maar dit was geen schelden. Ik wist heus wel wat schelden was. Ik had zelf wel eens iemand uitgescholden, mijn neefje, en ik was wel eens uitgescholden, door mijn neefje.
Maar het gedicht achterop ons schuurtje, dat was iets anders. Dat was haat.
Een facebookcampagne avant la lettre.
Weinig bezoekers, laat staan likes, want er kwam haast niemand door onze brandgang, alleen wijzelf en onze buren, dus een actie van niks.
Toch pijn.
Een beetje.
Niettemin vind ik vrijheid van meningsuiting een mooi recht. Ik zou er wel twee nieuwe voorwaarden aan willen verbinden. De eerste is dat een mening wel een beetje logisch moet zijn. Zuiver gedacht. Ja, veelgevraagd, maar voor minder doe ik het niet. Dus voor het geval dat degene die mij in 1964 dood wenste dit blog leest, hieronder en betere versie van zijn hekeldicht:
René Poort,
krijg de pest
in Boekarest
en stik de moord
in Amersfoort.

De tweede voorwaarde is dat de úíting creatief moet zijn. Zeker als het schelden is.
Dus niet ‘geitenneuker’. Dat is volgens de nieuwe wet dan verboden, want dat is een heel erg versleten belediging, zeker als-ie bedoeld is voor mensen uit landen waar veel geiten leven.
Ik bedoel, als je een iemand wilt beschimpen en je bent een beroemde komiek en je hebt een populaire show op de televisie en je mag zeggen wat je wilt, dan moet je echt met iets beters komen. Dat geldt ook voor de bewering dat de meneer die je wilt beledigen een kleine piemel heeft. Dat is wat vijf-jarige neefjes elkaar voor de voeten werpen.
Echt sneu.
Neem een voorbeeld aan Dorothy Parker (ik leg niet uit wie dat is). Ze zei van zichzelf dat ze ’s morgens eerst haar tanden poetste en daarna haar tong scherp sleep. Toen ze hoorde dat de oersaaie president Coolidge gestorven was, vroeg ze: ‘How could they tell?’
Dat is creatief.
Of neem Gerard Reve, die Cees Nooteboom (allebei schrijvers, ik zeg het maar even) niet moest en hem ‘het zieke aapje N.’ noemde. Dat is even onschuldig als vernietigend.
Bravo!
Of – en daarna hou ik op – Monty Python. In hun film ‘Monty Python and the Holy Grail’ scheldt een Franse soldaat de Engelsen uit: ‘I unclog my nose in your direction, sons of a window dresser. So, you think you could outclever us french folks with your silly, knees-bent, running-about, advancing behavior? I wave my private parts at your aunties, you cheesy-leather, second-hand, electric donkey bottom biters.’
Veel leuker dan geitenneuker.
Laten we dus voortaan als we onze vrijheid van mening uiten origineel zijn. En laten we afspreken dat als het niet leuk is, dat het dan haat is. En dat dat niet mag.
Want dat doet pijn.

Domweg gelukkig door de bonuskaart

Bonuskaart

In de rij voor de kassa van de AH stond ik achter een jonge vrouw met een baby in een draagzak. Toen het kind opeens begon te huilen vroeg de kassière aan haar collega van de kassa verderop of ze de avond daarvoor ook het nieuws had gezien over ‘die vrouw die haar kinderen had vermoord’.
Geen antwoord. Iedereen zweeg. De moeder probeerde haar kind te sussen. En ik zag Petra weer voor me.
Die had ook haar kind gedood.
Een onvoorstelbare misdaad die ze me na tien jaar tbs in enkele vlakke zinnen uit de doeken deed om daarna te wachten op wat ik zou zeggen.
Niets.
Ik zweeg.
En probeerde mijn gedachten te bedaren, want hoe matter of factly haar bekentenis ook was geweest, ik zag meteen voor me wat er was gebeurd.
‘Wat er was gebeurd’.
Zo noemde zij het.
Ze was verder gegaan met een nog soberder verhaal. Om uit te leggen waaróm het was gebeurd. Een verhaal over haar leven dat klonk alsof ze het voorlas. Een verschrikkelijk verhaal.
Als het tenminste allemaal waar was.
Want ze vertelde altijd verhalen die tegelijk waar en gelogen waren; al meteen na haar eerste zinnen, wist ik niet meer of ik haar geloven moest. Niet dat het uitmaakte. Hoe je het ook wendde of keerde, wat ze vertelde was allemaal even gruwelijk, de leugens ook.
De kassière van de AH gaf een samenvatting van wat de veroordeelde vrouw had gedaan; dingen waar de jonge moeder de hele nacht aan terug zou denken. Haar kind huilde nog steeds, maar ze was gestopt met zacht heen en weer wiegen om het in slaap te krijgen. Ze staarde naar buiten. Het meisje achter de kassa beschreef de straffen die zij de kindermoordenares toewenste.
Petra was de straf voorbij. Haar hele leven was een straf geweest, vond ze, op de eerste twee jaar na. Daarna was haar geluk op en het weerzinwekkende begonnen. Maar dat had zij pas achteraf gereconstrueerd (gefabuleerd) uit alles wat in de tbs naar boven was gekomen. Gebeurtenissen die ze vanzelfsprekend had gemaakt. Opdat de mensen haar begrepen. Dat wilde ze graag.
Maar zelfs het minste begrip leek meteen op een soort medeplichtigheid, dus de mensen keken wel uit. Als ze begon te vertellen, wendden ze hun blik af, staarden ze in de verte, en lieten ze haar alleen met haar verhalen.
Ik uiteindelijk ook. Ik begreep van lieverlede mijn eigen leven niet meer – gewoon een beetje verdriet en een beetje geluk bij elkaar, eigenlijk wel mooi – dat hoe meer Petra mij vertelde futieler en futieler werd. Maar die gedachte was dan ook weer futiel.
‘Heeft u een bonuskaart?’ vroeg de kassière.
‘NEE!’
Ze deinsde achteruit. ‘Het is voor die mevrouw,’ zei ze zacht.
De moeder glimlachte naar mij terwijl ik mijn sleutelbos uit mijn zak haalde. Ik glimlachte terug. Ook naar het kassameisje. De baby viel stil.
Iedereen blij.
Domweg gelukkig door de bonuskaart.

Deftigdoenerij

rood potlood1

Had ik al eens verteld dat ik een kommaneuker ben? Daar kan ik niets aan doen, zo ben ik geboren. Ja, met een rood potloodje in mijn hand. Ik kwam met een schreeuw ter wereld omdat de vroedvrouw ‘Hij heb mooie zwarte haar,’ riep toen ze m’n kruin zag.
Een schreeuw van afschuw, ja.
Het is een ziekte.
Een soort allergie. Ik krijg van een allerlei dingen jeuk. Zoals van deftigdoenerij. Dat is de neiging om gewone dingen ingewikkeld op te schrijven met het doel om belangrijk over te komen. Schone schijn in tekst.
Een voorbeeld.
Het begint met een gewoon woord (zinnen kun je ook eindeloos deftig maken, maar ik begin simpel). Neem ‘samen’. Dat vind ik wel een mooi woord. Het is ook fijn om te gebruiken. ‘Mijn goudvis en ik gaan samen naar zwemles.’ Daar houd ik van, van dat soort mededelingen. Lekker duidelijk. Je ziet het meteen voor je.
Maar om een of andere reden willen sommige mensen dan iets anders met zo’n woord. Iets deftigers. Ik weet niet waarom. Doet er ook niet toe. Maar als ze het doen, deftig, komt er een zin als deze: ‘Mijn goudvis en ik gaan gezamenlijk naar zwemles.’
Opeens heeft goudvis in plaats van zijn blauw-met-gele-stippen-zwembroek zo’n hansop uit de 19e eeuw aan. Heel fatsoenlijk hoor, maar ik ga wel stil op de tribune zitten wachten tot de les is afgelopen.
Mensen die deftig willen doen niet. Die zien nog meer mogelijkheden: ‘Mijn goudvis en ik gaan in gezamenlijkheid naar zwemles.’ Het is nu gekleed zwemmen, en als het even kan zonder water, om te voorkomen dat zijn goeie goed eronder lijdt.
‘In gezamenlijkheid’, wat is dat? Iets heel akeligs. En ook iets ingewikkelds, want ‘in gezamenlijkheid’, dat is toch iets anders dan ‘samen’. Ik zie nu heel plan van aanpak voor me, waarin taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden staan, want zo’n zwemles, dat is een heel project, met kansen (diploma) en bedreigingen (verdrinking), mijlpalen (het diepe), doelen, resultaten, kortom, het echte werk.
Dat is saai. Ik wil gewoon samen met goudvis naar zwemles. Dus dat hebben we gedaan. We zijn gewoon gegaan, goudvis en ik.
Samen.
En weet u wat? Mijn rode potloodje blijft drijven!

p.s. 1: Het fenomeen deftigdoenerij is uitgevonden door Charivarius, een vermaard kommaneuker uit de eerste helft van de vorige eeuw. Ja, kinderen, dat was toen alles nog mono, zwart wit en 2D was.

p.s. 2: Tja, in mijn vorige blogs figureerde nog wel eens een cavia, maar die heb ik weg moeten doen. Iemand die mijn blogs altijd leest, wees me erop dat er een boek is verschenen van Pauline Cornelisse, getiteld ‘De verwarde Cavia’. Gaat ook over een cavia met menselijke trekken. Hoe bizar is dat? Om nu te voorkomen dat iedereen denkt dat ik dat idee van haar heb gestolen, is Cavia nu dus een goudvis. Mocht die Pauline het idee van mij hebben gestolen (god mag weten hoe), wordt ze bedankt. Ik heb zowat een middag lopen nadenken over een ander dier.

Strrrijdlustig

silos1

Lang geleden moest ik eens naar een vergadering op het ministerie van Justitie (‘veiligheid’ kwam later pas). De zaal waar ik heen was gezonden (de ‘Moddermanzaal’) was een soort collegezaal. In een van de voorste stoelen zat een man met een rood gezicht dat glansde in de schemer van het groene ’uit’-lampje bij de nooduitgang.
‘Nou,’ begon hij zonder inleiding, ‘dit is kennelijk symbolisch voor het soort overleg dat het departement wil voeren.’ Hij wees naar het spreekgestoelte en toen naar de rijen met banken. We kwamen alleen om te luisteren, bedoelde hij. Hij keek mij nog eens indringend aan.
‘Ik ben in een strrrijdlustige stemming,’ zei hij. Zijn ‘r’ rolde subversief de ruimte in. ‘Vanwege dit!’ Hij hield een stapeltje papieren omhoog. Het stuk dat wij zouden gaan bespreken. De instelling die hij vertegenwoordigde bleek er nauwelijks in genoemd en dan ook nog eens onjuist.
‘Strrrijdlustig,’ herhaalde hij.
Intussen was er nog iemand binnengekomen. Een man van een jaar of dertig wiens haar kortgeleden door zijn vriendin geknipt was. Hij leek op kabouter Plop, maar dan zonder muts. De boze man begon tegen hem weer over de zaal en het stuk. De papieren gingen weer omhoog. Plop gaf hem gelijk, want ook zíjn organisatie was er in het document maar bekaaid afgekomen. Hij beloofde meteen een concept brief aan de staatssecretaris uit zijn tas op te diepen waarin hij maar liefst achttien argumenten had opgesomd die bij elkaar genomen van het stuk niets heel zouden laten.
Het was een lichtbruine schoudertas van zadelleer.
Plop stond al snel uit de brief te declameren. Ik zag speeksel van zijn lippen spatten. De andere man ging met de papieren onder zijn arm naast hem staan om het ermee eens te zijn. Het was alsof zij een lied zongen.
Na het achtste punt van verweer verscheen achter hen een man die beleefd wachtte tot Plops rede af was om vervolgens mede te delen dat we elders moesten zijn. De mannen schrokken en probeerden met onhandige mimiek hun halve samenzwering een draai te geven.
Dat lukte niet.
Ik liep de zaal uit. Op weg naar de andere besloot ik om eens te proberen in de vergadering helemaal niets te zeggen. Het leek het me wel een mooie missie om geen ruzie te zoeken. Strijd was nergens goed voor. En strrrijd al helemaal niet.
Eh… dat staat hier politiek correcter dan ik het toen bedoelde. Ik wilde eigenlijk gewoon eens zien of het me zou lukken.
Ja. Ik kon zonder problemen het hele stuk bespreken door veelbetekenend te knikken of mijn wenkbrauwen te fronsen. Plop raakte ondanks zijn oefening in de verkeerde zaal verstrikt in zijn opsomming en staarde bij zo’n beetje alle komma’s en punten van het document zijn medestander in verwarring aan. Maar die wist het ook niet meer. Dat al hun tegenwerpingen in een of ander zwijgen vielen (ook de andere aanwezigen waren van lieverlede stilgevallen), beviel hen helemaal niet, maar ze wisten ook weer niet wat ze ermee aan moesten.
Dit was het eerste en meteen overtuigendste voorbeeld van silo-denken dat ik ooit zag.
Silo-denken?
Ja, dat is de moderne term voor verzuiling. Vergelijk het met een vergadering van de dieren in een kinderboerderij over hun gezamenlijk doel. komt niks van terecht. Het varken wil modder, de schapen gras, en de konijnen voldoende ruimte om nog meer konijnen te maken (zie voor een verslag van die vergadering dit blog).
Silo’s hebben geen glazen plafond maar een glazen muur (of misschien toch ook zo’n plafond, dat weet ik eigenlijk niet). Plop en zijn maat stonden daarachter en konden geen kant op. Maar dat wisten ze niet. Wij trouwens ook niet. Want wij stonden in onze eigen silo’s.
Daar kwamen we pas achter toen er van alles misging.
Ga ik het nou niet over hebben.
Want die silo’s zijn binnen een paar jaar rechts en links ingehaald door het grenzenloze internet en weldenkende mensen. Wat ik u brom. Maar mocht u er een zien, duw hem om. Maakt een prachtig geluid!
De vergadering eindigde met een amendement van de mannen, die hadden geëist dat we in de notitie het woord ‘fiets’ overal door ‘rijwiel’ zouden vervangen (ik verzin dit, het ging om andere woorden, maar als ik die noem, weet u meteen waar die mannen werkten en dat doet er nu niet toe). Bovendien bedongen zij een voetnoot waarin de afkortingen waarmee hun organisaties aangeduid waren voluit werden geschreven.
Toen ik buiten even bleef staan om een sigaar aan te steken (goh, ja, toen rookte ik nog!), kwamen ze ferm uit de draaideur gestapt. De een zei iets tegen de ander en ze lachten. Ik zag de vullingen in hun kiezen. Hun geschater kaatste tussen de gebouwen (=silo’s) omhoog.
Triomfantelijk.
Trrrriomfantelijk.

Naar Almelo

Livingstone1

Ik moest naar Almelo.
Dat is heel ver weg.
Voor iemand als ik.
Had ik al eens verteld dat ik niet van reizen hou?
Naar Almelo, dat is dus een reis.
Ja, lach maar.
Ik moest ook nog met een mevrouw van een onderzoeksbureau iets doornemen, dus we spraken af dat we elkaar op het station zouden ontmoeten, bij de Starbucks om precies te zijn, en dan, nog preciezerder, dus de Starbucks die het dichtst bij het jaarbeursplein ligt, om de hoek van spoor 21.
Ik geef deze inleiding om aan te tonen dat thuisblijven meestal het verstandigst is. Let maar op, alles gaat mis. Heen en weer fietsen naar de supermarkt of een winkel in de stad, dat is echt avontuurlijk genoeg. Verder weg, dat is gedoe; allemaal rituelen en dwangneurosen. En die dan altijd tevergeefs.
Het is een ziekte.
Maar goed, een mens moet de deur wel eens uit. Ik ook. Dus op een gegeven moment stond ik bepakt en bezakt en gehoed beneden bij de voordeur… om dus opeens te niet zeker te weten of ik alle ramen goed had gesloten. Sommige mensen gaan dan in gedachten hun handelingen na en concluderen dat alles in orde is. Anderen halen hun schouders op, mompelen ‘het zal wel’, en vertrekken.
Eek!
Ik kan dat niet. Ik moest dus terug naar boven. In haast. Want hoewel ik ruim de tijd had genomen, ik ken mijzelf, begon inmiddels toch de tijd te dringen. God mag weten hoe ik die telkens weer vermors.
Alles was natuurlijk gewoon dicht en het gas was uit, de achterdeur op slot, en ik hoefde helemaal niet te plassen. Maar toen ik weer beneden stond, voelde ik opeens een kou op mijn kop en besefte ik dat ik mijn hoed in de wc had laten hangen. Want ja, van al dat gejaag had ik het warm gekregen en om nou met dat ding op mijn kop dáár te gaan zitten… dat vind ik raar. Ja, ook als ik helemaal alleen in mijn eigen huis en onzichtbaar voor alle andere mensen ben. Daar heeft Sartre hele ingewikkelde dingen over geschreven die ik hier niet kan reproduceren en ook niet ga opzoeken. Cruciaal citaat is: ‘De hel, dat zijn de anderen.’ Ook als ze in geen velden of wegen te bekennen zijn. Onthou dat. Of nee, doe maar niet, dat maakt uw leven een stuk draaglijker.
Ik rende naar boven voor mijn hoed, om teruggaans mijn kuitspier of weet ik veel wat te scheuren toen ik overmoedig van halverwege de trap naar beneden op de grond sprong.
Viel.
Dat heb ik weer. Toch maar naar het station gestrompeld. Ja, fietsen gaat sneller, maar de tijd die ik daarmee win verlies ik vervolgens in de megalomane stalling van het station. Het zal wel aan mij liggen, maar iedere keer als ik daar kom, zijn er alleen maar plaatsen in die pesterige bovenrekken.
Had ik al eens gezegd dat ik nogal klein ben? Ik zou een lange verhandeling kunnen schrijven over de trauma’s die ik daarvan heb, vooral romantische, maar dat doe ik niet, want dit blog moet voor u ook een beetje leuk blijven. Weet in ieder geval dat mijn lengte me sinds mijn eerste verkering achtervolgt, alle mooie gedachten over innerlijke schoonheid ten spijt. Een goed hart en een groot verstand, daar heb je niks aan als je voortdurend naar boven moet kijken en de ander naar beneden.
Eh… Ik ging dus lopen.
Trekkebenen.
In de Starbucks probeerden een groep ouden van dagen wijs te worden uit het menu. En ik dacht dat ík ontheemd was (‘Koffie?’ riep het meisje achter de balie panisch uit. De mens is een raadsel.)
Groene schoenen. Aan de telefoon had de vrouw van het onderzoeksbureau gezegd dat ze die zou dragen. En ik had gezegd dat ik een hoed had.
Groene schoenen bleken nogal in de mode. In zes minuten tijd kwamen er acht vrouwen (en een man die zijn midlifecrisis bezwoer) met groene schoenen langs. En ik moest die ene hebben die op zoek naar een hoed was. Ik zal niet uitweiden over de misverstanden die ik veroorzaakte bij de vrouwen die ik hoopvol aansprak nadat ik eerst naar hun schoenen had gestaard (want je hebt groen en groen, en sommige zaten
net tegen turquoise aan, heus waar).
Zoiets is dan min of meer verdacht en ik weet niet wat ik daar aan kan doen. Maak het alleen maar erger.
Toen ik haar eindelijk dacht te zien, was ik te laat. Ze liep al zo’n beetje het station uit, bedaard maar gehaast, in een soort zwembadpas (ik leg dat niet uit) achter een hipster met een strogeel vakantiehoedje aan.
Nou ja!
Ook als ik géén gescheurde weetikveel had gehad, was ik blijven staan. Een hoed is een hoed. Geen raffia vogelverschrikkersding. Dat ze me kennelijk aan de telefoon voor zesentwintig versleten had (en 1,87 meter!), was vleiend, maar maakte het niet goed.
Dus ik liet haar gaan. Het was trouwens toch al te laat om nog te overleggen. Ik moest naar de trein.
(Later vernam ik – vraag me niet hoe – dat ze die jongen met zijn hoedje vertwijfeld aangesproken had – dat is dan weer niet verdacht – en dat hij haar natuurlijk had moeten teleurstellen, of nou ja, dat viel wel mee, want omdat ze net als ik geconcludeerd had dat wíj elkaar niet meer zouden treffen, en die conclusie met een nog vertwijfeldere zucht voor zich uit gepreveld had, had hij haar ter troost, op een kopje thee getrakteerd, en later, omdat het toch al een eind in de middag was, op een glas wijn, dit alles terwijl ze samen van het ene vrolijke onderwerp in het andere tuimelden, en ten slotte, moe van het lachen en in elkaars glanzende ogen kijken, naar zijn huis waren vertrokken om daar in elkaars armen op de bank in slaap te vallen).
Intussen was ík in Almelo ingehinkt. Op mijn bestemming aangekomen moest ik aan iedereen uitleggen hoe ik in hemelsnaam zo ver van huis verzeild was geraakt en hen toch had weten te vinden (mijn reputatie neemt altijd een trein eerder).
Wel ja. Één uur en twintig minuten over het spoor en ik was al even legendarisch als Livingstone.
Hoewel die langer was.
En geen zenuwlijder.
Denk ik.
Want dan word je geen ontdekkingsreiziger, dunkt mij.

Referendum

JONGENMETDAS4

Goed, dat referendum is alweer een tijdje achter de rug, maar van de week hadden ze het er weer over en toen zag ik op de tribune van de Tweede Kamer de jongen zitten die kort na de uitslag met een stropdas om in het journaal was verschenen. Ik herinnerde me nog dat hij zijn twee zinnen lange overwinningstoespraak besloot met «De bar is open!»
Dat was dus de tweede zin.
Ik zeg het maar even.
In de eerste zin schepte hij op over omverwerping van het democratisch establishment.
Of zoiets.
Niet veel tekst, maar voor mij genoeg om snel naar iets anders over te schakelen. Er is niets zo beschamend als een triomfantelijke politicus. Ja, ik schrijf politicus, want ook al wilde die jongen met das tegen het bestel schoppen en revoluties ontketenen en meer van die dingen, hij was (en is, en blijft) natuurlijk ook gewoon een politicus.
Zodra hij in beeld kwam, zag ik hem op zijn basis- en/of middelbare school (een paar jaar geleden, schat ik) bij het minste of geringste op de zeepkist klimmen om een petitie aan te kondigen. Tegen het nieuwe pauzerooster, tegen de prijsverhoging van de roze koeken in de kantine, tegen de bouw van een fietsenhok aan de rand van het schoolplein en tegen het nieuwe puntensysteem van de examencommissie voor Grieks en Latijn. Dat laatste bleek zo ingewikkeld dat alleen hij snapte waarom je ertegen moest zijn, een vaardigheid die hij onlangs hergebruikte om in met allerlei ernstige gezichten op de tv te komen.
Zoals ergens in een nieuwsprogramma waarin hij een lijstje van topics voordroeg waarover hij in de nabije toekomst het Nederlandse volk wilde raadplegen.
Zo’n lijstje, dat is dus een politiek programma. Kan iemand dat even aan hem vertellen? Een handige tekstschrijver lijmt alle onderwerpen aan elkaar et voila: een manifest voor de referendumpartij.
Lijst ‘Lijst’.
Het laatste punt van zijn opsomming was TTIP, wat ik helaas moest googelen, om erachter te komen dat het zo mogelijk nog ingewikkelder was dan het verdrag met Oekraïne.
Hoe irritant is dat? Heeft die jongen een hekel aan ons? Ja, zoals hij vroeger ook een hekel aan zijn schoolgenoten had. Of nee, dat was dédain. Maar dat is gewoon sjieke hekel.
(Even tussen haakjes, ik begreep dus eerst niet wat hij zei, omdat achter hem het feest al was begonnen en omdat ik niet wist waar hij het over had én omdat hij het op zijn Engels uitsprak – phonetisch: «tietip» – waardoor ik «tieten» verstond, wat ik gezien zijn voorkomen (jongen met stropdas om) en het gebral achter hem een volstrekt logisch onderwerp achtte; wat ik dan weer hilarisch vond toen ik daar achterkwam.)
Ik heb gelukkig altijd mijn humor nog, trooste ik mijzelf.
Ja, ik heb humor, en ja, ik geef het toe, ook een dirty mind, wat vaak hetzelfde is, want allebei een joy forever, en dus mijn redding, want zonder die eigenschappen zou ik allang mijzelf iets hebben aangedaan. Zeker als het over politiek gaat.
Of, nou ja, politiek is tot daaraan toe, en politici… tja, die horen daar nu eenmaal bij; maar triomfantelijke politici, die kan ik echt niet velen. Alfa-jongens met stropdassen om zijn heel eng. En oudere jongeren die op Peppi en/of Kokkie lijken trouwens ook. Ik weet niet meer hoe die kliniclown zonder ziekenhuis heet, die andere referendaris, alleen dus dat hij op Peppi en/of Kokki lijkt. Da’s meteen ook zijn enige verdienste, dat hij Peppi en Kokki in één guitige persiflage weet te vatten. Wat je daar verder mee moet, weet ik niet.
Eh… ik wil maar zeggen dat als een referendum dit soort jongens naar de barricades drijft, we hen echt moeten tegenhouden hoor.
Ja, van mijn part met een referendum.
Het laatste.
Triomf is echt heel eng. Ik bedoel, je gaat in de politiek omdat je idealen hebt, niet om te winnen. Laat staan om te óverwinnen. Triomferen over je tegenstander, da’s echt sneu.
En ook veel te makkelijk. Zestig procent ja’s winnen van veertig procent nee’s, van twee-en-dertig procent kiesgerechtigden.
Hoera, sla de vaten aan!
Triomferen over je medeburgers dat is helemaal droevig. Toch doen ze het, oude meneren met geblondeerd haar bijvoorbeeld, over Marokkanen. Dat is geen overwinnen, dat is haten.
Kom je ook overal mee op de tv.
Om Spinoza nog eens te citeren: «Haat kan nooit goed zijn».
Ja, open deur, maar verzin eens iets beters.
Ik zou het niet weten.
Dus een boodschap voor alle politici die vinden dat ze met hun zege moeten pralen: Minder! Minder! Minder!

Guus

mier

Laatst zag ik Guus. Hij zat in de zon tegen de pui van de Jacobskerk, precies zoals hij dertig jaar geleden altijd op de binnenplaats van het afkickcentrum zat, rug tegen de muur, zijn benen opgetrokken, hakken tegen zijn billen, en zijn armen om zijn knieën geslagen.
Als een kind.
Ik wou dat ik daar zat, dacht ik toen altijd.
En vorige week weer.
Jaloers op een junk.
Je hebt wel eens van die dagen.
Hij zag me, en wat meer was, hij herkende me.
Bizar en toch ook weer niet. Hij had hij een ondoorgrondelijk geheugen. Zijn hele leven al. Hij onthield alles, maar kon zich niets herinneren.
Rara, hoe kan dat.
Zijn verstand leidde een eigen leven.
Zijn lichaam trouwens ook.
Toen.
Op de dag dat hij binnenkwam, kon hij amper staan, dat wil zeggen, amper stílstaan. Hij knikkebolde met zijn hoofd, schokte met zijn schouders, stuiptrok met zijn armen, en drentelde eindeloos in het rond, opgejaagd door de hel op aarde. Hij rilde en beefde zo erg dat het pijn deed om er naar te kijken.
Deed ik dus niet. Hij keek trouwens toch niet terug. Hij staarde naar de grond.
En wachtte. Dat was het enige dat hij kon.
Moest.
Tot hij op een dag plompverloren verhalen begon te vertellen. Waar ze vandaan kwamen, was een raadsel. Zijn hoofd was een bingomachine, met herinneringen als de balletjes. Als er een uitrolde, gooide hij die voor je voeten.
Maar ze waren wel vluchtig. Voor je het wist, keerde zijn blik weer naar binnen en viel hij midden in een zin stil om dan na een eindeloos zwijgen weg te lopen. Alsof je niet bestond en ook nooit bestaan had.
Maar hij vergat dus niets. Het kon een dag duren, of een week, veel langer zelfs, maar opeens stond hij dan weer voor je en maakte hij het verhaal af, de tijd tussen de twee momenten verdampte wwar je bijstond.
Een paar weken later, de cold turkey en detox voorbij, zat hij in de zon en zei hij: ‘Kijk, een manke mier.’
Er kwam er een een mier langs met nog maar vier pootjes, een links en drie rechts.
‘Dat is een domme mier, want hij kan alleen in rondjes lopen. Net als ik. Straks komt er een vogel…’
Hij keek me aan, opende zijn mond voor de rest van zijn zin, maar zweeg en staarde langs me heen in de verte. Een dag later vertrok hij naar een begeleid wonen-project en ik zag hem nooit meer terug.
Tot vorige week dus.
Ik ging naast hem zitten.
‘En die neemt me mee,’ zei hij na een poosje.
‘Waarheen?’ vroeg ik.
‘De lucht in. Zo hoog, dat als ik omlaag kijk, jij ook een mier lijkt. Een domme ronddarrende mier.’
Ik zag mezelf bezig.
Hij keek me aan. ’Nou kijk je heel sip. Ben je misselijk, van het rondjeslopen?’
‘Ja, zoiets’.
Je hebt wel eens van die dagen.

Nieuwsgierig

Rear-Window-2

Mijn buurjongen van de overkant is een student met een pragmatische inslag. Hij slaapt veel en heeft weinig geld, dus om zijn kamer donker te houden heeft hij geen gordijnen gekocht, maar de platgevouwen dozen van zijn ikeakasten tegen het raam gezet.
Maar overdag dus niet. Nee, alleen als hij gaat slapen…
Had ik al eens gezegd dat ik nieuwsgierig ben? Nou als je in zo’n smal straatje als dat van mij woont, leer je dat wel af. Je hoeft maar één keer de overburen op de bank te zien tongen en je kijkt nooit meer zomaar naar buiten. Één beeld zegt meer dan duizend woorden, hoor je wel eens, maar om daar op nu zo’n manier bewijs van te krijgen… toen ze even overeind kwamen om adem te halen kon ik zonder moeite tussen haar tanden zien wat ze die avond gegeten had.
Tenminste, ik hoop dat het dat was.
Ik bedoel maar, te veel informatie kan ook.
Over gordijnen gesproken – want daar gaat dit blog over, wacht maar – ik ben eens verliefd geweest op een vrouw waar ik iedere dag langsfietste om naar haar gesloten gordijnen te kijken (ze hield ze namelijk altijd dicht, een nogal duidelijk signaal dat ik toen niet opving). Ja, achteraf beschouwd sneu, maar toen vond ik veel kracht in de tekenen die zij me gaf door die gordijnen op een bepaalde manier te plooien. Dat was natuurlijk allemaal flauwekul, maar dat wist ik niet. Ik was niet helemaal honderd. En dat wist ik dan ook weer niet. Om mijn schade en schande volmaakt te maken, dit speelde allemaal in een tijd dat ik toch al een aardige tijd volwassen was, of nou ja, te oud was om mijn puberale hormoonhuishouding er de schuld van te geven.
Eh… terug naar haar gordijnen.
Toen die op een dag ineens open waren en ik naar binnen keek, bleek haar hele kamer leeg.
Ze was verhuisd!
Ik heb in mijn hele leven nooit zoveel níets bij elkaar gezien.
Niets!
Het tegenovergestelde van liefde is niets. Het witte silhouet van haar bed op het vergeelde behang.
Waarmee ik maar wil zeggen dat nieuwsgierigheid goed is, maar ook gevaarlijk (ja, en soms zielig).
Toch is niet nieuwsgierig zijn nóg gevaarlijker (en vaak zieliger).
Hoezo dat?
Een paar jaar geleden moest ik een groep studenten voorlichting geven over een loopbaan bij de reclassering. Ik hield een verhaal, dat, al zeg ik het zelf, nogal enthousiast van toon was en waarin ik allerlei overtuigende en waterdichte bewijzen leverde voor de onafwendbare carrièrekeuzes die iedereen in de zaal zou maken. Iets anders dan de reclassering zou verspilling van tijd en kansen zijn.
Vond ik.
Tot ik dus op het einde vroeg wie er nog vragen had.
Niemand.
Nu was ik best wel tevreden met mijn verhaal, maar ik wist ook wel zeker dat ik op sommige punten even van geestdriftig vertellen naar rabiaat prediken was afgegleden, dus dat alles klip en klaar was, dat geloofde ik niet.
‘Niemand een vraag?’ vroeg ik nog eens, maar dan zoetgevooisd.
Nee.
Een hele zaal vol mensen die allemaal heel ernstig deden alsof ze hun nog niet uitgerijpte hersenen pijnigden.
Ik zag ze in gedachten tegenover een onder toezicht gestelde zitten.
En stapte van het podium.
Ik schat dat ik die dag door alle foldertjes bij mij te houden en iedereen verkeerde telefoonnummers te geven het huidige landelijke recidivecijfer met zeker vijf procent omlaag heb gebracht.
Risicomanagement is helemaal niet zo moeilijk.
Terug naar de overbuurman. Ik weet niet waarom. O, ja, omdat ik opeens aan Rear Window moet denken. Ik leg niet uit waar die film precies over gaat. In ieder geval ook over nieuwsgierigheid. Gevaarlijke nieuwsgierigheid. Loopt gelukkig goed af, maar wel nadat je eerst van de spanning zo’n beetje van je verstand bent gegaan. Grace Kelly is veel te mooi om gevaar te lopen.
Zoiets als in Rear Window zal mij bij mijn overbuurman en zijn vriendin niet overkomen. Ten eerste omdat hij erg van zijn vriendin lijkt te houden en haar dus niet zal vermoorden (hoewel je zoiets nooit zeker weet, de mens is een raadsel), ten tweede omdat ik geen verkering heb met Grace Kelly (die is niet alleen far out of my league, maar ook dood), en ten derde omdat hij dus gordijnen heeft opgehangen.
De overbuurjongen. Of zijn vriendin, dat weet ik niet. Maakt ook niet uit.
Zwarte rolgordijnen.
Wat dan wel weer als voordeel heeft dat ik nu in zijn spiegelende raam kan zien wat mijn benedenburen zo allemaal doen.
Had ik al eens gezegd dat ik nieuwsgierig ben?