The Old Black Horse Inn

OBH

De pub was volgepakt met luidruchtig drinkende twintigers die voor een tv zaten,  zo groot als biljarttafel, maar dan dus op zijn kant als het ware, sterker nog, dat was het eerste dat ik dacht te zien, een biljarttafel zonder poten tegen de muur geplakt, nogal vreemd, maar niet vreemder dan de hele situatie waarin ik terecht was gekomen, waarover later meer; het was trouwens een voetbalwedstrijd, op die tv, ook groen, dus zo raar was mijn associatie niet.
Goed, voor die reusachtige tv dus een kleine menigte Mancunians of Gunners of wat voor een koosnamen die voetbalfans ook hebben, ik had geen tijd, laat staan de rust om ook nog eens te checken wie er tegen wie speelden, en daaromheen zaten vijf of zes, ik heb ze niet geteld, op hun barkruk ingedutte oude mannen die om het allemaal nog spannender te maken daar telkens bijna vanaf vielen en dan precies op tijd wakker schrokken om enigszins besmuikt hun evenwicht te herstellen en mee te juichen of joelen, al naar gelang de algemene stemming. Het leek op zo’n act met bordjes op van die wiebelige dunne stokken, maar dan met een of andere  variété-engel als jongleur, die ergens tussen hemel en aarde vilein zijn act stond te oefenen.
Het meisje achter de toog had blauw haar.
Dit had ik allemaal niet verwacht. De pub niet, de drinkende voetbalfans niet, de suffende oudjes niet, het meisje niet.
Haar blauwe haar daarentegen stelde me wel gerust. Mooie kleur. Zeker temidden van de verder volstrekt grauwe en donkere, om niet te zeggen duistere kroeg.
Dat is-ie in mijn herinnering tenminste.
Maar ja, in zulke situaties is mijn geheugen niet zo heel erg goed. Want toen ik daar stond en me heel sneu en eenzaam aan het blauwe haar van dat meisje vastklampte (ja, figuurlijk, ik zeg het maar even, het was allemaal al bizar genoeg) zou ik gezworen hebben dat The Old Black Horse Inn op de foto’s die ik op internet bekeken had een aller schattigste kruising was van het geboortehuis van miss Marple (ik leg niet uit wie dat is) en een eftelingattractie.
Een echt Engels hotel.
The Old Black Horse Inn, hoe Brits wil een mens het hebben?
Dat old klopte. Zo’n beetje alles was oud. Behalve dan het meisje achter de bar dan, dat eruit zag als dertien. Misschien was ik verkeerd? Moest ik bij The New Black Horse Inn zijn? Zo’n stijf en statig, geheel uit dik tapijt en veloers gordijnen opgetrokken paleis met overal glimmende lakeien en een heuze receptie met mahoniehouten balie waarachter een bijna hooghartige matrone (een vrouw, drie en een half keer zo oud als het meisje) kamers toewijst alsof het haar eigen persoonlijke en hele creatieve ingeving is.
‘Hi there, how are you today?’ vroeg het meisje. Die vraag snap ik nooit. Dat wil zeggen, ik heb dan altijd de neiging om uit te gaan leggen hoe ik me die dag voel, maar da’s niet de bedoeling geloof ik, want als ik dat doe, krijg ik altijd glazige blikken terug.
Vraag het dan niet, wil ik dan zeggen, maar hoe dat beleefd pissig in het Engels moet, weet ik niet.
Dus ik zei: ‘I’ve booked a room here.’
Wat u niet kunt horen is de vertwijfeling in mijn stem. Het leek me nog steeds sterk dat ze in The Old Black Horse Inn kamers verhuurden. Maar het meisje knikte en vroeg me mijn naam. Tóén schrok ze. Ze herhaalde wat ik zei alsof het een vloek was, of nee, alsof ik ‘hij-die-niet-genoemd-mag-worden’ in hoogst eigen persoon was, en ging hulp halen.
Dat was een jongen die een formulier had waarop mijn naam stond, inclusief enkele beloften die ik moest doen en een stippellijntje om mijn handtekening op te zetten.
Ik tekende zonder iets te lezen of vragen te stellen, veel gekker kon het niet worden, leek me, en daarna brachten ze me samen naar mijn kamer.
Ho, dat klinkt gezelliger dan het was. Vergeet dat.
Het meisje bleek nieuw en de jongen verzon ad hoc een training on the job: zij moest alles doen en zeggen terwijl hij haar zou coachen en soufleren.
Wat ík moest doen, zei hij niet. Gewoon wat alle gasten doen, dacht ik dan maar, maar lieve help, gewoon was inmiddels het laatste wat in mij opkwam. Mijn leven zou sowieso heel anders zijn geweest en gelopen als ik meteen vanaf het begin had begrepen wat gewoon was. Zie mijn andere blogs.
Eh…
We gingen met zijn drieën door een deur naast de bar om uit te komen in een smal gangetje dat naar een al even smalle trap leidde. Daar kwam de jongen erachter dat we in de verkeerde volgorde liepen. Hij voorop, ik in het midden en het meisje achteraan, dat moest natuurlijk precies andersom.
Bovendien had hij de sleutel in zijn hand en dat was ook de bedoeling niet. Hij gaf hem aan mij, zonder te zeggen dat ik hem aan het meisje moest geven, want hij was veel te druk om haar met gebaren en gefluisterde aanwijzingen naar de kop van onze kleine optocht te dirigeren. Toen dat stukje bij beetje tot haar doordrong, overlaadde hij mij met een serie nauwelijks te aanvaarden verontschuldigingen (hoe doen ze dat daar toch, excuses maken waar jíj je dan vervolgens schuldig over voelt?) terwijl hij voor mij langs ging op weg naar het meisje dat op haar beurt aan de andere kant van mij naar voren toog.
Als u met mij wil medeleven, neem dan in gedachten dat híj mijn koffer droeg en zíj mijn tas en dat het trappetje dus erg smal was. Er pasten nog net een paar nieuwe excuses bij.
‘We’re going to the first floor, room two,’ zei de jongen toen we goed stonden. Het meisje keek panisch in het rond. Door al het gedoe was ze vergeten dat de eerste verdieping naar boven was. Ze botste tegen me op toen ze weer terug wilde, nee, stommelde in mijn armen.
Synchroonblozen, is dat een woord?
Doet er niet toe, we deden het.
Heel erg.
Toen ik me weer kon bewegen, wees ik naar een deur tegenover de trap, waar een grote 2 op was geschilderd. Ze glimlachte.
Wij erheen.
Nadat we er een paar tellen stil hadden getsaan, zei de jongen: ‘Now you open the door.’
Sleutel kwijt!
Ja, die had ik in mijn hand, maar dat waren we alle drie vergeten.
Ik sla het verslag van de uitgebreide en hilarische zoektocht naar dat ding over. Ons gezamenlijk lachen daarna ook.
Deerniswekkend was het enige woord dat in me opkwam toen ik tien minuten later op de rand van het bed ging zitten.
En opzij zakte.
En mijn ogen sloot om niet gek te worden van de stotterende tl-buis.
En naar het gedruppel van de douche luisterde.
En in slaap viel.

Het tafel en de vloerkleed

salontafel

Verreweg de aandoenlijkste taalfout die ik ken is het verkeerde lidwoord. Ik had ooit een collega die toen de bel eens kapot was een briefje op het raam plakte met de tekst ’kloppen op de raam’. Ik had haar bijna ten huwelijk gevraagd, zo lief stond dat daar. Ze was twee jaar daarvoor hals over kop haar overspelige vriend achterna gereisd naar Spanje, eerst doodgewoon om hem te stalken onder het motto van het vileine lied ‘I wanna be around’ (to pick up the pieces when somebody breaks your heart; luister naar de versie van Frank Sinatra, grimmig maar toch een beetje verdrietig, hoewel de uitvoering van Eydie Gorme – een vrouw – beter bij dit verhaal past), daarna, toen daarop (een gebroken hart) wachten zinloos bleek, om hem tot inkeer te brengen en weer voor zich te winnen, wat uiteindelijk lukte, maar niet zomaar, laat staan meteen, nee, pas na twee jaar dus, een eindeloze tijd waarin ze haar liefde weliswaar terugvond, maar alle dagelijkse kennis van het Nederlands kwijtraakte, en vooral haar gevoel voor lidwoorden.
De, het, een, ze haalde ze allemaal door elkaar. Hetzelfde met aanwijzende voornaamwoorden. Die, dat, deze, en dit stonden altijd heel schattig te lonken naar de verkeerde zelfstandige naamwoorden, of andersom, dat weet ik niet. Begrijp mij niet verkeerd, zulke vergissingen ontroeren me niet zoals kindertaal wel kan vertederen omdat kinderen zo schattig zijn. Nee, als ik ‘die brood’ lees, krijg ik gewoon een brok in mijn keel. Ik weet niet waarom. Zoiets is je reinste poëzie. Het gaat me dus niet om de mensen die dat schrijven. Ik zeg het maar even, want straks denkt u weer dat ik medemensen uitlach om hun povere kennis van het Nederlands.
Dat ik haar ten huwelijk wilde vragen om haar taalfouten was trouwens niet waar. Ik zou dat eerder hebben gedaan omdat ze verschrikkelijk mooi was. Zo mooi dat ik haar soms niet aan durfde kijken. Ben ik toch al niet zo goed in, oogcontact, maar bij haar had ik het na een kwartier al opgegeven voor de rest van mijn leven.
Echt waar.
Geen goede basis voor een huwelijk, trouwens.
Haar vriend stond dat ook in de weg natuurlijk, want die was na zijn/hun avontuur in Spanje zo verkikkerd op haar geworden dat hij haar toen ze weer in Nederland waren en hun nieuwe huis betraden meteen had gevraagd met hem te trouwen. En zij had natuurlijk ja gezegd.
Aan dit alles herinnerde ze me iedere dag door in elk verloren moment omstandig de catalogus van Brabantia door te bladeren of mij stalen van haar eventuele gordijnen te tonen. Ik moest haar zelfs raad geven over de combinaties van die stoffen met het aanstaande behang. We bladerden naast elkaar gezeten zo’n bijbels dik boek door met achterop de bladzijden de naar elders hunkerende namen van de dessins (ik herinner mij ‘Capri’).
Tja, dat waren geen eenvoudige tijden.
Terug naar die lidwoorden. De moderne oplossing voor die lidwoorden is ze gewoon weglaten. Tegenwoordig zit bijvoorbeeld iedereen ‘om tafel’. Niet om dé tafel, nee, om tafel.
Zonder zitten zelfs. ‘We moeten even om tafel,’ zei laatst iemand tegen me. Dat is dus dat je met elkaar gaat praten. Kan ook met zijn tweeën op een bankje in het park, maar dat is dan weer half en half romantisch of anderszins relationeel, vind ik. Je gaat niet met iedereen op een bankje zitten.
Toch?
Eh.. ‘even om tafel’ kan ook zonder tafel. En al helemaal zonder bankje. Uitvinding van de eeuw. Of, wacht, nu we het toch over tafels hebben… ik weet niet waar u werkt, maar ik kom tegenwoordig overal tafels tegen. Ieder project of programma heeft er tegenwoordig een. Wist u dat? Eerst was er de ZSM-tafel. Ik leg niet uit wat dat is. Maar dat was nog een echte tafel, met de politie, het openbaar ministerie en de reclassering op stoelen er omheen en casussen erop. Maar binnen de kortste keren kwamen er ook tafels die helemaal geen tafel waren, maar gewoon een stel mensen bij elkaar om ergens over te praten. Ja, waarschijnlijk aan een echte tafel, maar dat hoefde dus niet, want tafel werd opeens een ander woord voor werkgroep/overleg/commissie/etc.
Iedereen wilde een tafel, want dat was hip.
Ik schrijf wilde. Verleden tijd. Want het is alweer uit, geloof ik. Die tafels worden ook te klein. De halve wereld schuift aan. Zo zit je aan een tafel (echt of niet) en zo ben je van een netwerk.
Omgeving is de nieuwe term. Een collega van mij zit in/op/bij een ‘verdiepingsomgeving’. Ik zie zoiets dan voor me. Een of ander landschap met een paar teletubbieheuvels waar dan beleidsadviseurs in ronddrentelen of bij elkaar staan. Ja, dat laatste is de super modernste manier van vergaderen, écht zonder tafel. Bij elkaar stáán en dan dingen bespreken. Gaat veel sneller, want iedereen krijgt platvoeten en pijn aan zijn rug of schiet wortel en wil dus snel afronden.
Hoe dan ook, of een tafel nou hip is of niet, mijn toenmalige collega wilde er zeker een, ze kon alleen niet beslissen wat voor een, een ronde, ovale of vierkante. Een salontafel, wel te verstaan. Het burgerlijkste meubelstuk ooit, vond ik toen, maar dronken van haar schoonheid, brak ik samen met haar mijn hoofd over wat het beste zou uitkomen in haar huiskamer. ‘Neem dezelfde vorm als je vloerkleed,’ zei ik. Dat vond ze een goed idee. ‘De vloerkleed is vierant,’ dacht ze hardop, met een hartverscheurende rimpel boven haar rechteroog en een wijsvinger tegen haar onderlip. Toen heb ik haar toch gevraagd of ze met me wilde trouwen.
Nee, heb je…
Maar zo behendig als ik schrijf, zo stuntelig kom ik uit mijn woorden. Zeker als het om de liefde gaat. Dus ik mocht het aanzoek eerst aan mijn baas, en daarna aan haar man uitleggen.
’Nog een keer en ik geef je een klap op de hoofd,’ zei hij.
Ah…
Maar om hém nou ook te vragen…

Tafeltje voor twee

Lebowski

De digitale revolutie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Nou heb ik het niet zo op veranderingen, zeker niet als ze snel gaan en van alles op zijn kop zetten, wat bij een revolutie meestal het geval is, maar ja, ik wil ook het contact met de rest van de maatschappij niet verliezen (nee, toch maar niet), en mijn moeder koopt kaartjes voor het concertgebouw vanuit haar sta-opstoel met haar iPad op schoot, dus tja, een tafel voor twee reserveren in een eetcafé, daar moet ik ook maar eens aan.
Dacht ik.
Eh… een raar woord eigenlijk: ‘sta-op-stoel’. Ik bedoel, een meubelmaker wil mensen lekker laten zitten, lijkt mij, niet hen te helpen met opstaan. Als je een stoel maakt waar je doelgroep niet uit kan komen, moet je toch eens over je vak na gaan denken. Ik schiet trouwens altijd in de lach als ik zo’n ding zie, want ik stel me dan voor dat door een fabricagefout zo’n oudje op een dag de huiskamer in gelanceerd wordt.
A vicious mind is a joy forever.
Waar was ik?
O ja, digitaal tafeltje voor twee.
Het café dat ons wel wat leek had een website vol met foto’s van opgezette dieren. Niks voor vegetariers, dus. Maakte niet uit, want wij wilden hamburgers.  En Belgisch bier.
Vader en zoon op stap.
In het kadertje waarin in uitnodigende kapitalen ‘METEEN RESERVEREN’ stond, hadden ze ook dit geschreven: “Voor vandaag reserveren? Bel ons even en we kijken meteen even of er nog een tafel vrij is”.
Tot zover de digitale revolutie.
Jammer.
Want ik vind bellen eng. Mijn hele leven al.
Dus ik probeerde of ik echt niks kon typen. MIsschien was de mededeling over vandaag wel iets van gisteren wat ze vergeten waren weg te halen. Jawel hoor, alles werkte gewoon. 27 seconden later had ik een vrolijke bevestiging van mijn reservering.
Hoera!
Toen we ’s avonds binnenkwamen besloeg mijn bril. De rest van Utrecht was er ook, dampend van opwinding over het aanstaande weekeinde. Dat vind ik altijd een beetje sneu, want wat voor een leven hebben die mensen doordeweeks, vraag ik me dan af. Het duurde ongeveer vijf minuten voor we door hadden wie er van de bediening was en nog eens vijf minuten om een van hen door de menigte te volgen tot die (het meisje van de bediening) eindelijk stil bleef staan bij een tafel vol lege glazen. Op mijn mededeling dat ik een tafeltje voor twee had gereserveerd, zei ze dat ik daarvoor bij de bar moest zijn. Ze wees waar we moesten zijn.
Het was in de richting van Zeist. Daar moesten we naar Hester vragen.
Zo gezegd zo gedaan. Onderweg vroeg ik me af waar de tent zijn naam vandaan had. Er was nergens een tapijt te bekennen. Ook geen bowlingballen omgebouwd tot schemerlampen of kegels als geinige items aan hun touwtjes van het plafond naar beneden… In plaats daarvan overal wilde dieren.
Opgezet.
Hester was aan het praten met een jongeman.
Een moeilijk gesprek waarvoor ze telkens medelevend moest knikken. ‘Ja, maar dat is juist heel goed dat je dat bij haar hebt aangegeven!’ hoorde ik haar zeggen. ‘Anders blíjft ze dat doen…’
De jongen knikte. Zweeg. Twijfelde.
Ik ook; ging het over zijn moeder of over zijn ex?
Hester zocht zijn blik.
Wij wachtten.
Hm…
Misschien moest ik toch maar bellen?
Nee, ze zou vast niet opnemen.
Maar wat als ik nou mijn geduld verloor? Dat overkomt me wel eens. Het is niet leuk, voor mij noch voor omstanders, en ik weet jammer genoeg van tevoren nooit wanneer het gebeurt. Soms ben ik mijn geduld na een halve seconde al kwijt, soms pas na een paar jaar. In dit geval wist ik het niet. Ik besloot er niet op te wachten.
’Ben jij Hester?’ vroeg ik.
Ze glimlachte.
(Maar niet heus.)
Knikte.
‘We hebben een tafeltje voor…’
’Moment. Ik kom zo bij u. Ik wil even mijn gesprek afmaken.’
Ze legde haar hand op de jongen zijn arm.
Ik staarde naar Hesters hand en daarna naar het kippenvel op de jongen zijn arm. Ik kreeg medelijden met hem. En een hekel aan Hester.
Dat zag de vrouw die een meter verderop bierglazen aan het spoelen was. Ze droogde haar handen af en vroeg of ze mij kon helpen.
‘Ja, een tafeltje voor twee. Heb ik gereserveerd.’
Ze pakte een a4tje met een schema erop: namen, tijden, aantal personen. Wij stonden er niet bij.
‘Hoe heeft u gereserveerd?’
‘Op jullie website.’
Ze schudde haar hoofd en liep weg.
Dat kan natuurlijk ook! Dat ik daar zelf nooit aan denk! Gewoon weglopen! Dat zou een hoop misverstanden schelen. Ja, en sociale contacten, maar ja als u eens wist wat die misverstanden voor een schade aanrichten…
Maar daar gaat het nou niet over.
De weggelopen vrouw had Hester uit haar romance getrokken om aan mij dezelfde vragen te laten stellen. Maar Hester liep niet weg. Nee, Hester wees me erop dat die mededeling over opbellen er niet voor niets had gestaan. ‘Op zaterdagen is het te druk om de website te checken.’
Dit was een mooie trigger voor een driftbui vol verloren geduld.
Dacht ik.
Maar er gebeurde niks. In plaats daarvan schoot ik in de lach. Het was te absurd. En dat bleef zo, want ze liep ten slotte ook weg, maar dan in de veronderstelling dat we haar zouden volgen. Toen we daar achter kwamen, stond ze in de verte triomfantelijk naast een leeg tafeltje.
En naast een opgezette giraf.
Een halve opgezette giraf. Zijn buik hield op bij de muur.
Hij keek droevig op ons tafeltje neer.
Dat snapten wij ook wel.
En al helemaal toen we even later de kaart bekeken.
Stomme hamburgers. Veel te klein.
Stom bier. Allemaal IPA’s van hippe dertigers.
We stonden op en liepen weg.
Tip: dat is echt een hele goede oplossing voor heel veel onaangename situaties.
Buiten ging ik op mijn iPhone naar de website van het restaurant.
‘Wat doe je?’ vroeg mijn zoon.
‘Even netjes annuleren,’ zei ik.
27 seconden later had ik mijn bevestiging.
‘Jammer dat je niet komt. Tot een volgende keer!’

Inbraak

bromsnor-300x285

Goed, ik moet niet zo vroeg opstaan, want dan lig ik tenminste te slapen op het belachelijk vroege uur dat junks kennelijk uit stelen gaan. Maar ik was wakker, keek naar buiten en zag iemand in de auto van de overburen grasduinen. Eerst dacht ik nog dat het de buurman zelf was want het zag er allemaal nogal relaxed uit, maar toen herinnerde ik me dat hij van de overbuurvrouw gescheiden was en vond ik het bij nader inzien eigenlijk ook wel een rare tijd (04.45 uur!) om in het handschoenenkastje van je auto te gaan graven.
Maar ja, ik wilde niet te snel oordelen, want ik wordt zelf regelmatig midden in de nacht wakker om mij dan af te vragen waar ik mijn paspoort ook alweer gelaten heb, of die ene onverzonden liefdesbrief, het papiertje met mijn wachtwoord van dropbox, het bonnetje van de nieuwe stofzuiger, et cetera.
En die dingen ga ik dan zoeken.
Overal.
Dus eh… nou ja, misschien had de buurman dat ook.
Dacht ik.
Denken – dit soort denken, bedoel ik – is nogal nutteloos in urgente situaties als inbraken, snap ik heus wel, maar ja, ik ben een zenuwlijder, dat gaat maar door in mijn hoofd.
Het is een ziekte.
Toen ik eindelijk mijn mobieltje gevonden had, was de dief weg. Ik belde toch. De mevrouw van de 112 stelde mij vragen en zei: er rijdt nu een wagen aan.
Jargon! Ben ik dol op!
Wíé rijden ze aan? wilde ik vragen, maar dat leek me net even te bijdehand, zeker met een vers misdrijf voor mijn neus waar ik niet veel aan had weten te doen.
Vijf minuten later tufte er een politieauto door de straat, twee minuten later dezelfde nog eens (vanaf de andere kant), en weer twee minuten later stopte hij bij de auto van de overburen. Dat lijkt knullig voor een buitenstaander (dat was inderdaad precies wat ik dacht: knullig) maar dat was het natuurlijk niet. Ze waren vast en zeker eerst gaan rondrijden (vervolg op aanrijden) om te kijken of ze de dader elders zouden kunnen betrappen.
Bedacht ik toen de agenten uitstapten. Ze keken nog eens rond, zagen mij voor het raam staan en wenkten me.
Een van de twee had al voor mijn deur postgevat om mij vragen te stellen. Hij pakte een aller schattigst notitieboekje om mijn antwoorden in op te schrijven.
Toen moest ik aan de kroeg denken waar ik laatst een een kopje thee had besteld, wat de bediening stantepede in haar mobile device had ingevoerd, waarna ze het achter de toog al waren gaan het zetten terwijl ik nog over de smaak aan het twijfelen was.
De moderne tijd is niet voor zenuwlijders.
Lang leven de agent met zijn boekje.
Wel jammer dat meer dan de helft van de agent zijn vragen dezelfde vragen waren die de mevrouw van de 112 ook al aan mij gesteld had. Dat bedierf mijn warme herinneringen aan Bromsnor (ik ga niet uitleggen wie dat is) die vijftig jaar geleden ook zo’n boekje had, en een potloodje waaraan hij gezellig likte voor hij ging schrijven. Ik kreeg sterk de neiging om breedsprakig te worden, om de agent zodoende eindeloos aandoenlijk te laten voortpriegelen, maar dat deed ik niet, want ik stond in een rafelige ochtendjas op de stoep nat te worden van de miezer.
’s Morgens om (inmiddels) 05.30.
En ik besefte dat het eigenlijk wel goed was zo. Ik zag opeens de digitale variant van dat opschrijfboekje en een akelige big brother met big data die ergens in zijn onnoemelijke geheugen opsloeg dat ik kennelijk bij nacht en ontij getuige kan zijn van auto-inbraken om bij de volgende keer mij te vragen of ik wel een alibi had. En ik zag mijzelf vergeefs om een kopje thee vragen bij een weigerende ober die in zijn apparaatje heeft gelezen dat ik nog een boete voor fietsen zonder licht heb openstaan.
Lekker integraal maar ook irritant.
Toen fietste verderop iemand een dwarsstraat uit die precies aan mijn beschrijving van de dief voldeed.
Vonden de agent die de auto van de buurman bewaakte.
Hij een sprong in de politieauto terwijl mijn ondervrager luid ging staan praten in zijn vérspreekapparaat, kennelijk om weer een andere collega elders aanwijzingen te geven voor de achtervolging. Dat kwam niet goed door, want hij herhaalde het drie keer, telkens harder en langzamer.
In andere huizen van de straat gingen ook lichten aan. Ik stond even oog in oog met een van de studente van nummer 37. Ze bekeek mijn ochtendjas. Of mijn sloffen, dat kon ik niet goed zien.
Allemaal even onterend.
De agent liep tevreden – vraag me niet waarom – naar de auto van de overbuurman en/of buurvrouw om die nog eens te inspecteren.
‘Heeft u mij nog nodig?’ vroeg ik.
Hij bleef staan en zei: ‘Nee, dank u.’
Het was alsof we een scene uit herenleed deden.
Ik kan niet wachten op de brief waarin hij met veel bijbehorende stempels, parafen en handtekeningen het verslag van dit alles aan mij toezendt.

Close encounters

 In de enorme ontvangsthal van het centraal station in Den Haag stonden alle mensen bewegingsloos te staan alsof ze in het echt een maquette naspeelden, wat me wel een creatieve vondst leek om de opening van het nieuwe station mee te beginnen, om de cirkel rond te maken als het ware, maar niemand die op dat idee gekomen was, want ze stonden daar maar, verder niks.
Dus vroeg ik me af of ze misschien van een modern balletgezelschap waren dat op het begin van de muziek wachtte (wat een béétje creatief zou zijn, want zulke flash mobs zijn niet erg origineel meer, ieder centraal station heeft er al eens een op bezoek gehad gehad, op internet sterft het van de filmpjes erover, inclusief eentje die precies gaat over wat ik meemaakte).
Nee, het was anders, besloot ik. Een geniepig verkennersteam van buitenaardse indringers had hen versteend of bevroren of anderszins gefixeerd, op een manier waar wij aardlingen met de beste wil van de wereld de werking niet van zouden kunnen vermoeden.
Over creatief gesproken. Of outer space, dat is pas out of the box!
Vraag me niet waarom ik dit dan allemaal denk als ik ’s morgens om kwart voor zeven van de trein naar kantoor wandel. Ja, gewoon doorlopen in de alledaagse werkelijkheid kan ook, maar dat is verreweg de saaiste variant van alle scenario’s die zich op een dag in mijn hoofd aandienen.
Realiteit, dat is voor sukkels.
In dit geval was de realiteit frappant genoeg wel het ingewikkeldst, want hoe het ook zij, die mensen stonden echt allemaal stil in bizarre poses (ik laat even in het midden wat een bizarre pose is, weet wel dat ik niet snel ergens van sta te kijken).
God mocht weten waarom.
Ik had zelf namelijk geen idee. Ja, de bovenstaande.
Eh… dit leidde tot niets. Ik ging verder.
Ik keek nog een paar keer achterom om na te gaan of het allemaal echt was, want een zinsbegoocheling heb ik zo te pakken, maar er veranderde niets aan de hele toestand en ik besloot erin te berusten.
Leuk voor een blog, dacht ik nog.
Intussen was ik zonder dat ik het doorhad onder de ontmoetingswolk terechtgekomen.
Ontmoetingswolk?
Ja, dat is een nieuwe uitvinding van de spoorwegen, of van pro-rail, ik weet nooit wat het verschil is. Zij zelf ook niet, als ik het nieuws mag geloven.
Hoe dan ook, die wolk.
Dat is geen wolk.
Lijkt er niet eens op. Het is een zwevende kerstboom met veel te veel hyperactieve lichtjes, maar dan zonder de kerstboom.
Echt geen wolk. Laat staan ontmóétingswolk.
Ik heb er zeker tien minuten onder gestaan… Alleen!
Story of my life.
Ho, dat klinkt zieliger dan het is.
Ga ik het nu niet over hebben.
Hoewel het natuurlijk wel een beetje sneu was om daar te staan zonder iemand te ontmoeten, ook al was het een experiment dat ik ter plekke had verzonnen. Ik geef toe, een ander tegenkomen, in plaats van ontmoeten, had ik ook al mooi gevonden. Da’s vluchtiger, maar komt in de buurt.
Tegenkomwolk bekt dan weer niet zo fijn. En is raar, want elkaar tegenkomen is altijd toevallig. In ieder geval niet aan een plaats gebonden, laat staan aan een wolk.
Intussen was het alsof iedereen juist bij die wolk weg probeerde te blijven. Het was bij nader inzien ook wel een eng en dreigend gevaarte. Een kwaadaardig woekerende mistletoe van flitsen die een voor een het licht uit je ogen bliksemden.
Geen wonder dat geen mens zich bij me in de buurt waagde. Of dat was misschien omdat ik daar al een tijdje stond. Een mens kan wel even stilstaan in de hal van het station, maar na een poosje wordt zoiets raar, en nog wat later bizar, op de rand van verdacht.
Zie nogmaals hierboven.
Onder de ontmoetingswolk was ik zelf trouwens ook eng en dreigend, want het telkens verspringende licht maakte mij er natuurlijk niet vriendelijker op. Ik draag een hoed en iedere keer een akelige schaduw over mijn ponem schrikt af.
Snap ik ook wel.
Nee, die wolk was niks, en ik wilde verder lopen maar dat ging niet. Ik was zo stijf als een plank.
Eek!
Goed, toen ik besefte hoe het allemaal in elkaar stak, hadden ze me al bij de andere reizigers neergezet. En niet veel later verscheepten ze ons naar een ander sterrenstelsel. PGC 37617 om precies te zijn.
Daar sta ik nu. Te staan.
In een maquette van hun aanstaande vliegveld, of lanceerbasis, of wat het ook is, deze belachelijk grote vlakte waar ze hun duizenden zogenaamde ontmoetingswolken stallen.

Heel Holland

Heel holland2

Nieuws, daar hoor je ook veel over, tegenwoordig.
Alle mediamensen van Nederland kwamen bij elkaar in een grote zaal om grappen te maken. Ja, wij hebben ook een correspondents’ dinner.
Heel Holland grapt.
Ik heb er niet naar gekeken, maar zag op nieuwssites van alles langskomen, en begreep dat correspondent een ruim begrip was, want er waren ook een hele hoop gewone bekende Nederlanders. En ik concludeerde dat het niet echt een dolle boel was. Het was allemaal net als het guitige kuifje van Dolf Jansen, erg keurig.
Toch waren er natuurlijk mensen die niet alle grappen om te lachen vonden.
Ongepast zelfs.
Heel Holland zeurt.
Jan Slagter van omroep Max vond de insinuaties over zijn eventuele verkering met mevrouw Marijnissen van de gemeenteraad van Oss niet leuk.
Dat kan natuurlijk. Smaken verschillen. Ik vind zelf ‘de gemeenteraad van Oss’ al grappig (hm, een beetje). Ik weet dat Oss bestaat en dat die plaats een gemeenteraad heeft, maar als ik dat zo opschrijf, zit ik er bij te grinniken. Vraag me niet waarom. Ik zie dat hele stel dan voor me aan een tafel met microfonen waar ze te hard in praten zonder op het aanknopje te duwen.
De Osse raad.
Goed, het werd pas echt leuk, vind ik dan, toen Jan ging uitleggen hoe het zat.
In een verklaring.
In de krant.
Dat is altijd gevaarlijk, want voor je het weet, maak je jezelf met iedere ontkenning steeds verdachter. Het beste is meestal om te wachten tot zo’n gerucht vanzelf sterft.
Dat doet Jan niet, want Jan is een correspondent (bekende Nederlander) en die wil dus corresponderen (bekend zijn). Dus klaagt hij dat ‘het heel vervelend’ is ‘dat een en ander op deze manier in de media is verschenen en ook maar blijft verschijnen.’
Om dat te zeggen, moet hijzelf ook verschijnen.
Overal.
In de media.
(Even terzijde, in dezelfde krant komen Barry Atsma en Noortje Herlaar (dat zijn weer andere correspondenten) vertellen dat ze ‘er absoluut geen behoefte aan hebben om alles over hun privéleven te delen’.
Dat zeggen ze dus in de krant.
Tegen iedereen.
Waarom blijven ze niet als ieder ander verliefd stel lekker thuis in bed of in bad of op/aan de keukentafel met een Sachertorte of weet ik veel wat? Om zoals ze heel gewoon zelf al zeggen ‘gewoon hun leven te leven’?)
De misvatting van veel correspondenten is dat anderen willen weten wat zij meemaken. Dat is natuurlijk niet zo. Dat menen zij vooral omdat zij denken dat zij van zichzelf al interessant zijn en dus alles wat zij doen en laten ook.
Láten, in het geval van Jan.
Want ze hadden dus niks, Jan en Lilian (wat ook wel grappig is, die twee namen, zeg ze maar eens een paar keer hardop na elkaar… Jan en Lilian, ze zijn voor elkaar gemaakt!)
Hij zei dit: ‘Wij kunnen het zowel op maatschappelijk als persoonlijk vlak goed met elkaar vinden en ervaren een goede vriendschap’.
Eh…
Een vriendschap ervaren, hoe gaat dat?
Dat klinkt alsof het iets is wat zomaar gebeurt. Je staat er bij en je kijkt ernaar. Ondervindt het.
Zoals het weer. Of de centrale verwarming.
‘Wij kunnen het zowel binnen als buiten goed met elkaar vinden en ervaren daar warmte en kou.’
Als het zo zit, dan kun je net zo goed een liefdesrelatie ervaren. Met alles erop en eraan.
‘Wij kunnen het zowel op lichamelijk als persoonlijk vlak goed met elkaar vinden en ervaren goede sex.’
Dat is niet ongepast. O, jakkes nee. Het is zo keurig als een correspondents’ dinner.
Heel Holland gaapt.

Tiramisu

tiramisu

Ik ging uit eten. Met een hele afdeling beleidsadviseurs.
Wel ja.
Dat is natuurlijk een heel gedoe. Eindeloze voorbereidingen, plannen van aanpak en tenslotte een enorme excelsheet waarop onze namen stonden en in de andere achttien kolommen wat we wel en niet wilden, mochten, konden, durfden eten.
Ik lust alles, dus dat is makkelijk, zou je denken.
Écht niet. Want ik éét niet alles. Zeker niet buiten de deur. Nee, daar heb ik regels voor.
Ik heb overal regels voor.
Mijn leven is een soort verfilming van mijn eigen huishoudelijk reglement.
Goed, de regel is dat als ik uitga, ik altijd dingen bestel die ik zelf nooit maak omdat ze 1) te moeilijk zijn of 2) omdat ik te ver moet fietsen om de ingrediënten ervoor te kopen. Sinds ik ben verhuisd naar een buurt met zeventig nationaliteiten en ik om de hoek dingen kan kopen waar ik het bestaan niet van vermoedde en die ik soms niet eens aan durf te raken, zou ik die tweede regel dus makkelijk kunnen afschaffen, maar ja, ik ben een zenuwlijder, dus zomaar opeens iets overboord gooien, dat is wel een dingetje, eigenlijk.
Ga ik voorlopig niet doen.
Jammer genoeg had er op de menukaart niets gestaan dat aan mijn regels voldeed. Alleen maar dingen die ik zelf ook kon koken en die iedere buurtsuper ook heeft.
Ho, wacht even, voor u denkt dat ik kapsones heb en een etentje van de baas niet waardeer, dat is niet zo. Het gaat hier om de toepassing van een regel, hè! Daar zit ik nu eenmaal aan vast.
Had ik al gezegd dat ik een zenuwlijder ben?
Aangezien ik dus hele gewone dingen had besteld, wist ik niet meer wát.
Paniek!
Alle anderen waren het ook vergeten, maar die voelden zich niet schuldig. Die bloeiden juist op in de vrolijke wanorde die ontstond.
Hoe dat kan, snap ik niet.
De mensen van het restaurant werden er níét vrolijk van. Ze hadden de excelsheet geprint, wat aardig en voorzienig was, maar de mevrouw die aan het hoofd van de tafel kwam staan om onze namen en gerechten af te roepen, keek heel boos. Ze had ook hele lange nagels die ze drie weken geleden rood had gelakt. En een hese rauwe stem. En gitzwarte ongekamde haren.
Nu was ik dus ook nog bang.
En iedereen bleef maar doorkakelen, zodat ik niet kon horen of ze mijn naam riep. O, straks houden ze iets over en dan ziet iedereen dat ik vergeten was wat ik besteld had, dacht ik. De hele tijd dus. Ook nadat ze de gerookte zalm voor mij had neergezet.
Na de zalm kwam een biefstuk en daarna was het over, want we kregen allemaal hetzelfde toetje.
Pardon, dessért.
Dat zei de mevrouw met nadrukkelijke Franse tongval. Vergane chique is eigenlijk erger dan koude kak, stelde ik vast. Ze kwam weer bij onze tafel staan, nu met de kok naast haar. Hij droeg een groot blad waarop met vla gevulde whiskyglazen stonden.
Nu weet ik heus wel dat je van koken vies kunt worden, maar deze kok had het overdreven. Al een paar weken lang. Ik keek naar de spetters op zijn schort en dacht aan Dexter.
Ik was nu toch al bang.
‘Dames en heren, mag ik even uw aandacht?’ riep de vrouw. ‘Henry gaat u vertellen wat het dessért is.’
Henry wilde helemaal niet vertellen wat het dessert was. Hij wilde terug naar de keuken. Hij was niet voor niets kok geworden. Met pannen kon hij nog een beetje overweg, maar mensen… En dan 25 beleidsadviseurs tegelijk!
‘Het is Tiramisu,’ zei hij.
Zelden zo’n subtiel dreigement gehoord.
Kregen we toch nog iets wat ik niet zelf kan maken. Dat wil zeggen, Tiramisu wel, maar niet de variant van Henry. En het was ook meteen iets waar ik heel ver voor moest fietsen.
Op de vlucht dan.
Voor Henry.
Ik moet eens leren mijn brutale mond te houden.

Leidingzoeker

Leidingzoeker

Ik zocht een leidingzoeker. Ja, iets zoeken wat iets zoekt. Leiding nota bene. Die man is helemaal de weg kwijt, hoor ik u denken.
Misschien.
Ik wilde een kapstok ophangen, maar dat durfde ik niet, want gaten in muren boren, dat is eng. Of laat ik voor mijzelf spreken, ík vind dat eng. Ik ben als de dood dat ik iets raak met mijn boor en rampen veroorzaak; de halve stad zonder licht, warm-waterfonteinen in de huiskamer, open verbindingen met de buren, dat soort dingen.
Ik ben een zenuwlijder, weet u nog? Ik zie overal beren op de weg. Maar goed, het leven gaat door en een mens moet wel eens iets ophangen.
Bang of niet.
Eigenlijk is het angst voor het onbekende.
Voor iets vreemds in de muur. Of achter de muur.
Ik ontwijk hier een enorme kans om uit te pakken met een metaforische les over muren en xenofobie. Laat ik dit zeggen: xenofobie los je niet op met een leidingzoeker.
Goed terug naar dat ding.
Prima woord, vind ik.
Leidingzoeker.
Ik ben in mijn carrière een paar keer leidinggévende geweest (ik gebruik dat woord alleen om het verschil met leidingzóéker uit te drukken, want eigenlijk is het een laf eufemisme voor baas of chef) en ik kan u vertellen, dat is eigenlijk de hele dag zoeken.
Twijfelen.
Nu ben ik dol op twijfel, maar je wordt er wel moe van. Iets zeker weten, dat heeft ook zijn voordelen.
Zoals rust.
Vandaar dat ik dat instrumentje zocht. Want het is dé hulp voor zenuwlijders die gaten moeten boren. Het kan zo vreemd niet zijn, wat er in of achter zo’n muur zit, of dat ding vindt het.
Gelukkig voelde de meneer van de ijzerwarenhandel met mij mee (Pijper in Utrecht, ga daar gewoon eens heen, ook als u niets nodig heeft, alle schroom voor techniek en de bijbehorende cultuur van mannen – ja, meestal mannen – die om hun professie voor zichzelf te houden geheimtaal praten, valt van je af als je daar binnenstapt want iedereen daar legt alles uit – de zaak is van een vrouw; ik ken geleerde chirurgen die veel van die mensen daar zouden kunnen leren).
Hij (de ijzerwarenman) was dan wel tussen de schroeven en pluggen opgegroeid, maar vond gaten boren ook een akelig avontuur. Telkens weer (wat ook een pachtig Nederlands lied van Willeke Alberti is, dat ze prompt in mijn hoofd begon te zingen, het gaat over liefde, of eigenlijk de herhaalde en vergeefse pogingen om iemand lief te hebben, wat in een ijzerwarenwinkel een beetje out of place is, maar ja, ik neuriede het al mee).
Nee, de man wist precies wat ik bedoelde (met boorangst, niet met liefdesverdriet, dat wist-ie misschien ook wel, maar daar hadden we het niet over) en trok resoluut een doos te voorschijn, die hij met het plastic venster naar boven op de toonbank legde. Hij liet me er even naar kijken.
Om eraan te wennen, denk ik.
Daarna vertelde hij me wat ik allemaal met het ding kon vinden. Leidingen dus (niet goed!), maar ook metaal (vlechtwerk in beton, niet goed!) en hout (balken achter gipsplaten, goed!).
Was alles maar zo eenvoudig in het leven. Liefde bijvoorbeeld (Willeke zong gewoon door). Een apparaat dat je met lichtjes laat zien wat je zoekt en wat je vermijden moet. Exit twijfel!
Ja, saai, maar ik zou er af en toe (nu ook, op weg naar het nog steeds onzekere einde van dit blog) meteen voor tekenen.
Ik naar huis, zes en dertig keer de batterijen op een andere manier in het apparaat gestopt (ja, dat kan niet, weet ik ook, toch deed ik het, want het ding gaf geen sjoege, geen piep of lampje, niks, tot ik eindelijk de minuscule plusjes en minnetjes op de metalen contactjes zag staan en gelukkig ook op de batterijen, want ik vergeet altijd wat op die dingen plus en min is) en toen tegen de muur gehouden. Vier keer horizontaal langs de muur bewogen, zoals in de gebruiksaanwijzing stond. Geen leiding, geen ijzeren vlechtwerk, niks.
Hm. Daar stond ik, alleen in mijn halletje, alle seinen op veilig, en toch weer twijfel.
Niks exit.
Eigenlijk ben ik daar dus helemaal niet dol op.
Twijfel, me reet.
Zo’n kapstok, wat heb je daar nou eigenlijk aan? Die jassen liggen toch prima op de bank? Daar zit ik toch nauwelijks op. En mijn hoeden, die komen juist mooi tot hun recht op de vensterbank, heel nonchalant en toch ook sjiek.
Ik legde mijn boor neer.
Hm…
Daar trapte ik niet in, oud en wijs genoeg om mijzelf te doorzien, ook al lijd ik aan hele erge cognitieve dissonantie. Ik haalde diep adem en sloot mijn ogen. En ik zag een scène uit Gravity (dat is een film) voor me. De hoofdpersoon zweeft ergens in het luchtledige en wil naar huis, maar ze weet echt niet meer hoe ze terug moet en geeft het op, trekt overal de stekkers uit, en gaat liggen wachten tot ze dood gaat. Dan droomt ze dat haar dode en ogenschijnlijk herrezen collega haar bezoekt, die zegt – ik parafraseer nu en vat samen – ‘ja geef maar op, lekker makkelijk. Dan ga je gewoon niet naar huis.’
Dat boren kreeg opeens reusachtige symbolische betekenis. Angst voor mijn angsten, dat was het eigenlijk. Ik kreeg de zenuwen van mijn eigen zenuwen.
Dat heb ik weer.
Télkens weer (“als een vlam omhoog, uit de oude as“, Willeke was terug).
‘Na, na, nana naa!’ jende m’n boor vanaf de grond. Dwars door Willekes hartverscheurende laatste regels heen. Ik greep het ding beet, boorde als een razende vier gaten in de muur en wachtte hyperventilerend op de rampen.
Niks.
Hoera!
Rust.
Op Willeke na dan, want die bleef maar zingen. lieve help, zo zeldzaam is echte liefde nou ook weer niet.
Toch?

Zeg maar niets meer

Hazes1

André Hazes. Om kwart voor drie in de nacht. Dat wil zeggen, een lied van André Hazes. Hij zelf natuurlijk niet. Ook niet in een of andere bizarre droom. Nee, ik was wakker.
Door dat lied.
‘Zeg maar niets meer.’
Dat was de titel van het lied. Starend in het donker wist ik dat nog niet, want om een of andere reden bleven de jongens van het hengstenbal bij de achterburen (want die zongen het) telkens hangen bij ‘maar dit is de laatste keer!’ Met een uitroepteken dat niet in de officiele tekst staat.
Ik heb dit de volgende morgen opgezocht, of eigenlijk een uur of wat later al, toen ik om niet krankzinnig te worden maar opstond, nee, op de rand van mijn bed ging zitten en die ene godvergeten zin van André googelde om ook de rest van het lied te weten, en te horen, en te zien, want nu wilde ik alles in mij opnemen, in mij opzuigen zelfs, ja ik was niet meer te houden, ik haalde diep en dieper adem alsof ik Hazes zelf was… en alles kwam weer terug!
Kwam weer terug?
Ho, ik ga te snel. Onthoud deze bekentenis en lees gewoon door.
Terug naar dat uitroepteken dat er niet was, maar dat ze wel zongen. Die jongens.
Heel erg zongen.
Om dan vervolgens niet meer te weten hoe het verder ging.
Dat lied. Die zin. Ja, zelfs die ene zin verhaspelden ze iedere keer.
Nou vind ik keihard zingen in de nacht tot daar aan toe, iedereen doet dat wel eens, denk ik, in een bepaalde fase van zijn leven (ja, zíjn leven, vrouwen doen dat volgens mij niet, zingen in de nacht, ik weet niet waarom niet, kan iemand dat eens uitzoeken voor mij?), maar keihard zingen om 02:45 en dan alleen de eerste regel van het refrein, steeds opnieuw, en steeds net verkeerd, dat is irritant.
Strafwaardig, om eens een akelige hedendaagse constructie te gebruiken (iedereen plakt tegenwoordig overal ’waardig’ achter, heel deftig).
Goed, er zijn mensen die voor minder de politie bellen. Die durven dat. Ik bedoel dan dat ze er niet voor terugschrikken om 112 lastig vallen met de klacht dat er een paar dronken gozers lawaai maken.
Ik durf dat niet, omdat ik dan zonder dat de meneer/mevrouw aan de andere kant erom vraagt, ga uitleggen welk lied het is dat ze zingen (die jongens), en me dan vergis en die meneer/mevrouw nutteloos bezet hou omdat ik twijfel over de juiste tekst, interpunctie, melodie, rijmschema, et cetera.
Dus ik blijf wakker liggen en doe niks.
Dat is in mijn leven heel vaak het beste.
Alhoewel, als ik niets dóé, ga ik denken. In mijn bed en in het donker is dat niet goed. Laat staan het beste.
Er was iets met dat lied, drong heel langzaam tot me door. Ik was niet van de branieschoppers en hun gezang wakker geworden, maar van een herinnering.
Maar van welke?
Ik heb er heel veel.
Het was een nare herinnering, dat had ik zo onderhand wel door.
Daar heb ik er ook heel veel van.
U mag er gratis een paar komen ophalen, als u wilt.
Goed, verder verdringen heeft dan geen zin meer, weet ik inmiddels, dus iPhone erbij.
Zo’n lied is niet moeilijk te vinden. Na twee woorden staan de hits (no pun intended) met miljoenen om aandacht te juichen. Angstwekkend is de menigte die zelf niet vreest. Die is niet van mij, maar van Spinoza, die het weer van Tacitus heeft, ja mensen het spijt me dat ik dat allemaal hier optyp, maar ik moet dat, en niet om erudiet te doen, maar om te voorkomen dat ik gek word (die is dan weer van Gerard Reve, die ook een zenuwlijder was, maar mooier schreef dan ik, dat is echt waar).
Ik durfde niets aan te tikken en legde het ding weer weg. Wel knap hoe gevoelig ze die schermpjes tegenwoordig kunnen maken hoor, maar wat een mens allemaal niet teweeg brengt met het minste gebaar, dat is zo’n beetje gevaarlijk aan het worden…
Hazes begon te zingen vanaf mijn nachtkastje.
Hm… er begon me iets te dagen.
ik zette m’n iPhone harder.
God wat kon die man mooi zingen.
Mooier dan ik. Maar ja, hij stond niet ongenodigd op de bruiloft van zijn jeugdliefde te galmen. En hij hoefde niet naar lucht te happen omdat er vijf mannen op hem waren gesprongen.
Tja… geen plan B, dat is altijd mijn makke. Ik had wel de tekst en melodie dertig keer geoefend, maar niet nagedacht over hoe zo’n partycrash op anderen over zou komen. Dus een vluchtweg had ik niet.
Jeanette vond het zelf wel grappig trouwens, meende ik me te herinneren (ja ik zag het allemaal weer helder voor me).
Haar broers en vader dus niet.
Carré zong intussen met Hazes mee.
iPhone nog iets harder. Ik zong ook mee.
Eerst in gedachten.
Zo’n tekst vergeet je nooit meer. Ik haalde diep adem en voegde me feilloos in de zingende massa.
Heerlijk, zo’n samenzang!
Goed, er zijn mensen die voor minder de politie bellen.
Zoals de jongens van dat feest, die inmiddels allemaal moe van het zingen in slaap gesukkeld waren.

Dikke Ed en Eddie

figuurzaaag

In de stad zag ik dikke Ed. Een man uit de tijd dat ik ‘cultureel jongerenwerker’ in een buurthuis was (ja, kinderen, dat was in de jaren zeventig; straks leg ik uit wat ik in dat buurthuis deed).
In die tijd was hij een kolossale man die op een onbegrijpelijke maar vanzelfsprekende manier heroïne, bier en overgewicht combineerde met een huwelijk en de opvoeding van zijn zoon. Dat leek lange tijd goed te gaan. Maar de voorlaatste keer dat ik hem zag, probeerde hij dronken, op de rand van laveloos, zwalkend over de stoep een krant te lezen die telkens tegen hem aanwaaide tot de wind er een eind aan maakte en alles uit zijn handen rukte en de straat inblies. Dikke Ed ging er achteraan en graaide wild met zijn handen naar de dichtst bijzijnde bladzijde, als iemand die verdrinkt en iets drijvends zoekt.
Hij viel.
Nadat ik hem overeind had geholpen en op een vensterbank had gemanouvreerd herkende hij me. Hij vertelde me dat hij drie dagen daarvoor wakker was geworden in een ziekenhuis met allemaal plastic slangen in en uit zijn armen, draden op zijn borst geplakt en naast zijn bed ‘van die tv’tjes waar alleen maar bewegende lijnen op te zien waren’.
‘Niks voor mij, zo’n ziekenhuis,’ zei hij. Hij had alles losgetrokken en was naar huis gelopen. Waar zijn vrouw zijn spullen op de stoep had gezet en de sloten had vervangen.
Hij miste Eddie. Zijn zoon.
‘Wil je hem de groeten doen?’
Eddie zat bij mij op ‘de club’. De club, dat was een cultureel werk-fenomeen. In dit geval bestond de club uit zes jongens die onwennig maar gretig aan het begin van hun pubertijd stonden en eens in de week naar het buurthuis kwamen om mij angst aan te jagen. Want hoewel ze ijverig en van goede wil waren, telkens weer bereid om hun ziel en zaligheid in mijn plannen te steken, liep alles altijd in het honderd en mondde iedere activiteit (ik organiseerde ‘activiteiten’) uit in een hilarische apenkooi met mij als een oppasser die bij iedere afwijking van het oorspronkelijke programma twijfelend zijn rol overdacht. Ja, twijfelend, want hoewel ik destijds (ik was nog student) nog geen benul van beleid of ‘doelstellingen’ had, was op het buurthuis wel duidelijk dat het cultureel jongerenwerk natuurlijk niet het zoveelste bolwerk van autoritaire betweters moest zijn. Die waren er al genoeg (bolwerken én betweters). Nee, als er iets van die jongens terecht moest komen, als zij niet verslaafd en crimineel moesten worden zoals de rest van de buurt, dan waren verboden uit den boze. Ze mochten toch al zo weinig.
Dus leerde ik de jongens zelf brood te bakken, asbakken te kleien en kapstokjes of andere huishoudelijke attributen te figuurzagen, en nam ik hen mee op reis met de trein (naar Driebergen-Zeist en weer terug) in de veronderstelling dat zulke activiteiten waren die hun wereld verruimden. Thuis, school en ‘het wijk’ waren benauwend en via cultureel jongerenwerk kon je daar uit ontvluchten.
Dat was de gedachte.
Voor 50 cent kregen de jongens anderhalf uur iets anders dan een kansloos bestaan, met de uiteindelijke bedoeling dat zij dat bestaan zodoende konden verlaten.
Welja. Lang leve de maakbare samenleving.
!!! Spoiler alert !!! dit blog wordt steeds cynischer !!! Sorry !!!
Jaren later kwam Eddie opeens naast mij op een bankje in het Wilhelminapark zitten. Hij sloeg zijn arm om mij heen en drukte me even ruw tegen zich aan. Om het weerzien te vieren, denk ik. Daarna vertelde hij wat hij allemaal had gedaan en meegemaakt sinds de woensdagmiddagen op het buurthuis. Tragisch triomfantelijke verhalen over zijn leven binnen en buiten de bajes met de andere jongens van de club. Dat cultureel werk-fenomeen was namelijk naadloos in een heuse gang overgegaan. Hij somde op waar hij allemaal voor had gezeten (en nog een paar keer zou zitten, maar dat wisten we toen nog niet).
Hij was even groot, zo niet groter dan zijn vader, maar hij heette nog steeds Eddie, al noemde iedereen hem meestal ‘het beest van de Maasstraat’.
Zei hij.
Omdat ook zíjn gulzigheid, net als die van zijn vader, groter dan zijn leven zelf was.
‘Ik weet niet wat het is,’ zei hij, ‘het is gewoon nooit genoeg.’ Hij moest alles meemaken en alles moest daar voor wijken.
Alles.
God mocht weten waarom. Eddie wist het in ieder geval niet.
Tot zover de werking van broodjes bakken en figuurzagen. Zijn ziel en zaligheid was nergens meer te bekennen en de ijver die hij nog had, gebruikte hij voor inbraken, berovingen en vechtpartijen met agenten. Na het gesprek op dat bankje verloor ik hem voorgoed uit het oog.
Maar zijn vader, niet. Die kwam ik nog wel eens tegen, zoals laatst dus in de stad. Hij was allang niet dik meer. Zijn enorme lichaam was verschrompeld tot een scharminkelig lijf met dunne armen en hij zat met een plaid over zijn benen weggezakt in een elektrische rolstoel die zo nu en dan met een schokje naar voren of naar achteren reed omdat hij zijn handen niet stil kon houden. Gewoon opstaan en dan terug naar huis lopen zat er niet meer in.
‘Hé!’ riep hij naar mij. ‘Zeg je niet meer gedag?’ Ik bleef staan. ‘Ken je me niet meer?’
‘Jawel,’ antwoordde ik. ‘Jij bent toch Dikke Ed?’
‘Nee, man! Eddie! Eddie van de club!’